Mag ik je vragen te verdragen

Aan haar ziekbed, de laatste dag

Mag ik je vragen te verdragen
dat ik je telkens weer zal vragen
of je geen kou hebt
niet te warm
niet teveel pijn
het kussen te hoog te laag
de lamp wat zachter
of open het gordijn.

We zijn de kaap voorbij
waar we nog konden spreken
over die keer weet je nog wel
het eerste teken
in ’t kiemen van de liefde
de eerste zoen
de stille zaligheden jaar na jaar
die reis naar Londen
en wat we van elkaars verleden
tot één verhaal verbonden.

Nu lig je hier en kan je mond nog maar
een trage ja of nee ontieglijk stil verklanken
zoals een kleine verre klok
die om ’t kwartier weer even leven luidt.

Vandaar mijn vragen die je vragen
dat sussende signaal te geven.

Met bovenal daartussen
ook nog de fluisterende galm
wanneer na mijn ik hou van jou
je lip ook telkens prevelt
en ik van jou.

 

Vorig gedicht