Wilfried Decoo, 18 april 2019

5 Het religieuze dilemma in zendingswerk: waar best?

Dit is deel 5 van de analyse “Zendingswerk, activiteit en inactiviteit”

Voor andere delen:
Deel 1: De grootste tragiek in de kerk
Deel 2: Wanneer is iemand klaar voor de doop?
Deel 3: Wat betekent “actief zijn”?
Deel 4: Wanneer is zendingswerk ethisch verantwoord?

Het onderwerp van heel deze bespreking is “zendingswerk, activiteit en inactiviteit”. Vorige delen overliepen tal van aspecten, maar steeds vanuit sociaal oogpunt hier op aarde: Hoe verloopt de interactie tussen zendelingen en onderzoekers? (deel 2) Wat houdt kerkelijk lidmaatschap allemaal in? (deel 3) Wat zijn de mogelijke gevolgen van zendingswerk op het individu, zijn familie en de gemeenschap? (deel 4).

Maar religie gaat ook en vooral om het nabestaan. Het zendingswerk beoogt immers niet alleen kerkelijk lidmaatschap hier op aarde, maar ook toegang tot de hemel. Bekeerlingen krijgen heerlijke beloften mee voor hun eeuwig leven in het celestiale koninkrijk. Maar wat houdt het nabestaan in voor hen die de boodschap van de zendelingen niet aanvaarden of voor hen die als lid nadien “inactief” worden?

Dit vijfde en laatste deel van de analyse omvat volgende punten:

5.1 De stap naar het eeuwig perspectief
5.2 Wat met hen die het pad weigeren of inactief worden?
5.3 Waar is zendingswerk het meest doelmatig?
5.4 Toch op aarde: een verpletterende verantwoordelijkheid

5.1 De stap naar het eeuwig perspectief

Kerkleiders verwoorden het religieuze doel van het zendingswerk als volgt:[1]

Het doel van het getuigen en van zendingswerk door vertegenwoordigers van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen is om aan al Gods kinderen de gelegenheid te geven de volheid van het evangelie van Jezus Christus te leren kennen, zoals hersteld in deze latere dagen, en om aan al Gods kinderen het voorrecht te geven om de verordeningen van redding te ontvangen. Daardoor wordt de deur geopend voor alle levenden en doden zodat zij “het eeuwige leven hebben, welke gave de grootste van alle gaven Gods is” (Leer en Verbonden 14:7).

De herstelde kerk gaat ervan uit dat alleen zij de toegang tot dat hoogste kan garanderen. Het historisch uitgangspunt is de opdracht van Jezus aan zijn apostelen om de blijde boodschap van het evangelie in heel de wereld te verkondigen en mensen te dopen als teken van bekering (Mattheüs 28:19; Markus 16:15–16). De apostelen gingen uit om te getuigen van Jezus als de Verlosser en om gemeenten van christenen te vormen, zoals verhaald in de rest van het Nieuwe Testament. Volgens de mormoonse visie ging echter nadien het priesterschapsgezag om te dopen verloren, wijzigde de oorspronkelijke organisatie van de kerk en slopen verkeerde leerstellingen het versnipperend christendom binnen. Daarom was een herstelling van de oorspronkelijke kerk nodig. God bracht die tot stand door de roeping van de profeet Joseph Smith. De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen ziet zich daarom nu als enige kerk die bij machte is om “de volheid van het evangelie” tot de mensheid te brengen. Voor haar is het dan ook een heilige opdracht om dat te doen.[2]

Voor de kerk is zendingswerk dus geen louter informatieve verkondiging: het gaat erom aan mensen de toegang tot de hoogste zaligheid te bieden. Dat doel gaat samen met twee principes. Vooreerst is er het Bijbels beeld van de vergadering van Israël, wat ook het Boek van Mormon en de eerste openbaringen aan Joseph Smith benadrukken. Door lid te worden van de kerk krijgt ieder mens een plaats in het Huis Israëls. Vervolgens is er het ultieme doel van de “verzegeling” in eeuwige familieverbanden. Die leer kreeg vorm in de beginjaren van de herstelde kerk en werd mettertijd een centrale doctrine — nu vooral verwoord in “het eeuwig huwelijk”. Kerkleden bereiken dat ultieme doel door bijzondere verordeningen in de tempel te ontvangen en heilige verbonden te sluiten.

 

5.2 Wat met hen die het pad weigeren of inactief worden?

Op de aprilconferentie 2019 benadrukte kerkpresident Russell M. Nelson de absolute noodzaak van de verzegelingen: zonder de tempelverordeningen die families voor eeuwig aan elkaar verbinden kan niemand “het grote voorrecht van verhoging” bekomen.[3] Verhoging is “de hoogste staat van geluk en heerlijkheid in het celestiale koninkrijk”.[4] President Nelson vertelde over een dierbare vriend van hem die verlangde naar het weerzien met zijn overleden vrouw. Hij zorgde ervoor dat de zendelingen de man onderwezen. Maar, volgens Nelson, vond de man de geboden en verbonden te moeilijk om lid van de kerk te worden. De man vroeg of dan, na zijn overlijden, plaatsvervangend tempelwerk voor hem en zijn vrouw kon worden gedaan. De toehoorders lachten. President Nelson besloot:

“Gelukkig hoef ik niet over deze man te oordelen. Maar ik betwijfel het nut van plaatsvervangend tempelwerk voor een man die de kans had om zich in dit leven te laten dopen – om hier op aarde tot het priesterschap te worden geordend en tempelzegens te ontvangen – maar daar bewust van af besloot te zien.”

President Nelson had het hier niet over zondaars, integendeel. Hij sprak over mensen die hij bewondert en respecteert — “geweldige mannen en vrouwen, toegewijd aan hun gezin en de maatschappij. Ze geven gul van hun tijd, energie en middelen. En de wereld is vanwege hen een betere plek. Maar ze hebben besloten om geen verbonden met God te sluiten”.

De implicaties van deze stelling zijn enorm: alle onderzoekers die door zendelingen onderwezen worden maar weigeren gedoopt te worden, en dus later geen tempelverbonden aangaan, zouden dan hoogstwaarschijnlijk hun kans verkeken hebben om ooit met hun geliefden in het nabestaan samen te zijn. Op die uitleg van president Nelson kwamen dan ook afwijzende reacties.[5]

De visie dat wie de boodschap van de herstelling verwerpt zijn kans verkeken heeft, geldt alleen als men president Nelsons uitspraak letterlijk aanvaardt. Maar volgens Petrus (1 Petrus 3:19) en volgens het visioen van Joseph F. Smith wordt het evangelie in de geestenwereld gepredikt aan hen die de profeten op aarde verwierpen en krijgen deze zielen alle kans om alsnog het evangelie te aanvaarden (Leer en Verbonden 138:32)

Er is ook een andere groep: zij die wél tot de kerk zijn toegetreden maar na hun doop “inactief” zijn geworden. Ook tot hen richtte president Nelson zich — “tot u die afstand van de kerk hebt genomen”. De vele honderdduizenden die al kort na hun doop afhaakten, zijn immers nooit naar de tempel gegaan en dus niet verzegeld aan familieleden. Een klein aantal zullen door heractivering nog terugkeren, maar de meesten zullen nooit opnieuw actief worden. Hebben ook zij hun kans verkeken om met hun geliefden voor eeuwig samen te zijn? Voor anderen, die wel naar de tempel zijn geweest en verzegeld aan familieleden, maar nu niet meer “actief” zijn, stelt zich dezelfde vraag of zij nog voor verhoging in aanmerking komen. Want hebben zij wel “tot het einde volhard” zoals de Schriften stellen?[6] Het zijn vragen waarop verschillende kerkleiders uiteenlopende antwoorden hebben gegeven, soms streng en radikaal, maar meestal begripsvol en geruststellend.[7] Immers, iemand kan heel “evangelie-actief” zijn, zonder uiterlijk “kerk-actief” te zijn (zie delen 3.2. en volgende).

 

5.3 Waar is zendingswerk het meest doelmatig?

Uit de stelling van president Nelson zou men een bangelijke conclusie moeten trekken: zendingswerk op aarde brengt de eeuwige toekomst van veel mensen in gevaar. Hun aantal is bijzonder groot. Voor elke bekeerling heeft een zendeling eerst enkele honderden andere mensen onderwezen die de boodschap verworpen hebben. Met het totaal aantal zendelingen in de wereld loopt het jaarlijks aantal mensen die de boodschap verwerpen in de miljoenen. Van de bekeerlingen zelf haakt ongeveer de helft af binnen het jaar na de doop. Slechts een fractie “volhardt tot het einde”, maar dat is afhankelijk van hoe men dit definieert.

Het dilemma: de opdracht luidt om zendingswerk op aarde te verrichten, maar is het niet veel beter dat mensen pas in de geestenwereld over het evangelie horen?[8] De geestenwereld is de plaats waar zielen wachten op de opstanding. De miljarden zielen die pas daar over het evangelie horen aanvaarden het er moeiteloos en bekomen dus als vanzelf hun verhoging. Kerkpresident Wilford Woodruff gaf die verzekering:

“Ik zeg u dat wanneer de profeten en apostelen gaan prediken tot degenen in de gevangenis die het evangelie niet hebben ontvangen, dat duizenden van hen het evangelie daar zullen aanvaarden … Er zullen heel weinig of geen mensen zijn die het evangelie daar niet aannemen.”[9]

Kerkpresident Lorenzo Snow bevestigde het:

“In onze tempels wordt een prachtig werk verricht ten gunste van de geesten in de gevangenis. Ik geloof dat wanneer het evangelie wordt gepredikt aan de geesten in de gevangenis, het succes van deze prediking veel groter zal zijn dan het succes van de prediking in dit leven. Ik geloof dat zeer weinigen van die geesten het evangelie niet graag zullen ontvangen wanneer het aan hen wordt gepredikt. De omstandigheden daar zullen duizendmaal gunstiger zijn”.[10]

 

5.4 Toch op aarde: een verpletterende verantwoordelijkheid

Het dilemma over de plaats van zendingswerk is slechts een retorische oefening. Jezus’ opdracht is wel degelijk om zijn evangelie op aarde te verkondigen. Als het enkel om de principes van de Bergrede gaat stellen zich weinig problemen: dat zijn universele waarden die ook andere religies onderschrijven. Ook het aanvaarden van Christus als Heiland en Zoon van God wordt vanuit algemeen christelijk oogpunt voldoende geacht voor zaligheid.

Het perspectief zoals president Nelson het scherpstelde is echter veel ingrijpender: als mensen de boodschap van de herstelling niet willen aannemen of na hun doop afhaken zullen ze hoogstwaarschijnlijk voor eeuwig van hun geliefden gescheiden zijn. Zo’n radikale visie legt een verpletterende verantwoordelijkheid op elke heilige der laatste dagen die zendingswerk doet of nieuwe bekeerlingen moet begeleiden. Het kerklid dat dit ten volle beseft kan zich in geweten afvragen of hij dan in zendingswerk en begeleiding van bekeerlingen wel betrokken wil zijn. Al de bedenkingen in vorige onderdelen — over gebrek aan informatie, over overhaasting bij onderwijs en doop, over onethisch handelen, over falende opvolging, over overbelasting met taken — nemen nog in ernst toe omdat die euvelen rechtstreeks leiden tot keuzes met eeuwige gevolgen.

Alleen zendingswerk dat bedachtzaam, leerrijk, tolerant, charismatisch en ethisch vordert, zoals beschreven in deel 4.8, kan de meeste van die euvelen vermijden. Dat is een heel andere vorm van zendingswerk dan de vorm die nu overweegt.

Het is in dat perspectief dat we pas ten volle kunnen begrijpen wat kerkpresident Hinckley bedoelde met “de grootste tragiek in de kerk”. In zijn woorden: “Het heeft absoluut geen zin zendingswerk te doen tenzij we de vruchten van die inspanning behouden.”

 

Voetnoten

[1] Dallin H. Oaks & Lance B. Wickman, “The Missionary Work of the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints,” in John Witte and Richard C. Martin (eds.), Sharing the Book: Religious Perspectives on the Rights and Wrongs of Proselytism (Maryknoll, NY: Orbis Books, 1999), 250.

[2] Talrijke teksten bevestigen dit. Zie bv. Leer en Verbonden 4:1–5; 38:40–41; 88:81; 112:1.

[3] Russell M. Nelson, “Come, Follow Me”, Conference address, April 7, 2019. Nederlandse versie “Kom dan en volg Mij”, hier.

[4] Zie online Gids bij de Schriften. Verwijzingen naar Leer en Verbonden 76:58–59; 88:107; 132:17–20.

[5] Commentatoren drukten de mening uit dat Nelsons afwijkende uitleg een kortzichtige visie op Gods barmhartigheid inhield en dat zijn stelling over wie de boodschap weigert een vorm van “gijzeling” en “afpersing” was. Voor hen klonk het als “aanvaard de boodschap, word lid, betaal tiende en ga naar de tempel of je zult nooit je geliefden in het nabestaan weerzien”. Zie bijvoorbeeld Michael Austin, “God the Father vs The Godfather: When Forever Families Become Eternal Hostages,” By Common Consent, April 7, 2019; Lesley Butterfield, “LDS Church Officials Are Practicing Spiritual Extortion,” Salt Lake Tribune, April 11, 2019, A10; Lesley Butterfield, “We Like Our Heaven Better,” Rational Faiths, April 7, 2019.

[6] Onder meer 2 Nephi 31:19–20; Leer en Verbonden 10:69; 14:7; 18:22; 20:25, 29, 37; 53:7.

[7] Antwoorden hangen af van de context. In een algemene toespraak over gehoorzaamheid kan de invalshoek eerder streng en radikaal zijn (met makkelijk te vinden referenties in de Schriften). Wanneer kerkleiders echter ouders willen troosten over “afvallige” kinderen is de toon veel hoopgevender.

[8] Het dilemma wordt onder meer verwoord door Roger Terry in Bruder: The Perplexingly Spiritual Life and Not Entirely Unexpected Death of a Mormon Missionary (Common Consent Press, 2018), 232–233.

[9] The Discourses of Wilford Woodruff, ed. G. Homer Durham (1990),152, 158. Geciteerd in Introduction to Family History Student Manual (Salt Lake City: Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, 2012), Chapter 9: The Spirit World and the Redemption of the Dead.

[10] Lorenzo Snow, in Millennial Star, 22 January, 1894, 50. Geciteerd in Introduction to Family History Student Manual (Salt Lake City: Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, 2012), Chapter 9: The Spirit World and the Redemption of the Dead.