Les 7 – 2 Nephi 3-5

“Ik weet in Wie ik mijn vertrouwen heb gesteld”

1 – Schakels van Jozef doorheen de geschiedenis
2 – De “psalm” van Nephi
3 – “God deed een donkere huid op hen komen”
4 – Nog een vorm van parallellisme: de opsomming
5 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.
Deze pagina als pdf

Hoofdstukken 3 tot en met 5 in 2 Nephi vormen een scharniermoment in de vroege Nephitische geschiedenis. De oude Lehi spreekt zijn afscheidswoorden en laatste zegeningen uit. Zijn dood markeert het einde van een tijdperk dat nog een nauwe band met het verleden in Jeruzalem had. Spoedig daarna voltrekt zich de breuk die de komende duizend jaar zal versomberen: de kleine bevolkingsgroep splitst en elk gaat zijn eigen weg. De wederzijdse afkeer van Nephieten en Lamanieten zal alleen maar toenemen.

 

1 – Schakels van Jozef doorheen de geschiedenis

Hoofdstuk 3 van 2 Nephi is gewijd aan de zegen die Lehi over zijn jongste zoon Jozef uitspreekt. Samen met Jakob, de “eerstgeborene in de wildernis”, vertegenwoordigt Jozef, “de laatstgeborene”, de ultieme fase van Lehi’s leven.

De zegen zelf is vrij kort: alleen in de eerste en laatste verzen worden woorden van belofte uitgesproken. Het grootste deel van de tekst plaatst het kind in een historisch perspectief tussen twee polen, in het verleden naar Jozef, zoon van Jakob, en in de toekomst naar Joseph Smith. Binnen die tekst zit dan centraal een profetie van Jozef, zoon van Jakob, over die toekomst. Het is dus een tekst met verschillende lagen. Het tweeledig zicht wordt ook nog verruimd door de nakomelingen van Juda (de Joden) te contrasteren met de nakomelingen van Jozef op het westelijk halfrond, elk met hun eigen geschriften, doelend op de Bijbel versus het Boek van Mormon.

Sommigen menen in dit hoofdstuk een groot chiasme te ontdekken, met vers 12 als centrum. Dat is niet uitgesloten, maar toch opletten met teveel parallellismen te willen ontdekken, zeker als het over grote gehelen gaat en de spiegelstructuur niet meteen evident is. Voor wie wil proberen het vermeend chiasme te ontdekken: sleutelwoorden die in dit hoofdstuk spiegelen zijn de niet-vernietiging van het nageslacht, de verbonden, de verwijzing naar Mozes en de vrucht van de lendenen – naast vele andere woorden die als echo in elk spiegelvers herhaald worden – en dit alles gespreid over het hele hoofdstuk, waarbij vers 1 (“ik spreek tot “) zijn echo vindt in vers 25 “ik heb gesproken”). Als je het wil doen: kopieer & plak het hoofdstuk uit de online versie in een pagina in Word en begin lijnen te scheiden en te doen inspringen. Je kunt zelfs van A tot U en van U tot A spiegelen.[1]

Doré_Jozef maakt zich bekend_CrJozef, zoon van Jakob, is een centrale figuur in de Bijbelse geschiedenis. Verkocht door zijn broers werd hij uiteindelijk prins van Egypte. Het moment van de herkenning door zijn broers is ontelbare malen uitgebeeld.

Illustratie: gravure van de Franse kunstenaar Gustave Doré (1832–1883)

Jakob en zijn overige zoons en hun gezinnen vestigden zich vervolgens in Egypte. Jozef werd er oud en zag kinderen van zijn kinderen tot de derde generatie (Genesis 50:24). In de lijn van de patriarchale traditie, is het zeker dat Jozef op het einde van zijn leven bijzondere zegeningen en profetieën moet hebben uitgesproken. De Bijbel vermeldt die echter niet. De door Joseph Smith herziene Bijbelvertaling licht hier echter de sluier op. Genesis 50 vermeldt er de woorden die Jozef op het einde van zijn leven uitspreekt, in het bijzonder voorspellingen over de toekomst, overeenstemmend met 2 Nephi 3.

 

2 – De “psalm” van Nephi

De verzen 15 tot 35 in 2 Nephi 4 vormen een merkwaardige tekst, niet alleen door hun afwijkend karakter, maar ook omdat de passage een van de laatste teksten is die Nephi zelf zou schrijven – en we zijn hier nog maar in het vierde hoofdstuk van 2 Nephi. In het volgende hoofdstuk vat hij in enkele verzen meer dan een decennium samen. Daarna zal hij meer dan dertig jaar zwijgen. Hij laat zijn jongere broer Jakob op de platen schrijven. Hij vult verder aan met lange passages van Jesaja. Reden genoeg dus om te beseffen dat hier iets bijzonders aan de hand is.

Een keerpunt in het leven van Nephi

Nephi is in de eerste plaats een kroniekschrijver, en zelfs een vrij technische. Vanaf de eerste woorden van Nephi – “Ik, Nephi, uit eerzame ouders geboren…” volgen we een “opsommer” van feiten die hij stap voor stap weergeeft, met frequent gebruik van het voegwoord “en”. De manier waarop hij gebeurtenissen beschrijft is vaak gewoon zakelijk. Zelfs het visioen dat hij diepgelovig ervaart, verwoordt hij haast functioneel:

En de Geest zeide tot mij: Zie, wat verlangt gij? En ik zeide: Ik verlang de dingen te aanschouwen die mijn vader heeft gezien (1 Nephi 11:2–3).

De lange beschrijving van het visioen, met vaak dezelfde korte vragen en antwoorden tussen hem en de engel, verloopt als een sobere opvolging van taferelen. De manier waarop Nephi zijn oudere broers terechtwijst kun je ook niet empathisch of diplomatisch noemen. Hij is uitgesproken, krachtdadig, zelfs irriterend. Hij ziet alles rechtlijnig, zwart-wit. Zijn woorden missen de innige, vloeiende kracht die we wel in Lehi’s smeekbede tot zijn zonen vinden (2 Nephi 1:13–23, zie les 6). Als we in volgende lessen de geschriften van zijn jonge en gevoelige broer Jakob zullen ontleden, zal het verschil nog meer opvallen. Tegelijkertijd weten we dat Nephi een verpletterende verantwoordelijkheid droeg. Hij was de spil waarrond alles zich realiseerde: het verkrijgen van de koperen platen, de overleving in de wildernis, de bouw van het schip, de overtocht. Aan die realisaties meten we dan ook zijn karakter en zijn leiderschap. Maar hij is er zelf de verteller van zodat het beeld voor de lezer mogelijk eenzijdig is. Want komt hij soms niet wat te volmaakt over? Van het eerste vers in 1 Nephi tot nu heeft hij ons geen aanwijzing van zonde of zwakheid gegeven.

De dood van zijn vader, sober gemeld in 2 Nephi 4:12, blijkt een keerpunt. Onmiddellijk of toch spoedig daarna schrijft Nephi doorvoelde verzen. De gezichtshoek verandert, hij stelt pijnlijke vragen over zichzelf:

Niettemin, ondanks de grote goedertierenheid des Heren … roept mijn hart uit: O, ellendig mens die ik ben! Ja, mijn hart is bedroefd wegens mijn vlees; mijn ziel rouwt wegens mijn ongerechtigheden. Ik ben omsingeld wegens de verzoekingen en zonden die mij zo gemakkelijk overvallen. En wanneer ik ernaar verlang mij te verblijden, zucht mijn hart wegens mijn zonden… (2 Nephi 4:17-19).

Psychologen zouden zeggen: zolang zijn vader in leven was, kon Nephi blijkbaar niet anders dan het imago ophouden om aan de hoge verwachtingen van zijn vader te beantwoorden. Nu is er iets gebroken en voelt hij zich een “ellendig mens”. Hij raakt echter uit dat dieptepunt door een wijziging van perspectief. In plaats van zich te laten terneerdrukken door schuldbesef en door bitterheid jegens zijn vijanden, herinnert Nephi zich het wonderbaarlijke dat hij in de voorbije vijfentwintig jaar heeft meegemaakt – de tocht door de wildernis en over de wateren, de overwinning op tegenstand, de visioenen en dienende engelen (verzen 20-25). Dat leidt tot een kenterend besef: “Waarom zou mijn hart dan wenen en mijn ziel in het dal der smarten talmen en mijn vlees verteren en mijn kracht verminderen wegens mijn ellende?” (verzen 26-27). Op die vragen geeft hij zelf antwoord in een ontboezeming van vreugde en lof. Daarbij laat hij ook zijn bitterheid varen: “Waarom ben ik toornig wegens mijn vijand?” Nephi bereikt innerlijke vrede en inzicht, waarna hij ook zichzelf zal wegcijferen en dus ook lange tijd niets meer zelf zal schrijven.

De vorm van de tekst

Bij een sterfgeval in de israëlitische traditie wenden de rouwenden zich tot de Psalmen voor passende teksten. Ook nu nog, en eveneens in het christendom, is Psalm 23 een vaak geciteerde tekst bij het rouwen om een geliefde: “De Heer is mijn Herder … Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij”. Hoogst waarschijnlijk vond Nephi eenzelfde troost in de Psalmen, die hij op de koperen platen kon vinden. Na de melding van de dood van zijn vader verwijst hij naar “de Schriften die op de platen van koper zijn gegraveerd. Want mijn ziel verlustigt zich in de Schriften, en mijn hart overweegt ze” (vers 15). De lezing van de Psalmen moet hem op dat ogenblik van rouw en van bezinning geïnspireerd hebben om een gelijkaardige tekst te schrijven.[2]

psalmen01Een psalm is een eigen Schriftuurlijk genre. Het is een poëtische tekst in verzen, normaal bedoeld om te zingen of ritmisch voor te dragen. Het woord “psalm” is Grieks voor het Hebreeuwse woord “mizmoor”, wat “spreekgezang met snaarbegeleiding” betekent. Volgens de inhoud onderscheiden we als belangrijke vormen lofpsalmen, klaagpsalmen, dankpsalmen en wijsheidpsalmen. Vaak lopen de thema’s door elkaar in eenzelfde psalm. Typisch aan psalmen zijn de parallelle structuren, vooral contrasten en herhalingsparafrases (zie les 6). Dit alles vinden we in de passage van 2 Nephi 4:16–35, waardoor analisten die dan ook de naam “psalm” of “zang” hebben gegeven. [3] song of NephiHet heeft ook mormoonse muziek geïnspireerd: de indrukwekkende cantate “The song of Nephi” van de componist Robert Milton Cundick, jarenlang organist van het Mormoons Tabernakel Koor. De cantate kan u hier beluisteren.

De psalm van Nephi bestaat uit vier delen die elkaar logisch opvolgen: (1) de ellende over zijn zonden; (2) de goede herinneringen aan ervaringen; (3) het besef van het perspectief; (4) de opwekking tot vreugde. De tekst gebruikt talrijke contrasten: vreugde – droefheid; geest – vlees; liefde – toorn; hoge bergen – laag dal; omhoog zenden – neerdalen; dag – nacht; ziel – hart; geest – lichaam; goedertierende heer – ellendig mens; verblijden – zuchten. Die contrasten vermengen zich vaak met herhalingsparafrasen.

De tekst zelf

Voor wie het kan en wil om een les onvergetelijk te maken: de tekst (laten) voordragen met gepaste snarenbegeleiding, harp of gitaar. Dan kom je echt in de sfeer van de psalm. Je kunt de tekst ook in versvorm afdrukken vanaf de pdf (blz. 5-7).

Onderlijnde woorden wijzen op contrasten. Schuingedrukte woorden wijzen op een opeenvolgend herhalingspatroon of opsomming (zie ook verder de bespreking van “opsomming” als parallellisme). Het sterretje *  wijst op licht gewijzigde tekst ten overstaan van de huidige Nederlandse vertaling, waar deze vertaling de parallellismen in het Engels niet respecteert. De oorspronkelijke Engelse woordkeuze en woordorde respecteert het best de parallellismen.

De ellende

A   Zie, mijn ziel verlustigt zich  (16)
B  in de dingen des Heren,
A   en mijn hart overweegt voortdurend
B  de dingen die ik heb gezien en gehoord.

Niettemin, (17)
ondanks de grote goedertierenheid des Heren,
die mij immers zijn grote en wonderbare werken heeft getoond,
roept mijn hart uit:
O, ellendig mens die ik ben!

A   Ja, mijn hart is bedroefd
B  wegens mijn vlees;
A   mijn ziel rouwt
B  wegens mijn ongerechtigheden.

Ik ben omsingeld wegens de verzoekingen en zonden (18)
die mij zo gemakkelijk overvallen.
En wanneer ik ernaar verlang mij te verblijden, (19)
zucht mijn hart wegens mijn zonden;

De goede herinnering aan ervaringen

A   Toch weet ik op wie ik heb vertrouwd.
A   Mijn God is mijn steun geweest;  (20)
B  in de wildernis heeft Hij mij door mijn ellende heengevoerd;
B  en op de wateren van het grote diep heeft Hij mij bewaard.

A   Hij heeft mij met zijn liefde vervuld,  (21)
B  zelfs tot het verteren van mijn vlees toe.
A   Hij heeft mijn vijanden beschaamd  (22)
B  en hen voor mij doen sidderen.

A   Zie, des daags heeft Hij mijn smeekbede gehoord  (23)
B   en des nachts heeft Hij mij door visioenen kennis gegeven.
A   En des daags ben ik vrijmoedig geworden
B   in machtig gebed voor zijn aangezicht;
A   ja, ik heb mijn stem omhooggezonden,
B   en engelen daalden neer en dienden mij.

En op de vleugels van zijn Geest  (25)
is mijn lichaam weggevoerd naar buitengewoon hoge bergen.
En mijn ogen hebben grote dingen gezien, ja, te groot zelfs voor de mens;
daarom werd mij geboden ze niet op te schrijven.

Het besef van het perspectief

Welaan,  (26)
indien ik dan zulke grote dingen heb gezien,
indien de Heer,
in zijn goedgunstigheid jegens de mensenkinderen,
met zoveel barmhartigheid naar de mensen heeft omgezien,

waarom zou mijn hart dan wenen
en mijn ziel in het dal der smarten talmen
en mijn vlees verteren
en mijn kracht verminderen wegens mijn ellende?

En waarom zou ik, wegens mijn vlees, voor de zonde zwichten? (27)
Ja, waarom zou ik voor verzoekingen bezwijken,
zodat de boze plaats vindt in mijn hart
om mijn vrede te vernietigen en mijn ziel te kwellen?
Waarom ben ik toornig wegens mijn vijand?

De opwekking tot vreugde

A   Ontwaak, mijn ziel!  (28)
B  Kwijn niet langer weg in zonde.
A   Wees verblijd, o mijn hart,
B  en geef niet langer plaats aan de vijand van mijn ziel.

A   Wees niet wederom vertoornd  (29)
B  wegens mijn vijanden.
A   Verminder mijn kracht niet
B  wegens mijn ellende.

Verblijd u, o mijn hart, en roep de Heer aan en zeg:  (30)
A   O Heer, ik zal U voor eeuwig loven;      (zie herhaling in vers 35, tweede deel)
B   ja, mijn ziel zal zich verblijden in U,
C   mijn God, en de Rots mijner redding.

O Heer,
wilt Gij mijn ziel verlossen? (31)
Wilt Gij mij bevrijden uit de handen van mijn vijanden?
Wilt Gij maken dat ik sidder bij het verschijnen van de zonde?

A   Mogen de poorten der hel voortdurend voor mij gesloten zijn, (32)
B  omdat mijn hart gebroken
C   en mijn geest verslagen is!
A   O Heer, wilt Gij de poorten van uw gerechtigheid niet voor mij sluiten,
B  opdat ik zal wandelen op het pad van het lage dal,
C   opdat ik nauwgezet zal zijn op de rechte weg!

A   O Heer, wilt Gij mij omhullen (33)
B  met de mantel van uw gerechtigheid!
A   O Heer, wilt Gij mij een weg bereiden
B  om aan mijn vijanden te ontkomen!
A   Wilt Gij het pad voor mij uit recht maken!

A   Wilt Gij geen struikelblok op mijn weg plaatsen,
B  maar de weg voor mij uit vrijmaken,
A   en niet mijn weg versperren,
B  maar wél de wegen van mijn vijand.

A   O Heer, ik heb op U vertrouwd,  (34)
en ik zal eeuwig op U vertrouwen.
Ik zal mijn vertrouwen niet in de arm van het vlees stellen,

A   want ik weet dat hij vervloekt is*
B  die zijn vertrouwen in de arm van het vlees stelt.
A    Ja, vervloekt is hij
B  die op de mens vertrouwt of vlees tot zijn arm stelt.

A   Ja, ik weet dat God mildelijk geeft  (35)
B   aan hem die bidt.
A   Ja, mijn God zal mij geven
B   indien ik niet verkeerd bid;

A   daarom zal ik mijn stem tot U verheffen;  (herhaling van vers 30)
B   ja, ik zal U aanroepen*,
C   mijn God, de Rots mijner gerechtigheid.
A    Zie, mijn stem zal eeuwig opstijgen tot U,
C   mijn Rots en mijn eeuwige God.

Amen.

 

3 – “God deed een donkere huid op hen komen”

Dit onderwerp verdient een grondiger bespreking. De passage in 2 Nephi luidt:

En wegens hun ongerechtigheid had Hij hen doen treffen met de vervloeking, ja, een zware vervloeking. Want zie, zij hadden hun hart tegen Hem verstokt, zodat het als een keisteen was geworden; welnu, omdat zij blank waren en buitengewoon schoon en bekoorlijk, deed de Here God een donkere huid op hen komen, opdat zij niet aantrekkelijk zouden zijn voor mijn volk (2 Nephi 5:21).

Deze en verwante passages in het Boek van Mormon komen storend over. Kan genetische huidskleur zomaar veranderen? Was een donkere huid een teken van vervloeking of afkeuring? Moet men blank zijn of worden om aannemelijk te zijn? In tegenspraak hiermee staat in ditzelfde boek van 2 Nephi:

Hij doet niets, tenzij het voor het welzijn der wereld is; want Hij heeft de wereld lief, zodat Hij zelfs zijn eigen leven aflegt teneinde alle mensen tot Zich te kunnen trekken. Daarom gebiedt Hij niemand om geen deel te hebben aan zijn heil. … Hij nodigt hen allen uit om tot Hem te komen en deel te hebben aan zijn goedheid; en Hij verwerpt niemand die tot Hem komt, zwarte en blanke, slaaf en vrije, man en vrouw; en Hij is de heidenen indachtig; en allen zijn voor God gelijk, zowel de Joden als de andere volken (2 Nephi 26:24, 33; zie ook 3 Nephi 27:14–15).

Toch kunnen we 2 Nephi 5:21, en ook andere verzen, niet zomaar uitwissen door naar 2 Nephi 26 te verwijzen. Hoe dan de passages te begrijpen waar het gaat om donkere huid als vervloeking, of om ophemeling wat wie “blank zijn en buitengewoon schoon en bekoorlijk”? Wij lezen deze passages vanuit onze eigen historische en culturele achtergrond, in het kader van rassengelijkheid en non-discriminatie, en met afkeer voor al wat naar racisme en blanke superioriteit ruikt. Maar verwijzen die passages in het Boek van Mormon wel naar concepten zoals wij die thans aanvoelen? Moeten we ze niet begrijpen in de context en in het taalgebruik van de tijd? Twee aspecten verdienen daarom bespreking: (A) de sociale context en (B) de betekenis van “wit”.

 

(A) De sociale context: de tegenstelling tussen licht en donker

Net zoals de Bijbelboeken, zijn de onderscheiden boeken in het Boek van Mormon door mensen in de context van hun tijd geschreven. Die context was niet vreedzaam. Oorlogen markeerden het bestaan van zowel de Israëlieten in Palestina als de Nephieten op het westelijk halfrond. Gevoelens van vijandschap beheersen dan ook vele Schriftuurteksten. Soms leggen kroniekschrijvers hun eigen wraaklust en veroordelingen in de mond van de Heer. Hun retoriek maakt dan geen onderscheid tussen de stem van God en wat men hem wil doen zeggen. Zo vermeldt het Oude Testament tal van slachtpartijen “op bevel van God”, inclusief op vrouwen en kinderen.

Dore_David_Ammonieten David verplettert de Ammonieten, gravure van Gustave Doré

Men rechtvaardigde de gruwel door zich achter God te verschuilen. Occasioneel wijzen profeten zoals Jesaja en Amos op dat schuldig gedrag van het eigen volk. Ook zo in het Boek van Mormon (Jakob 3:9). Die wreedheid is inderdaad niet in overeenstemming met wat we over God weten.

Maar zo was de toenmalige maatschappij nu eenmaal. Die denkwereld dreef ook Nephitische schrijvers tot demoniserende uitspraken. Ze scherpten de tegenstellingen aan. Dat kleurde – letterlijk – de manier waarop zij over Lamanieten schreven. Hugh Nibley wijst in dat verband op een diep ingewortelde tegenstelling in de oud-Arabische, Egyptische en Joodse culturen, namelijk de tegenstelling tussen licht en donker: enerzijds de sedentaire inwoners van steden en dorpen, anderzijds de zwervers, de barbaren zonder vaste woonplaats.[4] De énen verfraaien hun haard en leefruimte, de anderen kennen alleen de wildernis. De enen verfijnen hun uiterlijk en hun kleding, de anderen leven in vuil en lompen. De énen beschermen zich tegen de zon, de anderen worden bruingebrand door hun buitenleven. De eersten streven het onderscheid zelfs kosmetisch na: het bleken van de huid voor meer standing en aantrekkelijkheid is al sinds de oudheid bekend, in nagenoeg alle culturen.[5] In het Hooglied begint de bruid met zich te verontschuldigen: “Donker van huid ben ik, maar bekoorlijk … Zie niet op mij neer omdat ik donker ben, want de zon heeft mij beschenen” (Hooglied 1:5-6). Job, zittend in de as, weet zich bekleed met “een korst van stof” en beseft “de donkerheid die mij bedekt” (Job 7:5; 23:17).

Volgens de stereotiepe voorstelling in dit kastensysteem zijn de énen eerbaar en betrouwbaar, de anderen horen tot het “ras” van goddelozen, rovers en misdadigers. “De weg van goddelozen is als de donkerheid” zegt Spreuken 4:19. Die tegenstelling heeft in onze antieke context dus niets met genetisch ras te maken. Het is de levenswijze die tot de aanblik leidt – “schoon en licht” versus “vuil en donker”. Die aanblik geeft signalen van moraliteit of immoraliteit. Ook dit is doorheen de eeuwen nagenoeg overal zo geweest en is een van de gronden van later racisme.[6]

Het Boek van Mormon associeert de verkregen donkere huid dan ook systematisch met een “vuile” levenswijze, niet met een ras. “En het geschiedde dat ik zag dat zij, nadat zij in ongeloof waren verkommerd, een donker en weerzinwekkend en walgelijk volk werden, vol luiheid en allerlei gruwelen” (1 Nephi 12:23). In typisch Schriftuurlijke retoriek lopen vervolgens oorzaak en gevolg door elkaar: het ene brengt het andere mee. De Lamanieten brengen de vervloeking door hun ongehoorzaamheid, verwijdering en verloederende levensstijl over zich, en God “vervloekt” hen evenzeer omwille van de oorspronkelijke keuzes die ze gemaakt hebben. “En wegens hun vervloeking die op hen rustte, werden zij een lui volk, vol list en streken, dat in de wildernis op roofdieren jaagde” (2 Nephi 5:24).

Dat immens sociaal verschil zorgt voor gescheiden volkeren, in het oud-testamentisch protectionisme dat het eigen volk wil beschermen en “zuiver” houden: “En aldus zegt de Here God: Ik zal maken dat zij weerzinwekkend voor uw volk zullen zijn, tenzij zij zich van hun ongerechtigheden bekeren. En vervloekt zij het nageslacht van hem die zich met hun nageslacht vermengt, want zij zullen met dezelfde vervloeking worden vervloekt (2 Nephi 22–23). De belofte gebonden aan bekering wordt echter later vervuld: de Lamanieten verliezen hun weerzinwekkend uiterlijk wanneer zij de Nephitische levenswijze aannemen:

En het geschiedde dat die Lamanieten die zich met de Nephieten hadden verenigd, onder de Nephieten werden gerekend; en hun vervloeking werd van hen weggenomen, en hun huid werd blank, zoals die der Nephieten (3 Nephi 2:14–15).

Anderzijds kan de graad van weerzinwekkendheid ook stijgen:

… want dit volk zal worden verstrooid en zal een donker, vuil en weerzinwekkend volk worden, dat de beschrijving te boven gaat van alles wat ooit onder ons is geweest, ja, zelfs van alles wat onder de Lamanieten is geweest, en wel wegens hun ongeloof en afgoderij (Mormon 5:15).

Het Boek van Mormon spreekt nergens van roodhuiden, of een gelijkaardig woord, de nochtans gebruikelijke term voor indianen. Dat stemt ook overeen met de thans door de kerk opgegeven visie dat alle indianen van Lamanieten afstammen (zie les 1). Het contrast gaat over licht en donker, over “schoon en bekoorlijk” versus “donker en weerzinwekkend” (2 Nephi 5:21–22).

Racisme, in zijn moderne raciale betekenis, was onbekend onder de Nephieten. Zij waren immers van hetzelfde ras als de Lamanieten. Indien Nephieten laatdunkend over Lamanieten spreken (wat op zich wel een discriminerende houding is), volgt de terechtwijzing: “Daarom geef ik u een gebod, dat het woord Gods is, dat gij hen niet meer zult beschimpen wegens de donkerheid van hun huid; evenmin zult gij hen beschimpen wegens hun vuilheid; gij zult daarentegen aan uw eigen vuilheid denken en beseffen dat hun vuilheid aan hun vaderen te wijten is” (Jakob 3:9). Opnieuw gaat het om levenswijze en, metaforisch, over de “eigen vuilheid” als tegenhanger. Racisme sluit mensen van een ander ras uit. Doorheen heel  het Boek van Mormon weerklinkt echter de aanhoudende roep voor de redding en het welzijn van de Lamanieten. Het is het leidmotief bij uitstek.[7] Het Boek van Mormon verheugt zich wanneer Lamanieten zich bekeren. De laatste hoofdstukken, van de hand van Mormon en van Moroni, stralen van hoop op de bekering van hun “broederen, de Lamanieten”.

 

 (B) De betekenis van “wit”: zuiver

Dore_transfigurationNogal wat passages in de Bijbel verwijzen naar “wit” als kenmerk van het goddelijke. Bij de verheerlijking op de berg: “En Zijn kleren werden blinkend, zeer wit, als sneeuw, zo wit als geen wolbewerker op aarde ze kan maken” (Markus 9:3). Daniël ziet in een visioen de Heer: “Zijn gewaad was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol” (Daniël 7:9). Johannes ziet “de Heer op een wit paard [en] op witte paarden volgde het hemelse leger Hem, gekleed in smetteloos wit linnen” (Opb 19:11, 14). Engelen verschijnen in witte kleding (Markus 16:5; Handelingen 1:10).

Illustratie: Gustave Doré, Verheerlijking

Betrokken op de mens verwoordt “wit” het kenmerk van zuiverheid: “Was mij”, vraagt de Psalmist, “dan zal ik rein zijn, dan zal ik witter zijn dan sneeuw” (Psalm 51:9). Daniël profeteert: “Velen zullen gereinigd, zuiver wit gemaakt en gelouterd worden. De goddelozen echter zullen goddeloos handelen” (Daniël 12:10). Het is ook in die betekenis dat het Boek van Mormon het woord gebruikt. Dat blijkt uit de opsomming van synoniemen voor hetzelfde concept. Moroni sluit het deelboek Mormon af met de opdracht: “Roept de Vader krachtig aan in de naam van Jezus om op die grote en laatste dag misschien vlekkeloos, rein, mooi en wit te worden bevonden, daar gij zijt gereinigd door het bloed van het Lam” (Mormon 9:6). De reeks bijvoeglijke naamwoorden, zoals gebruikelijk in de Schriften, spreekt over eenzelfde concept, hier van zuiverheid. Dat bereikt de reiniging “door het bloed van het Lam”.

In die reeks bijvoeglijke naamwoorden is de huidige Nederlandse vertaling mooi voor het Engelse fair  niet zo gelukkig; in de lijn van de voorgaande attributen vlekkeloos en rein, mag je aannemen dat fair een verdere versterking beoogt, dus met de betekenis van “eerlijk, rechtvaardig, vlekkeloos”. Het bijvoeglijk naamwoord mooi wijzigt echter de focus naar fysieke schoonheid, wat dan op zijn beurt het volgende bijvoeglijk naamwoord, wit, als kleur doet aanvoelen. Dat is precies niet de bedoeling. De vroegere Nederlandse versie van het Boek van Mormon vertaalde fair met schoon, wat de geestelijke betekenis beter vrijwaart. “Schoonheid” is een frequente Bijbelse term voor zuiverheid – niet “mooiheid”.

Maar er is een groter probleem met de Nederlandse vertaling. Die vertaalt het Engelse “white” systematisch met “blank” in de uiterlijke vergelijking tussen Nephieten en Lamanieten . Dat is een ongelukkige keuze, want “blank” is een raciale term, terwijl het in de sociale context die we hiervoor bespraken over fysieke netheid gaat, en in de geestelijke context over zuiverheid en reinheid. Zelfs bij twijfel over de raciale betekenis, is het nog altijd correcter om “white” steeds coherent door “wit” te vertalen (voor de huidskleur kent het Engels geen onderscheid tussen “wit” en “blank” – daar bestaat enkel “white”).

BoM_1840Hoezeer “wit” eigenlijk “zuiver” betekent blijkt uit de wijziging in het Engels van “white” naar “pure” in de nieuwe Engelstalige editie van het Boek van Mormon in 1981. Toen werd de zinsnede “a white and a delightsome people” gewijzigd in “a pure and a delightsome people” (in 2 Nephi 30:6). Critici vonden die wijziging een zet van “politieke correctheid” om zo de indruk van racisme in het Boek van Mormon te omzeilen. Maar die wijziging van “white” (wit) in “pure” (zuiver) dateert echter niet van 1981, maar gebeurde al in 1840 door Joseph Smith zelf, ter gelegenheid van de derde editie van het Boek van Mormon, gekend als de “Nauvoo editie” (een editie wijzigt de typesetting, wat de kans biedt om fouten te verbeteren, in tegenstelling tot een gewone herdruk vanuit de bestaande drukplaten).[8]  Reeds voor de tweede editie van het Boek van Mormon in 1837 had Joseph Smith tal van kleine correcties in spelling en in woordkeuze aangebracht. Die correcties veranderden weinig of niets aan de zinstructuren of aan de inhoud, maar kozen voor duidelijker woorden en beter conform de Engelse grammatica. Gelet op de omstandigheden en de korte tijdspanne waarin de eerste editie in 1830 tot stand kwam, is het normaal dat een volgende editie nog talrijke onvolmaaktheden kon wegwerken. We mogen niet vergeten dat de vertaling van het Boek van Mormon mondeling gedicteerd werd, daarna overgeschreven voor de “drukkerstekst” en vervolgens door de drukker gezet. Bij elke stap slopen ongemerkt allerlei kleine verschillen binnen.[9]

Voor de editie van 1837 verbeterde Joseph Smith 707 keer het voornaamwoord “which” in “who” (mogelijk kende het Nephitische taalgebruik dat onderscheid niet en werd daarom in de eerste editie zo vaak letterlijk met “which” vertaald). Hij wijzigde ook 229 keer de antieke schrijfwijze “saith” en “sayeth” in het modernere “said”, wat zijn voorkeur voor modernere en beter leesbare schrijfwijzen aantoont. Ook in de derde editie, in 1840 – “carefully revised” staat op het titelblad – werkte Joseph Smith nog veel foutjes en dubbelzinnigheden weg. De wijziging, op dat moment, van “white” in “pure” is interessant, omdat Joseph Smith blijkbaar besefte – nu hij in Ohio en Missouri de groeiende spanningen rond de slavernij had meegemaakt – dat het woord “white” ook raciaal geïnterpreteerd kon worden, terwijl hijzelf begreep dat het enkel om het aspect “zuiverheid” ging. Hij wilde er geen misverstand over.

Hoe komt het dan dat “white” in alle latere Engelse edities van het Boek van Mormon is blijven staan, tot 1981? Heel eenvoudig: in Engeland zorgden de apostelen, die daar vanaf 1839 op zending waren, voor een eigen editie van het Boek van Mormon. Zij gebruikten daartoe echter de tekst van de vroegere uitgave, omdat ze niet over de Nauvoo-editie beschikten. Dertig jaar lang, van 1842 tot 1871, zouden alle herdrukken van het Boek van Mormon uit Engeland blijven komen, gelet op de moeilijke periode voor de kerk in Amerika. Op die manier raakte men zo gewend aan die Engeland-editie dat de Nauvoo-editie, met zijn correcties, vergeten werd. Latere edities van het Boek van Mormon in Amerika, in 1879 en in 1920, baseerden zich op de Engeland-editie. Niemand kwam blijkbaar op het idee om de correcties van 1840 na te kijken en in te voeren bij een volgende editie.

Een vergelijkende studie van Stan Larson in 1974 vestigde echter de aandacht op de verschillen, en dus ook op de variant “pure” in de editie van 1840.[10] In 1981 kwam er een nieuwe editie van het Boek van Mormon. De kerk vroeg toen aan een team experten op BYU om die nieuwe editie voor te bereiden (met een nieuw systeem van referenties naar de andere Standaardwerken). De experten vergeleken ook de tekst met alle vroege edities en lijstten de verschillen op. De nieuwe editie herstelde veel correcties die Joseph Smith in 1840 had aangebracht, inclusief de vertaling “pure” in plaats van “white”. Ongetwijfeld speelde in die keuze het besef mee dat het Engelse “pure” de raciale ambiguïteit van “white” wegwerkte, maar de beslissing greep terug naar een veel vroegere verduidelijking, van de hand van Joseph Smith zelf.

Reinheid versus verontreiniging speelt dus zowel op het fysieke als op het geestelijke vlak, maar geen van beiden heeft met genetisch ras te maken.

Eerlijkheid gebiedt dit punt af te sluiten met het volgende. Ook al kunnen we nu de passages over huidskleur in het Boek van Mormon beter cultureel en taalkundig plaatsen, toch is het onmiskenbaar dat vroegere interpretaties van die passages vormen van racisme onder kerkleden hebben gevoed. Het idee dat God een waardeoordeel aan huidskleur hechtte, specifiek voor zwarten, vond ingang ten tijde van Brigham Young in het midden van de negentiende eeuw. Het was deel van een wijd verbreid racisme in de Verenigde Staten. Meer dan honderd jaar lang zou het de beperking op het priesterschap aan zwarten bepalen. Het is een beschamend deel van onze kerkgeschiedenis.

“Heden ten dage verwerpt de kerk de theorieën die in het verleden vooruitgeschoven werden, namelijk dat een zwarte huid een teken van goddelijke afkeuring of vloek is, of dat het onrechtvaardige handelingen in een voorsterfelijk leven weerspiegelt; dat gemengde huwelijken een zonde zijn; of dat zwarten of mensen van gelijk welk ras of etniciteit op enige wijze minderwaardig ten overstaan van gelijk wie zijn. De kerkleiders veroordelen ondubbelzinnig alle racisme, verleden of hedendaags, in gelijk welke vorm.”[11]

4 – Nog een vorm van parallellisme: de opsomming

Zie les 6 voor de bespreking van drie vormen van parallellismen: (A) het chiasme, (B) het contrast en (C) de herhalingsparafrase. We voegen er hier een vierde aan toe: de opsomming. We kwamen die reeds tegen in de “psalm” van Nephi, in het opsommend gebruik van indien … waarom… wilt gij. De opsomming geeft stilistisch een groeiende opwinding aan. In de mondelinge voordracht moet het naar een crescendo leiden. Deze stijlfiguur heet een polysyndeton , van het Grieks poly– (veel) en sundeo (aaneenschakelen).

* In de hiernavolgende aanhalingen wijst de asterisk op licht gewijzigde tekst ten overstaan van de huidige Nederlandse vertaling, waar deze vertaling de parallellismen in het Engels niet respecteert.

Opsomming in 2 Nephi 5:10–11

En wij onderhielden nauwgezet de gerichten,
*en de inzettingen
en de geboden des Heren in alles, volgens de wet van Mozes.
En de Heer was met ons;
en wij werden buitengewoon voorspoedig, want wij zaaiden zaad,
*en wij oogstten daardoor *opnieuw in overvloed.
En wij begonnen *kudden [of: schapen]
en runderen
en dieren van iedere soort te telen.

Opsomming in 2 Nephi 5:15

En ik leerde mijn volk gebouwen te bouwen
en allerlei soorten hout te bewerken,
en ook ijzer
en roodkoper
en geelkoper
en staal
en goud
en zilver
en kostbare ertsen, die in grote overvloed aanwezig waren.

Voor andere parallellismen, zie hierna de kaders bij Gestructureerd lezen.

 

5 – Gestructureerd lezen

Sommige passages met parallellismen zijn in kaders opgenomen. Die geven de kans om de lijnen met korte pauzes te lezen, in het ritme waarvoor ze zo geschreven werden. Als je lesgeeft met computer en projectie kun je op een kader klikken om het aan een kleine groep vergroot te tonen of voor een grotere groep te projecteren.

2 Ne 3    Afscheidswoorden en zegeningen van Lehi aan Jozef

In dit hoofdstuk is sprake van vier Jozefs:

– Jozef, één van de twaalf zonen van Jakob of Israël (1 900 v.C.)
– Jozef, de zoon van Lehi, tot wie Lehi hier spreekt (570 v.C.)
– Joseph Smith, de profeet (1830 n.C.)
– Joseph Smith senior, de vader van Joseph Smith (slechts kort vermeld)

2 Ne 3:1-3                 Lehi richt zich tot zijn zoon Jozef, toen nog een jong kind.

L7-1_2Ne3_1

2 Ne 3:4-5                 Lehi spreekt over Jozef, zoon van Jakob. Lehi is een afstammeling van deze Jozef.

2 Ne 3:6-21               Lehi haalt een profetie van Jozef, zoon van Jakob, aan over Joseph Smith.

– een uitverkoren ziener
– zal een werk voor uw nakomelingschap verrichten (= de Indianen) (7)
– hij zal groot zijn als Mozes (9)
– profetie over Bijbel en Boek van Mormon (12-14)

  • de vrucht uwer lendenen zal schrijven = nakomelingen van Jozef = Boek van Mormon
  • de vrucht van de lendenen van Juda zal schrijven = nakomelingen van Juda (Joden) = de Bijbel
  • en het geschrevene zal samenkomen: Boek van Mormon en Bijbel samen

– de naam van de ziener (Joseph Smith) zal naar de mijne (Jozef) worden genoemd en zal als die van zijn vader zijn (= Joseph Smith senior). ( 15-16)
– vergelijking tussen Mozes en Joseph Smith (17-18)

  • Mozes had een woordvoerder, namelijk zijn broer Aaron
  • Joseph Smith had een woordvoerder, namelijk Sidney Rigdon (Leer en Verbonden 100:9)

– belofte aangaande het Boek van Mormon dat “uit het stof zal roepen” = de platen die uit de heuvel Cumorah werden gehaald en vertaald ( 19-21)

L7-2_2Ne3_6

L7-3_2Ne3_12

2 Ne 3:22-23             Lehi richt zich weer direct tot zijn zoon Jozef.

2 Ne 3:24                   Lehi verwijst opnieuw naar Joseph Smith.

2 Ne 3:25                   Lehi besluit zijn woorden tot zijn zoon Jozef.

2 Ne 4                         Laatste woorden van Lehi, zijn dood. Psalm van Nephi.

2 Ne 4:1-2                 Inleidende verzen van Nephi als overgang.

L7-4_2Ne4_4

2 Ne 4:3-7                 Woorden van Lehi tot de kinderen van Laman.

  • Opvallend: ook de dochters worden specifiek vermeld
  • Ondanks de gevoelens van Lehi over de komende afvalligheid van de Lamanieten, zegent hij hen met een belofte dat God jegens hen barmhartig zal zijn.

2 Ne 4:8-9                 Zelfde zegen voor de kinderen van Lemuël.

2 Ne 4:10                   Lehi richt zich tot de zoons van Ismaël en “diens gehele huis”.

2 Ne 4:11                   Lehi richt zich tot Sam, de broer van Nephi.

L7-5_2Ne4_11

2 Ne 4:12                   Dood van Lehi.

2 Ne 4:13                   Opstandigheid van Laman, Lemuël en de zonen van Ismaël.

  • 2 Ne 4:14-15             Twee verzen over de platen en de waarde ervan voor Nephi.
  • de “andere platen” (de grote platen) met het “meer historisch gedeelte”
  • “deze platen” (de kleine platen) met “de dingen van mijn ziel”.

2 Ne 4:16-35             De psalm of lofzang van Nephi, te vergelijken met de dichterlijke psalmen in de Bijbel. Het betreft een emotionele uiting van het geloof van Nephi, vermoedelijk geschreven naar aanleiding van zijn vaders’ dood.

Zie hierboven de gedetailleerde bespreking.

 

2 Ne 5                         De scheiding tussen Nephieten en Lamanieten

2 Ne 5:1-4                 Het conflict tussen de broers

L7-6_2Ne5_2

2 Ne 5:5-7                 Vertrek van Nephi en de zijnen

2 Ne 5:8-18               Beschrijving van de ontwikkelingen onder het volk van Nephi.

2 Ne 5:19-25             Beschrijving van de ontwikkeling onder de Lamanieten.

Zie hierboven de gedetailleerde bespreking.

L7-7_2Ne5_25

2 Ne 5:26                   Jakob en Jozef geordend tot priesters en leraars.

2 Ne 5:27-28             En 30 jaar waren verstreken (= 569 v.C.) = op dit moment krijgt Nephi opdracht aan de kleine platen te beginnen.

2 Ne 5:29                   Verwijzing naar de grote platen van Nephi, die hij “tot dusver” had bijgehouden.

2 Ne 5:34                   En 40 jaar waren voorbijgegaan (= 559 v.C.) = de voorbije 10 jaar is dus de periode waarin Nephi al het vorige op de kleine platen gegraveerd heeft.

2 Ne 5:30-33             “Maak andere platen” = de kleine platen, namelijk waarop Nephi de tekst graveert die we nu lezen.

L7-8_2Ne5_30

Voetnoten

[1]   Shirley R. Heater, “Lehi’s Blessing to His Son Joseph,” in Recent Book of Mormon Developments, Vol. 2 (Independence: Zarahemla Research Foundation, 1992): 55–56. Het chiasmevoorstel van Heater vind je ook op http://stepbystep.alancminer.com/2_nephi_3

[2]   https://www.lds.org/church/news/book-of-psalms-may-have-influenced-psalm-of-nephi

[3]    Marilyn Arnold, “Unlocking the Sacred Text,” Journal of Book of Mormon Studies 8, no. 1 (1999): 48–53; Kevin L. Barney, “Poetic Diction and Parallel Word Pairs in the Book of Mormon,” Journal of Book of Mormon Studies 4, no. 2 (1995): 15–81.

Om terug te keren:  2 – De “psalm” van Nephi

[4]  Hugh Nibley, Since Cumorah: The Book of Mormon in the Modern World (Salt Lake City: Deseret Book Company, 1970): 246–251; Hugh Nibley, Lehi in the Desert (Salt Lake City: Bookcraft, 1952; rpt. 1988). Zie ook Bernard Lewis, Race and Slavery in the Middle East: An Historical Enquiry (New York: Oxford University Press, 1992).

[5]  Jacqueline De Weever, Sheba’s Daughters: Whitening and Demonizing the Saracen Woman in Medieval French Epic (Routledge, 2013); Anita Fábos, “Resisting Blackness, Embracing Rightness: How Muslim Arab Sudanese Women Negotiate Their Identity in the Diaspora,” Ethnic and Racial Studies 35, no. 2 (2012): 218–237; Peter Frost, “Human Skin Color: The Sexual Differentiation of Its Social Perception,” Mankind Quarterly 30 (1989): 3–16; Pierre L. Van den Berghe and Peter Frost. “Skin Color Preference, Sexual Dimorphism And Sexual Selection: A Case of Gene Culture Co‐Evolution?” Ethnic and Racial Studies 9, no. 1 (1986): 87–113; Karine van’t Land, “Mooie mensen en middeleeuwse dokters,” Tijdschrift voor Medisch Onderwijs 28, no. 6 (2009): 284–285.

[6]   Varsha Ayyar and Lalit Khandare, Mapping Color and Caste Discrimination in Indian Society (Springer, 2013); Peter Frost, “Fair Women, Dark Men: The Forgotten Roots of Colour Prejudice,” History of European Ideas 12 (1990): 669–679; Goldenberg, David. “Racism, Color Symbolism, and Color Prejudice,” in The Origins of Racism in the West, Eliav-Feldon, Miriam, Benjamin H. Isaac, and Joseph Ziegler, eds. (Cambridge: Cambridge University Press, 2009): 88–108; Ronald E. Hall, The Psychogenesis of Color Based Racism: Implications of Projection for Dark-Skinned Puertorriqueños (Michigan State University, Julian Samora Research Institute, 1997); Margaret Hunter, “The Persistent Problem of Colorism: Skin Tone, Status, and Inequality,” Sociology Compass 1, no. 1 (2007): 237-254; Gary D. Sherman and Gerald L. Clore. “The Color of Sin: White and Black Are Perceptual Symbols of Moral Purity and Pollution,” Psychological Science 20, no. 8 (2009):1019–1025; Becky L. Tatum, “Deconstructing the Association of Race and Crime: The Salience of Skin Color,” in The System in Black and White: Exploring the Connections between Race, Crime, and Justice, Michael W. Markowitz and Delores D. Jones-Brown, eds. (Greenwood Publishing Group, 2001):31–46.

[7]  Zie bv. Jacob 2:35; 3:5; 7:24, 26; Enos 1:11; Jarom 1:2; Mosiah 1:5, 13; 22:3; 25:11; 28:1; Alma 3:6; 17:9, 11, 30–31, 33; 19:14; 26:3, 9, 13–14, 22–23, 26–27; 27:8, 20–24; 28:8; 29:10; 43:14, 29; 48:21, 23–25; 49:7; 53:15; 59:11; Helaman 4:24; 11:24; 15:11–12; 3 Nephi 2:12; 4 Nephi 1:43; Mormon 2:26; 9:35–36; Moroni 1:4; 10:1.

[8]   Voor een bespreking van de historiek van de “white / pure” wijziging, zie Douglas Campbell, “‘White’or ‘Pure’: Five Vignettes,” Dialogue 29, no. 4 (1996): 119-135. Zie ook John A. Tvedtnes, “The Charge of ‘Racism’ in the Book of Mormon,” The FARMS Review 15, no. 2 (2003): 183–197.

[9]   Sinds 1988 is grondig werk gemaakt van de studie van al de kleine verschillen en wijzigingen in de verschillende edities, ook om de originele transcriptie, die maar onvolledig is overgebleven, te reconstrueren. De bekendste wetenschapper in dat verband is Royal Skousen met het “Book of Mormon Critical Text Project” op BYU.

[10]  Stan Larson, “A Study of Some Textual Variations in the Book of Mormon, Comparing the Original and the Printer’s Manuscripts and the 1830, the 1836, and the 1840 Editions,” M.A. thesis, Brigham Young University, 1974; Stan Larson, “Early Book of Mormon Texts: Textual Changes to the Book of Mormon in 1837 and 1840,” Sunstone 1 (Fall 1976): 44–55. Zie ook Larry W. Draper, “Book of Mormon Editions,” in Uncovering the Original Text of the Book of Mormon, ed. M. Gerald Bradford and Alison V. P. Coutts (Provo, Utah: FARMS, 2002), 43.

[11]  https://www.lds.org/topics/race-and-the-priesthood

Om terug te keren:

1 – Schakels van Jozef doorheen de geschiedenis
2 – De “psalm” van Nephi
3 – “God deed een donkere huid op hen komen”
4 – Nog een vorm van parallellisme: de opsomming
5 – Gestructureerd lezen