Les 14 – Enos, Jarom, Omni, Woorden van Mormon

“Met een wijs oogmerk”

Schriftteksten: Enos,  Jarom,  Omni,  Woorden van Mormon
Deze pagina als   PDF

1 – Over de verdeling in boeken en hoofdstukken
2 – Het leeftijdenvraagstuk van Jakob en Enos
3 – De onthullingen van een familiekroniek
4 – Amaleki: een knooppunt van historische transities
5 – De Woorden van Mormon: een lastige inlassing
6 – Gestructureerd lezen14_Rubens_Studie van een oude man_2_M

 

“Studie van een oude man II”  van Peter Paul Rubens (1577-1640)

 

In deze les volgen we oude mannen die, de een na de andere, een kroniek aan een volgende in lijn overdragen. Zij doen dat getrouw, vierhonderd jaar lang. Vandaar de kunst bij deze bijdrage: Nederlandse en Vlaamse schilders van de 16de en 17de eeuw waren in heel Europa beroemd voor hun meesterschap in het vereeuwigen van de karaktervolle hoofden van oude mannen.

 

 

1 – Over de verdeling in boeken en hoofdstukken

De kleine boeken Jakob, Enos, Jarom, Omni en de Woorden van Mormon geven de gelegenheid iets over de verdeling in boeken en hoofdstukken te zeggen.

Toen Joseph Smith de tekst van het Boek van Mormon dicteerde, las hij die af van de Urim en Tummim of van een zienersteen (zie hier in les 10). De woorden verschenen een voor een, of in kleine woordgroepen, in een lineair proces. Joseph Smith had geen voorafgaandelijk zicht op de structuur van het boek, noch op onderdelen of hoofdstukken. Ook de personen die de tekst opschreven wanneer Joseph dicteerde – eerst zijn vrouw Emma, dan Martin Harris, en ten slotte Oliver Cowdery – hadden geen idee hoe lang bepaalde onderdelen zouden duren. Zou Enos even lang worden als Nephi? Zou Alma even kort zijn als Jarom?

Uit de tekst zelf moest dus worden opgemaakt wanneer een onderdeel eindigde en een nieuw onderdeel begon. Soms was dat vrij duidelijk dankzij aanwijzingen van kroniekschrijvers, bijvoorbeeld wanneer Nephi, Jakob, Mormon of Moroni zich bij de aanvang van hun onderdeel voorstellen en op het einde afscheid nemen. Mormon, die het geheel van de platen in de vierde eeuw na Christus samenstelde, gaf eveneens aanduidingen over de structuur, maar ook die aanduidingen ontdekte Joseph Smith pas tijdens het lineair dicteren. In andere onderdelen waren begin en einde minder evident. Volgens Royal Skousen, de expert die het meest met de materie vertrouwd is, is het best mogelijk dat de originele tekst ook aanduidingen voor interne secties gaf, die Joseph Smith opmerkte en liet noteren als nieuw hoofdstuk.[1]  Zo werd de complexe samenstelling van het Boek van Mormon beetje bij beetje zichtbaar.

Het eerste manuscript, de zogenaamde “copy zero”, bevat de tekst zoals rechtstreeks uit de mond van Joseph Smith op papier overgenomen. Daarvan maakte Oliver Cowdery een afschrift, de zogenaamde “printer’s copy” of  P-kopij, om die aan de drukker te bezorgen. Op de P-kopij voegden Joseph en Oliver de nodige indicaties toe voor bijkomende titels en nummers van hoofdstukken. Voor de indeling in boeken gingen zij er blijkbaar van uit dat, na Nephi, elke nieuwe auteur een “boek” begon. Vandaar de naamgeving voor Jakob,  Enos en Jarom. Maar vanaf Omni bleek dat niet vol te houden omdat de inbreng van achtereenvolgende auteurs zo klein werd. Dus bleven die onder Omni verzameld. De auteurs vanaf Jakob tot Amaleki maakten trouwens elk geen eigen “boek”, maar vulden de kleine platen van Nephi aan. Vanaf Mosiah lag het  helemaal anders en bleken de grote onderdelen goed afgelijnd, omdat die het gestructureerde samenvattingswerk van Mormon vanaf de grote platen weerspiegelen. 

Op de P-kopij werden, waar nog nodig geacht, ook leestekens toegevoegd en evidente schrijffouten verbeterd. De “printer’s copy” bestaat nog steeds, en is in 2015 in facsimile uitgegeven als deel van de Joseph Smith Papers. Van de “copy zero” zijn vele pagina’s na 1844 her en der verspreid geworden en verloren gegaan.  Ongeveer een derde ervan is overgebleven.

Excerpt uit de printer’s copy in het handschrift van Oliver Cowdery: einde van Jakob en begin van Enos. Merk op hoe “The Book of Enos” meteen op dezelfde lijn volgt als “Brethern adieu”, het einde van het boek Jakob. Een teken duidt de start van het nieuwe onderdeel aan.

1_BoM_PrintersMs_Enos_BW_L

Vervolgens ging de P-kopij naar de drukker (telkens maar een aantal bladzijden voor het zetwerk, volgens de vordering van het overschrijven en om het risico op verlies te beperken).

2_BoM_1sted_1830_Enos_L2Pagina uit de eerste editie van het Boek van Mormon (1830). Je kunt goed vergelijken met de handgeschreven tekst hierboven: ”obedience unto… “ start op de zesde lijn van de gedrukte pagina.

 

De hoofdstukken in de P-kopij (en dus ook in de eerste druk) waren veel langer dan de hoofdstukken in onze huidige editie. Zo verdeelden Joseph Smith en Oliver Cowdery 1 Nephi in slechts 7 hoofdstukken (tegen de huidige 22); 2 Nephi in 15 hoofdstukken (tegen de huidige 33); Mosiah in 13 hoofdstukken (tegen de huidige 29); enz. In totaal telde de eerste editie van het Boek van Mormon een verdeling in 115 hoofdstukken, terwijl de huidige verdeling er 240 geeft. Er was ook nog geen indeling in verzen, dus elk hoofdstuk las als bladzijdenlang proza.

De huidige indeling in hoofdstukken en verzen was het werk van apostel Orson Pratt in 1879, in opdracht van de toenmalige kerkpresident John Taylor. Door in kortere hoofdstukken te verdelen, gaf Pratt ze een vergelijkbare lengte met die in de Bijbel. Ook de indeling in verzen maakte Schriftuurlijke verwijzingen mogelijk.[2]

3_Pratt_1879_Division in chapters & versesPagina met annotaties van Orson Pratt in een vorige druk om de nieuwe verdeling in boeken, hoofdstukken en verzen aan te geven, met het oog op een meer Schriftuurlijk-ogende uitgave van het Boek van Mormon. Hier het begin van 3 Nephi.

Een bijzonder probleem stelde het hernemen van de vertaling na het verlies van de eerste 116 bladzijden met het boek van Lehi. De inhoud van de “kleine platen” kwam daarvoor in de plaats, maar hoe en waar dan de “Woorden van Mormon” juist te benoemen en te verdelen? Voor 1 Nephi of voor Mosiah? Of waren een deel van die “Woorden van Mormon” deel van Mosiah? Dat bespreek ik verder.

 

2 – Het leeftijdenvraagstuk van Jakob en Enos

Na het boek Jakob volgt het boek Enos.

Jakob, “in de wildernis” geboren omstreeks 595 v.C., was er ongeveer vijftig toen hij van Nephi de zorg over de kleine platen toevertrouwd kreeg – “vijfenvijftig jaar waren verstreken vanaf het tijdstip waarop Lehi Jeruzalem had verlaten” (Jakob 1:1). Op het einde van zijn boek meldt hij: “En ik, Jakob, zag dat ik weldra moest afdalen in mijn graf; daarom zeide ik tot mijn zoon Enos: Neem deze platen. En ik vertelde hem de dingen die mijn broeder Nephi mij had bevolen, en hij beloofde gehoorzaamheid aan de bevelen” (Jakob 7:26–27).

Daarop begint het boek Enos. Lezers gaan er als vanzelf van uit dat deze Enos de zoon van Jakob is. Maar verderop in zijn tekst stuiten we op een jaartal – 179 jaar na het vertrek uit Jeruzalem – dus 421 v.C. Enos duidt het aan als het jaar dat hij “oud begint te worden”. Dat zou betekenen dat Jakob, geboren omstreeks 595 v.C., en zijn zoon Enos, oud aan het worden in 421 v.C., samen al minstens een periode van 185 jaar dekken. Is dat mogelijk? In theorie wel, maar er is ook een andere mogelijke verklaring.

1_Rembrandt_Portret van oude man_L“Portret van oude man” van Rembrandt van Rijn (1606–1669)

 

Eerst de mogelijke theoretische verklaring. We weten niet op welke leeftijd Jakob stierf, maar laat ons ervan uitgaan dat hij heel oud werd. Hij kan zijn zoon Enos nog op latere leeftijd verwekt hebben, stel rond z’n zeventigste, omstreeks 525 v.C. Daarna moet Jakob nog lang genoeg geleefd om de jongen de kleine platen te kunnen overhandigen, met de nodige instructies. De jongen zal toch wel een vijftien jaar oud moeten geweest zijn, wat ons omstreeks 510 v.C. brengt. Wanneer Enos zijn boek jaren later afsluit, schrijft hij: “En het geschiedde dat ik oud begon te worden, en er waren honderdnegenenzeventig jaar verstreken vanaf het tijdstip waarop onze vader Lehi Jeruzalem had verlaten”(Enos 25). Dat doet ons in 421 v.C. belanden. Als we er dus van uitgaan, met toch al veel rek op de data, dat Enos rond 525 v.C. geboren is, dan is hij nu, op het moment dat hij zegt dat hij “oud begint te worden” … honderdenvier jaar. Stel dat Jakob op z’n tachtigste de jongen verwekt had, dan is Enos er nu vierennegentig, nog altijd erg hoog om “oud beginnen te worden”. Die leeftijden zijn niet onmogelijk, maar wie het zo verklaart forceert om het geloofwaardig te maken.

Een aandachtige lectuur levert echter een ander mogelijk antwoord. Jakob geeft de platen wel aan zijn zoon Enos, maar niets zegt dat die als eerste nakomeling de platen aanvulde. Het kan Jakobs kleinzoon of een achterkleinzoon geweest zijn, of een achterneef met de naam Enos.

Verschillende elementen ondersteunen die hypothese:

  • Bij de aanvang van zijn boek zegt Enos niet dat zijn vader Jakob heette. Hij meldt alleen dat zijn vader “een rechtvaardig man was — want hij heeft mij onderwezen in zijn taal, en tevens in de lering en terechtwijzing des Heren” (Enos 1). Die vader kan dus al een nakomeling van Jakob geweest zijn.
  • Dat dezelfde naam Enos van een vader op een zoon of een kleinzoon overgaat is gebruikelijk (denk aan Mosiah, Alma, Helaman…). Enos, zoon van Jakob, kan dus zijn eigen zoon Enos genoemd hebben. En er kunnen nog andere nakomelingen met de naam Enos in de familielijn voorkomen. De naam is Bijbels (zoon van Seth, kleinzoon van Adam) en betekent “sterfelijk mens”.[3]
  • In tegenstelling tot Jakob, die bij de aanvang van zijn boek zijn werkzaamheden met zijn voorganger Nephi vermeldde en hem ook prees (Jakob 1:5–11), zegt deze Enos niets in die zin over zijn vader. Met een figuur als Jakob als vader, zou je dit verwachten.
  • De bekering en roeping van Enos als profeet dragen de kenmerken van een nieuwe fase, zonder continuïteit met de werkzaamheden van Jakob (wat wel het geval was in de overgang van Nephi naar Jakob). Enos ontvangt tijdens een lange geestelijke worsteling vergeving voor zijn zonden en een roeping om Nephieten en Lamanieten tot bekering aan te sporen (Enos 4–19). Moest Enos onder de hoede van Jakob zijn opgegroeid en ingeschakeld, dan zijn zo’n omwenteling en roeping minder waarschijnlijk.
  • Die nieuwe tijdfase blijkt ook uit de melding “En er waren buitengewoon veel profeten onder ons” (Enos 22). Sinds de tijd van Jakob, die samen met zijn broer Jozef als “priester en leraar” optrad, moeten er dus grondige wijzigingen zijn opgetreden, over een langere periode, om zo’n andere omgeving van geestelijke opwekking met “veel profeten” te scheppen. Nadrukken lijken verschoven: het “huis Israëls”, zo dierbaar voor Jakob, blijft onvermeld. Ook van de tempel, centraal in Jakobs beleving, is geen sprake meer vanaf Enos.

2_Quinten_Metsys_Hoofd van een oude man_M“Hoofd van een oude man” van Quinten Metsys of Massys (1466-1530)

 

Het is dus best mogelijk dat de oorspronkelijke Enos, zoon van Jakob, niets op de platen heeft bijgeschreven, en evenmin nog een of andere nakomeling na hem. De platen passeerden wel van de ene naar de andere als familiestuk, en zo zou het kunnen dat een latere Enos, na vele jaren, mogelijk een eeuw, de griffel weer ter hand nam. Deze hypothese lost het probleem op voor wie moeite met de grote discrepantie tussen vader en zoon heeft. Het verklaart ook een aantal culturele ontwikkelingen sinds de tijd van Jakob.

 

Chronologie na Enos

Na Enos loopt de tijdslijn wel normaal van familielid naar familielid, met generatiesprongen van gemiddeld veertig jaar, volgens de opgegeven jaartallen in sommige verzen:

Jarom neemt over van zijn vader Enos en meldt “er waren tweehonderd jaar verstreken”(Jarom 1, 5) en vervolgens dat “er tweehonderdachtendertig jaar waren verstreken” (Jarom 13). Mogelijk verwijzen de datums naar Jaroms eerste schrijven op de platen en dan naar het doorgeven ervan, inderdaad een generatiesprong van bijna veertig jaar. Dan geeft Jarom de platen aan zijn zoon Omni (Jarom 14). De jaren 200 en 238 na het vertrek uit Jeruzalem zijn 400 en 362 v.C.

Omni neemt over van zijn vader Jarom (Omni 1) en meldt dat “er tweehonderdzesenzeventig jaar waren verstreken” en vervolgens “tweehonderdtweeëntachtig jaar”, waarna hij de platen aan zijn zoon Amaron overdraagt (Omni 3). De jaren 276 en 282 jaar na het vertrek uit Jeruzalem zijn  324 en 318 v.C.

3_Rubens_Studie van twee oude mannen_M“Studie van twee oude mannen” van Peter Paul Rubens (1577-1640)

 

Amaron schrijft “in het boek van mijn vader” (Omni 4–5) en vermeldt dat er “driehonderdtwintig jaar waren verstreken”. Het jaar 320 na het vertrek uit Jeruzalem is 280 v.C.

Chemish, de vermoedelijk jongere broer van Amaron, krijgt de platen. Hij geeft geen jaartal op. Met de overdracht aan een vermoedelijk jongere broer kun je een verschil van twintig jaar nemen en belanden we rond 260 v.C.

Abinadom, “zoon van Chemish”, neemt de platen over. Hij geeft geen jaartal op. Met de overdracht aan zijn zoon kun je een verschil van veertig jaar nemen en bevinden we ons rond 220 v.C.

Amaleki, “zoon van Abinadom”, neemt de platen over. Hij geeft geen jaartal op maar we kunnen opnieuw een verschil van veertig jaar nemen en dan zitten we rond 180 v.C. Amaleki noteert inderdaad: “Zie, ik, Amaleki, ben geboren in de dagen van Mosiah [de oudere]; en ik heb lang genoeg geleefd om ooggetuige te zijn van zijn dood; en Benjamin, zijn zoon, regeert in zijn plaats” (Omni 23). Het is aan die koning Benjamin dat Amaleki, wanneerhij “oud begon te worden”, de kleine platen overdraagt (Omni 25).

De eerstvolgende genoteerde datum is “ongeveer vierhonderdzesenzeventig jaar vanaf het tijdstip waarop Lehi Jeruzalem had verlaten”, dus omstreeks 124 v.C. Dat is het moment wanneer de dertigjarige Mosiah [de jongere] in de plaats van zijn vader Benjamin begint te regeren (Mosiah 6:4). Amaleki moet dan al overleden want hij was al oud toen hij de platen aan koning Benjamin overdroeg. Ook hier kloppen de generatiesprongen, nu inclusief drie opeenvolgende koningen.

Ondanks de complexiteit loopt de chronologie dus foutloos. Alleen dat is al opmerkenswaard.

 

3 – De onthullingen van een familiekroniek

De kleine platen zullen een familiestuk worden, zo’n vierhonderd jaar lang, telkens van een oude naar een jongere hand overgedragen. Het is een onthullende familiekroniek voor wie oplettend leest.

4_Anton Van Dyck_ Hoofd van oude man_1620_M“Hoofd van oude man” van Antoon van Dyck (1599–1641)

 

We kunnen ons voorstellen hoe die bundel dunne metalen platen als een familiestuk werd bewaard, zoals een oude familiebijbel met achteraan open bladzijden voor het bijvullen van bijzondere gebeurtenissen. Om de zoveel jaar kwam het moment dat een oude vader het kostbaar stuk overdroeg aan een zoon of, indien kinderloos, aan een jongere broer (overdracht aan vrouwen paste blijkbaar niet in deze patriarchale cultuur). En dan… hing het ervan af hoeveel aandacht de volgende generatie eraan zou schenken. Opmerkelijk is wel dat deze geslachtslijn de taal en de schrijfkunst op de platen wist te handhaven, teken van een intellectuele traditie.[4]

Vierhonderd jaar is vergelijkbaar met de periode van onze eigen zeventiende eeuw tot nu, dus van 1600 tot 2000. Gedurende die vier eeuwen evolueerde de Nephitische cultuur en beschaving. Ondanks de korte teksten vanaf Jakob kan de opmerkzame lezer er de signalen van opvangen.

Nephi: een visie met ambitie

Nephi was de kroniek op de kleine platen begonnen “met het bijzondere doel dat er een verslag van de bediening onder mijn volk zou worden gegraveerd” (1 Nephi 9:3). Dat heeft hijzelf secuur en uitgebreid gedaan, naast de zorg voor de “grote platen” die de verslagen zouden bevatten “van de regering der koningen, en de oorlogen en twisten onder mijn volk” (1 Nephi 9:4). Nephi was dus de schrijver en hoeder van zowel de kleine als de grote platen. Dat stemt overeen met zijn dubbele functie: profeet en koning — weliswaar voor een nog relatief kleine bevolkingsgroep. Na hem splitsen de bevoegdheden: politiek hoort tot de koningen, religie tot profeten, priesters en leraars. Over de koningen weten we verder niets, over een lange periode, tot we bij koning Mosiah belanden in de tweede eeuw v.C. Hun geschiedenis stond op de grote platen, maar de vertaling ervan ging verloren – het droevig voorval met de 116 bladzijden (zie Joseph Smiths geschiedenis).

Voor het religieuze had Nephi allicht grote ambities met het “verslag van de bediening onder mijn volk”. Zelf had hij de platen overvloedig gevuld, met profetieën, openbaringen, predikingen en ontboezemingen, twee boekdelen lang (1 en 2 Nephi). Verwachtte hij een gelijkaardig vervolg?

Jakob: de hoofdpunten volstaan

Wanneer Jakob aan zijn beurtrol begint, beschrijft hij de opdracht van Nephi al wat gematigder: “En hij gaf mij, Jakob, een gebod dat ik op deze platen enkele van de dingen moest schrijven die ik hoogst kostbaar achtte; dat ik de geschiedenis van dit volk, dat het volk van Nephi wordt genoemd, niet — of slechts oppervlakkig — moest aanroeren… En als er zich prediking voordeed die heilig was of openbaring die van belang was of profetie, moest ik de hoofdpunten ervan op deze platen graveren en ze — ter wille van Christus en ter wille van ons volk — zoveel mogelijk aanroeren” (Jakob 1:2–3). De matiging zit in “enkele van de dingen die ik hoogst kostbaar achtte” en in “de hoofdpunten”. Hij moest die wel “zoveel mogelijk aanroeren”, wat een beetje tegenstrijdig is. Maar een uitgebreid “verslag van de bediening” zit er niet meer in. Jakob mist ook de schrijfervaring van Nephi: “… ik kan slechts een klein gedeelte van mijn woorden opschrijven, omdat het moeilijk is onze woorden op platen te graveren” klaagt hij (Jakob 4:1). Die kleine onthulling laat verstaan dat Nephi’s ambitie niet meer in het plaatje past. Toch presteerde Jakob nog opmerkelijk, vooral door zijn “andere stem” (zie hier in les 12) en door het overnemen van Zenos’ belangrijke gelijkenis van de olijfbomen (zie hier in les 13).

…. en doorgeven aan mijn nakomelingen, van geslacht op geslacht.

Er zit meer betekenis in die opdracht dan men zou vermoeden. “Mijn nakomelingen” zijn die van Jakob, zoals de opdracht van Nephi luidt.

5_Rembrandt van Rijn_Portret van een rabbijn_M“Portret van een oude rabbijn” van Rembrandt van Rijn (1606–1669)

 

Vooreerst valt het op dat Nephi niet aan een eigen nakomeling als behoeder van de kleine platen heeft gedacht. Hij had nochtans een vrouw en kinderen (1 Nephi 18:19). Voor opvolging als koning “zalfde hij iemand om koning en heerser over zijn volk te zijn, volgens de regering der koningen” (Jakob 1:9). De tekst doet vermoeden dat het geen zoon van hem was, hoewel het niet uitgesloten is. Nochtans zullen we vierhonderd jaar later lezen dat “het koninkrijk aan niemand anders was overgedragen dan aan hen die afstammelingen van Nephi waren” (Mosiah 25:13). Had hij enkel dochters die, in dit patriarchaal systeem, van leiding waren uitgesloten? Of faalden zijn zoon of zonen zodanig dat zij voor niets in aanmerking kwamen, maar dat een latere afstammeling toch weer op de troon kwam?

Vervolgens roept de situatie een vraag over religieus gezag op. De kleine platen dienen voor het bijhouden van de bediening, voor prediking, openbaring en profetie. De verantwoordelijke voor de kleine platen zou dus een centrale religieuze rol moeten blijven vervullen. Jakob, in opdracht van Nephi, ziet die rol als erfelijk: het zijn de nakomelingen, “van geslacht op geslacht”, die de kleine platen zullen bijhouden en dus, volgens de verwachtingen, de religieuze leiding blijven waarnemen. Dat loopt in de lijn van Lehi naar Nephi en als deel van een Israëlitisch priesterlijk stam-denken. In die periode bestond dus ook geen “kerk”, want anders zou een priesterschapsorganisatie de zorg voor “het verslag van de bediening” wel op zich genomen hebben. We weten enkel dat Nephi’s broers Jakob en Jozef “als priester en leraar” waren gewijd (2 Nephi 5:26). Na Nephi’s dood straalt Jakob het religieus gezag uit, wat blijkt uit zijn toespraak in de tempel en zijn optreden tegen Sherem (Jakob 2-3, 7). Hij vermeldt echter geen andere bedienaars, behalve Jozef: “Want ik, Jakob, en mijn broeder Jozef waren door de hand van Nephi tot priester en leraar voor dit volk gewijd. En wij maakten ons ambt groot voor de Heer, aanvaardden de verantwoordelijkheid en waren bereid de zonden van het volk op ons eigen hoofd te laten neerkomen als wij hun niet met alle ijver het woord Gods leerden (Jakob 1:18–19). Er is ook sprake dat “er vele manieren werden bedacht om de Lamanieten te herwinnen en tot de kennis der waarheid terug te brengen” (Jakob 7:24). Deden Jakob en Jozef al dat predikings- en zendingswerk onder hun getweeën? Jakob meldt nergens dat hij het religieus gezag, buiten Jozef, met anderen deelt. Misschien toch wat familiale hegemonie in het uitoefenen van religieus gezag?

Aan de andere kant wordt de koning “gezalfd” (Jakob 1:9) of “gewijd” (Mosiah 2:11; 6:3). De latere geschiedenis wijst uit dat de koning wel degelijk, als profeet en ziener, ook het religieus gezag waarneemt en de bevoegdheid heeft om priesters aan te stellen (Mosiah 6:3). De relatie tussen de lijn van Jakob en die van Nephi lijkt dus onderhevig aan wijzigingen die eigen zijn aan eeuwen geschiedenis.

Wanneer hij de dood nabij voelt, draagt Jakob de platen over aan zijn zoon Enos, met de woorden: “Neem deze platen. En ik vertelde hem de dingen die mijn broeder Nephi mij had bevolen, en hij beloofde gehoorzaamheid aan de bevelen. En ik houd op met schrijven op deze platen, welk schrijven weinig is geweest” (Jakob 7:27). De “bevelen” van Nephi verwijzen ongetwijfeld naar het bijhouden van “enkele van de dingen” die men “hoogst kostbaar” acht en van “hoofdpunten”.

Jakob heeft, relatief gezien, al heel wat minder dan Nephi bijgedragen. En zijn toegeving dat zijn schrijven maar “weinig” is geweest voorspelt deels de toekomst.

6_Rembrandt_Studie van oude man met gouden ketting_M“Studie van oude man met gouden ketting” van Rembrandt van Rijn (1606–1669)

 

Enos: strengheid en gedrevenheid

Als we ervan uitgaan dat de schrijver van het boek Enos niet de zoon van Jakob was (zie hierboven), maar een Enos van een of meerdere generaties verder, dan heeft de zoon van Jakob, Enos nummer 1, het familiestuk zijn leven lang onaangeroerd heeft gelaten. Dat zegt mogelijk wat over de interesse en de inzet van de zoon van Jakob. Kinderen beantwoorden niet altijd aan de verwachtingen van hun ouders. Anderzijds moeten we er ook niet te veel achter zoeken: het niet-aanvullen van de kleine platen bewijst niets. De bundel platen zat misschien diep verborgen in een kist die nooit openging en vergeten werd? Of de bundel prijkte integendeel als een heilig souvenir, goed in het zicht op een familiealtaar, maar daarom sacraal onaantastbaar? Of hoeveel keer was deze Enos, zoon van Jakob, niet van plan geweest om eindelijk eens wat bij te schrijven achter de laatste woorden van zijn vader, maar het kwam er nooit van? Misschien was de stap naar de griffel en het graveren beangstigend, in de vrees dat hij niet verder dan een paar woorden zou raken? Misschien had hij echt niets te zeggen? Als deze Enos nummer 1 de vader van de volgende Enos was, dan weten we alvast dat hij “een rechtvaardig man” was, die dikwijls sprak “aangaande het eeuwige leven en de vreugde der heiligen” (Enos 1,3). Maar mogelijk slaat de beschrijving van die vader al op iemand verder in de lijn…

Enos nummer 2, de schrijver, ontpopt zich als een fervente gelovige, iemand die worstelde voor het aangezicht van God, “in machtig gebed en smeking voor mijn eigen ziel” (Enos 2, 4). Hij krijgt openbaringen en een profetenrol – “profeterende over de dingen die zouden komen en getuigende van de dingen die ik had gehoord en gezien” (Enos 19). Hij en vele anderen strijden aanhoudend voor religieuze opleving: “En er waren buitengewoon veel profeten onder ons. En het volk was een halsstarrig volk, traag van begrip” (Enos 22). Van een kerkelijke organisatie en religieus leiderschap spreekt Enos niet, dus waren die “vele profeten” mogelijk particuliere predikers die, zoals Enos zelf, een persoonlijke geestelijke ervaring hadden doorgemaakt. Ze werden “gedreven tot dit volk te prediken en te profeteren” (Enos 26). Zij werkten wel in een grimmige sfeer, door het volk te behandelen met “buitengewone strengheid, prediken en profeteren over oorlogen en twisten en vernietigingen, en hen voortdurend herinneren aan de dood en de duur der eeuwigheid, en de oordelen en de macht Gods en al deze zaken — een voortdurende opwekking om hen in de vreze des Heren te houden” (Enos 23). Het klinkt wat bangelijk. Je kunt je zelfs een grote groep opjuttende geestelijken inbeelden die de rest van de mensen op hun dagelijks gedrag controleren.

7_Anton Van Dyck_Studie van oude man_M“Studie van oude man” van Antoon van Dyck (1599–1641)

 

Bracht Enos die sfeer ook bij hem in huis? In zijn oude dag verzacht hij wel, zoals blijkt uit zijn laatste woorden: “En ik ga weldra naar de plaats van mijn rust, die bij mijn Verlosser is; want ik weet dat ik in Hem zal rusten. En ik verheug mij op de dag dat mijn sterfelijk lichaam onsterfelijkheid zal aandoen en voor Hem zal staan; dan zal ik zijn aangezicht met welbehagen aanschouwen, en Hij zal tot mij zeggen: Kom tot Mij, gij gezegende, er is een plaats voor u bereid in de woningen van mijn Vader. Amen.” (Enos 27)

 

Jarom: ons geslachtsregister bijhouden

Nieuwe stap in de familiekroniek: “Nu zie, ik, Jarom, schrijf enige woorden volgens het gebod van mijn vader Enos om ons geslachtsregister bij te houden” (Jarom 1). Van de oorspronkelijke bevelen van Nephi blijft niets over: het gaat niet meer om een “verslag van de bediening onder mijn volk” maar om het bijhouden van een geslachtsregister. De kleine platen zijn van nationaal religieus testament gedegradeerd tot een familieboek. Toch beseft Jarom dat de kleine platen worden bijgehouden “met de bedoeling onze broeders de Lamanieten van nut te zijn”, dus hij is bewust van het toekomstperspectief van Nephi . De Nederlandse vertaling drukt de logica van de zin niet goed uit: “En daar deze platen klein zijn en daar deze zaken worden geschreven met de bedoeling onze broeders de Lamanieten van nut te zijn, moet ik wel weinig schrijven” – dat klinkt alsof hij weinig wil schrijven omdat het voor de Lamanieten bedoeld is (weinig is in deze vertaling een bijwoord). Het Engels drukt het positief uit met een zelfstandig naamwoord : “wherefore, it must needs be that I write a little” – daarom, [om mijn broeders de Lamanieten van nut te zijn] moet ik wel een weinig schrijven. Precies daaruit put Jarom zijn motivatie om toch iets te graveren. De eerste Nederlandse vertaling van het Boek van Mormon (1890) gaf dit wel correct weer – “is het nodig dat ik een weinig schrijf”.

Jarom beseft dus zijn verantwoordelijkheid, maar zoekt ook naar een diplomatiek excuus: “Ik zal echter niets over mijn profetieën of over mijn openbaringen schrijven. Want wat zou ik méér kunnen schrijven dan mijn vaderen hebben geschreven? Want hebben zij niet het heilsplan geopenbaard? Ik zeg u: ja; en dat is mij genoeg” (Jarom 2). We kunnen ons afvragen wat Jarom met zijn “profetieën en openbaringen” bedoelde. Is het een omschrijving voor gewone religieuze gevoelens en inzichten? Of gaat het om grootsere ervaringen? Ook in onze tijd gebruiken kerkleden dergelijke termen om eigen ondervindingen uit te drukken, maar de termen dekken uiteenlopende ervaringen voor de een en de andere.

De religieuze cultuur is wel nog steeds die van Enos’ tijd en het resultaat is er naar: “Zij waren nauwgezet in het bewaren van de wet van Mozes en het heiligen van de sabbatdag voor de Heer. En zij schonden het heilige niet; evenmin lasterden zij God. En de landswetten waren buitengewoon streng” (Jarom 5). Dat laatste wijst op een overlap van godsdienst en staat: de uitgevaardigde wetten bepaalden ook het correcte religieus handelen – een nog altijd actueel onderwerp in tal van landen, ook bij ons als we denken aan ethische vraagstukken of aan wettelijke zondagsrust.

8_Rembrandt_Portret van oude man_2_M“Portret van oude man (2)” van Rembrandt van Rijn (1606–1669)

 

De Nephitische sfeer blijft er ook een van bedreiging: “En het geschiedde dat de profeten des Heren het volk van Nephi volgens het woord Gods dreigden dat zij, indien zij de geboden niet onderhielden, maar tot overtreding vervielen, van het oppervlak van het land zouden worden weggevaagd” (Jarom 10). Toch merken we bij Jarom enkele woorden die ook een iets mildere aanpak doen vermoeden – lankmoedigheid en overreding – en die daarom mogelijk iets van het karakter van Jarom onthullen: “Daarom arbeidden de profeten en de priesters en de leraren ijverig, en spoorden het volk met alle lankmoedigheid tot ijver aan; zij leerden hun de wet van Mozes en het doel waarvoor zij was gegeven; zij overreedden hen naar de Messias uit te zien en te geloven in Hem die nog moest komen alsof Hij er reeds was. En op die wijze leerden zij hen” (Jarom 11). Ook het volgende vers wijst op een meer emotionele dan bestraffende aanpak: “want zij troffen hen in het hart met het woord”. Het zijn kleine vingerwijzigingen die verschillende vormen van prediking blootleggen – precies zoals in onze tijd toespraken en lessen uiteenlopende persoonlijkheden blootleggen.

Jarom eindigt met het excuus waar hij mee begonnen is: “En ik, Jarom, schrijf niet verder, want de platen zijn klein” (Jarom 14). Bij de overdracht aan zijn zoon Omni zegt hij enkel “opdat ze volgens de geboden van mijn vaderen zullen worden bijgehouden” (Jarom 15). We weten al van het eerste vers dat die geboden niet veel meer dan het bijhouden van het “geslachtsregister” betekenen.

Het boek Omni, of Omni, Amaron, Chemish, Abinadom en Amaleki

Vijf generaties over tweehonderd jaar in dertig verzen. In dit korte “boek” onthult onze familiekroniek een onmiskenbare afgang – maar ook een boeiend menselijk facet. Hier horen we een reeks kleine, authentieke stemmen. Geen grote profeten, geen religieuze, politieke of militaire leiders, maar een rits enkelingen, mogelijk marginalen, en alvast een goddeloze, die nochtans plichtsgetrouw hun zinnetjes bijschrijven, uit respect voor het oud familiealbum en de familielijn.[5]

Omni: pakkend oprecht

Omni doet het “omdat het mij door mijn vader Jarom geboden was een en ander op deze platen te schrijven om ons geslachtsregister te bewaren”. En dan volgt een kort, pakkend aveu, dat hij zonder terughoudendheid voor zijn zoon, zijn nakomelingen en de rest van de wereld op de platen grift: “Maar zie, ikzelf ben een goddeloos man en ik heb de inzettingen en de geboden des Heren niet onderhouden zoals ik had moeten doen”. Voor het overige lezen we alleen dat Omni veel gestreden heeft “om te voorkomen dat mijn volk, de Nephieten, in handen van hun vijanden, de Lamanieten, zou vallen … in vele perioden van geduchte oorlog en bloedvergieten”. Omni is een ruwe soldaat die zonder God maar voor zijn volk in gruwelen heeft gevochten. Zonder God of gebod? Toch heeft hij “deze platen bewaard volgens de geboden van mijn vaderen” en geeft hij ze door aan zijn zoon Amaron. Dat alles in drie verzen (Omni 1–3). Het lot van de verdeling in boeken wil dat door die aanvang een heel Schriftuurlijk boek naar hem vernoemd is.

9_Jan Lievens_Tronie van een oude man_M“Tronie van een oude man” van Jan Lievens (1607–1674)

 

Amaron: snel iets in papa’s boek

Amaron stelt van bij de eerste zin dat er niet veel te verwachten valt: “En nu schrijf ik, Amaron, alles wat ik schrijf — hetgeen weinig is, in het boek van mijn vader”. De omschrijving “het boek van mijn vader” is interessant op zich – hij zegt niet “de platen van Nephi”. De bundel is een familiestuk van elke papa geworden. Uit het weinige dat Amaron noteert leren we, in enkele verzen, dat de tijden voor de Nephieten zwaar zijn, in de slingerbeweging van vernietiging en redding die hun hele verdere geschiedenis zal kenmerken. Had Amaron geen zoon om de platen aan over te dragen? Of schoof hij de verantwoordelijkheid snel van zich af? In ieder geval droeg hij de platen aan zijn broer Chemish over. En van die vernemen we even later dat wat Amaron schreef op de dag zelf van de overdracht geschreven werd. Vijf verzen (Omni 4–8).

Chemish: ik schrijf, ik schreef, ik heb geschreven

Chemish heeft er helemaal geen zin in. Eén vers om niets te zeggen (Omni 9). Vijf keer het werkwoord schrijven om als een onbeholpen kind toch wat neer te pennen: “Nu schrijf ik, Chemish, het weinige dat ik schrijf in hetzelfde boek als mijn broeder; want zie, ik heb gezien dat hij het laatste wat hij schreef, eigenhandig schreef; en hij heeft het geschreven op de dag dat hij ze aan mij overdroeg”. Je zou een vleugje ironie in zijn volgende zin kunnen onderscheiden: “En op deze wijze houden wij de kronieken bij, want het is volgens de geboden van onze vaderen”. Op zo’n wijze “kronieken” bijhouden? Nephi moet zich in zijn graf omgedraaid hebben. Maar toch liet ook Chemish getrouw zijn stempel op de kleine platen achter.

10_Jacob Jordaens_Studie van een oude man_M“Studie van een oude man” van Jacob Jordaens (1593–1678)

 

Abinadom: sorry, niets te bieden

Van Abinadom, zoon van Chemish, krijgen we twee verzen (Omni 10–11). Kort getuigt hij van “veel oorlog en twist”. Zoals zijn grootoom Omni diende hij als soldaat – “met mijn eigen zwaard heb ik vele Lamanieten het leven benomen ter verdediging van mijn broeders”, alsof dat het belangrijkste is dat zijn nageslacht over hem moet onthouden.[6] Pijnlijker nog: “… en ik weet van geen openbaring dan hetgeen geschreven is, en evenmin van profetie”. Het doet vermoeden dat hij door de pagina’s van Nephi gebladerd heeft en de verwachting van de kleine platen besefte. Sorry, zegt hij, maar dat heb ik niet te bieden. Dus ook hier een onomwonden oprechtheid. Hypocrisie is deze groep van familieschrijvers onbekend.

Amaleki: niets over zichzelf, maar een weelde aan informatie

Amaleki, zoon van Abinadom, sluit de rij van het boek Omni af. Hij schrijft het meeste: negentien verzen (Omni 12–30). Het meeste – en die verzen zijn kapitaal voor honderd jaar geschiedenis ­–, maar ook het minste over zichzelf. Al wat we over hem leren is dat hij geboren is “in de dagen van Mosiah” en dat hij “lang genoeg geleefd om ooggetuige te zijn van zijn dood” (Omni 23). Verder dat hij kinderloos was en daarom de kleine platen aan koning Benjamin overdroeg (Omni 25). Hij spreekt rustig. Hij is gelovig, met een nadruk op “alle dingen die goed zijn” en op verlossing en redding (Omni 25–26). Naast dat weinige over zichzelf is de korte bijdrage van Amaleki echter onvoorstelbaar rijk. Hij is een meester in het samenvatten, waarbij toch de verteltrant bewaard blijft. Dat behandel ik in het volgende punt.

 

4 – Amaleki: een knooppunt van historische transities

De 19 verzen die Amaleki schreef (Omni 12–30) bevatten een veelvoud aan geschiedenis over verschillende eeuwen. Amaleki was een geprivilegieerde getuige, als kind opgegroeid onder koning Mosiah I en van nabij betrokken bij de gebeurtenissen die hij beschrijft. Hij vertelt over vijf grote en kleine migraties.

11_Rubens_Studie van een oude man_M“Studie van een oude man” van Peter Paul Rubens (1577-1640)

 

De eerste migratie is die van zijn eigen volk, het volk van Nephi, dat de wildernis invlucht onder leiding van koning Mosiah [de oudere]. Die vlucht bevestigt hoe de oorspronkelijke Nephitische beschaving al decennialang aan het verweken was. Na Enos en Jarom was verloedering niet te stuiten. Aanhoudende oorlogen met de Lamanieten deden de rest. In 280 v.C. stelt Amaron vast dat “het goddelooste deel der Nephieten werd vernietigd”, maar dat de Heer de rechtvaardigen spaarde (Omni 5, 7). Jaren later vertelt zijn neef Abinadom hoe het bloedvergieten verder gaat (Omni 10). Het is in die omstandigheden dat, omstreeks 200 v.C., een verzwakte koning Mosiah alleen in de vlucht nog heil voor zijn volk ziet. Met hoeveel deze Nephieten nog waren wordt niet gemeld. Zij ontdekken het volk van Zarahemla en sluiten zich bij hen aan (Omni 12–14).

De tweede migratie is een blik in het verleden, namelijk de herkomst van dat volk van Zarahemla – een groep die “uit Jeruzalem was gekomen in de tijd dat Sedekia, de koning van Juda, gevankelijk naar Babylon was weggevoerd”. Ook zij zijn op het westelijk halfrond beland en ondertussen, op vierhonderd jaar tijd, tot een “buitengewoon talrijk” volk uitgegroeid (Omni 15–19). Later zullen we vernemen dat de naam van hun oorspronkelijke stamvader Mulek was (Mosiah 25:2). Vandaar ook de mormoonse verwijzing naar “Mulekieten” als het volk van Zarahemla. Analisten zoals Hugh Nibley en John Sorenson vermoeden dat hun groot aantal aan de vermenging met andere groepen te danken is, waaronder overblijvenden van de Jaredieten.[7] Op vier eeuwen tijd is dat zeker mogelijk. Thomas Mackay suggereert dat de ontmoeting en samensmelting van de Nephieten met de Mulekieten, die dus veel talrijker waren, zo voor een opleving van de Nephitische beschaving gezorgd heeft.[8] Belangrijk is hierbij op te merken dat de overblijvende Nephieten, hoewel kleiner in aantal en ondanks hun status van vluchtelingen, religieus en cultureel superieur waren. Bij de Mulekieten was de taal verbasterd en de geschiedeniskennis poreus. Vandaar hun vreugde over “de platen van koper, die de kroniek der Joden bevatten” (Omni 14). Mosiah zorgt voor hun onderwijs. Het verklaart ook waarom het volk van Zarahemla blijkbaar makkelijk Mosiah als hun koning kon aanvaarden (Omni 17–19). Amaleki geeft ons in die weinige verzen meerdere socioculturele verklaringen en een les in multiculturele integratie.

“Studie van oude man” van Jan Lievens (1607–1674)

 

De naam Jaredieten roept de derde migratie op, van een nog oudere datum in een ver verleden. Amaleki vertelt hoe koning Mosiah hier kennis van kreeg dankzij geschriften die in handen van het volk van Zarahemla waren gekomen (Omni 20–22). Daar zullen we later meer over lezen in het boek Ether.

De vierde en vijfde migraties behelzen kleinere bewegingen die Amaleki zelf heeft gezien. Het betreft Nephieten die terug willen keren naar “hun erfland” dat zij jaren voorheen ontvlucht zijn (Omni 27–30). De kroniek van Zeniff zal ons daar later meer over vertellen, wat dan ook andere historische verwikkelingen zal toelichten.

Zo vertegenwoordigt de korte, eenvoudig ogende tekst van Amaleki een knooppunt van historische transities waar andere onderdelen verderop in het Boek van Mormon zich aan koppelen.

 

5 – De Woorden van Mormon: een lastige inlassing

De “Woorden van Mormon” lijken voor de vluchtige lezer precies op hun plaats: ze vormen de brug tussen de kleine platen, met de geschiedenis van Lehi tot Amaleki, en de grote platen vanaf koning Benjamin. Ook al schreef Mormon deze woorden pas eeuwen later bij het samenstellen van de platen, nu vormen ze voor de lezer een bindtekst die het voorgaande met het volgende doet aansluiten.

Maar dat was niet zo toen Joseph Smith de vertaling aanvatte. Hij begon te vertalen zoals Mormon de platen had gerangschikt, bij de aanvang van de geschiedenis op de grote platen. Dat was het “Boek van Lehi” dat hij volledig vertaalde.[9] Dat onderdeel bevatte de historische gebeurtenissen vanaf de tijd van Lehi tot de tijd van koning Benjamin – in totaal 116 pagina’s in vertaling. Toevertrouwd aan Martin Harris werden die bladzijden hem echter ontstolen in de zomer van 1828 en gingen verloren. Pas een klein jaar later, in april 1829, zou Joseph Smith het vervolg van de vertaling aanvatten, nu met Oliver Cowdery als secretaris (zie les 10). Hij kreeg de opdracht het Boek van Lehi niet opnieuw te vertalen. Het verlies ervan zou gecompenseerd worden door een andere tekst, genomen van de “kleine platen”, die dezelfde periode dekte, maar meer religie dan geschiedenis bevatte.

13_Gerard Dou_Oude man met baard_M“Oude man met baard” van Gerrit Dou (1613–1675)

 

Het is niet duidelijk in welke volgorde Joseph Smith aan de vertaling herbegon. Gelet op de manier van werken, via de Urim en Tummim of een zienersteen, kon inspiratie hem naar gelijk welk onderdeel eerst gebracht hebben. Eerst terug naar koning Benjamin, met name het punt waar hij al gekomen was in het boek van Lehi? Of meteen naar de kleine platen, met 1 Nephi tot Omni, om de geschiedenis vanaf het begin herop te starten? Of naar deze “Woorden van Mormon” als verklaring voor het gebruik van de kleine platen? En las Joseph Smith deze “Woorden van Mormon” in de volgorde zoals Mormon ze bedoeld had? Het antwoord op die vragen kennen we niet omdat we niet meer over het eerste manuscript, de “copy zero”, in zijn volledigheid beschikken. Van dat manuscript kopieerde Oliver Cowdery de teksten naar de “printer’s copy” (P-kopij). Allicht hebben hij en Joseph Smith een paar passages zo logisch mogelijk herschikt om de chronologie duidelijk te houden.[10] De toestand roept inderdaad een andere, fundamenteler vraag op: waar had Mormon de inhoud van de kleine platen in het geheel van de kroniek geplaatst? De bundel begon immers met het boek van Lehi.

 

Waar plaatste Mormon de inhoud van de kleine platen in de hele bundel?

Mormon verklaart dat hij de kleine platen vond “toen ik een samenvatting had gemaakt van de [grote] platen van Nephi tot aan de regering van deze koning Benjamin, over wie Amaleki heeft gesproken” (vers 3). Het lijkt er dus op dat Mormon in zijn editoriaal werk de vele platen – honderden jaren geschiedenis – chronologisch aan het klasseren was. Op het moment dat hij aan de periode van Benjamin en zijn zoon Mosiah II begon, stootte hij op de kleine platen van Nephi. Die wilde hij ook opnemen: “… daarom heb ik deze dingen [de kleine platen] gekozen om daarmee mijn kroniek te voltooien, welke rest van mijn kroniek ik aan de [grote] platen van Nephi zal ontlenen” (vers 5).

De aandachtige lezer zal een interpretatieprobleem onderkennen in de keuze van de woorden en het gebruik van de tijden: “ik heb [deze kleine platen] gekozen om daarmee mijn kroniek te voltooien” versus “welke rest van mijn kroniek ik aan de [grote] platen van Nephi zal ontlenen”. Betekent “mijn kroniek” in de eerste zin het geheel van het Boek van Mormon of enkel het deel tot Benjamin? Betekent “voltooien” dan een plaatsing helemaal achteraan, dus als een appendix na het hele Boek van Mormon? Of doelt Mormon op het moment waarop hij gekomen is, de periode van koning Benjamin, aangezien hij de rest van de kroniek nog zal ontlenen?  Dan zou hij de inhoud van de kleine platen tussen het boek van Lehi en Mosiah hebben geplaatst. Vers 6 lost het probleem evenmin op: “Maar zie, ik zal deze platen nemen, die deze profetieën en openbaringen bevatten, en ze bij de rest van mijn kroniek voegen.” Is “mijn kroniek” het boek van Lehi tot dit punt of is het het volledige Boek van Mormon?

Volgens Brant Gardner zou Mormon de inhoud van de kleine platen normaal gesproken als appendix achter al de rest geplaatst hebben, als het aangekondigd “voltooien” van de kroniek en het “bijvoegen bij de rest van mijn kroniek”.  Gardners studie van de editoriale werkwijze van Mormon toont aan dat Mormon, voor de samenstelling van de grote platen, een opeenvolging van onderdelen volgens het politiek systeem uitwerkte: het boek van Lehi voor de koningen van de oorspronkelijke Nephieten, het boek van Mosiah voor de koningen vanaf het samengaan met de Mulekieten en de vestiging in Zarahemla, het boek van Alma voor de eerste regering der rechters, het boek van Helaman voor de tweede periode in de regering der rechters, en 3 Nephi als boek vanuit een aparte dynastie van kroniekschrijvers. Het verlies van het boek van Lehi verstoorde echter die opeenvolging. Nu moest de inhoud van de kleine platen naar voor komen om de chronologie te volgen. De bindtekst van Mormon, die vermoedelijk eerst 1 Nephi voorafging (althans zeker verzen 3 tot 8), kwam er nu achter te staan.[11]

 

De Woorden van Mormon: drie onderscheiden delen

De “Woorden van Mormon” (die allicht niet die titel in de originele tekst droegen) bevatten eigenlijk drie onafhankelijke delen:

In verzen 1–2 kondigt Mormon aan dat hij op het punt staat de kroniek te overhandigen aan Moroni, dus na het afsluiten van al zijn editoriaal werk, omstreeks 385 n.C. Het gaat om een ultiem moment in een chaotische tijd. De zinnen zelf vormen een tragische tekst. Mormon schrijft hem op het noodlottigste moment van zijn bestaan: ooggetuige “van nagenoeg de algehele vernietiging van mijn volk”, hoopt hij dat zijn zoon Moroni “de algehele vernietiging” zal overleven. Maar zelfs in die tragiek denkt hij nog welwillend aan wat Moroni zou kunnen doen – “opdat hij een weinig zal kunnen schrijven over hen, en een weinig over Christus, opdat het hen op zekere dag wellicht tot voordeel zal zijn”. De zinnen vormen een slottekst. Maar onmiddellijk daarna komen zinnen waarin Mormon over nog uit te voeren werkzaamheden schrijft, ja zelfs al het editoriaal werk dat hij nog moet doen met de verslagen vanaf de tijd van koning Benjamin: “En nu ga ik, Mormon, mijn kroniek, die ik aan de platen van Nephi ontleen, voltooien …” (vers 9) en leidt hij het boek Mosiah in. We mogen dan ook veronderstellen dat Mormon de zinnen in verzen 1 en 2 hier heeft ingelast na al het aangekondigde te hebben uitgevoerd. Mogelijk was er nog ruimte op die plaat of kon hij elke plaat met tekst ook op een andere locatie tussenschuiven. Dit wordt nog zinvoller als we ervan uitgaan dat de inhoud van de kleine platen oorspronkelijk als appendix helemaal achteraan het Boek van Mormon stond (en het Boek van Lehi vooraan): dan klopt deze overdracht aan Moroni logisch in het geheel.

(Noteer dat de huidige Nederlandstalige editie van het Boek van Mormon (2004) in de inleiding bij de Woorden van Mormon de datum “385 v.C.” aangeeft. Dit moet “385 n.C.” zijn. In alle vorige Nederlandstalige edities stond dit correct aangegeven. )

In verzen 3–8 gaan we een stuk terug in de tijd: Mormon staat op een scharnierpunt in de editoriale bewerking, namelijk de behandeling van de periode van koning Benjamin en de overgang naar Mosiah II. Op dat moment vindt hij de kleine platen en legt hij uit waarom hij die inhoud wil opnemen. Maar de rest van zijn editoriaal werk moet hij nog uitvoeren.

Vanaf verzen 9–18 zet Mormon zijn gewoon samenvattingswerk verder, aansluitend bij de laatste woorden van Amaleki en als aanloop voor de rest van het boek Mosiah.

Na het verlies van de 116 bladzijden met het boek van Lehi moest Joseph Smith de verschillende aanduidingen van Mormon zo logisch mogelijk begrijpen. Waar Mormon de inhoud van de kleine platen, van 1 Nephi tot Omni, ook geplaatst had, nu moest die inhoud chronologisch vooraan komen, daar waar normaal het boek van Lehi had moeten staan. Zowel Joseph Smith als Oliver Cowdery, zonder zicht op het geheel in het lineair dicteer- en notitieproces, en daarna geconfronteerd met het indelen in boekdelen en hoofdstukken, moesten ook nog de ingelaste commentaar van Mormon kunnen plaatsen. Ze besloten de stukken die nu de Woorden van Mormon uitmaken als eerste hoofdstuk van Mosiah te identificeren. Zo stond het eerst op de “printer’s copy”. Wat nu het eerste hoofdstuk van Mosiah is, beschouwden zij toen als het tweede. Maar bij het herlezen van de printer’s copy besloot Joseph Smith of Oliver Cowdery, of beiden in overleg, om de “Woorden van Mormon” buiten Mosiah te houden. Dat is goed te zien in de schrappingen en annotaties op de P-kopij. Joseph en Oliver voelden aan dat die bindtekst toch wel een eigen karakter had. Maar eigenlijk hadden ze verzen 9 tot 18 van de Woorden van Mormon bij Mosiah kunnen laten. De aandachtige lezer zal opmerken dat het begin van Mosiah gewoon verder gaat op die verzen, zonder een nieuw boek aan te kondigen.[12]

Hoe ook de volgorde van vertaling, indeling en verbetering verliep, op de definitieve “printer’s copy”, het afschrift voor de drukker, waren de onderdelen in de thans bekende volgorde geplaatst. Maar hoe het voorafgaandelijke proces van vertaling en van schikking juist verlopen is blijft een bron van studies.

 

Met een wijs oogmerk

De titel van de les, “met een wijs oogmerk”, verwijst naar vers 7 in de Woorden van Mormon. Bij het klaarmaken van de bundel platen als geschiedenis van zijn volk, besloot Mormon de “kleine platen” aan het grote historische verslag toe te voegen. Hij doet dit “met een wijs oogmerk”. De reden die hij opgeeft is religieus: “En de dingen die op deze platen staan, zijn mij aaangenaam wegens de profetieën over de komst van Christus” (vers 4). Ook in vers 6 bevestigt hij zijn motief: “Maar zie, ik zal deze platen nemen, die deze profetieën en openbaringen bevatten, en ze bij de rest van mijn kroniek voegen, want ze zijn mij kostbaar; en ik weet dat ze mijn broeders kostbaar zullen zijn”. En nog eens in vers 8: “En mijn gebed tot God betreft mijn broeders, dat zij opnieuw tot de kennis van God, ja, van de verlossing door Christus zullen komen”.

Vanuit ons huidig perspectief bleek de inhoud van de kleine platen ook nuttig om het verlies van het boek van Lehi enigszins op te vangen en zo de chronologie te kunnen volgen. Het lijkt echter vergezocht dit als belangrijkste “wijs oogmerk” naar voor te schuiven, alsof alles door God op voorhand ineengepuzzeld wordt, inclusief de fout die Joseph Smith veertienhonderd jaar later zou maken door de 116 bladzijden aan Martin Harris toe te vertrouwen. De religieuze redenen van Mormon, zeker gelet op de uitzonderlijke inhoud van 1 en 2 Nephi, zijn doorslaggevend voor de opname van de inhoud van de kleine platen. Ook zonder het verlies van het boek van Lehi zouden die deel van het Boek van Mormon zijn.

 

6 – Gestructureerd lezen

Het boek van Enos

1-18                       Hoe Enos een getuigenis ontving: de kracht van het gebed.

19-24                     Zijn werkzaamheden en zijn typering van beide volkeren.

25                           Datering: 179 jaar voorbij = 421 v.C. Zie onderdeel hierboven over de leeftijden.

26-27                     Het afscheid van Enos.

Enos blijkt, uit opleiding of uit vertrouwdheid met de Schriften, in beperkte mate chiastisch te schrijven.

Zie de uitleg in Les 6 voor chiasme,

Als je lesgeeft met computer kun je op een kader klikken om het aan een kleine groep vergroot te tonen of voor een grotere groep te projecteren.

Een * duidt op verbeterde vertaling, conform het Engels. De huidige Nederlandse vertaling werkt vaak met alternatieven die het chiasme doen verliezen.

L14_Enos

Het boek van Jarom

1-2                         Inleiding: Jarom is een profeet, maar schrijven is niet zijn sterkste kant.

3-4                         Het Tema dat het Boek van Mormon overheerst: geloof en gehoorzaamheid versus “verstoktheid van hart” en hardnekkigheid.

5-8                         Datering: 200 jaar voorbij = 400 v.C.

Samenvatting van de geschiedenis.

9-12                       De belofte die bij het grote Tema hoort (zie 2 Nephi 1:20, en de referenties aldaar)

  • Voor zoverre gij Mijn geboden zult onderhouden, zult gij voorspoedig zijn in het land;
  • indien niet, volgt verdelging

13-15                     Datering: 238 jaar voorbij = 362 v.C.

 

Het boek van Omni

Dit korte boek draagt weliswaar de naam van Omni, maar het is door vijf schrijvers aangevuld. Omni was de eerste die schreef (3 verzen), vervolgens Amaron, Chemish, Abinadom en Amaleki.

Omni

1-3                         De geschiedenis wordt beheerst door de strijd tussen Nephieten en Lamanieten.

Toch ook eerlijk: “ik ben een goddeloos mens…”

  •  Twee dateringen:
  •  276 jaar voorbij = 324 v.C.
  •  282 jaar voorbij = 318 v.C.

Amaron

4-8                         Datering: 320 jaar voorbij = 280 v.C.

Nog steeds de strijd tussen de twee volkeren, in het teken van het grote Tema.

Chemish

9                             De kortste bijdrage van allen.

Abinadom

10-11

  • bevestiging van de aanhoudende strijd tussen de twee volkeren
  • verwijzing naar de grote platen
  • ook eerlijk: ik weet van geen openbaring, noch profetie…

Amaleki: belangrijke historische informatie

12-19

  • Mosiah vlucht met zijn volk uit het land Nephi naar het land Zarahemla;
  • het land Nephi komt aldus in handen van de Lamanieten
  • Mosiah ontdekt een ander volk (de Mulekieten), dat ook uit Jeruzalem was weggeleid, omstreeks 590 v.C. (we zijn nu omstreeks 190 v.C. = 400 jaar later)
  • beide volken sluiten zich bij elkaar aan, met Mosiah als koning

Amaleki, een diep gelovig man en vertrouwd met de Schriften, kan chiastisch schrijven. Hij kon de kleine platen ook in rustiger omstandigheden afwerken. Onderstaande is een typisch voorbeeld van een “inademen” en “uitademen” van zinsneden in omgekeerde volgorde.

L14_Omni

 

Voetnoten

[1]    Royal Skousen, “How Joseph Smith Translated the Book of Mormon: Evidence from the Original Manuscript,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 7, no. 1 (1998): 22–31.

[2]    Zie voor een gedetailleerde bespreking van deze druk, David J. Whittaker, “’That Most Important of All Books’: A Printing History of The Book of Mormon,” Mormon Historical Studies 6 (2005): 101-134; ook David J. Whittaker, “Orson Pratt: Early Advocate of the Book of Mormon,” Ensign (April 1984): 54–57.

[3]    Matthew Bowen ziet in de naamgeving een verwijzing naar Genesis. Hij vergelijkt ook het aanvangsvers van Enos met het begin van 1 Nephi. Zie Matthew L. Bowen, “‘And There Wrestled a Man with Him’ (Genesis 32:24): Enos’s Adaptations of the Onomastic Wordplay of Genesis,” Interpreter: A Journal of Mormon Scripture 10 (2014): 151–160; Matthew L. Bowen, “Wordplay on the Name Enos,” Insights 26/3 (2006):2.

[4]    Zie hierover Brant A. Gardner, “Literacy and Orality in the Book of Mormon,” Interpreter: A Journal of Mormon Scripture 9 (2014), 29–85.

[5]    Ook John Tanner spreekt zjin waardering uit voor deze eenvoudige lui: “Later descendants of Jacob were merely ordinary men who happened to belong to an extraordinary lineage. They became scriptural authors only because the plates became mainly a family record—and none of us can choose our relatives.” John S. Tanner, “Jacob and His Descendants as Authors,” in John L. Sorenson and Melvin J. Thorne, eds., Rediscovering the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1991), 52–66.

[6]    Toch is militair optreden als deel van familiale identiteit mogelijk wel belangrijk geweest in deze cultuur. Zie hierover John A. Tvedtnes, “Book of Mormon Tribal Affiliation and Military Caste,” in Warfare in the Book of Mormon, eds. Stephen D. Ricks and William J. Hamblin [Salt Lake City and Provo: Deseret Book Company and Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 1990), 296–326.

[7]    Hugh Nibley, Lehi in the Desert; The World of the Jaredites; There Were Jaredites, vol. 5 in the Collected Works of Hugh Nibley, eds. John W. Welch, Darrell L. Matthews, and Stephen R. Callister (Salt Lake City: Deseret Book, 1988); John L. Sorenson, An Ancient American Setting for The Book Of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1985).

[8]    Thomas W. Mackay, “Mormon as Editor: A Study in Colophons, Headers, and Source Indicators,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 2, no. 2 (1993): 90–109.

[9]    “The Book of Lehi”. Joseph Smith legt het verlies ervan uit in de “Preface” in de eerste druk van het Boek van Mormon in 1830, p. 1.

[10]  Zie Royal Skousen, in het bijzonder de “dictation sequence” in “Critical Methodology and the Text of the Book of Mormon,” Deseret Language and Linguistic Society Symposium 22, no. 1 (1994), 84–94. Oorspronkelijk in Review of Books on the Book of Mormon 6, no. 1 (1994): 121–144.

[11]  Brant A. Gardner, “Mormon’s Editorial Method and Meta-Message,” The FARMS Review 21, no. 1 (2014): 83–105.

[12]  Gary L. Sturgess, “The Book of Mosiah: Thoughts about Its Structure, Purposes, Themes, and Authorship,” Journal of Book of Mormon Studies 4, no. 2 (1995): 107–135 (108).

Om terug te keren:

1 – Over de verdeling in boeken en hoofdstukken
2 – Het leeftijdenvraagstuk van Jakob en Enos
3 – De onthullingen van een familiekroniek
4 – Amaleki: een knooppunt van historische transities
5 – De Woorden van Mormon: een lastige inlassing
6 – Gestructureerd lezen