Martha’s begrafenis

Toen Martha in het tehuis voor behoeftige bejaarden was overleden, moest ik de begrafenis regelen.
“Een plezierige uitvaart, had ze gevraagd, en of de kinderen mogen zingen.”

Het tehuis had al een begrafenisondernemer aangesproken. Hij verwelkomde me, langzaam en diep:
— Mag ik als eerste mijn oprecht medeleven betuigen bij het overlijden van uw geliefde moeder.
— Dank u, maar ze is niet mijn moeder. Ik leid alleen maar de mormoonse gemeente hier in de stad. Martha was niet gehuwd en ze heeft geen naaste familie. Als lid van onze kerk wilde ze een mormoonse begrafenis.
— Wees ervan verzekerd dat onze onderneming de meest bevredigende dienst zal bieden in deze moeilijke tijd voor uw gemeenschap.

Hij aarzelde, zijn hoofd kantelde een weinig opzij met een frons tussen de ogen:
— We doen bijna altijd katholieke begrafenissen, we hebben een paar joodse, en ook een protestantse jaren geleden gedaan. Maar ik moet toegeven dat we nooit bij een mormoonse begrafenis betrokken zijn geweest.
— Wel, ik ook niet.
Zijn frons verdiepte.
— Ja, zei ik, ze is de eerste van onze leden die sterft sinds ik zelf lid van de kerk ben geworden. Ik heb de instructies gelezen en het is allemaal heel eenvoudig. We doen het in ons kerkgebouw hier, een gewoon huis, en het gaat als een gewone mormoonse kerkdienst, met een openings- en een slotgebed, een paar lofzangen en enkele toespraken. Daarna rijden we naar de begraafplaats, waar een van onze mensen het graf zal inwijden.

De begrafenisondernemer luisterde met plechtige lippen en vooruitziende ogen.
— Ik heb wel meer details nodig voor het ritueel. Dan zal ik het script voor onze baardragers uitwerken.

Ik beloofde hem een ​​kopie van het programma.

Hij vroeg naar de keuze van de overlijdensbrief.
— Ons meest gebruikte formaat is deze grijze ondergrond, heel sober, met het kruis in de linkerbovenhoek.
— Geen kruis, nee. Wij mormonen gebruiken het kruis niet.
Hij keek bezorgd.
—  We hebben een model met een klein kruis in de rechterbenedenhoek, gestileerd.
— We hebben er echt een nodig zonder kruis.
Hij keek nog bezorgder.
— Dan is er het formaat voor agnostici: de gevallen herfstbladeren, de winterboom in de mist of de verwelkende roos.
— Ik denk niet dat Martha een van deze leuk zou vinden.

We besloten een formaat zonder preprint te gebruiken. Ik gaf hem de tekst die Martha had gekozen, om in een ​​kadertje op de brief te zetten:

“En hierom zult gij een volheid van vreugde hebben; en gij zult in het koninkrijk van Mijn Vader nederzitten; ja, uw vreugde zal volkomen zijn, zoals de Vader Mij een volkomen vreugde heeft gegeven.”

De ondernemer knikte, met doordachte beleefdheid.

De begrafenis verliep prima.

Natuurlijk moesten we een aantal last-minute wijzigingen regelen. De begrafenisondernemer had een zware zwarte lijkwade over de schragen geplaatst waarop de kist moest rusten. We probeerden die te vervangen door de witte lakens die voor de avondmaalstafel werden gebruikt, maar de stukken waren niet groot genoeg. Een lid, dat dichtbij woonde, snelde naar huis voor een paar lakens. De begrafenisondernemer, die op de meest waardige manier panikeerde, verdeelde de lakens in mooie plooien.

Op ons afbrokkelend harmonium, krachtig pompend met haar voeten, begon zuster Janssens “Hoog op der bergenkruin” te spelen.

De zes baardragers brachten de kist naar binnen. Eender gekleed in een donkergrijs pak stapten ze traag naar voor, in langzame, uniforme treden. Om de drie stappen pauzeerden ze even, hun ogen gericht op een lege eeuwigheid. Hoog op der bergenkruin schalde door de kamer. Misschien had zuster Janssens beter een trager stuk gekozen.

Mijn eerste raadgever opende de vergadering.
— We zijn zo blij dat Martha nog een keer naar de kapel kon komen.

Er steeg een ​​opgewekt, goedkeurend gemurmel uit het publiek —  onze pioniersleden verzameld in de woonkamer die we onze kapel noemden. Martha opnieuw onder ons! In herinnering zagen we het wekelijkse beeld dat zoveel jaar deel van de zondagservaring was geweest: Martha die van haar grote zwarte fiets sprong en ons oude rijhuis binnenstapte alsof het een paleis was, stralend van geloof en vriendschap.

Onze vijf jeugdwerkkinderen zongen, eerst schuchter, dan met groeiend animo, “Ik ben een kind van God”. Ze hadden een grote tekening voor Martha gemaakt, die haar in de gondel van een heteluchtballon naar de geestenwereld bracht, waar tientallen mensen met uitgestrekte handen op haar wachtten.

Natuurlijk werd het gevierde verhaal verteld over Martha’s bekering dankzij haar kat die hoog in haar voortuinboom was geklommen en niet durfde naar beneden te komen en toen kwamen er twee zendelingen langs die de redding organiseerden die eindigde met de brandweer om een van zendelingen uit de boom te bevrijden terwijl de kat al lang naar beneden was gesprongen. We hadden het al zo vaak gehoord en nog moesten we er om lachen.

Al de vreugde die Martha zoveel jaar naar de gemeente had gebracht, werd opnieuw rond haar kist ontstoken.

We beloofden dat we nooit haar stentorstem zouden vergeten, die nog steeds in onze kapel leek te weerklinken, deze eenvoudige kamer waar ze elke maand haar zinderend getuigenis van de herstelling had gegeven, voordat haar eerste beroerte haar naar het tehuis had verbannen. De tweede had haar nu voor dit gelukzalige afscheid naar hier teruggebracht.

Ik mijmerde over haar en ons publiek, allemaal bekeerlingen, kerkpioniers van het eerste uur in Vlaanderen. Voorheen waren het toegewijde katholieken of trouwe socialisten, sinds hun geboorte ingebed in een web van familiale en culturele tradities die hun identiteit en hun sociale banden hadden gesmeed. En dan plots, op het woord van twee Amerikaanse twintigjarigen, geroerd door een onbekende geest, omhelsden ze de boodschap dat in 1820 een jonge boerenzoon met God de Vader en Jezus Christus had gesproken in een afgelegen plaats genaamd Palmyra, New York. Zij juichten over het nieuws dat Joseph Smith het priesterschap had ontvangen onder de handen van Johannes de Doper en van Petrus, Jakobus en Johannes, en dat hij dat wonderlijk Boek van Mormon had voortgebracht. Zij aanvaardden nederig de doop en de breuk met hun verleden, hun opvoeding, hun omgeving. Zij stapten in een leven van toewijding tot de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, het koninkrijk van God op aarde — wat voor hen een kleine, worstelende gemeente betekende, om er gedurende decennia van trouwe arbeid ooit een wijk van te maken. Zulke bekeerlingen, wereldwijd, blijven het wonder van de herstelling voortzetten.

Onze Amerikaanse zendingspresident, die helemaal uit Bussum in Nederland was gekomen, hield de slottoespraak. In gehavend en geïnspireerd Nederlands schilderde hij het eenvoudige verhaal van Martha als een geestelijke dochter van God in de Grote Raadsvergadering in de hemel, dan naar deze aarde gestuurd om te delen in vreugde en verdriet, om het herstelde evangelie van Jezus Christus te omhelzen, en vervolgens haar reis naar verhoging verder te zetten, als koningin en priesteres. Nu, zei hij, ontmoet ze haar ouders, grootouders en andere dankbare voorouders voor wie ze het werk gedaan heeft, met hen gezellig keuvelend in de zitkamer van een hemels huis en plannen makend voor alles wat de eeuwigheid kan bevatten.

Toen zongen we:

God zij met u tot u wederzien,
Dat Zijn vaderhand u leidde,
Bij zijn kudde u veilig weidde,
God zij met u tot u wederzien.

Toen alles voorbij was, kwam de begrafenisondernemer mij begroeten, glimlachend, ontspannen.
— Een opmerkelijke ervaring, zei hij. Het was heel opwekkend. Ik hoop in de toekomst nog meer mormonen te kunnen begraven!