Ik wens geen god te zijn

Ik wens geen god te zijn
zoals u nu moet zijn, mijn God.

Ik wil aan kroosten in ’t kwadraat
geen aardse proeftijd geven
gekruid met honger en met haat.
Ik wil geen kampen die bulken
van holle ogen en ribben over huid.

Sta me toe om na dit heden
een kleine god te zijn
als ik misschien die meet bereik.

Ik ben al heel tevreden
met een bank onder een eik
waar ik naast haar gezeten
gewoon haar hand kan strelen
dan mag voor mij de eeuwigheid
blijven tikken als de tijd.

 

Vorig gedicht         Volgend gedicht