Koffie

Wat weten we over het verborgen leven van onze leden? Neem nu Irma.

Zij was in de zestig toen ik, een jonge bekeerling, haar leerde kennen. Elke zondagochtend schuifelde ze vanaf de voordeur naar haar stoel in de woonkamer die we onze kapel noemden. Altijd dezelfde stoel, derde rij aan de rechterkant. Ze ging zitten, haar borst deinend van de inspanning. Het vroeg haar even om tot rust te komen. De rimpels op haar voorhoofd verraadden een elementair verdriet. Haar zware jurk hing over haar knieën, maar kon niet het web van spataderen op haar gezwollen onderbenen verbergen. Ze had de gezette contour van een oude arbeidster, vasthoudend maar moe. Ze was van een onderdanige generatie.

– Goeiemorgen. Blij je te zien, Irma.
Ze knikt langzaam, een beetje versuft, voldaan om erkend te worden.

We wisten dat ze een probleem had. Koffie. Het was duidelijk uit haar sporadische vragen in de zondagsschool en de ZHV: “Kan koffie iemand uit de hemel houden?” of nog “Wat gebeurt er als iemand al de geboden gehoorzaamt, maar niet de koffie?”

Irma had zich jaren geleden laten dopen. Zij behoorde tot die groep van vroege pioniers, een overblijfsel van wie nog in het stedelijk zwembad was gedoopt, door lang vervlogen zendelingen. De details van haar bekering waren karig. Haar man was niet mee gedoopt. Toch had hij toestemming gegeven voor haar toetreding, maar was nooit naar de kerk gekomen. Irma had met nadruk gevraagd geen huisonderwijs of huisbezoek bij haar te doen. Gewoon even in de kerk, tussendoor, dat was voldoende.

Haar geloof was eenvoudig en rechtlijnig. In elke les, bij vragen die zo argeloos waren dat niemand wilde reageren, was zij degene om prompt te antwoorden, met de ordelijke echo van de katholieke catechismus uit haar kinderjaren:
– Waarom is het belangrijk dat we Gods geboden gehoorzamen?
– Omdat ze van God komen.
– Hoe weten we dat ze van God komen?
– Omdat het in de Bijbel staat.

Maar dat koffieprobleem bleef. Meer dan eens bracht de leerkracht, om in te spelen op de behoeften van het individu, een speciale les over het woord van wijsheid. Over het kwade van de chemische stoffen in thee en koffie. Over de ziekten die koffie erger maakte. Over David O. McKay die beleefd maar kordaat de kop thee weigerde die de Nederlandse koningin hem aanbood. Het woord van wijsheid is de toetssteen van ons geloof. Irma luisterde, gekluisterd op haar stoel. We wisten dat ze de boodschap kreeg.

Toen ik als gemeentepresident werd geroepen, interviewde ik haar. Ze keek naar de grond, vermeed oogcontact, alsof in een biechtstoel worstelend met schuld, en ontdook antwoorden. Ik was te jong, drieëntwintig, te onverantwoord onrijp voor deze roeping, om te kunnen peilen achter dat verweerde gezicht.

Op een nacht, niet lang na het interview, kreeg ik een telefoontje. Het was haar dochter.
– Jij bent toch de mormoonse priester, niet?
Triestig nieuws, zei ze. Moeder is aangereden bij het oversteken van de straat. Op slag dood.
Ik zocht naar de juiste woorden.
– Zit er maar niet teveel mee in, onderbrak ze. Het is beter voor haar. Je weet wat ik bedoel.
– Ik … Ik weet niet of ik haar voldoende kende.
– Je weet dat mijn vader een beest is. Mams moet het je toch gezegd hebben.

Het kwam allemaal naar boven. Irma had haar toestemming om gedoopt te worden verkregen ten koste van toegenomen mishandeling. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik de details van het kwaad achter nette deuren vernam.

– En dan was er nog dat ding met koffie.
– Ik weet het, zei ik naïef.
– Ja, hij dwong haar. Dat was de eis: op zondag liet hij haar niet gaan naar jullie kerk, tenzij ze eerst koffie met hem dronk. Hij wist hoe haar te judassen. Maar ze hield van jullie mensen daar in de kerk. Jullie zijn goed voor haar geweest.

Irma kreeg een katholieke begrafenis. Haar man weigerde elke andere regeling. Een dag na de begrafenis ging een handvol van ons naar de begraafplaats voor ons eigen adieu. Ik wijdde het graf — dat haar lichaam ongestoord zou rusten tot de ochtend van de eerste opstanding. Naast het voorlopige zwarte kruis geplant in de omgewoelde grond, legden we een bescheiden krans. Op het lintje stond er: “Van de mormonen, voor een heilige.”

Irma, daarboven in glorie, vergeef ons dat we het niet begrepen hadden, dat we niet naar meer inspiratie gezocht hebben. En vergeef ons de misplaatste lessen over koffie.