Avondmaal

Het brood vraagt naar de hand
het water naar de lippen.

De peuter onder de stoel voor mij
reikt zijn vingertjes naar de schaal
maar de diaken houdt het hoog.
Vader neemt een brokje
en stopt het kind het toe
dat proeft
en pruilt
en mij vanuit de diepte
onbevangen in de ogen kijkt.

En ginds
een hoofd tegen een schouder
en daar
een diep gebogen rug
en hier
een zendeling die fluistert in het oor
van de bezoekster in jeans en trui
dat zij er ook van nemen mag.

We nuttigen de stilte.

Vandaag heb ik in alles God gezien.

De lege schalen worden toegedekt.
En je zou eigenlijk weg willen
want alles is gedeeld.

 

Vorig gedicht         Volgend gedicht