Voorbestaan

Ik weet niet of ik blij zal zijn
met dat voorsterfelijk verleden
dat zich pas na de dood
aan mij ontvouwen zal.

Ze zeggen
dat in mijn achteruitkijkspiegel
de sluier dan verdampt
en in mijn rug zal naderen een vloed
met alle lampen aan.

Ik vrees dat dan mijn aardse heden
nog maar een schim zal zijn,
bekoeld door wat daar vroeger bloeide
in goddelijke schijn.

Want zie,
in die vreemde lagen van de Tijd
koester ik alsnog als hoogste goed
de beelden van mijn aards ontwaken
zoals bij ’t krijgen van ons eigen kind.

Het mondje om haar tepel
oogjes éénkennig in herkennen
handjes knietjes kruipend naar m’n voet
de eerste stap de eerste lepel
de kleine kring die haar heeft uitgebroed.

Zo heb ook ik als kind
het leven aan de bron gemeten
en elke plek van ‘t huis staat nog in mij gebrand.

Hoe moet ik dan in dat onpeilbaar ver verleden
verwekkers van myriaden geesten zien
aan wie ik ben verwant?

Tenzij ook daar elk huis kleinschalig was
en ik een enig kind.

 

Vorig gedicht         Volgend gedicht