Van sabbat naar zondag

Wilfried Decoo
10 augustus 2016

1 – De sabbat tussen oud en nieuw: inleiding, aanleiding, abstract

Geldt de sabbat nog wel?
Transparantie
3 Nephi als goede aanleiding
Abstract

2 – De sabbat van Mozes tot Christus

De sabbat onder de wet van Mozes bij de joden
Bestond de sabbatwet al vóór Mozes?
De sabbat onder de wet van Mozes bij de Nephieten
Wat was Jezus’ houding tegenover de sabbat?

3 – De sabbat in de eerste eeuwen van het christendom

De algemene traditie van een wekelijkse vrije dag
De boodschap van de apostelen: het juk van de wet van Mozes is weggevallen
De eerste christenen: het avondmaal op de eerste dag na de sabbat
In 321 wordt de zondag de officiële vrije dag
De sabbat ten prooi aan polemieken

4 – De sabbat van de middeleeuwen tot het heden

De middeleeuwen: kerken, kruistochten, kermissen, kloosters
De Reformatie: bevrijding, verstrakking, en veel strijd
Vanaf de zeventiende eeuw: elk land zijn sfeer en zijn wetten
Recente eeuwen: belangen van kerken, conservatieven, liberalen, socialisten…

5 – De sabbat in het mormonisme

Joseph Smith
Brigham Young
Verdediging van de sabbat met tweesnijdende argumenten
Van verboden, geboden en aanbevelingen
Een ander soort inhoudelijke zondag tot de jaren 1970

6 – Besluit

 

1 – De sabbat tussen oud en nieuw: inleiding, aanleiding, abstract

Geldt de sabbat nog wel?

Hoe komt het dat de sabbat nog geldt? Immers, op basis van de Schriften is het een instelling onder de wet van Mozes, en dus vervuld in Christus. In zijn brieven maakt Paulus vrij duidelijk dat nieuwe bekeerlingen niet meer beoordeeld mogen worden op het al dan niet onderhouden van de sabbat. De vraag is dus pertinent.

Op die vraag kan men simpel (maar daarom niet helemaal correct) antwoorden: als wekelijkse rustdag is de sabbat een eeuwige wet, deel van de tien geboden. En moderne openbaring stelt: “En de inwoners van Zion zullen ook de sabbatdag vieren om die heilig te houden” (Leer en Verbonden 68:29).

Dit antwoord kan velen voldoen, maar de ernstige onderzoeker van de Schriften en van de geschiedenis zal op meer vragen stoten. Zijn alle tien geboden eeuwig en universeel? In welke mate hief de vervulling van de wet van Mozes ook de sabbat op? Verwachtte Jezus nog wel een strikte toepassing van de sabbat? Wat bedoelde hij met “de sabbat is gemaakt ter wille van de mens, niet de mens ter wille van de sabbat”? In welke mate hebben de eerste apostelen sabbatregels opgeheven? Verving het samen “breken van het brood” op de eerste dag van de week de sabbat? Als de sabbat behouden moest worden, waarom dan niet meer op zaterdag? Hoe verschoof hij naar zondag? Is de sabbatdag vermeld in Leer en Verbonden wel dezelfde als onder de wet van Mozes? Heeft de huidige kerk, zoals voor het Woord van Wijsheid, een evolutie gekend in de houding tegenover de sabbat?

 

Transparantie

Vroeger hadden sommige kerkleiders, zowel algemeen als lokaal, de neiging om dit soort vragen weg te wuiven als onbelangrijk of, erger, de vraagsteller als een twijfelaar en minder goed lid te bejegenen. Dat is niet meer de huidige houding van de kerk. Eerlijkheid verplicht om op alle oprechte vragen in te gaan en zo nauwkeurig mogelijk te antwoorden. De kerk wil dit zonder schroom doen, ook al moet het vroegere antwoorden herzien en stellingen nuanceren. Apostel M. Russell Ballard verklaarde:

“Ik ben bezorgd wanneer ik hoor van oprechte mensen die eerlijke vragen stellen over onze geschiedenis, leer of praktijk, en die dan behandeld worden alsof ze ongelovig zijn… We moeten beter zijn in het beantwoorden van eerlijke vragen… Wanneer ik een vraag heb die ik niet kan beantwoorden, dan keer ik me vaak naar wie mij kan helpen. De kerk is gezegend met geschoolde academici en met hen die zich aan een leven van studie hebben toegewijd… Deze bedachtzame mannen en vrouwen kunnen context en achtergrond verschaffen zodat we ons heilig verleden en onze lopende praktijk beter kunnen verstaan. Gezegend door de informatie die zij geven, ben ik beter in staat de hulp van de Heilige Geest te zoeken.”[1]

Elder Ballard voegde er aan toe dat de kerk zich tot transparantie heeft geëngageerd en daarom maximaal bronnen uit de vroege kerkgeschiedenis via de Joseph Smith Papers aanbiedt, alsmede de online reeks Gospel Topics Essays, die sinds 2013 bepaalde onderwerpen grondiger bespreekt.

 

3 Nephi als goede aanleiding

De hoofdstukken in 3 Nephi vormen een goede aanleiding voor een bespreking van de sabbat. In het zondagsschoolcurriculum behandelt les 38 (over 3 Nephi 12-15) de vervulling van de wet van Mozes, met als thema “Oude dingen zijn weggedaan, en alle dingen zijn nieuw geworden” (12:47). Wat betekent dit voor de sabbat? Is de sabbat weggedaan, behouden of nieuw geworden? Tegen de Nephieten zegt Jezus dat hij geen offeranden en brandoffers meer aanneemt, enkel een gebroken hart en een verslagen geest (9:19–20). Offeranden en brandoffers hoorden tot de Israëlitische sabbatviering.[2] Nu stelt Jezus dat geloof, bekering, en de doop door water en “met vuur en met de Heilige Geest” de stappen zijn om tot hem te komen (12:1–2). Verder verduidelijkt de “tempelrede” voor de Nephieten, zoals de bergrede, waaruit nu “de wet en de profeten” bestaat: “Daarom, alles wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo, want dat is de wet en de profeten” (14:12). Over het blijven heiligen van de sabbat zegt Jezus niets, ook niet in latere hoofdstukken in 3 Nephi. Hoofdstuk 18 vertelt hoe Jezus het avondmaal instelt, met de opdracht: “En dat zult gij altijd doen met hen die zich bekeren en zich in mijn naam laten dopen” (18:11). Hij zegt niet dat dit wekelijks of op de sabbat moet gebeuren. Dit alles toont dat de hierboven gestelde vragen gerechtvaardigd zijn.

De uitwerking in volgende onderdelen is vrij lang, historisch gekaderd, en is dan nog maar een compacte voorstelling van een uitermate rijke historische en doctrinale materie. Nogal wat lezers hebben hun interesse in geschiedenis gemeld, dus hopelijk bevalt het toch een aantal. Voor anderen kan deze abstract alvast helpen.

 

Abstract

  • Voortgaand op de Schriften lijkt de zaterdag-sabbat als deel van de wet van Mozes opgeheven. Ook het Boek van Mormon ontkent dit niet.
  • De gewoonte van de eerste christenen om op de eerste weekdag, de zondag, samen te komen leidde langzaamaan tot het beschouwen ervan als een eigen “christelijke sabbat”.
  • Eeuwenlang is gedebatteerd over de relatie tussen de joodse en de christelijke sabbat. Voor de enen hebben ze niets met elkaar te maken. Voor anderen is er een transfer van de morele waarde van de joodse sabbat naar de christelijke.
  • Eeuwenlang was de zondag verdeeld tussen de kerkdienst en de ontspanning erna. Maar steeds probeerde religie de regels te verstrakken en de ontspanning volledig te weren.
  • Vanaf de zeventiende eeuw woog de sabbat-verstrakking vooral in de Angelsaksische wereld.
  • Het mormonisme ontstond in een omgeving die de Angelsaksische sabbat gewoon was. De kerk nam de traditie van zondagvergadering met predikingen over.
  • In 1831 definieerde een openbaring de zondag als “mijn heilige dag”,  “de dag die voor u is ingesteld om van uw arbeid uit te rusten en om de Allerhoogste uw toewijding te betonen” (Leer en Verbonden 59:9-10).
  • Joseph Smith heeft blijkbaar nooit over sabbat of zondagrust gepredikt. Brigham Young stond er pragmatisch tegenover. Zij legden geen relatie met de Oudtestamentische sabbat.
  • Vanaf het begin van de twintigste eeuw geven mormoonse kerkleiders de sabbat meer aandacht, verwijzen ze naar het Oude Testament, stellen de wet als eeuwig voor, en neigen naar verstrakking.

 

 

2 – De sabbat van Mozes tot Christus

De sabbat onder de wet van Mozes bij de joden
Bestond de sabbat al vóór Mozes?
De sabbat onder de wet van Mozes bij de Nephieten
Wat was Jezus’ houding tegenover de sabbat?

 

De sabbat onder de wet van Mozes bij de joden

In de Bijbel verschijnt de sabbat als een formeel gebod in de tien geboden, de zogenaamde Decaloog, aan Mozes gegeven, als deel van het verbond met de Israëlieten na de uittocht uit Egypte en dus deel van de “wet van Mozes” (Exodus 20:8–11). De regel zelf is zeer summier: “Dan zult u geen enkel werk doen”. Er hangt een harde straf aan vast: “ieder die op dag werk verricht, die persoon moet uitgeroeid worden” (Exodus 31:14; 35:1–3).

 

Redenen voor het gebod. De wet van Mozes geeft twee redenen voor het gebod.

  • Vooreerst een verwijzing naar het scheppingsverhaal: “Want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de Heere de sabbatdag, en heiligde die” (Exodus 20:11). In die zin erkent de mens, door te rusten op elke zevende dag, Gods schepping. Uit hedendaagse openbaring weten mormonen dat de schepping een lang geplande “organisatie” van materie was en dat de zesdaagse schepping “creatieve periodes” of tijdperken vertegenwoordigen.[3] Welke tijdsspannen die omsluiten is niet geweten. De sabbat wil de mens doen herinneren aan een goddelijk gefaseerd kosmisch optreden.
  • Vervolgens — wat vaak vergeten wordt — moet het gebod herinneren aan de tijd dat de Israëlieten slaven in Egypte waren. Het gebod van de sabbat vraagt immers dat ook “uw slaaf en uw slavin rusten zoals u. Want u zult in gedachten houden dat u slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de Heere, uw God, u vandaar uitgeleid heeft met sterke hand en uitgestrekte arm. Daarom heeft de Heere, uw God, u geboden de dag van de sabbat te houden” (Deuteronomium 5:14–15). De reden toont begrip voor de slaven, die ook een dag mogen rusten, maar illustreert tegelijk de plaats van het gebod in zijn historische context, toen de Israëlieten zelf nog slaven hielden.

“Israël in slavernij in Egypte” door Robert Leinweber (1845-1921)

 

Rust en ontspanning. Het “niet werken” wordt dus ook verwoord als “op de zevende dag moet u rusten” (Exodus 34:21). Sommige analisten wijzen erop dat de oorspronkelijke Hebreeuwse term niet zozeer “uitrusten van werk” dan wel “ter plekke blijven” betekent, dus “niet verder te trekken”, in de nomadische context van het volk op zijn tocht naar het beloofde land.[4] Leviticus 23:3 voegt daar nog een element aan toe: “een dag van volledige rust, een heilige samenkomst”. De NBV vertaalt dit laatste als “die je als heilige dag samen moet vieren”. Ook hier rechtvaardigt het Hebreeuws een interpretatie dat de “rust” ook ontspanning inhield.[5] Het hele Leviticus-hoofdstuk gaat trouwens over “de feesten”, een belangrijke factor in het Israëlitisch sociaal leven. Stof voor historische studies: in welke mate was de oorspronkelijke sabbat niet alleen een moment van religieuze bezinning, maar ook een van recreatie, van feestelijk eten, muziek en dans?[6] De oude Israëlieten waren geen saai volk, soms zelfs te snel bereid om wild te feesten, zoals de episode met het Gouden Kalf aantoont. Talrijk zijn de passages in het Oude Testament die vreugde met muziek vermelden.[7] Psalm 92 looft het vrolijk zingen en muziek maken op luit en harp op de sabbatdag. De schepping zelf, referentie voor de sabbat, was de tijd “toen de morgensterren samen vrolijk zongen, en al de kinderen van God juichten” (Job 38:7). Toepasselijk op de oorspronkelijke sfeer van de sabbat is deze opdracht van de profeet Nehemia:

“Deze dag is heilig voor de Heere uw God. Rouw dan niet en huil niet… Ga, eet lekkernijen en drink zoete dranken. En deel uit aan hen voor wie niets is klaargemaakt, want deze dag is heilig voor onze Heere. Wees niet bedroefd, want de vreugde van de Heere, dat is uw kracht” (8:10–11).

 

De sabbat wordt strikter. Historici maken een onderscheid tussen het “oude Israël” van voor de Babylonische ballingschap (dus voor 586 v.C.) en het “judaïsme” van de periode erna (dus vanaf 538 v.C.). De termen hiervoor zijn pre-exilisch en post-exilisch. Overwegend wordt aangenomen dat pas tijdens de ballingschap de weggevoerde joden hun religieuze identiteit scherper omlijnden en in die periode meer ritueel en teksten ontwikkelden. Tijdens de ballingschap en na de terugkeer nam de sabbat langzaamaan meer formele vormen aan, met exacte regels voor rituele handelingen, gebeden, en maaltijdnormen, die als de Misjna, de Mondelinge Thora, werden overgedragen. In de post-exilische periode, over verschillende eeuwen, codificeerden rabbijnse richtingen en gemeenschappen die sabbatregels. Dat gaf uiteenlopende vormen aan de sabbatviering, ook al was het respect voor de dag eenvormig. Zo hadden de Essenen, die we beter leerden kennen uit de Dode-Zeerollen, een eigen sabbat-benadering.[8] Zeker is dat tegen Jezus’ tijd het ritueel formalisme op de sabbat doorwoog, met specifieke geboden en verboden voor de sabbat.[9] Jezus botste met de enge interpretatie van de Farizeeën.

Na Jezus’ tijd bleef de sabbatviering een van de belangrijkste kenmerken van het jodendom, gediversifieerd in talrijke stromingen, tot op heden.

 

Bestond de sabbatwet al vóór Mozes?

De Bijbel geeft geen aanwijzing dat de sabbatwet al vóór Mozes bestond. Het is niet omdat een van de redenen voor het gebod naar de schepping verwijst, dat daarom de wet voor de mens al sinds de schepping geldt. De andere mormoonse Standaardwerken geven evenmin een aanduiding dat de sabbatwet al in bedelingen vóór Mozes’ tijd was ingesteld, ook niet in het boek van Mozes en het boek van Abraham, de twee boeken die er het meest voor aangewezen zijn. Ook Leer en Verbonden, dat nochtans licht werpt op die vroege bedelingen, zegt niets over de sabbat in die verre tijden. Die lacune bewijst geen afwezigheid van een pre-Mozaïsche sabbatwet, maar maakt het onmogelijk om haar op basis van de Standaardwerken alleen als een hogere, eeuwige wet hard te maken.

Om te vermijden dat de sabbatwet kon worden genegeerd als een voorbijgegane Mozaïsche wet, hebben christelijke kerken dus zelf verklaringen toegevoegd die de wekelijkse rustdag, al dan niet sabbat genoemd, als een oeroude instelling bevestigen. Mormoonse kerkleiders gebruiken soms ook die retoriek, maar pas vanaf de twintigste eeuw toen de sabbat meer benadrukt werd (zie verder). Een bekende benadering om de sabbatwet als oeroud voor te stellen is te benadrukken dat elk van de tien geboden een universele waarde heeft, dus ook het gebod over de sabbat. Daarmee heeft men een argument om ook heden ten dage de wekelijkse rustdag te verdedigen. Andere christelijke kerken, met name protestantse, vrijwaren de zondagse rustdag op een andere basis, en vermijden daarom bewust een verwijzing naar Exodus (zie verder).

Historici kunnen wel sporen van bijzondere periodieke dagen in de oudste culturen van het Midden-Oosten aanwijzen, vóór de tijd van Mozes. Hoe de weektelling in zeven dagen is ontstaan voert terug naar de vroegste kalenderindelingen. Sommige onderzoekers vermoeden daarom een oudere origine die Israël heeft overgenomen en waarin het scheppingsverhaal zijn inspiratie vond. Zo is er de Babylonische traditie van een taboe-dag bij volle maan, waarbij de naam van deze dag, šab/pattu, als etymologische bron van sabbat zou kunnen gelden. Ook de socio-economische noodzaak van een marktdag om de zeven dagen voor verse producten in de grote steden kan deze periodiciteit hebben ingesteld. De ontwikkeling van kalenders die het jaar logisch probeerden in te delen kan ook doorslaggevend geweest zijn. De volle maanstanden speelden daar een grote rol in. Per kwartier tekenen de maanstanden iets meer dan zeven dagen af. Kortom, er zijn verschillende mogelijke redenen waarom in oeroude culturen een “zevende dag” een rituele betekenis kon krijgen. In welke mate dit alles oud-Israëlitische riten heeft geïnspireerd en van daaruit de specifieke Mozaïsche regelgeving is echter onduidelijk. Aan dit alles zijn talrijke studies gewijd.[10]

 

De sabbat onder de wet van Mozes bij de Nephieten

Wat leren ons de uiterst karige gegevens over de sabbat in het Boek van Mormon?

Pre-exilische erfenis

Lehi verliet Jeruzalem ergens tussen 600 en 587 v.C., dus voor de Babylonische gevangenschap, en dus vóór de periode van rituele formalisering van de sabbat (zie voor de tijdrekening dit onderdeel in les 36 over het Boek van Mormon). Het is dus waarschijnlijk dat de Nephieten nooit de strakkere joodse sabbatregels gekend hebben. Dan was de sabbat voor hen gewoon de wekelijkse, geheiligde dag waarop niet gewerkt werd, conform het gebod in de Decaloog, zonder obsessies over allerhande toevoegingen. Het kan de zeer geringe aandacht verklaren die het Boek van Mormon aan de sabbat besteedt. In de boeken 1 en 2 Nephi, waarin Nephi en Jakob nochtans veel onderwijzen, hebben deze twee profeten het nergens over de sabbat. Nephi, die zo graag en breedvoerig Jesaja aanhaalt, citeert hem niet over de sabbat. In het boek Jakob vernemen we dat mensen in de tempel samenkomen om onderwezen te worden, dus mogelijk gebeurde dit op de sabbat, maar het wordt niet specifiek vermeld (Jakob 2:2). De eerste verwijzing naar de sabbat komt pas tweehonderd jaar later: “Zij waren nauwgezet in het bewaren van de wet van Mozes en het heiligen van de sabbatdag voor de Heer” (Jarom 1:5). Opvallend is het apart vermelden van “de wet van Mozes” en “het heiligen van de sabbatdag”, alsof het tweede een apart statuut heeft en dus mogelijk als los van de wet van Mozes werd beschouwd.

Omstreeks 148 v.C. haalt de profeet Abinadi de tien geboden aan, waaronder als vierde gebod,[11] “Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt”, met niet meer dan de summiere termen zoals in Exodus (Mosiah 13:16–19). Wanneer enige tijd later Alma de oudere zijn “kerk van Christus” aan de Wateren van Mormon sticht (Mosiah 18:17), is het niet duidelijk of het onderhouden van de wet van Mozes nog zo strikt geldt, want

“hij gebood hun zelfs dat zij niets anders moesten prediken dan bekering en geloof in de Heer, die zijn volk had verlost … dat zij eensgezind vooruit moesten kijken, met één geloof en één doop, en met hun hart samengevoegd in eenheid en in liefde jegens elkaar” (Mosiah 18:20–21).

Dit loopt al duidelijk vooruit op wat ook Jezus zal prediken en stemt dus overeen met de christelijke voorkennis van de Nephieten.

 

Twee soorten weekdagen?

Toch, in directe navolging van zijn leermeester Abinadi, herinnert Alma ook aan het vierde gebod: “En hij gebood hun de sabbatdag te onderhouden en te heiligen, en tevens de Heer, hun God, iedere dag te danken” (vers 23). Dan volgt deze toevoeging: “En er was één dag in iedere week vastgesteld waarop zij bijeen moesten komen om de mensen te leren en om de Heer, hun God, te aanbidden” (vers 25). We gaan er als vanzelf van uit dat dit de sabbat is, maar de tekst maakt die binding niet. Integendeel: als de lering en aanbidding op de sabbat plaatsvonden, dan had dit normaliter meteen bij vers 23 gestaan. Het kan dus best zijn dat de gemelde sabbatdag een Israëlitische dag van “niet werken en ontspanning” was, en dat er op die andere wekelijkse dag een christelijk moment van aanbidding en van onderwijs was. Dan lijkt dit sterk op een situatie van overgang die ook de vroegchristelijke kerk in Palestina zal kenmerken: de zaterdagsabbat als overblijfsel van de wet van Mozes en een andere weekdag in het teken van Christus.

 

Stilte over de sabbat

Opmerkenswaardig is ook dat Alma’s verwijzing naar de sabbat, omstreeks 145 v.C., het laatste gebruik van dat woord in het Boek van Mormon is. Het is al bij al maar twee keer daarvoor vermeld, door Jarom en door Abinadi, dus driemaal in het hele Boek van Mormon, zonder enige verdere toelichting. Wanneer Alma van koning Mosiah de toestemming krijgt om de kerk van Christus doorheen Zarahemla te vestigen, krijgen we heel wat informatie over haar werking en uitdagingen, maar niets over de sabbat (Mosiah 25–26). Dan volgen, in de boeken Alma en Helaman, de uitgebreide predikingen van Alma de jongere, van de zonen van koning Mosiah, van Amulek, van Nephi, zoon van Helaman, van Samuël de Lamaniet — tientallen hoofdstukken lang. In geen enkele is er sprake van de sabbat. We lezen herhaaldelijk over de toestand in de kerk, over goede en slechte dagen, over hoe kerkleden in allerlei overtredingen vallen, maar nooit enige informatie over het al dan niet onderhouden van de sabbat. Evenmin tijdens de 33 jaar die Jezus’ bezoek voorafgaan. Dit betekent niet dat er geen sabbat onderhouden werd, maar het onderwerp vormde blijkbaar geen breekpunt waarover enige commentaar nodig was. Ofwel was de wet van Mozes op dit punt al lang uitgehold, ofwel was de traditie zo ingeburgerd, ook bij ontrouwe Nephieten, om op de zevende dag niet te werken, dat het niet meer dan het ritme van de kalender dicteerde.

De enige plaats waar nog sprake is van een wekelijkse religieuze samenkomst is, ironisch genoeg, bij de afvallige Zoramieten. Wanneer Alma de jongere en zijn collega-zendelingen omstreeks 74 v.C. in het land Antionum aankwamen, “zie, tot hun verbazing zagen zij dat de Zoramieten synagogen hadden gebouwd, en dat zij zich vergaderden op één dag van de week, welke dag zij de dag des Heren noemden; en zij aanbaden op een wijze die Alma en zijn broeders nog nooit hadden gezien” (Alma 31:12). Het is niet duidelijk of Alma’s verbazing ook de uitdrukking “dag des Heren” betrof, dan enkel de rare manier van bidden. De uitdrukking zou later de christelijke zondag aanduiden, en moet dus hier een gelijkaardige “weekdag gewijd aan God” betekenen. Of de Zoramieten die wekelijkse dag als een sabbat onder de wet van Mozes beschouwden is onzeker.

 

Een bewijs van authenticiteit

De minimale aandacht voor de sabbat in het Boek van Mormon pleit voor de authenticiteit van het boek. Die leemte past inderdaad bij de ongecompliceerde plaats die de sabbat in de beleving ten tijde van Lehi bij de Israëlieten innam, conform de pre-exilische sfeer. In Joseph Smiths era hoorde de zondag-sabbat echter intens bij de protestantse gedragslijn. Een Amerikaans auteur uit die periode zou dit Oudtestamentisch thema allicht gretig hebben ingewerkt als “natuurlijk” horend tot het Oude Israël en dus tot de Nephieten. Dat zou echter anachronistisch geweest zijn, zoals huidige wetenschappelijke inzichten in de inhoudelijke dynamiek van pre-exilisch naar post-exilisch judaïsme aantonen. Het Boek van Mormon ademt op dit punt pre-exilisch.

 

 

Wat was Jezus’ houding tegenover de sabbat?

Ook hier kunnen we de situatie in het Nieuwe Testament vergelijken met die in het Boek van Mormon. We gaan daarbij enkel uit van de Schriften.

In Palestina

Wanneer Jezus in Palestina optreedt, heeft rabbijnse fundamentalisering de sabbat belast met bijkomende regels.[12] Op het eerste gezicht volgt Jezus de minimale geplogenheden. Op de sabbatdag gaat hij naar de synagoge. “En zij kwamen in Kapernaüm; en op de sabbat ging Hij meteen naar de synagoge en gaf Hij onderwijs” (Markus 1:21). “En Hij kwam in Nazareth, waar Hij opgevoed was, en ging naar Zijn gewoonte op de dag van de sabbat naar de synagoge, en Hij stond op om te lezen” (Lukas 4:16).

“Jezus en het arenplukken”, houtsnede Bijbel Ludolf van Saksen, Catherijneconvent, Utrecht, omstreeks 1500.
De drie apostelen lijken te genieten van hun bezigheid. Jezus staat strategisch om hen te beschermen tegen de twee Farizeeërs waarvan de ene zijn voet agressief naar voor plaatst.

Maar Jezus geneest ook op de sabbat, gaat wandelen langs de korenvelden en laat zijn discipelen aren plukken. Daardoor geeft hij aanstoot. Zijn antwoord tot de Farizeeën, wanneer zij hem erover aanspreken, is krachtig: “De sabbat is gemaakt ter wille van de mens, niet de mens ter wille van de sabbat. Daarom, de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat” (Markus 2:27–28). In de zin “de sabbat is gemaakt ter wille van de mens” kan men de terugkeer naar een oorspronkelijke bedoeling lezen: na zes dagen werken verdient de mens tijd voor zichzelf, detente, verpozing, geen last van drukkende regels. Wat met “de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat”? Wil Jezus hier aangeven dat hij kan beslissen wat er met de sabbat gebeurt, dus ook dat hij de sabbat later bij de “oude dingen” kan laten voorbijgaan? Of wil hij enkel aangeven dat bepaalde joodse restricties onzinnig zijn? Daar wijst zijn nuchtere raad op: “Welk mens onder u die één schaap heeft, zal het niet, als het op een sabbat in een kuil valt, grijpen en eruit tillen?” (Mattheüs 12: 11). Of nog: “Huichelaar, maakt niet ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de voederbak los en leidt hem weg om hem te laten drinken?” (Lukas 13:15).

In geen van de vier evangelies geeft Jezus een aanduiding dat de sabbat een eeuwig gebod is, maar evenmin dat dit gebod zou verdwijnen. Die tweeledigheid is voer voor veel exegetische studies.[13] Wat Jezus wel overvloedig doet, is andere accenten leggen, in de bergrede en in de parabelen. Wanneer hij bij het laatste avondmaal zijn apostelen opdraagt het breken van het brood en het delen van de beker ter gedachtenis te blijven doen, zegt hij niet dat dit een verband met de sabbat houdt of dat dit wekelijks zou moeten gebeuren.

 

Onder de Nephieten

Dan verschijnt de Heiland onder de Nephieten en onderwijst hun zijn leer. Tijdens dat uitgebreide onderricht spreekt Jezus nooit over de sabbat noch over een wekelijks samenkomen. Hij omschrijft zijn leer in de “tempelrede” als geloof, bekering, doop, en het toepassen van de gulden regel: “Daarom, alles wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo, want dat is de wet en de profeten” (3 Nephi 14:12). De opsomming van geboden uit de wet, en die Jezus telkens amendeert, eindigt met het globaal besluit: “Daarom zijn alle dingen die uit vroeger tijden stammen, die onder de wet vielen, alle in Mij vervuld. Oude dingen zijn weggedaan en alle dingen zijn nieuw geworden” (3 Nephi 12:46–47). Voor zover de Nephieten de wekelijkse rustdag nog onderhielden, geldt dezelfde boodschap van vernieuwing ook, namelijk de nadruk op de eigenlijke bedoeling: de sabbat is er ter wille van de mens.

Een belangrijk moment is het instellen van het avondmaal: het breken en ronddelen van het brood, en het drinken uit de beker (3 Nephi 18). Jezus geeft dan als opdracht: “En dit zult gij altijd nauwgezet doen zoals Ik het heb gedaan, zoals Ik brood heb gebroken en het heb gezegend en het aan u heb gegeven” (vers 6). Hetzelfde met de beker. Hij verbindt het ritueel van de herinnering — “ter gedachtenis van mijn lichaam”, “ter gedachtenis van mijn bloed” — niet expliciet aan een wekelijkse vergadering, wel aan het toetreden van nieuwe bekeerlingen: “En dat zult gij altijd doen met hen die zich bekeren en zich in mijn naam laten dopen” (vers 11). Wat verder geeft Jezus de instructie: “En zie, gij zult dikwijls tezamen komen; en gij zult niemand verbieden tot u te komen wanneer gij tezamen komt, maar toestaan dat zij tot u komen en het hun niet verbieden” (vers 22). Indien de sabbat nog steeds gold, zou Jezus daar niet naar verwezen hebben als moment voor de herdenking? “Dikwijls” markeert eerder de afwezigheid van dergelijke weekdag.

Omstreeks 60 n.C. gunt de kroniekschrijver ons een blik op de toestand dan: “En zij wandelden niet meer volgens de riten en verordeningen van de wet van Mozes; maar zij wandelden volgens de geboden die zij hadden ontvangen van hun Heer en hun God, en zij gingen door met vasten en gebed en bleven dikwijls samenkomen om zowel te bidden als het woord des Heren te horen” (4 Nephi 1:12). Ook hier geen hint dat dit met wekelijkse regelmaat gebeurde.

Wanneer Moroni, een paar honderd jaar later, beschrijft hoe het avondmaal wordt ingezegend, verwijst hij evenmin naar een wekelijkse vergadering. In de lijn van Jezus’ instructie bevestigt hij: “En de leden der kerk kwamen dikwijls tezamen om te vasten en te bidden en met elkaar te spreken over het welzijn van hun ziel. En zij kwamen dikwijls tezamen om van het brood en de wijn te nemen ter gedachtenis van de Heer Jezus” (Moroni 6:5–6). Dit alles sluit niet uit dat er een wekelijks gedenkmoment, en dus mogelijk een “sabbat”, werd gehouden, maar het ontbreken van elke verwijzing naar het woord sabbat of naar “een dag in de week” is veelbetekenend.

Analytisch vanuit de tekst mag men besluiten dat, zeker sinds de tijd van Jezus’ bezoek, de sabbat geen expliciete plaats had in het Nephitisch religieus leven. Mogelijk hadden de Nephieten al vanouds een ingeburgerde sociale en economische traditie om niet te werken op de zevende dag, maar het komt nooit ter sprake.

 

 

3 – De sabbat in de eerste eeuwen van het christendom

De algemene traditie van een wekelijkse vrije dag
De boodschap van de apostelen: het juk van de wet van Mozes is weggevallen
De eerste christenen: het avondmaal op de eerste dag na de sabbat
In 321 wordt de zondag de officiële vrije dag
De sabbat ten prooi aan polemieken

 

De algemene traditie van een wekelijkse vrije dag

In de tweede helft van de eerste eeuw, toen het jonge christendom zich begon te verspreiden, was de zaterdagse vrije dag geen uniek joods fenomeen meer. De Juliaanse kalender van de Romeinen, begonnen in 46 v.C., had de zevendaagse week ingevoerd en die verspreidde zich langzaamaan over het hele rijk, naast het oudere achtdaagse systeem. De onderscheiden weekindelingen dicteerden het ritme van een bijzondere weekdag voor de markt, religieuze ceremonies of evenementen. Mede onder invloed van de wijd verspreide joodse handelsgemeenschappen in het Middellandse-Zee gebied werd hun sabbat, de zaterdag waarop zij geen handel dreven, steeds meer een vrije dag voor iedereen.[14] In de Romeinse kalender was deze zaterdag de dag van Saturnus, in hun spreekwijze de “eerste dag van de week”. De joden zelf beleefden die dag, voor hen de “zevende dag”, volgens de sabbatriten van hun eigen richtingen. Zeker in steden in het oostelijk deel van het Middellandse-Zee gebied, met een sterke joodse aanwezigheid, vielen werkzaamheden voor velen stil.

Romeinse Julianus kalender: elke zijde toont drie maanden (links: mensis [maand] Aprilis, Maius, Junius; rechts Mensis Julius, Augustus, September). In elke kolom volgen gegevens voor de maandindeling. Bovenaan het teken van de dierenriem.

 

Wat betekende dit voor de eerste christenen? Zelfs als ze de joodse sabbat niet formeel volgden, het maatschappelijk systeem deed hen toch nog delen in die wekelijkse rustdag. Net zoals heden ten dage voor miljoenen niet-praktiserende christenen en ongelovigen ons maatschappelijk systeem hen ’s zondags standaard niet laat werken. Daarmee onderhouden ze de wekelijkse rustdag wel niet volgens bepaalde religieuze richtlijnen, maar in principe volgen ze het sabbatgebod door niet te werken. Voor de eerste christenen maakt een gelijkaardige situatie de historische beoordeling ambigu: als ze ‘s zaterdags niet werkten, zoals zowat iedereen niet werkte, deden ze dat door het maatschappelijk systeem of vanuit een religieuze overtuiging? Wat we hier dus vooral moeten onthouden: het niet werken op de sabbat was vrij ingeburgerd, dus vormde het niet meteen een punt van onderscheid tussen joden, eerste christenen en andere gelovigen. Wat wél een verschil maakte waren de specifieke, bijkomende rabbijnse regels voor de joden.

 

De boodschap van de apostelen: het juk van de wet van Mozes is weggevallen

De apostelen en discipelen komen allen uit het joodse milieu. Jezus heeft hen wel onderwezen over het vervullen van de wet van Mozes en het nieuwe verbond (Mattheüs 5:17; 26:28), maar hun ervaringen na Jezus’ hemelvaart tonen hoe dit begrip nog moet rijpen. De handelingen en brieven van de apostelen in het Nieuwe Testament zijn onze enige Schriftuurlijke bron om een idee te hebben over hun houding tegenover de wet van Mozes. Dat onderwerp krijgen de apostelen op hun bord wanneer het bekeringswerk van Petrus, Paulus en Barnabas tot de doop van talrijke niet-joden leidt. Het twistpunt begint over de besnijdenis: “En enigen die uit Judea gekomen waren, leerden de broeders: Als u niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, kunt u niet zalig worden” (Handelingen 15:1). Na wat woordenstrijd beseffen de geïnspireerde apostelen dat het niet nodig is al de joodse regels als “een juk op de hals van de discipelen te leggen” (vers 10). Zij schrijven het volgende naar de christenen in Antiochië: “Wij hebben gehoord dat sommigen die bij ons vandaan zijn gekomen, u met woorden in verwarring hebben gebracht en uw zielen hebben verontrust door te zeggen dat u besneden moet worden en de wet moet onderhouden. Wij hadden hun daar geen opdracht toe gegeven” (vers 24). Zij beslissen “… u verder geen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: dat u zich onthoudt van afgodenoffers, van bloed, van het verstikte en van hoererij. Als u zich ver van deze dingen houdt, zult u juist handelen” (verzen 28–29). Over de sabbat zeggen ze niets. De beslissing is uitermate ingrijpend: het christendom haakt af uit de verplichtingen van het jodendom.

De brieven van Paulus, “apostel van de heidenen”, gaan dan ook vaak in tegen de druk om toch nog joodse of andere regels te laten gelden. De waarde van “dagen” komt daarin enkele keren aan bod, maar nooit echt overduidelijk of Paulus daarmee de wekelijkse rustdag als zodanig wil afschaffen, dan wel specifieke rabbijnse regels.

  • Tot de Romeinen: “De een acht de ene dag boven de andere dag, maar de ander acht al de dagen gelijk. Laat ieder in zijn eigen geest ten volle overtuigd zijn” (14:5). Tot de Galaten: “Hoe kunt u weer terugkeren naar de zwakke en arme grondbeginselen, die u weer van voren af aan wilt dienen? U houdt zich aan dagen, maanden, tijden en jaren” (4:9–10). Die twee passages verwijzen waarschijnlijk naar het volgen van ceremonies in kalendertradities. Of daar de wekelijkse rustdag ook onder valt is mogelijk, maar dan zou dit bijna betekenen: de maatschappelijk vrije dag, die zowat iedereen volgt, mogen de christenen niet volgen.
  • Nog tot de Galaten: “Sta dan vast in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, en laat u niet weer met een juk van slavernij belasten. Zie, ik, Paulus, zeg u dat, als u zich laat besnijden, Christus u van geen nut zal zijn. En nogmaals betuig ik aan ieder mens die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de hele wet te onderhouden” (5:1–3). In de “hele wet” zijn de sabbatregels ingesloten, dus, zo impliceert de interpretatie, wie zich laat besnijden moet ook die regels volgen. Toch is er een verschil tussen sabbat en besnijdenis, waar Paulus het hier specifiek over heeft. De besnijdenis was een actieve en onomkeerbare stap. De sabbat als rustdag was een ingeburgerde maatschappelijke toestand: het beroepsleven viel sowieso grotendeels stil en zowat iedereen, van welke gezindte ook, nam een rustdag, hoe die ook begrepen werd. Ook hier kan men zich moeilijk voorstellen dat Paulus bedoelt dat de eerste christenen, omdat ze de wet van Mozes niet meer hoefden te volgen, nu op de algemene wekelijke rustdag zouden moeten gaan werken.
  • Tot de Kolossenzen: “Laat dus niemand u veroordelen inzake eten of drinken, of op het punt van een feestdag, een nieuwe maan of de sabbatten” (2:16). Dit wordt vaak aangehaald als bewijs tegen het onderhouden van de sabbat. Dat is een sterk argument, hoewel de context van de zin en het meervoud “sabbatten” ook eerder kan wijzen op joodse kalenderceremonies en de regels volgend op de zeven wekelijkse sabbatten, de zevenjaarlijkse sabbatjaren en de zeven maal zeven sabbatjaren (Leviticus 23:15; 25:8; Deuteronomium 16:9). Paulus spreekt dus waarschijnlijk vooral afwijzend over de regels voor bepaalde riten en offers op “sabbatten, nieuwemaansdagen en feestdagen” (1 Kronieken 23:31; 2 Kronieken 2:4; 8:13; 31:3). Het zijn die drie elementen die hij inderdaad aanhaalt.[15]

De brief aan de Hebreeën, traditioneel toegeschreven aan Paulus, is specifiek tot de joden gericht. Paulus moet hen overtuigen dat “Jezus borg is geworden van een zoveel beter verbond” (7:22). Hij verwijst daarbij naar Melchizedek, vertegenwoordiger van een hogere wet. Na een lange argumentatie is het besluit: “Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen” (8:13). De boodschap is dat de wet van Mozes met al zijn specifieke regels is weggedaan. Enkele universele wetten uit de Decaloog vervallen echter evident niet: niet moorden, niet stelen, geen overspel plegen, geen vals getuigenis geven, niet begeren. Maar blijft dan ook het principe van de wekelijkse rustdag overeind omdat het tussen die geboden staat? Paulus geeft geen aanwijzing dat dit zo zou zijn.

Als besluit voor dit punt, de apostelen elimineren “het juk” van de vele joodse regels, inclusief die met het vieren van de sabbat samengaan. De wet van Mozes heeft afgedaan. De teksten impliceren echter niet dat het principe van een wekelijkse rustdag, zoals de hele maatschappij die algemeen kende, werd afgekeurd. Er staat nergens dat christenen nu moeten gaan werken op de sabbat.

 

De eerste christenen: het avondmaal op de eerste dag na de sabbat

In de eerste christelijke gemeenten blijken de bekeerlingen de gewoonte aan te nemen om op de eerste dag van de week samen te komen “om brood te breken”. De eerste dag, de dag na de sabbat, was een werkdag, dus het samenkomen gebeurde vermoedelijk vooral ’s avonds na het werk. Het maakte het mogelijk er prediking aan te koppelen: “En op de eerste dag van de week, toen de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, sprak Paulus hen toe, omdat hij de volgende dag wilde vertrekken; en hij liet zijn toespraak voortduren tot middernacht” (Handelingen 20:7). In de eerste brief aan Korinthe lijkt Paulus ook naar die gewoonte van samenkomen op de eerste dag te verwijzen: “Op elke eerste dag van de week moet ieder van u bij zichzelf iets opzijleggen om op te sparen wat in zijn vermogen is, opdat de inzamelingen niet pas dan gehouden worden, wanneer ik gekomen ben” (16:2). Maar of die “eerste dag” al een bewust gekozen dag met religieuze betekenis was, dan wel toevallig de dag na de sabbat, is onzeker.

Die avondlijke bijeenkomsten op het einde van een werkdag zorgden soms ook voor moeilijkheden. Sommigen kwamen hongerig aan, anderen hadden al gegeten en gedronken. Paulus wijdt er een hele passage aan — “Zoals u nu bij elkaar samenkomt, is dat niet het eten van het Avondmaal van de Heere. Want bij het eten gebruikt iedereen van tevoren al zijn eigen avondmaal en dan heeft de één honger, terwijl de ander dronken is… Daarom, mijn broeders, als u samenkomt om te eten, wacht op elkaar” (1 Korinthe 11:17–34). Het enthousiasme van de bekeerlingen zorgde soms ook voor vervoeringen, “geestelijke gaven”, waarbij Paulus zich bezorgd maakt dat die als eens uit de hand lopen (1 Korinthe 14:6–25).

Dit soort gezamenlijke avondmaaltijden was een maatschappelijk gebruik, ook bij andere groepen en verenigingen. Die vergaderingen hadden een belangrijke sociale functie. Henk Jan de Jonge, hoogleraar Nieuwe Testament en vroegchristelijke letterkunde aan de universiteit van Leiden, is van mening “dat het christelijke avondmaal niet kan worden herleid tot een wekelijkse synagogale eredienst”. Voor de Jonge is de reden waarom de christenen de eerste dag kozen puur pragmatisch. Vele bekeerlingen of geïnteresseerden waren joden die familiaal nog in het traditioneel judaïsme zaten en die op zaterdagavond, na de sabbatviering, aan de verplichting van het eigen familiemaal deelnamen. Om daar niet mee in conflict te komen en om voldoende volk te kunnen trekken zorgde de christelijke groep voor een avondbijeenkomst op de volgende dag. Pas ver in de tweede eeuw gaven kerkvaders een meer passende theologische verklaring voor die traditie: de eerste dag was de dag van de opstanding.[16]

“Agape feest” of liefdemaaltijd was een benaming die christenen aan hun samenkomst gaven (Judas 1:12). In Rome vergaderden zij in het geheim in de catacomben, waar deze muurschildering nog van getuigt (Catacombe van Marcellinus en Petrus, Via Labicana, Rome)

Hugh Nibley vestigt er ook de aandacht op dat de jonge kerk zich niet als een organisatie zag die een lange toekomst beschoren was. Na de dood van de apostelen, was de zorg van de eerste christenen niet om een organisatie uit te bouwen met op elke plaats een synagoog of een kerkgebouw voor een wekelijkse kerkdienst. Zij leefden in de overtuiging dat het einde der tijden nabij was en dat Christus spoedig zou weerkeren. Jezus had de ondergang van Jeruzalem voorspeld (Lukas 21) en dat gebeurde ook in 70 n.C. Dus, was de overtuiging, de rest van de apocalypsis, zoals de Openbaring van Johannes die beschreef, zou spoedig volgen. Toen de vervolgingen tegen christenen toenamen zagen velen van hen het martelaarschap als teken van de laatste dagen voor de wederkomst van Christus. De marteldood van de apostelen verdiende zelfs navolging om bij de uitverkorenen te horen. In die sfeer vergaderden die christenen vaak in het geheim, in een netwerk van kleine gemeenten, zonder nieuwe centrale leiders. Voor Nibley hadden die christenvergaderingen bijgevolg een eschatologische focus — het hiernamaals —, geen ecclesiastische.[17] Ze lagen niet wakker van joodse wetten zoals de sabbat.

 

In 321 wordt de zondag de officiële vrije dag

De apocalypsis en Jezus’ wederkomst bleven uit. Het christendom verspreidde zich. Hoe de christenen vergaderden, hoe zij losweekten van de joodse sabbat en hoe de “eerste dag na de sabbat” langzaamaan kenmerken van de joodse “zevende dag” overnam vormt een veelzijdige geschiedenis, met de nodige controverses.[18] De situatie zelf maakt de beschrijving complex: in de eerste eeuwen n.C. versnipperde de vroegchristelijke wereld zich over tal van lokale gemeenschappen, onder uiteenlopende joodse en lokaal-culturele invloeden, zodat een mozaïek van verschillende manieren en van tijden van vergaderen ontstond.

Langzaamaan groeide doorheen het christendom een overwegende tendens om de zondag als dag voor samenkomst te nemen. Het breken van het brood en het drinken van de beker kwam met de tijd meer ceremonieel in handen van de priester, met vaste gebeden, lezingen en predikingen. De uitbreiding van die kerkdienst en het geloof in het sabbatgebod maakten dat meer en meer christenen de zondag als vrije dag namen. De groei van het aantal christenen had dan weer effect op het economische leven, zodat de zondag de plaats van de zaterdag als rustdag begon in te nemen. We spreken over een evolutie van meer dan tweehonderd jaar. Het concilie van Elvira, omstreeks 306, bepaalde de zondag als de dag des Heeren, met een antisemitische sneer over de joodse sabbat.[19]

In 321 besloot keizer Constantijn om die zondagse realiteit te veralgemenen en “de dag van de zon” als de officiële wekelijkse rustdag over heel het Romeinse rijk te erkennen.

Keizer Constantijn, in een hedendaagse sculptuur van Philip Jackson

Niet alle christelijke gemeenten volgden die wijziging: een aantal bleef de zaterdag als hun rustdag behouden; nog anderen kenden zich al een vijfdaagse werkweek toe door zowel zaterdag als zondag te vrijwaren van werk.[20] Daartegen reageerde het concilie van Laodicea omstreeks 380: op zaterdag dienen christenen te werken.

De sabbat ten prooi aan polemieken

Al vanaf de tweede eeuw zien we christelijke schrijvers standpunten innemen over wanneer, waarom en hoe christenen een bepaalde weekdag moeten eren. Spoedig volgden ook concilies waarop leiders gezamenlijke visies trachten te vinden, en daarnaast alle anderen te veroordelen.

De polemieken draaiden rond de vraag of Jezus al dan niet de sabbat behield als deel van het nieuwe verbond (of, met andere woorden, afschafte als deel van het oude verbond).

  • Indien Jezus de sabbat behield, moest de sabbat dan niet verder op de zevende dag gehouden worden, inclusief aspecten uit de joodse traditie? Of wilde Jezus enkel het formalisme en de extreme regels van de sabbat afschaffen, maar toch de Mozaïsche zaterdag in zijn oorspronkelijke sfeer als een “dag zonder werken” behouden?
  • Of beoogde Jezus een volledige vervulling van de wet van Mozes zodat ook de sabbat als een van de “oude dingen” moest worden weggedaan? Maar, aangezien hij de opdracht gaf hem te gedenken door het breken van het brood en het drinken van de beker, moest dit dan de nieuwe vorm van eredienst worden, zonder verband met de sabbat? Heeft dan de christelijke samenkomst op de avond of vroege ochtend van de eerste weekdag een volledig andere betekenis? Die eerste dag was immers een werkdag en droeg verder geen enkel kenmerk van de joodse sabbat. Maar het was wel de dag van de opstanding van de Heer en dus waardig om te gedenken.
  • Of was het sabbatgebod iets eeuwig dat buiten de wet van Mozes viel, dus nog altijd gold en tot een wekelijkse rustdag verplichtte? Had Jezus zelf die dag van zaterdag naar zondag verschoven? Dit laatste noemt men de “transfertheologie”, die van de Israëlitische sabbat een “christelijke sabbat” maakte. En daarom mogen christenen niet op zondag werken.

Ook andere grote controverses woedden intens in die eerste eeuwen, over de goddelijke aard van Christus, over het berekenen van de datum voor de Paasdag en over de betekenis van het avondmaal: “Dit is mijn vlees, dit is mijn bloed” gaf aanleiding tot een niet-aflatende woordenstrijd over de letterlijkheid of het symbolisme van die woorden.[21]

Voor de christenwereld kwam nog een andere grote vraag te berde, een vraag die eeuwenlang, tot op heden, de gemoederen zou verhitten: wat betekende “niet werken” op de wekelijkse vrije dag? Betekende het een dag waarop, na de eredienst, toch ontspannende en feestelijke activiteiten zijn toegelaten, zolang men maar niet “voor gewin” werkt; of betekende het een volkomen rustdag, letterlijk een “dag zonder enige activiteit”. Net zoals in het post-exilische judaïsme, benadrukten scrupuleuze gelovigen die tweede betekenis en begonnen zij regels te preciseren over wat niet mocht op zondag. Bekende kerkvaders zoals Augustinus van Hippo en Eusebius van Cesarea gingen daar tegen in. Het concilie van Laodicea in 364 beval aan de zondag te gebruiken om aan God te denken, maar niet om te “judaïseren”. Maar dit was nog maar het begin van eeuwen van onvoorstelbare strijd waar kerken, met de hulp van politieke machten, of ermee in conflict, de zondag zouden reguleren.

Wel blijkt dat hoe meer een religie institutionaliseert, hoe meer ze ontspanning inperkt en hoe somberder ze wordt.[22]

 

4 – De sabbat van de middeleeuwen tot het heden

De middeleeuwen: kerken, kruistochten, kermissen, kloosters
De Reformatie: bevrijding, verstrakking, en veel strijd
Vanaf de zeventiende eeuw: elk land zijn sfeer en zijn wetten
Recente eeuwen: belangen van kerken, conservatieven, liberalen, socialisten…

 

De middeleeuwen: kerken, kruistochten, kermissen, kloosters

De middeleeuwen bestrijken duizend jaar geschiedenis, van circa 500 tot 1500, een periode met tal van ontwikkelingen in het christendom.

In de zesde eeuw was zuidelijk Europa al sterk gekerstend en ging men verder op het elan met de zondag als dag voor de eredienst. In onze meer noordelijke contreien was de kerstening nog volop aan de gang en had men meer moeite met de overgang van “barbaarse” gewoonten naar christelijke. Dat merken we in het woordgebruik voor de heilige weekdag. De zuidelijke landen opteerden voor “dag des Heren”, in het Latijn dies Domini of dies Dominica, wat in de Romaanse talen dimanche, domingo, Domenica, duminică, diumenge… gaf. Bij de noordelijke “barbaren” vond men een compromis in de heidense naamgeving, met de naam van de zon, Solis dieszondag, Sunday, Sonntag, Söndag, Sunnudagr, Sunnuntai…

In de meeste regio’s bepaalde de Rooms-katholieke kerk de regels, ook voor de zondag. Talrijke concilies en richtlijnen instrueren erover, met als algemene teneur de verplichting om de kerkdienst bij te wonen en die dag niet te werken om gewin. Maar normale ontspanning werd niet verboden. Eén voorbeeld uit het jaar 538:

“Onder de mensen verspreidt zich de mening dat het verkeerd is om op de zondag paard te rijden, eten klaar te maken of iets in huis of voor de mens te doen. Maar omdat zulke opvattingen meer joods dan christelijk zijn, zal in de toekomst gewettigd zijn wat tot nu toe het geval is geweest. Anderzijds moet landbouwwerk blijven rusten, zodat de mensen niet worden weerhouden om naar de kerk te gaan.” (Canon 29, Derde concilie van Orleans, 538)[23]

Het argument “niet weerhouden om naar de kerk te gaan” is waar het vooral om gaat: de kerk wilde geen leeg gebouw voor een dienst die alsmaar uitgebreider werd. In die vroege middeleeuwen verfraaide de kerkdienst zich immers verder, met specifieke gebeden, formules, riten, symbolen en een liturgische kalender voor bijzondere zondagvieringen. Om het gebouw ervoor te vullen kreeg de kerk daarvoor de steun van de wet die “werken” als activiteit verbood. Tegelijk konden zeloten het niet laten om de regels voor de rest van de dag te verstrengen. Het tweede concilie van Macon in 585 verwierp echter die judaïserende strekkingen en beperkte zich tot het verbod op het gewone werken. “Niet werken” verbiedt geen ontspanning na de “aanbiddingsstonde” van de eredienst. Maar het was een slingerbeweging: het concilie van Rouen in 650 verplichtte dan weer tot een strikte rust van vierentwintig uur, inclusief verbod op seks. Allerlei verhalen deden de ronde hoe God mensen strafte die toch iets werkzaamheid op de zondag hadden verricht. Sommige kerkleiders veroordeelden wel het “judaïseren”, maar legden dan zelf evenveel beperkingen op. Toegeeflijkheid gold wel voor de landbouw: het weer gehoorzaamde de zondag niet en omstandigheden noopten geregeld tot dringend werk op het veld.

Het grote schisma van 1054, dat het christendom in oost en west verdeelde, was voor een flink deel aan strijd over de zondag te wijten. In die tijd eiste de Roomse kerk dat er op zondag gevast werd (hoofdzakelijk het zich onthouden van vlees) en dat het brood voor de eucharistie ongedesemd moest zijn. Dat was niet naar de zin van de Griekse patriarch in Constantinopel, die zo’n praktijken judaïserend vond. Het conflict liep op. De Roomsen lieten Griekse kerken in Italië sluiten, en de Grieken betaalden met gelijke munt bij hen. In 1054 excommuniceerden ze elkaar. Van dan af zou de Grieks-Orthodoxe kerk oostelijk Europa beheersen.[24]

In de elfde eeuw bereikte de macht van de paus en de rooms-katholieke kerk een hoogtepunt. Het was de tijd van de kruistochten, maar ook van verwereldlijking van de kerkleiders, politieke macht en corruptie. Naar gelang het land en de regio, verschilden ook de normen voor de zondagrust. Na de misviering genoot men van de vrije dag. Tavernen boden gelegenheid om met gezelschap te praten, te drinken, te dobbelen en te dansen. Koningen en kasteelheren gaven het voorbeeld met zondags vermaak en tornooien. Typerend voor de sfeer van plezier en ontspanning die de zondag bij ons kenmerkte is wel het Vlaamse woord kermis, dat voor het eerst in 1253 opduikt, maar al een lange traditie bevestigt. De “kerkmis” was oorspronkelijk de jaarlijkse rooms-katholieke herdenkingsmis voor de inwijding van het lokale kerkgebouw. Die werd gevolgd door een volksfeest. Het woord, in de volksmond als kermis uitgesproken, duidde al gauw vooral het feest aan. Elk dorp en elke stadsparochie vierde aldus zijn jaarfeest, met een processie, volksspelen, attracties, toneel, muziek en dans, spijs en drank. De kermissen van onze Vlaamse voorouders werden zo beroemd dat het woord via het Frans kermesse in tal van Europese talen werd overgenomen. Niet elke zondag was er kermis, maar het bevestigde dat ontspanning, na de kerkdienst, gepast was.

Al dat plezier was niet naar de zin van gedreven geestelijken die predikten om de hele zondag te heiligen. De Normandische abt Eustace van Saint Germer de Flay, de dominicaan John Bromyard, de aartsbisschop Simon Islip van Canterbury, zijn enkele van de velen berucht om hun donderpreken voor meer zondagsheiliging. Deze middeleeuwse rigoristen veroordeelden dansen, feesten, markten, worstelwedstrijden en schietcompetities. In sommige landen en streken had dit effect wanneer ook de wetgeving er zich naar richtte en overtreders kon straffen. Kenneth Parker wijst erop dat die wetten meestal niet theologisch of Schriftuurlijk gemotiveerd waren, maar praktisch voor “de goede orde”. Na de kerkdienst mondden tavernebezoek en feesten immers soms uit in dronkenschap en baldadigheden. De meeste regels uitgevaardigd om die in te perken beriepen zich op het heilige van de dag, maar verboden daarom geen heilzaam vermaak.[25]

De Vlaamse miniaturist Simon Bening (1483-1561) schonk ons deze momentopname van een zondag in de late middeleeuwen. Elk met een kaars in de hand op weg naar de mis. Andere van Benings miniaturen tonen spel, sport en verpozen na de mis. Zie voorbeelden hier en hier.

Verder trachtten talrijke oude en nieuwe bewegingen een zuiverder evangelie te beleven, waaronder kloosterorden en “sekten” zoals de Katharen en Waldenzen. Bij hen heerste een grote zorg om de zondag te heiligen.

Ook de theologie hield zich diepzinnig met de betekenis van de dag des Heren bezig. Tot nu toe had het christendom de rustdag hoofdzakelijk uit analogie met de joodse sabbat gevolgd, alleen op de zondag en met minder restricties. Maar dat knaagde aan de theologische logica: als God de zevende dag had ingesteld, sinds mensenheugenis de zaterdag, en men gaat uit van het sabbatgebod met zijn verwijzing naar de schepping, dan moet de rustdag op zaterdag blijven zoals bij de joden. Dat probleem zorgde al eeuwen voor controverses in het christendom. In de dertiende eeuw formuleerde de invloedrijke theoloog Thomas van Aquino daar een oplossing voor door de sabbat als een gedeeltelijk morele en gedeeltelijk ceremoniële wet te omschrijven. Het morele stelt het principe van een rustdag om de zeven dagen; het ceremoniële bepaalt het moment in de week. Het offer van Christus hief het ceremoniële op, dus geen verplichting meer voor de sabbat-zaterdag, maar behield het morele of de natuurlijke wet, vandaar nog steeds een rustdag, maar die op een andere dag mag. Thomas formuleert het wel ingewikkelder. Het Thomisme is een rijke filosofie, met verrassende elementen die we ook in het mormonisme terugvinden.

 

De Reformatie: bevrijding, verstrakking, en veel strijd

De protestantse reformatie of hervorming van de zestiende eeuw is een belangrijk kantelmoment dat ook het mormonisme zal beïnvloeden. Mormoonse kerkleiders hebben de hervormers vaak geprezen voor hun poging om een afvallig christendom recht te trekken en om de weg voor de herstelling voor te bereiden. De protestantse visie op de sabbat gaf nieuwe antwoorden op oude vragen.

Bevrijding. De grote hervormers zoals Luther, Calvijn en Zwingli besteden aandacht aan de sabbat, maar zonder er een groot theologisch twistpunt van te maken. Voor hen geldt enkel de Schrift als bron van waarheid: sola Scriptura. Vanuit de Nieuwtestamentische passages over de sabbat, die we hierboven bespraken, besluiten de bekendste hervormers — in grote lijnen:[26]

  • Christus’ offer heeft de wet van Mozes volledig opgeheven, inclusief de tien geboden, die deel waren van de wet van Mozes. Hij heeft ons van die wet bevrijd. Van de Decaloog blijft enkel gelden wat het Nieuwe Testament en de natuurwetten verlangen en daar hoort de sabbat niet bij. Wie de sabbat toch als deel van de wet van Mozes wil onderhouden, moet de hele wet onderhouden, inclusief de besnijdenis.
  • De traditie om een wekelijkse rustdag te houden is een kerkelijke instelling, ontstaan uit het gezamenlijk breken van het brood op de eerste dag. Zo konden de christenen zich afscheiden van de joodse sabbat en kon de zondag dienen om het offer en de opstanding van Christus te gedenken.
  • Op zondag komt men samen voor een gedenkdienst, maar zonder tijdschema’s en gedragsregels voor de rest van de dag “zoals de joden en de papisten” die vereisen. Mensen hebben de vrijheid om verder te doen wat ze willen (ook te werken).

Zestiende eeuwse prent over de heilzame zondagse geneugten op het platteland (houtsnede uit Sandrin ou Verd Galant) 

 

  • Eigenlijk zijn alle dagen evenwaardig om aan God te denken. Toch is de zondag, omwille van de gedenkdienst en de vrije dag, geschikt om zich lichamelijk en geestelijk te vernieuwen en meer te leren over geloof. “Hoewel de sabbat is opgeheven, toch is het nog steeds gebruikelijk om op vaste dagen samen te komen om het woord te horen, om het mystieke brood te breken en openbaar te bidden, en ook om onze dienstknechten en arbeiders remissie van hun arbeid te gunnen”, stelt Calvijn.[27]
  • Dat alles betekent niet dat het Oude Testament geen waarde meer heeft: we kunnen eruit leren hoe God met zijn volk handelde en welke lessen voor ons waardevol blijven.[28]

Die visie maakte komaf met de ineenstrengeling van oud en nieuw. Voor deze hervormers had de zondag niets met de joodse sabbat te maken en de mens was vrij op elk van de zeven weekdagen.

De Reformatie was natuurlijk veel meer dan dat ene punt. Intense bezinning over geloof, genade en werken, Schriftstudie en prediking, dat alles kon ook voor lange zondagbijeenkomsten zorgen, met een vaak intense en sombere sfeer. Ook leidden aanhoudende disputen tot verdere afsplitsingen binnen het protestantisme.

 

Sabbatarianen en puriteinen. Andere hervormingsbewegingen in de zestiende eeuw, of oudere groepen van sabbat-aanhangers, grepen wel terug naar de wet van Mozes. Zij beschouwden het sabbatgebod als nog steeds bindend in zijn essentie als verplichte rustdag, met alle toepasselijke regels om die volledige rust af te dwingen. Ontspanning werd uit den boze. Het is gebruikelijk die bewegingen onder de noemer sabbatarianisme samen te brengen. De aanhangers zijn sabbatarianen. Eerste-Dag-Sabbatarianen beschouwen de zondag, eerste dag van de week, als de “christelijke sabbat”. Zevende-Dag-Sabbatarianen opteren voor de zaterdag, overtuigd dat de verschuiving naar de zondag onaanvaardbaar is: de Zevende-Dag-Adventisten zijn daar de bekendste huidige vorm van. Het is wel zo dat hedendaags gebruik van de term sabbatarianisme niet altijd dezelfde ladingen dekt.

 

Ver van de puriteinen genoot het katholieke, Boergondische Vlaanderen van de zondagnamiddag. “Boerenkermis” (1567), door Pieter Brueghel de Oude (1525-1569). Kunsthistorisch Museum, Wenen

 

Vanaf de zeventiende eeuw: elk land zijn sfeer en zijn wetten

Na de godsdienstoorlogen is Europa een werelddeel van naties geworden, elk met een eigen overwegende religieuze sfeer, ook al wemelen daaronder diversiteit en strijd, in het bijzonder over de sabbat. Enkele voorbeelden.

 

De Engelse sabbat

In de zeventiende eeuw groeit het sabbatarianisme in landen waar het protestantisme wortel heeft geschoten. Zo breekt in Engeland de puriteinse beweging door, mede aangezet door het fanatieke boek The Doctrine of the Sabbath (1595) van Nicholas Bownde.[29] Puriteinse predikers willen religie opnieuw puur, zuiver maken en dus pakken ze de vermeende misbruiken van andere christenen aan, niet alleen van de katholieken, hun aartsvijanden, maar ook van andere protestanten. Vooral het onderhouden van de zondag-sabbat was hun speerpunt.[30] Controverses woeden. Een voorbeeld uit honderden: als antwoord op de puriteinse strakheid, en om katholieken te plezieren, doet koning James I in 1618 het Book of Sports verschijnen dat allerlei sportbeoefeningen op zondag aanbeveelt. De woede die het bij de puriteinen veroorzaakt wordt een element in de burgeroorlog die in 1642 losbreekt.[31] In 1643 wordt het boek in het openbaar verbrand.

Sommige puriteinen schaften ook alle kerkelijke feestdagen af, waaronder kerstmis, met verbod geschenken te geven of zich fijner te kleden — allemaal satanische praktijken.

“The observation of Christmas having been deemed a Sacrilege, the exchanging of Gifts and Greetings, dressing in Fine Clothing, Feasting and similar Satanic Practices are hereby FORBIDDEN with the Offender liable to a Fine of Five Shillings”.

 

De puriteinen trachten de ene wet na de andere te laten stemmen om zondagse activiteiten aan banden te leggen: geen tavernen meer open op zondag, geen dansen, geen bakken noch brouwen, geen festivals, geen volksspelen.

Maar de tegenstand is hevig, de conflicten aanhoudend, zodat sommige puriteinse gemeenschappen besluiten te emigreren. Eén groep, de Pelgrims, vestigt zich eerst in Nederland waar hun rigorisme echter botst met een nochtans al strak protestantisme. Voor deze puriteinen zijn zelfs de Calvinistische Hollanders nog libertijns. Dan volgt hun beroemde reis met het schip de Mayflower en worden zij de “Founding Fathers” in het verre Amerika. Vanuit Engeland volgen duizenden andere puriteinen die hun toevlucht in de nieuwe Britse kolonies in Amerika zoeken. Hun “Engelse sabbat” zal een sterke stempel op het Amerikaans religieus leven drukken.[32]

 

 

De Nederlandse sabbatstrijd

Ook Nederland kent in de zeventiende eeuw een hevige strijd over het onderhouden van de sabbat, steeds met dezelfde discussie sinds eeuwen: een zondag om ook te ontspannen of een zondag van verboden.[33] Deze en andere doctrinale conflicten werken het versnipperen van kerken in de hand, waarbij graden van striktheid de norm voor verdeling worden. De mormoonse historicus Craig Harline, expert in de religieuze geschiedenis van de Lage Landen, vertelt gedetailleerd hoe een typische zondag in de Hervormde kerk er voor een dertigjarige schoolmeester in 1624 uitziet.[34] Twee lange kerkdiensten, ’s ochtends en ’s namiddags, maar daarna eigenlijk nog veel ruimte voor wandelingen, vriendenbezoek, muziek en ook occasionele feesten of een drinkgelag. Dat was echter niet zoals de predikanten het wensten. De ontelbare predikingen waar de geschiedenis de teksten van heeft bewaard raasden tegen al wat van de zondag eerder een “zonde-dag” maakte: taveernen, vertier, uitstappen, sport en spelen. Maar het protestantisme had dit zelf in de hand gewerkt. Door de macht van de katholieke kerk te breken en mensen los te weken uit het universele katholicisme had het versnipperd protestantisme ook de weg geopend voor kritisch denken, ontkerkelijking en vrij initiatief. Er waren nu meer mensen die niet bij een kerk hoorden en die ’s zondags ten volle van hun vrije dag gebruik maakten, om te luieren, te sporten, te feesten of te werken. De situatie was gelijkaardig in andere protestantse landen in Europa, hoewel de wetgevers, onder druk van de kerken, er vaak paal en perk trachtten aan te stellen.

 

De katholieke wereld 

Het katholieke antwoord op de protestantse saaiheid en als wraak op hun beeldenstorm was de barok, de kunst van de Contrareformatie: weelderig, uitbundig, feestelijk, met schilders als Caravaggio en Rubens, en de rijke kerkmuziek van componisten als Bach, Vivaldi en Händel.
Illustratie: Carolus-Borromeus kerk in Antwerpen.

Zuidelijke landen beheerst door het katholicisme genoten algemeen van een gemoedelijker en gezelliger zondagsleven. Na de verplichte maar kleurrijke zondagmis kon men meestal lustig genieten, zeker als de kerk zelf er door de talrijke heiligenfeesten mee van profiteerde. Daar zorgden bedevaarten en processies voor. Taveernen deden gouden zaken als het mannenvolk na de mis de straat op kwam. Er waren nog wel de vespers in de late namiddag, maar niet verplicht, dus goed voor “kwezels en pilarenbijters”. Ook het klimaat had invloed op de zondagbeleving: hoe zonniger de streek zuidwaarts, hoe sterker de drang voor stedelingen, bedienden, handelaars, ambachtslui om Gods gift van een vrije dag in dank aan te nemen.

Wat niet betekent dat het katholicisme zomaar de teugels liet vieren. Handelszaken moesten dicht tijdens de zondagmissen. Kunstenmakers mochten niet optreden tot na de middag. De vastentijd werd ernstig genomen. In Frankrijk liet Lodewijk XIV er streng op toekijken: wie dan vlees, gebak en snoep verkocht werd beboet of vloog in de gevangenis.[35] In sommige landen was ook het spook van de Inquisitie niet dood: strakke prelaten en de “Bezoekers” die ze uitstuurden controleerden het gedrag van de gelovigen. De ontelbare gepubliceerde vermaningen om de zondag beter te heiligen, jaar na jaar, bewijzen hoe intens de strijd soms woedde, maar ook dat het vaak vechten tegen de bierkaai was.[36] Voor de grote meerderheid van de bevolking, inclusief de meeste priesters, waren die vermaners plezierbedervers: na de zondagmis zal God je toch niet verbieden van zalige ontspanning te genieten?

 

Recente eeuwen: belangen van kerken, conservatieven, liberalen, socialisten…

Studies over de geschiedenis van de sabbat in recente eeuwen vormen vaak één lange opsomming van kerkleiders en verenigingen die via wetten de zondag onder controle van religie willen houden. Maar de tijden veranderden alsmaar. De kerk kon niet blijven ketters en boeken op de brandstapel zetten. In de zeventiende eeuw wortelden rationalisme en empirisme zich om de realiteit te verklaren en bijgeloof te verbannen. De achttiende eeuw deed de Verlichting doorbreken. Kritiek op religie was er een pijler van. Kerkelijke censuur en banvloeken trachtten die golf tegen te houden, maar tevergeefs. Tevens was de democratie in opmars zodat machthebbers niet zomaar willekeurig konden optreden. Voor het behoud van de zondag als religieuze rustdag moesten kerken dus vooral rekenen op eigen gelovigen en hun invloed op de politieke macht. Wetten, decreten en lokale reglementen konden ervoor zorgen dat niet alleen werken verboden bleef op zondag, maar ook ontspannende activiteiten.

Cartoon uit de negentiende eeuw: de staatskerk legt haar wil op.

Dat is dan ook wat we in tal van landen zien: een voortdurende strijd tussen de conservatieve krachten die zondagbeperkingen opleggen en de meer liberale krachten die niet willen dat godsdienst de wet bepaalt. Wie aan de macht is kan zijn wil doordrukken, wie coalities vormt moet compromissen sluiten. Vandaar de constant wisselende regelgevingen. Landen die een bepaalde kerk als staatskerk erkenden stonden onder sterke politieke druk om de regels van die kerk aan iedereen op te leggen. Maar nieuwe toestanden botsten alsmaar meer met oude regels: toerisme, treinverkeer, elektriciteit, telegrafie, telefonie, tentoonstellingen, musea — de uitzonderingen op zondagwerken stapelden zich op.

In die ontwikkelingen blijft het onderscheid tussen protestantse en katholieke landen opvallend. Protestantse landen gingen het verst in de beperkingen. Vooral de Angelsaksische wereld dreef de wetgeving tot extreme vormen. De strenge Engelse Sunday Observance Act van 1677 zou pas in 1969 volledig opgeheven worden. De nationale Lord’s Day Observance Society, gesticht in 1831, zette zich krachtig in om alle vormen van zondagse recreatie te verbieden. De Engelse “Victoriaanse zondag” van de negentiende eeuw is omschreven als “een perverse kwelling om zichzelf alle ontspanning te ontzeggen”.[37] Bekende auteurs als Charles Dickens en Somerset Maugham hebben geschreven over de trauma’s die zij als kind aan de marteling van Victoriaanse zondagen hebben overgehouden.

Zondagswetten van Ontario in 1911

In Amerika vormden zeven van de dertien Britse kolonies religieuze enclaves die ook voor het maatschappelijk leven hun eigen strakke wetten oplegden, in het bijzonder voor de sabbat, met zware boeten voor overtredingen.[38] De Amerikaanse onafhankelijkheid in 1776 wijzigde niet veel aan de strenge houding tegenover de zondagrust, hoewel de grondleggers van de Constitutie niet bepaald kerkgezinden waren en de scheiding van kerk en staat vooropstelden. De zogenaamde “blue laws” of zondagswetten, die telkens aan nieuwe uitdagingen het hoofd moesten bieden, bepaalden de regels over wat wel en niet mocht op zondag.[39] Dat ze zo talrijk en frequent waren bewijst dat een groot deel van de Amerikaanse bevolking met de kwellende regels moeite had.

De ene Staat, county of stad was al strenger dan de andere — en dat is nu nog zo. Ook Canada, met zijn Lord’s Day Act, zit in de protestantse traditie. Huidige sporen van al die regels en blijvende controverses vinden we nog in de wetten op zondagwinkelen, ook in Duitsland, Nederland en enkele Scandinavische landen.

Katholieke landen evolueerden anders.[40] Reeds waren heilzame ontspanning en parochiale feesten na de kerkdienst sinds de middeleeuwen overwegend toegestaan. De katholieke kerk ging weliswaar door wisselende golven van strengheid en soepelheid, afhankelijk van pausen, plaatsen en perioden, maar erkende het belang van weldoende ontspanning als deel van de zondag. In plaats van door inhibities de bevolking te laten verzuren en mensen elkaar voor overtredingen te laten veroordelen, opteerde het katholicisme om zelf vorm te geven aan een verantwoorde zondag via eigen jeugdbewegingen, sportverenigingen en andere organisaties. In wintermaanden werden toneel- en later filmnamiddagen aangeboden.

In de Verenigde Staten zorgde de immigratie van katholieken in de negentiende eeuw daarom voor frequente “zondagconflicten”: die “Roomsen” brachten immers de vermaledijde gewoonte binnen om op zondagnamiddag parken met spel en sport te bezoedelen en zelfs toneelvoorstellingen te organiseren! Talrijke gerechtszaken werden erover aangespannen, wat de rechters dwong zich uit te spreken over religie, wat dan weer niet kon wegens de Constitutie. De breuk tussen protestanten en katholieken in de Verenigde Staten draaide grotendeels om de zondaginvulling. En ook de joden weerden zich: zij eisten het recht om te mogen werken op zondag. [41]

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw zien we een onverwachte bondgenoot verschijnen voor de zondagrust. De arbeidersbeweging wil bescherming voor al wie tot werken op zondag verplicht wordt. Het socialisme lijkt de zondag ideologisch te herscheppen: het is geen religieuze dag, maar de rustdag waarop de werkman recht heeft om er samen met zijn gezin van te genieten. Zonder het te beseffen knoopt het socialisme terug aan met de oudste Israëlitische zingeving van de sabbat — de dag waarop ook de slaven mochten rusten. Urbanisatie en industrialisering deden arbeiders en stedelingen snakken naar die vrije dag in de natuur, met lange zondagwandelingen, of een dag aan zee, of spelevaren op een meer, of vissen, of gewoon lopen en spelen in een nabij park. Socialisten en katholieken vonden elkaar. De zondag was er voor het gezin. In tegenstelling tot kinderen uit streng-protestantse milieus, beschreven katholieke auteurs heerlijke herinneringen aan hun zalige zondagen.[42]

In 1953 versoepelde de katholieke kerk verder door de mogelijkheid reeds op zaterdagavond de mis te kunnen bijwonen.  Zonder het toe te geven, kwam ze zo tegemoet aan de groeiende gewoonte van zondagse gezinsuitstappen en aan de bloeiende jeugdbewegingen.

 

5 – De sabbat in het mormonisme

Dit onderdeel probeert enkele momentopnamen te vatten in de nu bijna tweehonderd jaar mormoonse geschiedenis. Wat betekende de sabbat voor de eerste kerkleiders, Joseph Smith en Brigham Young? Hoe rijpten de argumenten om de sabbat te verdedigen? Welke invalshoeken hebben in de loop der jaren de mormoonse sabbatsfeer bepaald?

Joseph Smith
Brigham Young
Verdediging van de sabbat met tweesnijdende argumenten
Van verboden, geboden en aanbevelingen
Een ander soort inhoudelijke zondag tot de jaren 1970

 

Joseph Smith

Joseph Smith zelf heeft blijkbaar nooit over de sabbat gepredikt.[43] Hij was niet opgegroeid in een gezin met sabbat-regels. Zowel zijn vader als beide grootvaders hadden een losse religieuze achtergrond, zonder binding met een kerk. Zijn moeder Lucy Mack Smith was een “seeker”, iemand die ongebonden op zoek was naar de juiste religie. Uit haar autobiografie blijkt geen bezorgdheid om het heiligen van de sabbat. Het Boek van Mormon, een hoofdbron voor Joseph Smiths religieuze kennis, vermeldt de sabbat amper. Joseph Smith zelf was vrolijk van aard. Een erg actief man, hield hij van “pistoolschieten, baseball, wandelen, trekken, worstelen en paardrijden… Hij promootte vele andere recreatievormen. Hij had een voorkeur voor muziek, toneel en dans.”[44] Zijn dagboeken vermelden geregeld party’s met muziek en dans, tot in de vroege uren, hoewel niet op zondag. Die achtergrond is niet onbelangrijk om Josephs algemene levenshouding te vatten.

Het mormonisme ontstond niet uit bestaande kerken, maar door openbaring als herstelling van de oorspronkelijke kerk. De jonge profeet was uitermate leergierig, open voor alle waarheid, waar ze ook vandaan kwam. Voor hem waren sporen van authentieke waarheden dus ook in andere kerken of religies te vinden: “Bezitten de Presbyterianen enige waarheid? Ja. Hebben de Baptisten, Methodisten, enz. enige waarheid? Ja. Ze hebben allen waarheid vermengd met dwaling. Wij moeten alle goede en ware beginselen in de wereld verzamelen en als schatten koesteren, of we worden geen ware mormonen”.[45] Van nabije protestantse kerken nam Joseph Smith wellicht de gewoonte over om ’s zondags te vergaderen voor prediking en het regelen van praktische zaken.

De funderende tekst voor “de organisatie en het bestuur van de kerk” in april 1830 (Leer en Verbonden 20) vermeldt de sabbat of de zondag niet, hoewel  plichten en taken in de tekst aan bod komen, alsmede de gebeden voor het bedienen van het avondmaal. Voor vergaderen geldt enkel “erop toe te zien dat de kerk dikwijls tezamen komt” (vers 55), maar zonder naar de zondag te verwijzen. Ook de lange openbaring “behelzende de wet van de kerk” in februari 1831 (Leer en Verbonden 42) vermeldt geen regel over het onderhouden van de sabbat.

Pas anderhalf jaar na de stichting van de kerk, in augustus 1831, verduidelijkt een openbaring, gegeven in Jackson County, Missouri, het behoud van een weekdag gewijd aan God:

“Gij zult de Heer, uw God, een offer in gerechtigheid brengen, ja, dat van een gebroken hart en een verslagen geest. En opdat gij uzelf beter onbesmet van de wereld zult kunnen bewaren, zult gij naar het huis des gebeds gaan en uw offeranden offeren op mijn heilige dag; want voorwaar, dat is de dag die voor u is ingesteld om van uw arbeid uit te rusten en om de Allerhoogste uw toewijding te betonen” (Leer en Verbonden 59:8–10).

Dit gebod om naar “het huis des gebeds” te gaan op “mijn heilige dag” kwam er dus pas in augustus 1831 in Jackson County, Missouri, hoogstwaarschijnlijk naar aanleiding van klachten dat nieuwkomers vanuit zuidelijke staten de zondag vulden met paardenrennen, gokken, lawaai maken en drinken. Deze eerste vermelding van zondagrust was dus allicht bedoeld als correctief op wantoestanden.

De termen in de net vermelde passage in Leer en Verbonden 59 zijn typisch Nieuwtestamentisch door het offer “van een gebroken hart en een verslagen geest”. Op dat ene punt sluiten ze dus aan bij Jezus’ onderwijs aan de Nephieten (3 Nephi 9:19–20). Er is echter geen verwijzing naar de term “sabbat”. Het doel van het samenkomen is “opdat gij uzelf beter onbesmet van de wereld zult kunnen bewaren”. De opdracht “naar het huis des gebeds” te gaan veronderstelt het bijwonen van een vergadering, hoewel de kerk in die periode nog geen eigen gebouw voor kerkdiensten had. Men vergaderde meestal in open lucht of onder een afdak. De frase “op mijn heilige dag” die is ingesteld “om van uw arbeid uit te rusten” sluit aan met de Bijbelse traditie, met name het scheppingsverhaal en Gods rust op de zevende dag, maar, in tegenstelling tot de formulering in Exodus, wordt die binding hier niet expliciet verwoord. Door te spreken van “mijn heilige dag” maakt de tekst geen onderscheid tussen zevende dag en eerste dag van de week. Iets verder heet het de dag des Heren: “…maar bedenkt dat gij op die dag, de dag des Heren, uw gaven en uw offeranden aan de Allerhoogste zult offeren, en uw zonden zult belijden aan uw broeders en voor het aangezicht des Heren” (vers 12). De opdracht luidt verder: “En gij zult op die dag niets anders doen, behalve dat uw voedsel met eenvoud des harten bereid wordt, opdat uw vasten volmaakt zal zijn, of met andere woorden, opdat uw vreugde overvloedig zal zijn” (vers 13). Kortom: een geestelijke opdracht, zonder expliciet verband met de wet van Mozes of de sabbat van de tien geboden. Die formulering ligt in de lijn van Luther en Calvijn.

Enkele maanden later, in november 1831, vermeldt een openbaring wel het woord sabbatdag. Door de eeuwenlange christelijke traditie wordt die als zondag begrepen: “En de inwoners van Zion zullen ook de sabbatdag vieren om die heilig te houden” (Leer en Verbonden 68:29). Daarmee volgt het taalgebruik de protestantse trend van zijn tijd om de zondag als “sabbatdag” te benoemen.

Joseph Smith zag geen noodzaak voor vermaningen of richtlijnen omtrent het “correct” onderhouden van de sabbat, noch om er leerstellig over uit te wijden, ondanks het feit dat dit onderwerp een stokpaardje van protestantse predikers was en bekeerlingen vaak hun religieuze achtergrond meebrachten. Joseph Smith predikte altijd constructief en expansionistisch, terwijl het sabbat-onderwerp meestal vermanend en bestraffend is. Wel predikte hij over de heiligheid van het avondmaal,[46] maar het avondmaal was in die tijd niet gebonden aan de zondag. Het werd occasioneel bediend, bijvoorbeeld bij bijzondere leidersvergaderingen.

Tijdens de eerste decennia van de kerkgeschiedenis verliep de zondagvergadering trouwens op sommige punten anders dan nu. Heel wat bekeerlingen waren methodisten, zoals Brigham Young, John Taylor, Oliver Cowdery en Orson Hyde. “Sermoenen” beheersten methodistische vergaderingen en de kerk nam die vorm over. Geestelijke extase en zelfs het “spreken in talen” kwamen erin voor.[47] Het avondmaal stond niet centraal en werd ook niet elke keer rondgedeeld. Geen enkele richtlijn specifieerde immers dat het avondmaal bij de zondagbijeenkomsten hoorde. Indien het gebeurde, was het op het einde van de vergadering. Vrouwen namen deel aan de voorbereiding. De hoogste kerkleiders of oudere hogepriesters zorgden voor de bediening (jongens zouden pas na 1877 in het Aäronische priesterschap ingeschakeld worden en dan zou het nog jaren duren voor ze bij het avondmaal betrokken werden). Voor de inzegening sprak een priesterschapsdrager een vrij gebed bij uit met opgeheven armen (het vaste gebed werd pas na 1854 strikter gebruikt). Naast een schaal met brokjes brood, ging een beker met wijn rond waaraan elk om beurt nipte (van hygiëne en contaminatie werd men pas bewust omstreeks 1880 en de wijziging naar individuele bekertjes was voor velen een hele liturgische omwenteling).[48] De omstandigheden om te vergaderen waren ook erg verschillend, meestal in open lucht.

 

Brigham Young

Tijdens zijn presidentschap, van 1847 tot 1877, raakte Brigham Young het onderwerp van de sabbat verschillende keren aan. In een toespraak in 1852 erkende hij dat in de moeilijke pioniersomstandigheden allerlei werkzaamheden de sabbat doorkruisten — “in plaats daarvan zouden we zo weinig mogelijk moeten doen”. Maar, “om de sabbat te onderhouden zoals onder de Mozaïsche wet, ik zou het niet kunnen.” Brigham Young vervolgt:

“Onder het nieuwe verbond, moeten we eraan denken om een dag in de week heilig te houden als een dag van rust — als een gedenkteken voor de rust van de Heer en de rust van de Heiligen; ook voor ons lichamelijk voordeel, want het is ingesteld voor het uitdrukkelijke doel om de mens ten goede te komen. Het is geschreven in dit boek (de Bijbel), dat de sabbat is gemaakt voor de mens, en niet de mens om de sabbat. Het is een zegen voor hem. Zo weinig mogelijk arbeid zou moeten gedaan worden op die dag: hij moet terzijde worden gesteld als een dag van rust, om samen te vergaderen op de aangewezen plaats, volgens de openbaring, om onze zonden te belijden, tienden en offeranden te brengen, en onszelf voor de Heer aan te bieden, om daar de dood en het lijden te herdenken van onze Heer Jezus Christus.”[49]

Noteer dat Brigham Young verwijst naar “het nieuwe verbond” en naar de uitspraak van Jezus om de rustdag de mens ten goede te laten komen. Het is een “gedenkteken voor de rust van de Heer en de rust van de Heiligen”, wat een originele omschrijving is. De binding van de rustdag aan het avondmaal — “om daar de dood en het lijden te herdenken van onze Heer Jezus Christus” — wijst erop dat de zondagdienst nu, in 1852, standaard het avondmaal inhoudt.

De immer pragmatische Brigham Young liet zich meer dan eens plagend uit over de manier waarop de kerkleden, inclusief hemzelf, de sabbat vierden: van ’s morgens vroeg van de ene vergadering naar de andere, zonder de rust waarvoor de sabbat bedoeld is:[50]

“Als het van mij afhing, zou ik de tijd voor deze vergaderingen over de zes werkdagen verdelen, en op de zevende van al mijn werk rusten, met als expres doel het vernieuwen van de mentale en fysieke krachten van de mens… Zeer zelden geniet ik van dat voorrecht.”[51]

Brigham Young was duidelijk geen fundamentalist. In 1853 gaf hij een toespraak over het foutieve van een te strenge opvoeding. Hij vertelde hoe hij als kind op zondag onredelijk werd kort gehouden, er bittere herinneringen aan overhoudend, en hoe hij daarom nu “actieve oefening en ontspanning” voorstaat.[52] Hij vertelde ook hoe, tijdens zijn zending in Engeland, de kerkleden gechoqueerd waren dat hij zich ’s zondags [bij de barbier] liet scheren. Hij gebruikte het incident om het relatieve van tradities te onderstrepen: “Als ik geen tijd had om dat werk op zaterdag te doen, dan deed ik het op zondag indien nodig. En als ik wilde vergaderen en God aanbidden, dan was het net zo acceptabel om dat op zaterdag als op zondag te doen.”[53] Op een ander moment vroeg hij niemand te beoordelen die ’s zondags niet in de kerk was, maar bezig was op weggelopen paarden en vee te jagen of in de canyons te werken [toen vooral voor het vellen van bomen voor hout of voor het regelen van irrigatie]: “Beoordeel die mensen niet, want je kent niet Gods bedoeling met hen.”[54]

Maar evengoed kon Brigham Young iemand terechtwijzen die een deel van zijn oogst wilde redden door op zondag te werken: “Laat het verloren gaan, want als het tijd is om te aanbidden, ga en aanbid.”[55] In latere jaren maakte Brigham Young meer opmerkingen over mensen die de hele zondag voor hun plezier uitstappen maakten of gingen jagen.[56] De verslapping van inzet bij de jongere generatie en het hogere comfort in Utah veranderden immers de maatschappij. Als ze daarom niet meer naar de kerk kwamen, moest erover gepredikt worden.

 

Verdediging van de sabbat met tweesnijdende argumenten

Vanaf 1900 stijgt het aantal aanmaningen in de algemene conferenties om de sabbat te onderhouden.[57] Niet verwonderlijk: de kerk had haar isolement in Utah verloren, meer niet-mormonen vestigden er zich en de regio veramerikaniseerde snel. De ontspanningsindustrie, met uitgaansgelegenheden, sportwedstrijden en skioorden, breidde zich uit. Het aantal aanwezigen in de kerkdiensten ging neerwaarts. Mormoonse kerkleiders, allicht ook aangespoord door de algemene protestantse strijd voor de sabbat, zagen elke vorm van recreatie dan ook als tegenstrijdig met de sabbatgeest. De katholieke benadering, die vaak zelf na de zondagdienst heilzame ontspanning organiseerde, was onbekend of werd als onaanvaardbare wereldlijke toegeving veroordeeld.

Om de gelovigen te overtuigen naar de diensten te komen, breidden mormoonse kerkleiders hun argumenten uit, alsof de raad in Leer en Verbonden niet volstond. Zo begonnen sommigen naar het sabbatgebod in de tien geboden te verwijzen, met de retoriek die ook andere kerken gebruikten. Goed bedoeld, maar daarmee haakten ze hun redenering aan de wet van Mozes. Kerkleden vertrouwd met de Schriften en de geschiedenis beseffen, net zoals Luther en Calvijn, en allicht ook Joseph Smith en Brigham Young, dat je je dan kwetsbaar opstelt: vanuit de Schrift kan men makkelijk argumenteren dat samen met de wet van Mozes ook het sabbatgebod is opgeheven in Christus.

Net zoals in andere kerken gingen sommigen daarom nog een stap verder, namelijk het sabbatgebod als een eeuwig gebod voorstellen, deel van de tien geboden die universeel zouden zijn. Ook goed bedoeld, en voor velen overtuigend, maar evengoed broos. Universeel is vanuit de natuurwet de veroordeling van moord, diefstal of vals getuigenis. Maar zijn daarom andere geboden van de Decaloog ook universeel, zoals het verbod op het maken van gesneden beelden — dat christenen niet volgen? Ook het begrip “eeuwig verbond” aan de sabbat koppelen is theologisch gewaagd, want dan is ook de besnijdenis het teken van een eeuwig verbond. Precies daarvoor waarschuwde Paulus: als je het ene gebod uit de oude wet behoudt, dan ook het andere.

Het gaat hier alleen over de waarde van die argumentatie die in de twintigste eeuw de gebruikelijke mormoonse manier van spreken werd om de boodschap kracht bij te zetten.[58] Een gebod met aanvechtbare argumenten verdedigen is tweesnijdend en kan meer kwaad dan goed doen. Terwijl de aanbeveling uit Leer en Verbonden, namelijk om een dag “van uw arbeid uit te rusten en om de Allerhoogste uw toewijding te betonen” eigenlijk voldoende is. Die benadering ligt in de lijn van de traditie van de vroegchristelijke kerk — een weekdag om samen te komen, het brood te breken en elkaar op te bouwen. Met die perfecte verwoording in Leer en Verbonden staat de rustdag los van de wet van Mozes en het sabbatgebod in de tien geboden.

 

Van verboden, geboden en aanbevelingen

Met het stijgend aantal vermeldingen van de sabbat groeide ook het oplijsten van wat wel en niet mocht op zondag, zoals blijkt uit de  toespraken op algemene conferenties . In oktober 1900 vraagt apostel John W. Taylor namens het Eerste Presidium om geen concerten meer op zondag te organiseren, zelfs geen repetities te houden.[59] In dezelfde conferentie meldt apostel Francis M. Lyman namens kerkpresident Joseph F. Smith om geen “seculiere liederen” in de zondagsschool te zingen.[60] In 1906 stelt apostel John Henry Smith dat leden “de zondag niet mogen gebruiken om buren te bezoeken, met elkaar staan te babbelen op straat of naar uitgaansplaatsen [pleasure resorts] te gaan”.[61]

“Sommige mensen schijnen te denken dat, als ze de godsdienstige vergaderingen hebben bijgewoond, of een deel van hun zondagtaak hebben verricht, dat ze dan vrij zijn om naar balwedstrijden [ball games], bioscopen [picture shows] of allerhande uitgaansplaatsen [resorts] te gaan, en dan nog denken dat ze de goedkeuring van de Meester hebben”, waarschuwt apostel George Albert Smith in 1923.[62] Vijf jaar later publiceert het Eerste Presidium een editoriaal met een lijst van zondagverboden — “bioscoopbezoek, baseball-, voetbal- of basketbalwedstrijden, of enige andere vorm van commerciële recreatie, of betrokkenheid bij vermijdbare commerciële activiteiten, of gaan jagen, vissen, golfen of skiën”.[63] J. Reuben Clark, raadgever in het Eerste Presidium, voegt er het verbod op picknicken aan toe, maar staat wel toe dat je thuis naar “goede muziek” mag luisteren.[64] Net zoals in de algemene Angelsaksische sabbattraditie staat “winkelen op zondag” bovenaan op de lijst van verboden.[65]

Daarnaast leggen kerkleiders de nadruk op wat kerkleden wel kunnen doen op zondag. Buiten het bijwonen van alle vergaderingen, kunnen leden Schriften bestuderen, bidden, dagboeken aanvullen, aan genealogie werken, brieven schrijven, zieken bezoeken en algemeen, “te doen wat de Heer zou willen dat we deden op deze heilige dag”, stelde president Spencer W. Kimball in 1978.[66] Eenzelfde invalshoek gebruikte apostel Russell M. Nelson recentelijk, met verwijzing naar Jesaja: de sabbat is een “verlustiging” wanneer we niet doen wat we zelf willen, maar ons iets ontzeggen omwille van de Heer. Als activiteiten voor de rest van de zondag, na de kerkvergaderingen, beveelt Elder Nelson aan om kinderen thuis het evangelie te onderwijzen met alle hulpmiddelen die de kerk aanreikt of aan familiegeschiedenis te doen.[67]

Het kerkelijk tijdschrift (Ensign of Liahona) vraagt soms ook individuele leden hun mening over iets te schrijven. Goed bedoeld, maar biedt ruimte om eigen normen in te lassen, die op die manier toch in een “officiële bron” verschijnen. Zo is volgens een lid ’s zondags “huiswerk voor school” te vermijden.[68] Voor een ander moeten kinderen leren uitnodigingen van andere kinderen direct af te slaan om iets op zondag te doen. Ook geen televisie en geen spelletjes.[69] Op onafhankelijke websites van kerkleden vind je soms nog meer dergelijke ideeën voor een “nog betere sabbat”.

Voor de keuze van de weekdag als rustdag past de kerk zich aan de nationaal geldende rustdag. Zo houden mormonen in Israël hun diensten op zaterdag, en in Islamitische landen meestal op vrijdag.[70]

 

Een ander soort inhoudelijke zondag tot de jaren 1970

De inhoudelijke sfeer van de mormoonse zondag in de kerk is met de tijd geëvolueerd. De avondmaaldienst van bijvoorbeeld honderd jaar geleden leek vormelijk sterk op de onze, maar de prediking hield veel meer doctrine, geschiedenis en actualiteit in.[71] Leden volgden het voorbeeld van de toespraken die ze in de Journal of Discourses (1854–1886) vonden en later in de rijk gedocumenteerde evangeliestudieboeken van schrijvers als James E. Talmage, John A. Widtsoe of Joseph Fielding Smith. In toespraken en getuigenissen had het cognitieve voorrang op het sentimentele. Kennis had voorrang op vermanen.

Ook de zondagsschool was inhoudelijk erg verschillend en maakte de zondag deels niet-godsdienstig. Het was een school. Vanaf het midden van de negentiende eeuw boden mormoonse wijken op eigen initiatief een “zondagsschool” voor kinderen en jongeren aan, vanuit een protestantse traditie. In 1867 kreeg deze succesvolle zondagsschool een institutioneel statuut als “hulporganisatie” binnen de kerk. Een eigen maandelijks tijdschrift voor jongeren, The Juvenile Instructor, bracht niet alleen morele lessen en historische achtergrond voor de Schriften, maar ook wereldliteratuur en informatie over natuur, wetenschap en kunst in het licht van het evangelie, naast praktische tips over huishouden, gezondheid, hygiëne of studiekeuze. Jongeren, en hun ouders, leerden over de farao’s ten tijde van Mozes of over het wonder van de zeeanemonen.

The Juvenile Instructor van november 1883 begon met een artikel over soorten duiven en het wonder van postduiven. Daaraan werd dan een morele boodschap gekoppeld.

Het tijdschrift, en zijn opvolger The Instructor, zou tot 1970 het onafhankelijk orgaan van de zondagsschool blijven. Al vanaf de jaren 1880 zorgden onderwijskundigen van de jonge Brigham Young Academy (later University) voor doordacht instructief leermateriaal en voor lerarenopleiding. Leerkrachten kregen veel vrijheid in het invullen en aanpassen van de gesuggereerde lesplannen en moesten vooral het “onafhankelijk denken” van de cursisten stimuleren. In het begin van de twintigste eeuw breidde de mormoonse zondagsschool uit met een klas voor volwassenen waarvoor het leermateriaal “ruim gebruik maakte van klassieke en hedendaagse literatuur en wijsbegeerte”, met steeds als doel het geestelijk, intellectueel en artistiek peil thuis op te krikken. Zo kregen ouders op basis van professionele bronnen zondagsschoollessen over de fysieke en emotionele ontwikkeling van kinderen, over muziekonderwijs thuis en over de samenstelling van een bibliotheek. Te mijden waren controversiële en triviale theologische discussies.[72]

Vanaf de jaren 1920 gebruikten de zondagsschoollessen professioneel leermateriaal over kinderopvoeding, kinderpsychologie en sociale ethiek. Doctrinale onderwerpen baseerden zich op de Leringen van de profeet Joseph Smith en op analyses van intellectuele kerkleiders zoals James Talmage. Die trend zette zich de volgende decennia door, waarbij het leermateriaal een evenwicht betrachtte tussen seculiere, intellectuele en pragmatische informatie enerzijds, en Schriftuurlijke exploitatie en morele lessen anderzijds. De bedoeling was de zondaguren in de kerk zo boeiend mogelijk te maken.

In 1970 werden de hulporganisaties en hun tijdschriften opgeheven. Alle onderwijs werd gecentraliseerd en tot dezelfde essenties ten behoeve van alle leden wereldwijd herleid. Deze “correlatie” zorgde van dan af voor een uniform aanbod enkel gebaseerd op de Schriften en op toespraken van algemene autoriteiten.

 

6 – Besluit

De initiële vraag “Geldt de sabbat nog wel?” kan men pas goed beantwoorden als men het begrip sabbat erbij verduidelijkt.

  • Indien sabbat verwijst naar de instelling van de rustdag onder de wet van Mozes, dan blijkt deze sabbat opgeheven in Christus. Zowel het Nieuwe Testament als het Boek van Mormon ondersteunen die visie. Voor christenen geldt de Mozaïsche sabbat niet meer.
  • Indien sabbat verwijst naar een ander soort weekdag, gegroeid uit de christelijke gewoonte om wekelijks samen te komen, Christus te gedenken en er verder een heilzame dag van te maken, dan kan die visie vanuit de geschiedenis gelden. Voor de meeste christenen valt die dag nu op zondag. De dag echter sabbat noemen is vanuit historisch en doctrinaal standpunt minder gelukkig omdat er zo toch nog een verband met de Mozaïsche sabbat en zijn beperkende regels gesuggereerd wordt.

Elke kerk heeft het recht eigen regels te bepalen. Wie een goed kerklid wil zijn en vertrouwen in zijn leiders heeft aanvaardt die regels.

De geschiedenis toont echter dat sommige kerkleiders en begeesterde gelovigen de neiging hebben om regels toe te voegen en regels te verstrakken. Voor de wekelijkse rustdag keert men zo mogelijk terug tot het “judaïseren” van de hele dag. Op het plaatselijk niveau kan dit leiden tot het beoordelen van elkaars gedrag.

Misschien is vooral de vraag welke herinneringen we onszelf en onze kinderen willen meegeven over “de zondagen van toen”.

 

Voetnoten

[1] Elder M. Russell Ballard, “To the Saints of the Utah Salt Lake Area,” 11 September 2016. www.lds.org/prophets-and-apostles/unto-all-the-world/to-the-saints-of-the-utah-salt-lake-area. Zie ook Elder Ballards toespraak “The Opportunities and Responsibilities of CES Teachers in the 21st Century” van 26 februari 2016. www.lds.org/broadcasts/article/evening-with-a-general-authority/2016/02/the-opportunities-and-responsibilities-of-ces-teachers-in-the-21st-century

[2]    Leviticus 23:38; 1 Kronieken 23:31; en vele andere passages. Zie voor analyse Ryan C. Stoner, “A Sacrifice of Time: Work, Worship and the Embodiment of Sabbath in Ancient Judaism,” PhD diss., (University of Toronto, 2014).

[3]    Abraham 4:8, 13, 19, 23, 31; Leer en Verbonden 93:33. Mormoonse leiders hebben die principes vaak benadrukt, met accent op het waarom van de schepping, niet op het hoe. Voor een recente inbreng: Russell M. Nelson, “The Creation”, General Conference (april 2000). Ensign / Liahona (mei 2000).

[4]    Een gedetailleerde studie van de termen geeft Gnana Robinson, “The Idea of Rest in the Old Testament and the Search for the Basic Character of Sabbath,” Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft 92, no. 1 (1980): 32–42.

[5]    Aaron Schart, “The Sabbath: In the Law, in the Prophets, and in Mark,” Verbum et Ecclesia 25, no. 1 (2004), 253–273.

[6]    Jonathan L. Friedmann, Music in Biblical Life: The Roles of Song in Ancient Israel (London: McFarland, 2013); Paul Heintzman, “Implications for Leisure from a Review of the Biblical Concepts of Sabbath and Rest,” in Christianity and Leisure: Issues in a Pluralistic Society, eds. Paul Heintzman, Glen E. Van Ardel and Thomas I. Visker (United States: Dordt College Press, 1994), 17–34.

[7]    2 Samuël 6:12-23; 1 Konieken 15:1-29. Ook de Psalmen (104:25-26) en de Spreuken (8:30-31) getuigen van de vreugde die God toelaat.

[8]    Daniel K. Daily Falk, Sabbath, and Festival Prayers in the Dead Sea Scrolls (Leiden: Brill, 1998).

[9]    Een goed overzicht van de ontwikkeling van de joodse sabbat geeft Gerhard F. Hasel, “Sabbath,” in The Anchor Bible Dictionary, ed. David Noel Freedman (New York: Doubleday, 1992), 849–856. Een gedetailleerde studie geeft Heather A. McKay, Sabbath and Synagogue: The Question of Sabbath Worship in Ancient Judaism (Leiden: Brill, 2001). Zie ook Marc Zvi Brettler, “Judaism in the Hebrew Bible? The Transition from Ancient Israelite Religion to Judaism,” The Catholic Biblical Quarterly 61, no. 3 (1999): 429–447; Harold H. P. Dressler, “The Sabbath in the Old Testament,” in From Sabbath to Lord’s Day: A Biblical, Historical and Theological Investigation, ed. Donald A. Carson (Eugene, OR: Wipf and Stock Publishers, 1999), 21–42.

[10]  Niels-Erik Andreasen, “Recent Studies of the Old Testament Sabbath. Some Observations,” Zeitschrift für die Alttestamentliche Wissenschaft 86, no. 4 (1974): 453–469; Roger T. Beckwith, Calendar and Chronology, Jewish and Christian: Biblical, Intertestamental and Patristic Studies (Leiden: Brill, 2001); Edward M. Reingold and Nachum Dershowitz, Calendrical Calculations: The Millennium Edition (Cambridge: Cambridge University Press, (2001); Sacha Stern, Calendar and Community: A History of the Jewish Calendar, 2nd Century bce to 10th Century ce (Oxford: Oxford University Press, 2001); J. B. Segal, “Intercalation and the Hebrew calendar,” Vetus Testamentum 7, no. 3 (1957): 250–307; James C. VanderKam, Calendars in the Dead Sea Scrolls: Measuring Time (London: Routledge, 2002).

[11]  De nummering van de geboden verschilt volgens de Bijbeleditie en de manier van kerkelijk tellen. In sommige tradities is de sabbatwet het derde gebod en is het vierde het eren van de ouders.

[12]  Zie voor een overzicht Chris Rowland, “A Summary of Sabbath Observance in Judaism at the Beginning of the Christian Era”, in From Sabbath to Lord’s Day: A Biblical, Historical and Theological Investigation, ed. Donald A. Carson (Eugene, OR: Wipf and Stock Publishers, 1999), 43–56.

[13]  Bijvoorbeeld, Samuele Bacchiocchi, “Matthew 11: 28-30: Jesus’ Rest and the Sabbath,” Andrews University Seminary Studies 22, no. 3 (1984): 289–316; Francis Wright Beare, “The Sabbath Was Made for Man?,” Journal of Biblical Literature (1960): 130–136; A. J. Droge, “Sabbath Work/Sabbath Rest: Genesis, Thomas, John,” History of Religions 47, no. 2/3 (2007): 112–141; Arland J. Hultgren, “The Formation of the Sabbath Pericope in Mark 2: 23-28,” Journal of Biblical Literature 91, no. 1 (1972): 38–43; James W. Leitch, “Lord also of the Sabbath,” Scottish Journal of Theology 19, no. 4 (1966): 426–433; Etan Levine, “The Sabbath controversy according to Matthew,” New Testament Studies 22, no. 4 (1976): 480–483; Herold Weiss, “The Sabbath in the Synoptic Gospels,” Journal for the Study of the New Testament 12, no. 38 (1990): 13–27.

[14]  Robert Goldenberg, “The Jewish Sabbath in the Roman World up to the Time of Constantine the Great,” Aufstieg und Niedergang der Römischen Welt, ed. Wolfgang Haase, vol. 2 (Berlin: De Gruyter, 1979), 441–447; specifiek voor de ontwikkeling in de tweede eeuw n.C.: Robert Goldenberg, The Sabbath-Law of Rabbi Meir, Brown Judaic Studies 6 (Missoula: Scholars Press, 1978): voor het achtdaags systeem: James Ker, “’Nundinae’: The Culture of The Roman Week,” Phoenix 64, no. 3/4 (2010): 360–385.

[15]  Noteer dat niet alle Bijbels de vertaling in het meervoud respecteren. NBV vertaalt het vers uit Kolossenzen als “Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwemaan en sabbat.”

[16]  Henk Jan de Jonge, “Zondag en sabbat: Over het ontstaan van de christelijke zondag,” Rede ter gelegenheid van de 431ste dies natalis van de Universiteit Leiden op 8 februari 2006 uitgesproken in de Pieterskerk te Leiden (Leiden: Universiteit Leiden, 2006).

[17]  Hugh Nibley, Mormonism and Early Christianity (Salt Lake City: Deseret Book / Provo: FARMS, 1978), in het bijzonder chapter 5, “The Passing of the Primitive Church: Forty Variations on an Unpopular Theme”.

[18]  Werken hierover gebruiken uiteenlopende invalshoeken, soms om de visie van een bepaalde kerk te ondersteunen. Zie als vaak geciteerde: Samuele Bacchiocchi, From Sabbath to Sunday: A Historical Investigation of the Rise of Sunday Observance In Early Christianity (Rome: Pontifical Gregorian university, 1977); Donald A. Carson, ed. From Sabbath to Lord’s Day: A Biblical, Historical and Theological Investigation (Eugene, OR: Wipf and Stock Publishers, 1999); Willy Rordorf, Sunday: the History of the Day of Rest and Worship in the Earliest Centuries of the Christian Church (London: SCM Press, 1968); Craig Harline, Sunday: A History of the First Day from Babylonia to the Super Bowl (Yale: Yale University Press, 2011); Herold Weiss, A Day of Gladness: The Sabbath among Jews and Christians in Antiquity (University of South Carolina Press, 2003).

[19]  James M. Thomas, “The Racial Formation of Medieval Jews: A Challenge to the Field,” Ethnic and Racial Studies 33, no. 10 (2010): 1737–1755.

[20]  Zie onder meer Robert A. Kraft, “Some Notes on Sabbath Observance in Early Christianity,” Andrews University Seminary Studies 3, no. 1 (1965): 18–33.

[21]  De strijd rond de betekenis van de eucharistie is altijd blijven duren. Zie onder meer Edward J. Kilmartin and Robert J. Daly, The Eucharist in the West: History and Theology (Rome: Liturgical Press, 2004).

[22]  Lee J. deLisle, “Keys to the Kingdom or Devil’s Playground? The Impact of Institutionalised Religion on the Perception and Use of Leisure,” Annals of Leisure Research 6, no. 2 (2003): 83–102.

[23]  Georges Goyau, “Councils of Orléans,” The Catholic Encyclopedia . Vol. 11 (New York: Robert Appleton Company, 1911).

[24]  R. L. Odom, “The Sabbath in the Great Schism of A.D. 1054,” Andrews University Seminary Studies 1, no. 1 (1963): 74–80.

[25]  Kenneth L. Parker, The English Sabbath: A Study of Doctrine and Discipline from the Reformation to the Civil War (Cambridge: Cambridge University Press, 2002), in het bijzonder hoofdstuk 2, “Medieval Sabbatarianism and Reformation Reaction”.

[26]  Een goed gestructureerd overzicht geeft P. Gerard Damsteegt, “The Sabbath and the Most Prominent Magisterial Reformers,” Faculty Publications Andrews University (2011). Paper 104. http://digitalcommons.andrews.edu/church-history-pubs/104

[27]  Referentie in Darmsteegt: “Calvin, Institutes, 2:429. Also see Calvin, Moses, 2:437.”

[28]  Die betekenis van het Oude Testament voor christenen wordt goed verwoord door David A. Dorsey, “The law of Moses and the Christian: A Compromise,” Journal of the Evangelical Theological Society 34, no. 3 (1991): 321–334.

[29]  Talrijke studies behandelen het Engels puritanisme. Als algemene werken: Edward Elliott, Power and the Pulpit in Puritan New England (Princeton: Princeton University Press, 2015); Charles E. Hambrick-Stowe, The Practice of Piety: Puritan Devotional Disciplines in Seventeenth-Century New England (University of North Carolina Press, 1982); John Spurr, English Puritanism, 1603-1689 (New York: Macmillan, 1998).

[30]  Een boeiende beschrijving van die strijd geeft David S. Katz, Sabbath and Sectarianism in Seventeenth Century England (Leiden: Brill, 1988).

[31]  Ann Hughes, “Local History and the Origins of the Civil War,” in Conflict in Early Stuart England: Studies in Religion and Politics 1603-1642, eds. Richard Cust and Ann Hughes (London: Routledge, 2014): 206–244; Alistair Dougall, The Devil’s Book: Charles I, the Book of Sports and Puritanism in Tudor and Early Stuart England (Exeter: University of Exeter Press, 2011).

[32]  Zie bijvoorbeeld Winton U. Solberg, Redeem the Time: the Puritan Sabbath in early America (Harvard: Harvard University Press, 1977).

[33]  Keith L. Sprunger, “English and Dutch Sabbatarianism and the Development of Puritan Social Theology (1600–1660),”Church History 51, no. 1 (1982): 24–38; Hugo Bastiaan Visser, De geschiedenis van den sabbatsstrijd onder de Gereformeerden in de zeventiende eeuw (Utrecht/ Kemink en Zoon, 1939).

[34]  Craig Harline, “Sunday Reformed,” chapter 3 in Sunday: A History of the First Day from Babylonia to the Super Bowl (Yale: Yale University Press, 2011).

[35]  Voorbeelden in Philip F. Riley, A lust for Virtue: Louis XIV’s Attack on Sin in Seventeenth-Century France (Westport Greenwood Publishing Group, 2001).

[36]  Een algemeen overzicht geeft Allyson M. Poska, Regulating the People: The Catholic Reformation in Seventeenth-Century (Leiden: Brill, 1998).

[37]  Emmanuel Roudaut, “Repos hebdomadaire et respect du jour du Seigneur: Le cas britannique,” Histoire, Économie et Société 28, no. 3 (2009), 109–120; John Wigley, The Rise and Fall of the Victorian Sunday (Manchester: Manchester University Press, 1980).

[38]  Zie bv. Patricia U. Bonomi, Under the Cope of Heaven: Religion, Society, and Politics in Colonial America (New York: Oxford University Press, 2003); David L. Holmes, The Faiths of the Founding Fathers (New York: Oxford University Press, 2006).

[39]  Donald Franklin Paine, “Sunday, the Sabbath, and the Blue Laws,” Tennessee Law Review 30 (1962): 249–271.

[40]  Bijvoorbeeld voor Frankrijk: Robert Beck, Histoire du dimanche de 1700 à nos jours (Paris: Éditions de l’Atelier, 1997).

[41]  Zie details in Andrew J. King, “Sunday Law in the Nineteenth Century,” Albany Law Review 64 (2000): 676-772; Jerome A. Barron, “Sunday in North America,” Harvard Law Review 79, no. 1 (1965): 42–54.

[42]  Harline (Sunday, 2011) vermeldt de populaire Vlaamse auteurs Ernest Claes en Stijn Streuvels. Voor Franse auteurs denken we meteen aan Marcel Proust en Marcel Pagnol.

[43]  Geen vermelding in Teachings of the Prophet Joseph Smith by Joseph Smith, Compiled by Joseph Fielding Smith (Salt Lake City: The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, 1938); noch in Teachings of Presidents of The Church — Joseph Smith (Salt Lake City: The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, 2007).

[44]  Leona Holbrook, “Dancing as an Aspect of Early Mormon and Utah Culture,” Brigham Young University Studies 16, no. 1 (1975): 117–138.

[45]  B. H. Roberts (ed.) History of the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints – Period I. History of Joseph Smith, the Prophet. By himself (Salt Lake City: Deseret Book, 1949, rpt 1970), vol. 5: 517.

[46]  Joseph Smith, History of the Church, Period I, vol. 2, 2nd edition (Salt Lake City: Deseret News, 1948):204.

[47]  Scott C. Dunn, “The Tongue of Angels: Glossolalia in the Mormon Church,” Deseret Language and Linguistic Society Symposium 8, no. 1 (1982):5–47; Dan Vogel and Scott C. Dunn, “The Tongue of Angels”: Glossolalia among Mormonism’s Founders,” Journal of Mormon History 19, no. 2 (1993): 1–34.

[48]  Justin R. Bray, “The Lord’s Supper in Early Mormonism,” in You Shall Have My Word: Exploring the Text of the Doctrine and Covenants, ed. Scott C. Esplin, Richard O. Cowan, and Rachel Cope (Provo, UT: Religious Studies Center / Salt Lake City: Deseret Book, 2012), 64–74; William G. Hartley, “From Men to Boys: LDS Aaronic Priesthood Offices, 1829-1996,” Journal of Mormon History 22, no. 1 (1996): 80–136.

[49]  Brigham Young, “The Sacrament, the Sabbath,” Journal of Discourses, vol. 6 (29 August 1852).

[50] Brigham Young, JD 10:187 (31 May 1863).

[51]  Brigham Young, JD 8:57–58 (20 May 1860).

[52]  Brigham Young, “Organization and Development of Man,” Journal of Discourses, vol. 2 (6 February 1853), 94.

[53]  Brigham Young, JD 3:324 (20 April 1856).

[54]  Brigham Young, JD 1:339 (5 December 1853).

[55]  Brigham Young, JD 3:331 (8 June 1856).

[56]  Brigham Young, JD 10:283–284 (6 November 1863); 16:168 (31 August 1873 ).

[57]  Grafiek van voorkomens in Mary Jane Woodger, “The Perpetual Covenant to Hallow the Sabbath Day,” in Foundations of the Restoration: Fulfillment of the Covenant Purposes, eds. Craig James Ostler, Michael Hubbard MacKay, and Barbara Morgan Gardner (Provo: BYU Religious Studies Center, 2016), 289–310.

[58]  Joseph Fielding Smith: “This commandment [the Sabbath] was given in the beginning, and God commanded the Saints and all peoples of the earth that they should observe the Sabbath day and keep it holy—one day in seven” (Conference Report, April 1911, 86). Meer citaten en referenties geeft Woodger, “The Perpetual Covenant”, 293–294.

[59]  Conference Report (October 1900), 76.

[60]  Conference Report (October 1900), 77.

[61]  Conference Report (April 1906), 83.

[62]  Conference Report (April 1923), 77–78.

[63]  Geciteerd door apostel Joseph F. Merrill, Conference Report (April 1949), 29.

[64]  Conference Report (October 1949), 110.

[65]  Earl C. Tingey, “The Sabbath Day and Sunday Shopping,” General Conference (April 1996). Tingey verwijst naar toespraken van Dallin H. Oaks en Gordon B. Hinckley.

[66]  Spencer W. Kimball, “Hold Fast to the Iron Rod,” General Conference (October 1978).

[67]  Russell M. Nelson, “The Sabbath Is a Delight,” General Conference (April 2015).

[68]  Afton N., “Studying on a Different Day,” Ensign (September 2014).

[69]  Orson Scott Card, “Saints Report: Making Sunday the Best Day of the Week,” Ensign (January 1978).

[70]  J. Kenneth Davies, “Mormonism and the Socio-economic Order,” International Journal of Social Economics 13, no. 3 (1986): 64–79. Voor Islam, zie bv. http://www.mormonwiki.com/LDS_Church_Growth:_A_Chapel_in_the_Middle_East

[71]  Armand L. Mauss, “Feelings, Faith, and Folkways: A Personal Essay on Mormon Popular Culture,” in Proving Contraries: A Collection of Writings in Honor of Eugene England, ed. Robert A. Rees (Salt Lake City, UT: Signature Books, 2004), 23–38.

[72]  Kevin Douglas Whitehead, “An Analysis of the Teaching Aids Provided for Sunday School Teachers in The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints,” Master’s Thesis (Brigham Young University, Religious Education, 2010), 50–70.