Les 47 – Moroni 1–6

“Om hen op het rechte pad te houden”

1 – Het boek Moroni: het boek van een mens
2 – Moroni’s chronologie, terugblikkend van het einde
3 – Essenties van evangelie en kerk
4 – Het brood en de wijn ter gedachtenis van Jezus
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
6 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier

Deze les behandelt het eerste deel van het boek Moroni, hoofdstukken 1 tot 6. Volgende les voorziet het tweede en laatste deel. Maar net zoals bij het boek Ether kun je het boek Moroni niet opsplitsen als je naar de mens achter de schrijver op zoek gaat. Om Moroni als mens te vatten moeten we hem daarenboven volgen in een nog groter geheel dat zich over de twintig jaar van zijn teksten spreidt. Het begon in Mormon 8, wanneer Moroni zijn eerste woorden schreef, bij het afsluiten van het boek van zijn vader in 400 n.C. Dan volgden zijn vijf persoonlijke tussenkomsten in het boek Ether, die evenveel uitingen van zijn diepste psyché zijn. Nu laat zijn eigen boek ons in zijn laatste levensfase toe.

Tenzij anders aangeduid verwijzen de versnummers naar het boek Moroni.

 

1 – Het boek Moroni: het boek van een mens

Inhoudelijk maken we een enorme sprong van het “boek Ether” naar het “boek Moroni”. Met het laatste hoofdstuk in Ether zaten we nog in de Jareditische wereld van duistere intriges en walgelijke veldslagen. Een vers later in het volgende boek zijn we duizend jaar later bij de eenzame Moroni die mijmert over de zalige sfeer in de kerk van Christus. In het boek Ether werden we meegesleurd in een onophoudelijke stroom van gebeurtenissen: “En het geschiedde dat…” komt 117 keer voor in het boek Ether. Nu, in het boek Moroni, staat de tijd plots stil. Geen enkele “En het geschiedde dat…” zal nog voorkomen. Van de onoverzichtelijke slagvelden van de Jaredieten brengt Moroni ons in een oogwenk naar zijn verborgen plek tussen de kronieken.

We volgen hem daar stap voor stap, zoals hij het spoor in het boek Moroni naliet.

“Maar ik ben nog niet omgekomen…”
Bladerend door de kronieken: op zoek naar lacunes en de sfeer van toen
Bladerend door familieherinneringen: vaders stem
Waar is moeder?
Het laatste hoofdstuk: de ultieme roep

 

“Maar ik ben nog niet omgekomen…”

Nu had ik, Moroni, niet gedacht nog meer te zullen schrijven na de inkorting van het verslag van het volk van Jared te hebben voltooid; maar ik ben nog niet omgekomen; en ik maak mij niet bekend aan de Lamanieten, zodat zij mij niet zullen vernietigen. (1:1)

Wat een begin! Schreef Moroni deze zinnen neerslachtig, berustend, laconiek of blijmoedig? Men kan ze inderdaad in die verschillende toonaarden lezen. Ben je leerkracht in de kerk, dan kun je vers 1, of tenminste de frase “Maar ik ben nog niet omgekomen”, in de klas eens voorlezen op die diverse wijzen, of een of meer cursisten met acteertalent het laten doen, en dan vragen welke toon het meest waarschijnlijk zou passen bij Moroni op dit punt in zijn leven. Elke toon — neerslachtig, berustend, laconiek of blijmoedig — is mogelijk, maar dewelke we verkiezen zegt misschien ook iets over onszelf.

Ja, waarom zelfs niet blijmoedig? Al zesendertig jaar ontloopt Moroni de dood, sinds de veldslag van Cumorah. De angst om te sterven moet deze wijze, beproefde tachtigjarige onbekend zijn. Zijn laatst vermelde persoonlijke gedachten, die hij in Ether 12 opschreef, waren doordrongen van begeesterd geloof, van hoop en van naastenliefde. Hier is een man die kon schrijven: “En dan zult gij weten dat ik Jezus heb gezien en dat Hij van aangezicht tot aangezicht met mij heeft gesproken, en dat Hij mij in alle eenvoud in mijn eigen taal over deze dingen heeft verteld, zoals de ene mens de andere iets vertelt” (Ether 12:39). Wat een blijdschap en gemoedsrust moet dit geven. En natuurlijk maakt hij zich “niet bekend aan de Lamanieten”: je kunt het zelfs olijk doen klinken, zo lang verschalkt hij ze al.

Anderzijds is het geen fraai beeld dat Moroni meteen op die eerste zinnen laat volgen, sprekend over de Lamanieten:

Want zie, hun onderlinge oorlogen zijn buitengewoon hevig; en wegens hun haat doden zij iedere Nephiet die de Christus niet wil verloochenen. En ik, Moroni, wil de Christus niet verloochenen; daarom zwerf ik overal rond voor de veiligheid van mijn leven. (1:2).

De toestand is dus wel ernstig. Die verzen verraden echter ook dat er nog andere Nephieten aan de volkenmoord ontsnapt zijn, gelovigen in Christus die bereid zijn als martelaar te sterven eerder dan Hem te verloochenen. Moroni blijkt er goed van op de hoogte te zijn, dus is het niet uitgesloten dat er nog een netwerk van ondergedoken christenen bestond (zie verder).

 

giacomettilhommequimarche“De man die stapt” verbeeldt de mens op zijn levensweg.
Beroemd werk van de Zwitserse beeldhouwer Alberto Giacometti (1901–1966) .

 

“Daarom zwerf ik overal rond voor de veiligheid van mijn leven…”. Dat zwerven bracht Moroni toch weer terug naar de ruimte of grot waar de kronieken verborgen lagen. Die plek is zijn thuis, daar sluimeren de herinneringen. En opnieuw graaft Moroni de bundel met de laatste teksten op om nog wat bij te schrijven. De hoeveelste keer al, als we ook de transitoire afsluitingen in het boek Ether meetellen?

Net zoals hij in het jaar 400 wat onbehendig begon te schrijven (Mormon 8:1–5), draait Moroni ook nu, zoveel jaren later, de griffel wat stuntelig herhalend in het rond:

Welnu, ik schrijf nog enkele dingen, in tegenstelling tot hetgeen ik had gedacht; want ik had gedacht niets meer te zullen schrijven; doch ik schrijf nog enkele dingen, in de hoop dat zij, volgens de wil des Heren, in de toekomst van waarde zullen zijn voor mijn broeders, de Lamanieten. (1:3)

“Voor mijn broeders, de Lamanieten”: wat een stap om dat te kunnen schrijven, voor het eerst. Ondanks alle bitterheid over de Lamanieten die hij in zijn vroegere teksten legde, ondanks het feit dat ook nu nog Lamanieten christenen vervolgen, ontstijgt de oude Moroni aan zijn wrok. Hij kijkt naar hun toekomst. De naastenliefde wint het.

 

Bladerend door de kronieken: op zoek naar lacunes en de sfeer van toen

We kunnen ons voorstellen dat Moroni door de platen van het hele “Boek van Mormon” bladerde, zoals zijn vader de beknopte bewerking van de Nephitische geschiedenis had gemaakt. Het moet hem opgevallen zijn dat de laatste periode, vanaf het bezoek van de Heiland, erg ingekort was weergegeven. Toen Mormon daar aan toe was gekomen, bij de bewerking van 3 Nephi, begon tijdsgebrek blijkbaar door te wegen, zoals hij zelf schreef:

“En nu kan er in dit boek geen honderdste deel worden opgeschreven van de dingen die Jezus het volk waarlijk leerde; maar zie, de platen van Nephi bevatten het grootste gedeelte van de dingen die Hij het volk leerde” (3 Nephi 26:6–7).

Dus allicht in die grote platen van Nephi, die de volledige kroniek bevatten, vond Moroni de enkele gegevens die hij nu gaat toevoegen, namelijk hoe in de kerk van Christus de essentie van het evangelie praktisch beleefd werd. Mogelijk keert Moroni in zijn mijmeringen ook terug naar zijn eigen jeugd toen hijzelf als kind in de kerkgemeenschap van zijn ouders opgroeide en zelf tot de bediening geroepen werd. Mormons brief aan zijn zoon herinnert aan die tijd (Moroni 8:1–2). Vanuit die herinneringen weet Moroni ook hoe in de kerk van Christus het evangelie beleefd werd.

In de volgende vijf korte hoofdstukken, van 2 tot 6, breng hij die essenties: bekering, doop, het ontvangen van de Heilige Geest, het dikwijls samenkomen “om van het brood en de wijn te nemen ter gedachtenis van de Heer Jezus”, het ordenen van priesters en leraars. Deze teksten voorstellen als een primair “algemeen kerkelijk handboek” zou ze echter tekort doen, alsof kerkelijk formalisme steeds onze lectuur van de Schriften moet beheersen. Nee, deze vijf hoofdstukken ademen vooral de warme geestelijke sfeer waartoe Moroni ons uitnodigt en waarin hij zich, in al zijn eenzaamheid, koestert. Enkele inhoudelijke aspecten van die hoofdstukken bespreek ik verder, maar eerst volgen we de mens Moroni.

 

Bladerend door familieherinneringen: vaders stem

Wat doet een eenzaam mens te midden van tastbare herinneringen aan overleden familieleden? Hun voorwerpen aanraken en hun brieven herlezen. Ook Moroni zoekt die nostalgie op: teksten die zijn vader, de profeet Mormon, ooit geschreven heeft. Moroni heeft die altijd bewaard, mogelijk zelfs enkele ervan meegedragen op zijn zwerftochten. Hoeveel teksten van zijn vader hij nog in zijn bezit had is niet bekend. Maar hij besluit er drie op te nemen. Die vormen nu hoofdstukken 7, 8 en 9 van het boek Moroni.

In verhouding tot Moroni’s eigen woorden nemen die drie teksten veel plaats: ze dekken precies twee derden van het hele boek Moroni.[1] Moroni cijfert zichzelf dus weg en verkiest de nog overblijvende ruimte op de laatste platen vooral aan zijn vader te geven.

De drie teksten zijn uiteenlopend, uit verschillende periodes in Mormons leven. De eerste is algemeen: een toespraak over gemoed en gedrag, in het bijzonder, zoals Moroni het omschrijft, “over geloof, hoop en naastenliefde” (7:1). De tweede tekst is persoonlijker, een brief van zijn vader toen Moroni nog jonger was, “aan mij geschreven kort na mijn roeping tot de bediening” (8:1). Hier spreekt een vermanende vader over de leerstelling van de doop. De derde tekst is opnieuw een brief, van een meer recente datum, intenser, persoonlijker, in dramatische omstandigheden, dicht bij de eindstrijd: “Mijn geliefde zoon, ik schrijf u wederom, opdat gij zult weten dat ik nog in leven ben…” (9:1). Bedoelde Moroni er iets mee om de drie teksten in die volgorde te plaatsen? In ieder geval tonen ze drie zijden van Mormons stijl en persoonlijkheid. Mogelijk wilde Moroni iets van elke zijde van zijn vader. Een meer gedetailleerde bespreking ervan volgt in les 48.

 

Waar is moeder?

“Met je moeder gaat alles goed…” “Je moeder omhelst je…” Nee, de meest verwachte zinnen in een brief van een vader aan zijn zoon treffen we niet aan in de brieven van Mormon aan Moroni. De moeder of de echtgenote is de grote afwezige bij nagenoeg alle personages in het Boek van Mormon, zelfs bij hen waar veel rond familiebanden draait, zoals bij Alma de oudere en Alma de jongere, of bij koning Benjamin en koning Mosiah. Alleen Sariah, vrouw van Lehi, komt in het begin even in beeld. De moeders van de tweeduizend Ammonieten krijgen een vermelding. Voor het overige staan moeders, en dus ook echtgenotes, in de schaduw. Maar over hoeveel moeders of vrouwen van profeten lezen we in het Oude Testament? De stilte is vergelijkbaar. Het betekent niet dat een patriarchale leider zijn moeder of zijn echtgenote in het dagelijkse leven miszag, maar in het geschreven verhaal krijgen ze geen plaats, tenzij bij een uitzonderlijke deelname in de gebeurtenissen.

Als we het leven van Mormon en Moroni overschouwen, wat moet dan de echtgenote en moeder niet hebben meegemaakt?

Mormons stilte over zijn vrouw, of Moroni’s stilte over zijn moeder, bewijst uiteraard geen ongevoeligheid. Beiden hebben met aangrijpende zorg over mensen om hen heen geschreven, dus aan hun gevoelens van medeleven valt niet te twijfelen. Het kan dat Mormon wel over zijn vrouw, over Moroni’s moeder, in zijn brieven schreef, maar dat Moroni die passages niet in zijn boek overnam, vanuit een norm van discretie als het over vrouwen ging.

In onze verbeelding is ook een barmhartige lezing mogelijk: het meest miste Moroni zijn moeder en gedurende al die jaren van omzwervingen praatte hij met haar in gedachten. Die mijmeringen waren hem echter te innig en te persoonlijk om in het metaal van de platen te graveren.

 

Het laatste hoofdstuk: de ultieme roep

En nu dus, zo’n zesendertig jaar na de verdelging van zijn volk, “verzegelt” Moroni de kroniek met de zoveelste herhaling van zijn laatste afscheid en getuigenis — woorden van vermaning, maar ook van hoop, vrucht van uitzonderlijke bezinning in uitzonderlijke omstandigheden.

Die bespreking volgt in les 48.

 

2 – Moroni’s chronologie, terugblikkend van het einde

Wanneer schreef Moroni het “boek Moroni” als eindpunt van zijn leven? Hoe oud was hij toen? We hebben slechts één duidelijke indicatie op het einde van zijn bijdrage:

Nu schrijf ik, Moroni, het een en ander naar het mij goeddunkt; en ik schrijf aan mijn broeders, de Lamanieten; en ik wil dat zij weten dat er meer dan vierhonderdtwintig jaar zijn verstreken sinds het teken van de komst van Christus werd gegeven. (Moroni 10:2).

De datum is dus iets voorbij 420 n.C., laten we aannemen 421, zoals ook de inleiding bij hoofdstuk 10 veronderstelt. Het is echter niet geweten in welk jaar Moroni aan zijn “boek Moroni” begon. Indien hij het in één trek schreef, dan begon hij er ook in datzelfde jaar aan, 421. Daar valt veel voor te zeggen want het boek Moroni bevat relatief weinig tekst van Moroni zelf. Twee derden ervan bestaat uit geciteerde teksten van zijn vader (hoofdstukken 7, 8 en 9). De eerste zes hoofdstukken zijn heel kort, dus alleen hoofdstuk 10 is het substantiële van Moroni’s inbreng, een totaal van 34 verzen. Er zijn ook geen duidelijke “transitoire afsluitingen”, zoals in het boek Ether, waaruit zou blijken dat Moroni gedurende langere tijd zijn schrijven zou onderbroken hebben. De enige mogelijkheid daartoe is tussen hoofdstuk 9 en 10, maar niet overtuigend. Het lijkt dus aannemelijk dat Moroni het hele boek na 420 schreef, en dus wellicht al ouder dan tachtig jaar was, wat ons tot de volgende terugblik brengt.

giacomettilhommequimarche_2Als richtdatum voor Moroni’s geboortejaar namen we omstreeks 340 n.C. (zie hier in les 44). De bakens voor zijn levensloop zijn dan als volgt.

  • Hij is rond de vijfenveertig op het moment van de slag van Cumorah in 385 n.C., want die grijpt plaats kort nadat “er driehonderdvierentachtig jaar waren verstreken” sinds de komst van Christus” (Mormon 6:5).
  • Hij is zestig jaar oud wanneer hij zijn afsluitingstekst in het “boek Mormon”, het laatste boek van zijn vader, toevoegt. Hij meldt daar immers dat er “vierhonderd jaar zijn verstreken sedert de komst van onze Heer en Heiland” (Mormon 8:6). Daaruit kunnen we afleiden dat hij na de slag van Cumorah eerst nog zo’n vijftien jaar heeft rondgezworven alvorens het veilig genoeg was om terug te keren naar de plaats waar de kronieken verborgen lagen. Daar sluit hij dan alles plechtig af, alsof er geen vervolg meer zal komen (Mormon 9:37).
  • Toch komt hij terug naar de plaats waar zich de kronieken bevinden om zich aan de inkorting van het boek Ether te zetten. Op welk moment hij daaraan begint is niet aangegeven, maar het moet na 400 n.C. geweest zijn, dus na z’n zestigste. In die tekst schuift hij ook een aantal persoonlijke tussenkomsten in, die telkens de waarde van een afsluiting hebben, alsof hij niet zeker is daarna nog verder te kunnen schrijven. Wellicht moest hij onderbreken om voedsel te zoeken. Het proces om het boek Ether te schrijven kan aldus weken, maanden of zelfs jaren gevraagd hebben. Ook dat boek sluit hij af met een definitief afscheid, wat bevestigd wordt in zijn volgende woorden in het boek Moroni: “Nu had ik, Moroni, niet gedacht nog meer te zullen schrijven na de beknopte bewerking van het verslag van het volk van Jared te hebben voltooid” (Moroni 1:1).
  • Als we ervan uitgaan dat Moroni het boek Moroni als één geheel schreef, zonder nieuwe onderbreking, dan is hij er op dat moment over de tachtig — wanneer “er meer dan vierhonderdtwintig jaar zijn verstreken sinds het teken van de komst van Christus werd gegeven” (Moroni 10:1). Vandaar de optie om meteen te spreken van zesendertig jaar omzwervingen na de veldslag van Cumorah tot aan het punt waarop Moroni aan het boek begint dat zijn naam draagt.

 

3 – Essenties van evangelie en kerk

In de korte hoofdstukken 2 tot 6 belicht Moroni essentiële punten van het evangelie en van de kerk. Hoe heeft hij ze gekozen? Het proces lijkt duidelijk: hij bladerde in de beknopte bewerking die zijn vader had klaargemaakt, maar ook in de algemene kroniek die het bezoek van Jezus en de omstandigheden in de kerk van Christus verhaalt. Als hij een lacune in de beknopte bewerking tegenkwam — iets dat “in de toekomst van waarde zal zijn” —, noteerde hij dat en schreef er een stukje over.

De volgorde van de punten stemt wellicht overeen met wat Moroni in de algemene kronieken las of wat hem volgens het toeval van de lectuur opviel. Het is niet de gewone stapmatige reeks zoals we die nu in de kerk gewoonlijk opsommen — bekering, doop, gave van de Heilige Geest, lidmaatschap, ordening tot priesterschap, bijeenkomst met het avondmaal, toespraken en zang. Moroni begint bij het verlenen van de Heilige Geest (hoofdstuk 2), gaat dan verder met de ordening van priesters en leraars (hoofdstuk 3), stapt over naar de wijze van bediening van het avondmaal (hoofdstukken 4 en 5) en eindigt bij de doop en de werking van de kerk (hoofdstuk 6). Hoofdstukjes 2 tot 5 zijn informatief opgevat, terwijl Moroni zich in hoofdstuk 6 tot meer commentaar laat inspireren.

In dit onderdeel ga ik kort in op drie onderwerpen — het geven van de Heilige Geest, het ordenen en de doop, in de volgorde zoals Moroni ze aangeeft. In het daarna volgende onderdeel gaat het om het thema van het avondmaal, wat tot een grotere bespreking uitnodigde.

Over de Heilige Geest (Moroni 2)
Over het ordenen (Moroni 3)
Over de doop (Moroni 6)

 

Over de Heilige Geest (Moroni 2)

Merkwaardige aanvulling: “De woorden van Christus, die Hij sprak tot zijn discipelen, de twaalf die Hij gekozen had, toen Hij hun de handen oplegde”. Als we terugkeren naar de overeenstemmende passage in 3 Nephi 18:36–37, dan ontbreken die woorden daar inderdaad, met zelfs de vaststelling van de lacune:

“En het geschiedde, toen Jezus deze woorden beëindigd had, dat Hij de discipelen die Hij uitgekozen had, één voor één met zijn hand aanraakte, ja, totdat Hij hen allen had aangeraakt, en dat Hij, onder het aanraken, tot hen sprak. En de menigte hoorde de woorden die Hij sprak niet, daarom getuigden zij er niet van; maar de discipelen getuigden dat Hij hun de macht gaf om de Heilige Geest te verlenen.”

Dat stemt overeen met wat Moroni hier eeuwen later schrijft:

“Nu sprak Christus die woorden tot hen bij zijn eerste verschijning; en de menigte hoorde het niet, maar de discipelen hoorden het wel; en de Heilige Geest viel op zovelen als zij de handen oplegden.” (2:3)

Moroni vond de uitgesproken woorden dus terug op de grote platen en vult ze hier aan.

De wijze om de Heilige Geest aan iemand te geven is nog steeds dezelfde: een priesterschapsdrager heeft de macht gekregen om de handen op te leggen en de Heilige Geest te geven. In deze passage gaat het echter om het verkrijgen van de macht om dit uit te voeren. Daartoe legt Jezus zijn handen op elk van de discipelen. Hij voegt er echter nog een opdracht aan toe alvorens die macht effectief kan worden: “Gij zult de Vader aanroepen in mijn naam, in krachtig gebed; en wanneer gij dat hebt gedaan, zult gij de macht hebben om hem die gij de handen oplegt, de Heilige Geest te geven” (2:2). Het herinnert eraan dat de betrokken macht niet zomaar technisch wordt overgedragen, maar dat er ook van de zijde van de priesterschapsdrager een persoonlijke inzet naar God toe nodig is.

Naast de handoplegging beleefden de Nephieten tijdens Jezus’ bezoek ook een pinkster-uitstorting van de Heilige Geest:

En het geschiedde, toen zij allen waren gedoopt en uit het water waren opgekomen, dat de Heilige Geest op hen viel; en zij werden vervuld met de Heilige Geest en met vuur. En zie, zij werden als het ware door vuur omringd; en het daalde uit de hemel neer, en de menigte was er ooggetuige van en gaf getuigenis; en engelen daalden neer uit de hemel en dienden hen (3 Nephi 19:13–14).

 

Over het ordenen (Moroni 3)

“De wijze waarop de discipelen, die ouderlingen van de kerk werden genoemd, priesters en leraren ordenden” (3:1)

Er is sprake van vier termen: discipelen, ouderlingen, priesters en leraren. Met discipelen bedoelt de tekst standaard de twaalf die Jezus koos bij zijn verschijning aan de Nephieten (zie verder voor meer bespreking). Dit quorum van twaalf werd aangevuld als een van hen wegviel (4 Nephi 1:14). Dat ze ouderlingen genoemd werden ligt in de lijn van een traditie die we nog kennen: ook in onze tijd worden de hoogste kerkleiders met “Elder” (ouderling) aangesproken. Oorspronkelijk zal de term ook letterlijk zo bedoeld geweest zijn: een patriarchale traditie kende aan leeftijd autoriteit toe. Met de jaren kreeg de term een connotatie van priesterschapsambt, waarbij ook jongere mensen tot ouderling geordend konden worden.

Er zijn twee leiderschapsniveaus: het hogere van de discipelen en het lagere van de priesters en leraren. De frase “priesters en leraren” is een standaarduitdrukking sinds de tijd van Nephi, maar die dekte verschillende ladingen volgens de periode. Onder de wet van Mozes waren de taken ook anders. Zie in les 19 voor een overzicht van het priesterschap in opeenvolgende Nephitische periodes. Volgens Joseph Fielding Smith stelde Jezus het priesterschap onder de Nephieten in zoals wij dat heden ten dage uitoefenen, inclusief het Aäronisch priesterschap en dus met de ambten van priester en leraar.[2]

Een ander aspect betreft de formule:

“… nadat zij tot de Vader hadden gebeden in de naam van Christus, legden zij hun de handen op en zeiden: In de naam van Jezus Christus orden ik u tot priester (of als het om een leraar ging: orden ik u tot leraar) om bekering en vergeving van zonden door Jezus Christus te prediken, door tot het einde in geloof in zijn naam te volharden. Amen.” (3:2–3).

Was dit toen een vaste, verplichte formule of slechts een voorbeeld van verwoording? Hoofdstukken 3, 4 en 5 beginnen elk met dezelfde woorden: “De wijze waarop… ” Dan volgt een korte uitleg over de betrokken handeling en vervolgens de woorden die bij de verordening uitgesproken worden. Hier, in hoofdstuk 3, gaat het om het ordenen tot priester of leraar, in hoofdstuk 4 over de bediening van het brood en in 5 over de bediening van de wijn. Maar hoe zag Moroni deze woorden? Als een formule die de verordening geldig maakte of als een voorbeeld van een geschikte tekst die dus ook mocht variëren?

In onze huidige kerkelijke werking beschouwen we Moroni’s woorden voor het ordenen niet als vaste formule (enkel een paar kernwoorden moeten voorkomen), maar we beschouwen dit wel voor de teksten voor het bedienen van het avondmaal. Zie ook verder bij de bespreking van het avondmaalsgebed.

 

Over de doop (Moroni 6)

De passage over de doop begint met een zin die vreemd kan klinken omdat in onze tijd de doop altijd het ontvangen van het priesterschap voorafgaat. Hier niet:

“Zie, ouderlingen, priesters en leraren werden gedoopt; maar zij werden niet gedoopt, tenzij zij vruchten voortbrachten waaruit bleek dat zij het waardig waren.” (6:1)

De zin laat verstaan dat mensen die reeds een priesterschapsambt hadden nog gedoopt moesten worden. Er zijn twee verklaringen voor deze volgorde.

  • Toen Jezus aan de Nephieten verscheen bevonden zich onder de overlevenden van de voorafgaandelijke natuurrampen nog talrijke priesterschapsdragers (3 Nephi 7:25). Maar ook deze mensen, die ooit al eens gedoopt waren, werden opnieuw gedoopt als deel van de nieuwe bedeling die Jezus inluidt.
  • Het eerst ontvangen van priesterschap en dan pas gedoopt worden is niet ongebruikelijk bij het begin van een nieuwe bedeling of in uitzonderlijke omstandigheden. We zagen dit in het geval van Alma de oudere, wanneer hij zichzelf samen met Helam doopt (Mosiah 18:12-15). Ook bij Jezus’ bediening onder de Nephieten: hij geeft Nephi en anderen de bevoegdheid om te dopen en met die bevoegdheid worden zij pas daarna gedoopt (3 Nephi 11:21-22; 19:11-12). Hetzelfde gebeurde bij Joseph Smith en Oliver Cowdery. Johannes de Doper verleende hun eerst het Aäronisch priesterschap. Joseph doopte dan Oliver en Oliver Joseph. Dan komt de volgorde zoals we ze kennen: Joseph ordende vervolgens Oliver tot het Aäronisch priesterschap en Oliver deed daarna hetzelfde “want zo was het ons geboden” (Geschiedenis van Joseph Smith 68-71).

Ook opvallend, omdat het bij de andere verordeningen die Moroni vermeldt wél gebeurt: Moroni zegt hier niets over de formule die bij de doop uitgesproken wordt. Maar ook dat is coherent want die tekst staat al vermeld in 3 Nephi 11:24–25. Moroni wil enkel lacunes opvullen.

 

4 – Het brood en de wijn ter gedachtenis van Jezus

In hoofdstukjes 4 en 5 behandelt Moroni de wijze waarop het brood en de wijn bediend werden. Hoofdstuk 6 meldt in dat verband ook:

“En zij kwamen dikwijls tezamen om van het brood en de wijn te nemen ter gedachtenis van de Heer Jezus” (6:6)

Dit onderwerp biedt de gelegenheid om even stil te staan bij enkele historische en taalkundige aspecten van de verordening van het avondmaal, inclusief een vergelijking met het heden. De religieuze essentie ervan laten we aan het kerkmateriaal over.

“Mijn vlees en mijn bloed bedienen”
“En zij knielden neer met de kerk”
Vaste formule of voorbeeld van verwoording?
“Daarom weten wij dat het de juiste wijze is”
“En zij kwamen dikwijls tezamen”
De vervanging van wijn door water

 

“Mijn vlees en mijn bloed bedienen”

Wanneer Jezus het breken van het brood en het drinken van de wijn instelt, gebruikt hij nergens het woord avondmaal. Ook Moroni, in de twee hoofdstukjes over de verordening, gebruikt dit woord niet. Het gaat hem om “de wijze waarop hun ouderlingen en priesters het vlees en bloed van Christus aan de kerk bedienden” (4:1). Daarmee houdt hij zich aan de directe termen die Jezus gebruikte:

“En nu zie, dit is het gebod dat Ik u geef, dat gij, wanneer gij het bedient, niemand die het onwaardig is, bewust zult toestaan te nemen van mijn vlees en bloed; want wie mijn vlees en bloed eet en drinkt die het niet waardig is, eet en drinkt verdoemenis tot zijn ziel; daarom, indien gij weet dat iemand het niet waardig is om van mijn vlees en bloed te eten en te drinken, zult gij het hem verbieden. Evenwel zult gij hem niet uit uw midden werpen, maar hem het woord bedienen en voor hem bidden tot de Vader in mijn naam; en indien hij zich bekeert en zich in mijn naam laat dopen, zult gij hem aannemen en hem mijn vlees en mijn bloed bedienen. (3 Nephi 18:28–30).

De termen “vlees en bloed” komen in voorgaande tekst viermaal nadrukkelijk terug. In sommige christelijke kerken is dat taalgebruik de gewoonte gebleven bij de rituele herdenking van Jezus’ offer. In andere kerken, ook de onze, verkiest men het minder confronterende avondmaal. Daar verliest men iets mee. Het zou nu verwonderd doen opkijken als de bisschop voor de afwisseling eens aankondigde: “We zingen nu lofzang 115, Bij ’t gebed voor ’t brood en ’t water, waarna het vlees en bloed van Christus bediend zal worden”. Dat is perfect toelaatbaar, breekt de routine en doet mensen nadenken over de verordening. Het volgt het Schriftuurlijk taalgebruik, zowel bij de Nephieten als in het Nieuwe Testament: “Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag” (Johannes 6:54). Het zachtere alternatief is “van het brood en de wijn nemen ter gedachtenis van Jezus”.

gina-femrite_communion-bread-and-wine”Brood en wijn op een joodse gebedsdoek” door Gina Femrite

 

Het woord avondmaal komt trouwens maar één keer voor in het Boek van Mormon, in Moroni’s raad in Mormon 9:29: “Ziet toe dat gij niet onwaardig zijt u te laten dopen; ziet toe dat gij niet onwaardig zijt het avondmaal van Christus te gebruiken”. En zelfs dat woord is daar niet correct gebruikt, want de Engelse tekst luidt: “… see that ye partake not of the sacrament of Christ unworthily”. De vertaling avondmaal voor het Engelse sacrament is sterk ingeburgerd, maar is geen juiste vertaling. Avondmaal is het equivalent van het Engelse supper, religieus bekend in de frase last supper, dat we kennen als het laatste avondmaal. Maar sacrament is een ander woord, dat het Engels van het Oudfrans sacrament overnam, waar het direct van het Latijn sacramentum komt. In het Nederlands komt het woord sacrament al sinds de dertiende eeuw voor, eveneens vanuit het Latijn. Het Engelse sacrament vertaal je dus correct als sacrament.

Over de juiste betekenis van sacrament is al veel geschreven.[3] De etymologische basisbetekenis is heilige handeling (sacra + mentum), dus betrekking hebbend op elke handeling met een heilig karakter. Het wordt ook omschreven als het equivalent van mysterie, zoals het woord herhaaldelijk in het Nieuwe Testament voorkomt. In de meeste kerken kreeg sacrament de algemene betekenis van wat wij verordening noemen — zoals bij katholieken het sacrament van de doop, van het vormsel of van het huwelijk. Een van die christelijke sacramenten is dan de eucharistie, de specifieke verordening van het breken van het brood en het drinken van de wijn. Eucharistie komt van het Grieks εὐχαριστία [eukharistia], met de betekenis dankzegging, en kreeg die specifieke betekenis omdat Jezus dank zegt bij de instelling ervan (Lukas 22:17–19). In enkele Engelstalige protestantse kerken, en ook in de mormoonse kerk, kreeg sacrament vooral die nauwere betekenis van eucharistie. Nog een andere term die vaak gebruikt wordt is communie, als verwoording van de gemeenschappelijkheid in het delen van brood en wijn.

Vroege kerkleden verwezen naar de verordening van het breken van het brood met al die termen, sacrament, communion, eucharist, breaking bread en Lord’s supper.[4] De keuze beperkte zich uiteindelijk tot sacrament als het woord gebruikt in Leer en Verbonden 20. De Nederlandse vertaling van sacrament werd avondmaal, vermoedelijk omdat de vertaler destijds het equivalente Nederlandse woord sacrament te katholiek vond. Dat was een onverstandige redenering, want zo kies je nodeloos voor een afwijkende vertaling, terwijl wij volledig gerechtigd zijn om een eigen betekenis aan sacrament te geven. Maar nu zou het een hele stap zijn om te horen zeggen: “Na de lofzang volgt de bediening van het sacrament.” Nochtans woordelijk zoals in het Engels, juist vertaald en ook perfect Nederlands. Anderzijds draagt avondmaal ook een eigen waarde mee, namelijk de verwijzing naar het Laatste Avondmaal.  Die verwijzing ontbreekt dan weer in het Engelse sacrament.

 

“En zij knielden neer met de kerk”

“… en de ouderling of priester bediende het — en zij knielden neer met de kerk en baden tot de Vader in de naam van Christus, zeggende… (4:2)

Het lijdt geen twijfel dat hiermee bedoeld werd dat alle aanwezigen mee knielden. Het samen knielen van de menigte was deel van de ervaringen rond de Heiland (3 Nephi 17:13; 19:6, 8, 16). Dat was ook zo de regel bij de herstelling van de kerk:

Het is raadzaam dat de kerk dikwijls tezamen komt om te nemen van het brood en de wijn ter gedachtenis van de Here Jezus; en de ouderling of priester moet het bedienen; en op deze wijze moet hij het bedienen: hij knielt met de kerk neer en roept de Vader in plechtig gebed aan, zeggende…” (Leer en Verbonden 20:75–76).

Tot het einde van de negentiende eeuw was het dan ook gebruikelijk dat de hele mormoonse congregatie neerknielde bij het bedienen van het avondmaal. We moeten daarbij bedenken dat het avondmaal in de vroege jaren van de kerkgeschiedenis geen standaarddeel van de zondagdienst was. Het bedienen van het sacrament was een gebruik bij bepaalde ontmoetingen en vergaderingen, soms als deel van een gewone maaltijd, waarbij het knielen door alle aanwezigen tot de heiligheid van het gebeuren bijdroeg. Dat gebruik om te knielen hevelde over naar Utah toen het avondmaal deel werd van de zondagdienst. Omdat het niet overal conform gebeurde, kwam er in 1868 een instructie van de Presiderende Bisschop die de “geknielde houding” voor de hele congregatie voorschreef.[5] Maar in de jaren 1890 gingen er meer en meer stemmen op om het algemene knielen af te schaffen omdat het voor nodeloos rumoer zorgde. Het werd geschrapt uit de traditie, maar niet zonder controverse omdat veel leden het samen knielen als vereist door de Schrift beschouwden.[6] Wie als literalist leest zal altijd moeite hebben met afwijkingen.

 

Vaste formule of voorbeeld van verwoording?

Het “avondmaalsgebed” kennen we nu als vaste formule, maar dat is niet altijd zo geweest. Ik besprak het aspect hiervoor bij Moroni’s formule voor het ordenen van priesters en leraren: in onze huidige kerkelijke werking beschouwen we Moroni’s woorden voor het ordenen niet als vaste formule (enkel een paar kernwoorden moeten voorkomen), maar we beschouwen dit wel voor de teksten voor het bedienen van het avondmaal.

 

david-ligare_stilleven-met-brood-en-wijn“Stilleven met brood en wijn”, door David Ligare

 

Moroni’s benadering lijkt echter uit te gaan van gelijke principes voor elk van de drie verordeningen (ordenen, breken van het brood, delen van de wijn), dus moet voor hem elk van de drie teksten ofwel een “geijkte formule” zijn geweest, ofwel een “voorbeeld van tekst”. De kans is groot dat het eerder dit laatste was, omdat ook Jezus, bij de instelling van het avondmaal onder de Nephieten, geen vaste formule aanreikt, maar enkel de elementen die deel zijn van het breken van het brood en het drinken van de wijn: het is voor “allen die geloven en zich in mijn naam laten dopen”; het is “een getuigenis tot de Vader dat gij Mij altijd indachtig zijt” om “mijn Geest bij u te hebben”; het “getuigt tot de Vader dat gij gewillig zijt te doen wat Ik u heb geboden” en “indien gij die dingen steeds doet, zijt gij gezegend, omdat gij op mijn rots zijt gebouwd” (3 Nephi 18:5–12). De kernwoorden zijn aanwezig, voldoende om deze woorden in te werken in een persoonlijk gebed.

De opmerking is relevant omdat de eerste generaties mormonen ook niet het vaste gebed voor het avondmaal volgden. Ze waren er ook niet echt mee vertrouwd. In de eerste edities van het Boek van Mormon zaten Moroni’s woorden verscholen in een tekst zonder versnummers. De avondmaalsteksten in Leer en Verbonden 20:76–79, hoewel geopenbaard in 1830, kwamen pas jaren later in druk en met mondjesmaat in omloop. Voor het inzegenen van het avondmaal zetten de eerste kerkleiders de traditie van hun kerk verder, in het bijzonder vanuit het methodisme, en spraken dus een vrij gebed uit bij het inzegenen van het avondmaal. Die gewoonte bleef jarenlang in voege, allicht ook omdat formule-gebeden afkeer opwekten: die hoorden thuis in afvallige kerken. Verslagen uit die tijd melden dat “een gebed voor het inzegenen van het avondmaal” werd uitgesproken.[7] Maar blijkbaar liepen sommige gebeden uit de hand qua lengte en qua bewoordingen. Pas na 1854 werd er strikter op toegekeken. In 1873 vroeg Brigham Young om de avondmaalsteksten in Leer en Verbonden uit het hoofd te leren om aldus niet meer af te wijken. “En als u er niet in slaagt dit gebed uit het hoofd te leren, neem dan het boek en lees het tot u het kan onthouden”.[8] Het moest nog altijd op een eigen gebed lijken, geen voorgelezen tekst. Het duurde nog tot het begin van de twintigste eeuw, toen jongemannen voor het avondmaal werden ingezet, dat het vaste gebed de definitieve regel werd.[9]

Het risico van een formule-gebed is dat na een tijd een aantal mensen niet meer echt luisteren naar het gebed. Mocht nu iemand plots het avondmaal inzegenen met een persoonlijk gebed, gebaseerd op de gekende elementen, het zou een schok geven, maar iedereen zou wel intens luisteren. Ik beveel het niet aan: het mag niet! Wat wél een verrijking kan betekenen, is het voor uzelf in gedachten herformuleren tijdens of na het voorlezen van de vaste tekst. In een les kan men ook vragen het avondmaalsgebed eens in eigen woorden proberen na te zeggen. Dat is precies wat Moroni beoogt: de essentie van de woorden opnieuw scherpstellen.

 

“Daarom weten wij dat het de juiste wijze is”

“De wijze waarop hun ouderlingen en priesters het vlees en bloed van Christus aan de kerk bedienden; en zij bedienden het volgens de geboden van Christus; daarom weten wij dat het de juiste wijze is.” (4:1)

Moroni was gevoelig voor de “juiste” manier om het avondmaal te bedienen. Maar in feite zegt hij niets meer dan dat een ouderling of priester het moet bedienen, dat de kerk mee moet knielen en hoe het gebed luidt. Die weinige regels golden ook bij de herstelling van de kerk: “De plicht van de priester is om … het avondmaal te bedienen” (Leer en Verbonden 20:46). Ook ouderlingen, het “met de kerk” knielen en het gebed zijn in dezelfde afdeling vermeld (verzen 76–79).

In het begin van de mormoonse kerkgeschiedenis was het gebruikelijk dat een van de twaalf apostelen of een oudere hogepriester voor de inzegening zorgde. Ook het ronddienen gebeurde vaak door de hoogste kerkleiders die aanwezig waren. In de latere wijken in Utah waren het nagenoeg steeds hogepriesters die voor het avondmaal zorgden. Jongens zouden pas na 1877 in het Aäronische priesterschap ingeschakeld worden en dan zou het nog jaren duren voor ze bij het avondmaal betrokken werden.

Voor het delen in de wijn ging een beker rond waaraan elk om beurt nipte. Van contaminatie door microben werd men pas omstreeks 1880 bewust. De hygiënische wijziging naar individuele bekertjes was voor velen een hele liturgische omwenteling.

In het begin van de twintigste eeuw was Utah uit zijn cultureel isolement gehaald. De buitenwereld verleidde echter nu de jeugd met tal van nieuwe attracties op zondag. Om de jongens in de kerk te houden begonnen sommige bisschoppen hen te betrekken bij de bediening van het avondmaal. In 1908 officialiseerde kerkpresident Joseph F. Smith het systeem: de jongens werden in leeftijdscategorieën ingedeeld voor de ambten van diaken, leraar en priester en kregen gepaste verantwoordelijkheden voor het voorbereiden, inzegenen en ronddienen van het avondmaal.

In de jaren 1920 en tijdens de Grote Depressie slabakte de deelname van de jongens echter. Armoede en werkloosheid eisten hun tol wanneer jongemannen soms ver van huis naar werk zochten of seizoensarbeid gingen verrichten. Om “zijn” jongens in een grote wijk van Salt Lake City te motiveren toch naar de kerk te komen, introduceerde hun adviseur Earl Jay Glade in 1933 een nette, gelijkvormige kleding voor de Aäronische priesterschap: donkere broek, wit hemd en zwart vlinderstrikje. Het psychologisch effect van het “uniform” zorgde voor de bekende groepstrots van de exclusiviteit. Het strikje motiveerde tot keurig gedrag.

glade-deacons“Highland Park Ward Sacrament Service”,
The Improvement Era (April 1933)

Een foto van de jongens verscheen in het kerkelijk tijdschrift The Improvement Era, waarna overal andere wijken het voorbeeld navolgden. Spoedig werd het systeem verrijkt met andere regels tijdens de bediening van het avondmaal: mooi in de rij marcheren, geordend volgens grootte; armen achter zich gekruist houden bij het wachten tijdens de inzegening (of gekruist voor de borst in een andere wijk); linkerhand netjes op de rug bij het ronddienen; perfecte rechthoek van de arm bij het dragen van de schaal… In het begin had deze ontwikkeling de steun van de kerkleiders, tot bleek dat dit “afvallig” formalisme uit de hand aan het lopen was. In 1935 werden de goedbedoelende vernieuwers teruggefloten en kwam als regel: “geen bijkomende regels”. Het “wit overhemd en das” bleef nog wel vermeld als “geschikt” voor de bediening van het avondmaal. De aanbeveling voor hemd en das was een troostend compromis tussen “geen regels voor kleding” en “allemaal hetzelfde uniform”.[10]

“De juiste wijze…” Ook nu blijft het avondmaal een verordening die verleidt om er een ritueel van te maken, met sporen van vroegere tendensen: eerst de presiderende ambtenaar bedienen; de bisschop die toezicht houdt op het perfect woordelijk uitspreken van het gebed; het ronddienen met de linkerhand op de rug; allen daarna achteraan in de kapel samenkomen; mooi in de pas teruglopen naar de avondmaalstafel… De grens tussen een eenvoudige en waardige ronddiening enerzijds en een georchestreerde eerbied anderzijds moeten lokale leiders leren aanvoelen. Nee, we mogen niet vragen dat elke jongen een geklede donkere broek zou dragen, of liefst nog een pak, en geen jeans. Nee, het witte hemd is niet belangrijker dan het hart en de gewilligheid om deel te nemen.

 

“En zij kwamen dikwijls tezamen”

“En zij kwamen dikwijls tezamen om van het brood en de wijn te nemen ter gedachtenis van de Heer Jezus” (6:6)

Hoeveel keer dit gebeurde vermeldt Moroni niet. Was het om de paar dagen, de paar weken, de paar maanden? Wel is zeker dat het niet aan de sabbat gebonden was, anders zou dit vermeld staan. Jezus sprak met geen woord over de sabbat tijdens zijn bezoek aan de Nephieten: de sabbat was immers, als deel van de wet van Mozes, opgeheven. In het Nieuwe Testament zijn er aanduidingen dat de eerste christenen de eerste dag van de week als dag voor het breken van het brood namen, maar van een dergelijke traditie is geen sprake bij de Nephieten. Voor een bespreking, zie hier de pagina “Van sabbat naar zondag”.

Hetzelfde gold ook bij de herstelling van de kerk in onze tijd: “Het is raadzaam dat de kerk dikwijls tezamen komt om te nemen van het brood en de wijn ter gedachtenis van de Here Jezus” (Leer en Verbonden 20:75). Maar er staat niet bij dat het wekelijks moet gebeuren. In de eerste jaren van de kerkgeschiedenis kwam de bediening van het avondmaal inderdaad niet zo vaak voor, soms maar om de zoveel maanden.[11] Bij zondagbijeenkomsten stond het avondmaal niet centraal en werd het ook niet elke keer rondgedeeld. Geen enkele richtlijn specifieerde immers dat het avondmaal bij de zondagbijeenkomsten hoorde. Pas na de vestiging in Utah en het normaliseren van zondagdiensten in eigen gebouwen werd het avondmaal deel van de zondagroutine.

 

De vervanging van wijn door water

Reeds vermeld bij 3 Nephi 18:8, maar geschikt om hier te hernemen:

Voor het bedienen van het avondmaal in de mormoonse kerk bleef wijn gebruikelijk gedurende de negentiende eeuw. De vervanging van wijn door water kwam er geleidelijk, afhankelijk van de regio en van de beschikbaarheid van wijn of van drinkbaar water. Sommige apologeten hebben getracht te bewijzen dat de vervanging al in de jaren 1830 gebeurde, om zo een vroege en strenge toepassing van het Woord van Wijsheid te illustreren. Maar vele bronnen bevestigen dat wijn wel degelijk tot ver in de negentiende eeuw voor het avondmaal gebruikt werd. Men vindt meldingen van het gebruik van wijn voor het avondmaal tot 1906.[12]

 

5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

Moroni 1:2 – “wegens hun haat doden zij iedere Nephiet die de Christus niet wil verloochenen”
Moroni 2:2 – Discipelen en apostelen

 

Moroni 1:2 – “wegens hun haat doden zij iedere Nephiet die de Christus niet wil verloochenen”

Moroni schrijft dit in de periode na 400 n.C., mogelijk pas omstreeks 421 n.C., zesendertig jaar na de veldslag van Cumorah in 385 n.C. Er blijken dus nog steeds gelovige Nephieten te zijn. Het relativeert het beeld van de totale vernietiging van de Nephieten, met slechts een eenzame Moroni als overlevende. De historische realiteit zal inderdaad wel complexer geweest zijn. De vraag is dus terecht: wat was de toestand van overlevende Nephieten?

Zowel Mormon als Moroni schrijven emotioneel: hun “volk”, als generische entiteit, is van de kaart geveegd. De begrippen “Lamaniet” en “Nephiet” verwijzen echter al lang niet meer naar afstamming, maar naar ideologie — Nephieten “geloven waarlijk in Christus” en Lamanieten zijn “in opstand tegen het evangelie van Christus” (4 Nephi 1:36–39). Zeker, ouders brengen die overtuiging over aan hun kinderen, maar uiteindelijk kan elk kiezen of hij of zij tot het Nephitische of Lamanitische kamp hoort. Dat betekent dat zelfs bij vernietiging van gelovigen, er ook steeds nieuwe bekeerlingen Christus kunnen vinden en daardoor “Nephiet” worden. Zo kon er, na 385 n.C., mogelijk een netwerk van ondergedoken christenen en bekeerlingen een tijd blijven voortbestaan.

Voor Mormon en Moroni overheersen de duizenden doden het algemene beeld. Zo spreekt Mormon overwegend in absolute termen. Als aanloop tot de slag van Cumorah meldt hij dat “het gehele overblijfsel van ons volk” en “ons gehele volk” bijeen gezameld werd “in het land Cumorah” (Mormon 6:5–6). Hij maakt duidelijk dat vrouwen en kinderen er deel van zijn: “En het geschiedde dat mijn volk, met hun vrouwen en hun kinderen, nu zagen dat de legers der Lamanieten tegen hen optrokken” (6:7). Het resultaat van de veldslag is dat de Lamanieten “mijn gehele volk hadden neergehouwen, op vierentwintig van ons na” (6:11). Iets verder volgt een lichte nuancering: “… mijn gehele volk was gevallen, behalve die vierentwintig die bij mij waren en tevens enkelen die naar de landen zuidwaarts waren ontkomen, en enkelen die naar de Lamanieten waren overgelopen” (6:15). Het gebruik van enkelen lijkt dat aantal te willen minimaliseren. Het past bij het overheersende gevoel van totale vernietiging dat Mormon hier verwoordt. Dat vormt de achtergrond wanneer hij vervolgt met “mijn ziel werd wegens de gedoden van mijn volk door smart verscheurd” (6:16) en met de treurzang voor de gevallenen (6:17–22).

Een onbekende in het verhaal is of werkelijk alle Nephieten rondom Cumorah verzameld werden.

In het volgende hoofdstuk, dat van een rustiger toon getuigt en mogelijk iets later geschreven werd, richt Mormon zich “tot het overblijfsel van dit volk dat gespaard is gebleven” (7:1). De inleiding tot het hoofdstuk stelt dat dit tot de Lamanieten is gericht, maar “dit volk dat gespaard is gebleven” kan evengoed verwijzen naar overlevende Nephieten, of naar het geheel van Nephieten en Lamanieten. De boodschap zelf is gericht naar de nakomelingen, “het overblijfsel”.

Pas vijftien jaar later neemt Moroni de griffel ter hand om de kroniek van zijn vader te beëindigen (Mormon 8:1). Ook hij maakt duidelijk dat het eindpunt een algehele vernietiging is, maar zijn tekst bevat aanwijzingen dat het een langer en complexer proces is. Hij noteert dat “na de grote en ontzettende slag bij Cumorah, de Nephieten die naar het zuidelijke land waren ontkomen, door de Lamanieten werden nagezeten totdat zij allen waren vernietigd” (8:2). Hij schrijft vanuit dat emotioneel perspectief: “alleen ik ben overgebleven om het droeve verhaal van de vernietiging van mijn volk op te schrijven … en ik heb geen vrienden en kan nergens heen” (Mormon 8:3, 5). De iets verder genoteerde zin “de Lamanieten hebben mijn volk, de Nephieten, van stad tot stad en van plaats tot plaats nagejaagd, totdat zij niet meer bestonden” (8:7) stamt vanuit het besef dat het volk als zodanig, als generische entiteit, weggevaagd is.

Maar bij de aanvang van zijn eigen boek, weer jaren later, noteert Moroni over de Lamanieten: “…wegens hun haat doden zij iedere Nephiet die de Christus niet wil verloochenen” (Moroni 1:2). Dus zelfs dan zijn er nog mensen die zich als Nephiet identificeren of die, door bekering tot Christus, ondertussen Nephiet zijn geworden.

 

Moroni 2:2 – Discipelen en apostelen

Voor wie graag verfijnd op de betekenis van woorden ingaat.

Bij het onderwerp over het geven van de Heilige Geest aan de twaalf discipelen, wordt een vergelijking met apostelen gemaakt:

“… en wanneer gij dat hebt gedaan, zult gij de macht hebben om hem die gij de handen oplegt, de Heilige Geest te geven; en gij zult die in mijn naam geven, want aldus doen mijn apostelen.” (2:2)

Sommige analisten menen dat Moroni, in de vergelijking “want aldus doen mijn apostelen”, laat verstaan dat de discipelen dus ook apostelen zijn en in die functie optreden. Anderen zien de vergelijking als verwijzend naar de apostelen op het westelijk halfrond — “want aldus doen mijn apostelen [in Palestina].

Eén traditie, die graag alles formeel ziet, stelt dat er een echt onderscheid is: apostel zou voorbehouden zijn aan de twaalf in Palestina, terwijl discipel de titel van de twaalf bij de Nephieten is. Die indruk wordt inderdaad gewekt door Schriftuurlijk gebruik van de woorden. Nephi, die eeuwen voorheen in visioen de twaalf in Palestina zag optreden, spreekt consequent over “de twaalf apostelen van het Lam”, zoals de naam hem is gegeven: “En nadat Hij was gedood, zag ik de menigten der aarde, dat zij waren verzameld om tegen de apostelen van het Lam te strijden, want aldus werden de twaalf door de engel des Heren genoemd” (1 Nephi 11:34). Daarnaast zag Nephi ook in visioen “twaalf anderen” die discipelen worden genoemd en in een lagere positie dan de twaalf apostelen staan:

En ik zag ook en getuig dat de Heilige Geest op twaalf anderen viel; en zij werden van Godswege geordend en gekozen. En de engel sprak tot mij, zeggende: Zie de twaalf discipelen van het Lam, die zijn gekozen om uw nageslacht te dienen. En hij zeide tot mij: Gij herinnert u de twaalf apostelen van het Lam? Zie, zij zijn het die de twaalf stammen Israëls zullen richten; daarom zullen de twaalf dienaren uit uw nageslacht door hen worden gericht, want gij zijt van het huis Israëls. En deze twaalf dienaren die gij ziet, zullen uw nageslacht richten. (1 Nephi 12:7–10).

Wanneer Jezus die twaalf op het westelijk halfrond kiest, is discipelen inderdaad de term die stelselmatig naar hen verwijst. De term apostel komt niet in 3 Nephi voor. Binnen het Nephitisch taalgebruik lijkt dit consequent toegepast.

Anderzijds is discipel een algemene term die leerling, volgeling betekent (van het Latijn discipulus). Alle volgelingen van Jezus zijn discipelen, dus ook de twaalf apostelen in Palestina, die inderdaad herhaaldelijk discipelen genoemd worden (o.m. Mattheüs 10:1; 11:1: Lukas 9:1). Maar ook de term apostel heeft een algemene betekenis van bode, gezant (van het Latijn apostolus, uit het Grieks ἀπόστολος [apóstolos], die evengoed op de twaalf Nephitische discipelen toepasselijk kan zijn.

Van zijn kant gebruikte Joseph Smith de titel apostel als priesterschapsambt voor de twaalf Nephitische discipelen. Over Jezus’ kerk op het westelijk halfrond schreef hij: “Zij hadden Apostelen, Profeten, Herders, Leraren en Evangelisten.”[13] Daarmee echoot hij Efeziërs 4:11 om duidelijk te maken dat ook onder de Nephieten de volledige kerk bestond.

Joseph Fielding Smith drukte het zo uit:

“Hoewel er telkens naar de Nephitische twaalf verwezen wordt als discipelen, blijft het een feit dat zij met goddelijk gezag begiftigd werden om bijzondere getuigen van Christus te zijn onder hun eigen volk. Daarom waren zij virtuele apostelen voor het Nephitische volk.”[14]

 

6 – Gestructureerd lezen

De hoofdstukken zijn te kort om apart te structureren.

 

Voetnoten

[1]    Het gedeelte door Moroni geschreven telt 2041 woorden (945 voor hoofdstukken 1-6 en 1096 voor hoofdstuk 9). De teksten van Mormon in het boek Moroni (hoofdstukken 7, 8 en 9) tellen 3931 woorden. Op een totaal van 5972 woorden is Moroni’s aandeel 34,2 % en Mormons aandeel 65,8 %.

[2]    Joseph Fielding Smith, “The Priesthood of the Nephites”, in Answers to Gospel Questions, vol. 1 (Salt Lake City: Deseret Book, 1957), 122–126.

[3]    Onder meer: Theodore B. Foster, “’Mysterium’ and ‘Sacramentum’ in the Vulgate and Old Latin Versions,” The American Journal of Theology 19, no. 3 (1915): 402–415; Paul Hensels, “Die Bedeutung und Problematik des Wortes sacramentum,” Archiv für Begriffsgeschichte 45 (2003): 61–82; Christine Mohrmann, “Sacramentum dans les plus anciens textes chrétiens,” in Études sur le latin des chrétiens, vol. 1 (Rome: Edizioni di Storia e Letteratura, 1958), 233­–244; Noel B. Reynolds and Bryson L. Bachman, “Traditional Christian Sacraments and Covenants,” in Forerunners of the Restoration, Sidney B. Sperry Symposium (Salt Lake City: Deseret Book, 2004), 24–39; Daniel G. Van Slyke, “The Changing Meanings of sacramentum: Historical Sketches,” Antiphon 11, no. 3 (2007): 245–279.

[4]    Justin R. Bray, “The Lord’s Supper in Early Mormonism,” in You Shall Have My Word: Exploring the Text of the Doctrine and Covenants, ed. Scott C. Esplin, Richard O. Cowan, and Rachel Cope (Provo, UT: Religious Studies Center; Salt Lake City: Deseret Book, 2012), 64–74.

[5]    Bishops Meeting Minutes: 1851–1884 (2 April 1868), Church History Library, Salt Lake City, Utah.

[6]    Justin R. Bray, “Excessive Formalities in the Mormon Sacrament, 1928–1940,” Intermountain West Journal of Religious Studies 4, no. 1 (2012), 61–75.

[7]    Volgens verslagen in Times and Seaons, gemeld in Justin R. Bray, “The Lord’s Supper”.

[8]    Brigham Young, “Discourse, Bowery Paris, Idaho ” Journal of Discourses, vol. 16, 161.

[9]    Justin Bray verwijst voor bronnen over afwijkingen tot in de jaren 1890 naar George Q. Cannon, “The Sacrament of the Lord’s Supper,” Juvenile Instructor (15 August 15 1897), 53; Charles W. Penrose, “The Sacrament of the Lord’s Supper,” Journal History of The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (3 December 1908).

[10]  “Avoid Formalism in Church Worship,” Presiding Bishopric Bulletin (February 1935), Church History Library, Salt Lake City, Utah.

[11]  Bray, “The Lord’s Supper in Early Mormonism,” onderdeel “Frequency”.

[12]  Thomas G. Alexander, “The Word of Wisdom: From Principle to Requirement,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 14, no. 3 (1981): 78–88 (79); Paul Y. Hoskisson, “The Word of Wisdom in Its First Decade,” Journal of Mormon History 38, no. 1 (2012): 131–200.

[13]  In de bekende “Wentworth Letter”, waarin ook de Geloofsartikelen staan. Zie History of The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, Period I, vol. 4 (Salt Lake City: Deseret Book, 1972), 538.

[14]  Joseph Fielding Smith, Answers to Gospel Questions, vol. 1 (Salt Lake City: Deseret Book, 1957), 122.