Les 46 – Ether 7–15

“Door geloof worden alle dingen vervuld”

1 – De wereld van de Jaredieten tegenover die van de Nephieten
2 – Geografie en demografie
3 – Historische tekstverkenning van het boek Ether
4 – Taalgebruik en eigennamen
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
6 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier

Deze les omvat het tweede deel van het “boek Ether”. Omdat dit boek, dat de geschiedenis van de Jaredieten vertelt, zo’n eigen karakter heeft, bespreek ik een aantal aspecten samen voor het hele boek. In de vorige les ging dit onder meer over het tijdskader van de Jaredieten en over de structuur van het boek. In deze les verkennen we een aantal andere aspecten. Verder een aantal weetjes die bij hoofdstukken 7 tot 15 horen.

Tenzij anders aangeduid verwijzen de versnummers naar het boek Ether.

 

1 – De wereld van de Jaredieten tegenover die van de Nephieten

Inleiding
Bij vertrek: een grote gemeenschap versus een klein religieus stamverband
Politiek: coup-plegende despoten versus collectieven
Vrouwen: schaduwstatus, polygamie versus monogamie
Religie: wat met profeten, doctrine en kerk?

 

Inleiding

Er zijn evidente gelijkenissen tussen de Jaredieten en de Nephieten. In beide gevallen gaat het om een migratie van het oostelijk naar het westelijk halfrond, om de vestiging in een uitverkoren land, om de voorwaarden voor zegen of voor vervloeking en, aangezien slechtheid het haalt, om oorlogen die uiteindelijk vernietiging veroorzaken. In beide gevallen staan Gods profeten tegenover ongerechtigheid en de “geheime combinaties” die alles ontwrichten. In beide gevallen overleeft een eenzame profeet om het na te vertellen.

 

Tower Of Babel Bible Illustration Painting by Gustave Dore; Tower Of Babel Bible Illustration Art Print for sale

“Toren van Babel”  door Gustave Doré (1832-1883).

 

Maar ook de verschillen tussen beide werelden zijn groot. Die contrasten weerspiegelen andere tijden en andere achtergronden. De Jaredieten behoren tot een cultuur die 2500 jaar vroeger begon (zie hier in les 45). Zij treden de geschiedenis binnen ten tijde van de “grote toren”. Hun achtergrond is mogelijk verwant met die van de Sumerische en Akkadische beschavingen van vijfduizend jaar geleden.

Lehi en zijn groep daarentegen verlaten Jeruzalem bij het begin van de zesde eeuw v.C., met de achtergrond van een ontwikkelde Israëlitische cultuur. Zo’n breuk moet dan ook merkbaar zijn wanneer we de Jareditische samenleving met die van de Nephitische vergelijken. De verschillen helpen de authenticiteit van het Boek van Mormon te bevestigen.

In onderstaande punten bekijken we telkens eerst de Jaredieten en vergelijken dan met de Nephieten (soms inclusief de Lamanieten, als deel van de nakomelingen van Lehi).

 

Bij vertrek: een grote gemeenschap versus een klein religieus stamverband

Jaredieten. In de schaduw van de verwarring rond “de grote toren” organiseren de toekomstige Jaredieten zich als een functionele gemeenschap. Jared is eerst bezorgd om een goede verstandhouding met zijn broeder — “een groot en machtig man” (1:34). Wanneer die relatie bevestigd wordt — “Jared en zijn broer werden niet verward” – wil Jared ook de banden met “hen die onze vrienden zijn” handhaven. Wat telt is een hechte groep te vormen, allicht voor sociale en economische beveiliging te midden van de chaos. Ook dat lukt. In de woorden van de Heer aan de broeder van Jared breidt de groep zich uit met “uw gezinnen; en ook Jared, uw broeder, en zijn gezin; en ook uw vrienden en hun gezinnen, en de vrienden van Jared en hun gezinnen” (1:41). Vriendschap is even belangrijk als familieverband. Van afkomst en van voorouders is geen sprake.

De groep moet zich bovendien omvattend voorbereiden: “Welaan nu, breng uw kudden van iedere soort bijeen, zowel mannelijke als vrouwelijke, en ook het zaad der aarde van iedere soort” (1:41). “Uw kudden” wijst erop dat de leden van de groep veehouders zijn, geen stedelingen. De “zaden van iedere soort” wijst ook op landbouw. De opdracht gaat zelfs verder: vogels, vissen en bijenzwermen moeten mee alsof deze migratie werkelijk alles moet omvatten. De zeereis zelf wordt een expeditie met acht afgesloten boten, op een bijzondere manier gebouwd om lucht en licht te verzekeren. Vervolgens:

“En het geschiedde, toen zij allerlei voedsel hadden bereid om op het water in leven te kunnen blijven, en ook voedsel voor hun kleinvee en runderen, en voor ieder soort beest of dier of vogel dat zij zouden meenemen — en het geschiedde, toen zij al die dingen hadden gedaan, dat zij aan boord gingen van hun vaartuigen of boten en zee kozen, zich toevertrouwend aan de Heer, hun God.” (6:4).

De algemene indruk is dat hier een volkomen gemeenschap, met alles wat tot het leven hoort, als één geheel naar het beloofde land wordt overgeheveld. Het geeft aan het verhaal een mythische dimensie die ik verderop bespreek.

 

Nephieten. Bij Lehi en zijn groep verloopt het helemaal anders — kleinschalig en introvert. Lehi laat al zijn bezittingen achter en vertrekt enkel met zijn gezin – “En hij liet zijn huis en zijn erfland en zijn goud en zijn zilver en zijn waardevolle dingen achter, en nam niets mee, behalve zijn gezin en voorraad en tenten, en trok de wildernis in” (1 Nephi 2:4). Zijn eerste zorg betreft de koperen platen die zijn zonen in Jeruzalem moeten gaan halen: religieuze kennis primeert op het materiële of op comfort. Nochtans zal de groep honger lijden in de wildernis. Lehi apprecieert bovenal zijn geslachtsregister, te weten “dat hij een afstammeling van Jozef was; ja, dezelfde Jozef die de zoon van Jakob was, die naar Egypte was verkocht” (1 Nephi 5:14). Vervolgens moet ook nog het gezin van Ishmaël gehaald worden “om voor de Heer nageslacht te verwekken in het land van belofte” (1 Nephi 7:1). Dat gezin stamt ook af van Jozef, door zijn zoon Efraïm, terwijl Lehi afstamt van Jozefs andere zoon, Manasse.[1] Als voorouders stellen Efraïm en Manasse het ideale tweespan voor. De geschriften van Nephi en van zijn broer Jakob zijn dan ook doortrokken van dat stambewustzijn: ze zijn afstammelingen van Jozef, dus van Jakob en dus een natuurlijke tak van het huis Israëls. Dat religieus stambewustzijn overheerst hun denken, maar ontbreekt volledig bij de Jaredieten.

Ook opvallend: in die grote gemeenschap van Jared heerst, voor zover we weten, een sterke eenheid. Hun overtocht naar het beloofde land, ondanks de orkanen, wordt gekenmerkt door zang en gebed — “En zij zongen de Heer lof toe… en wanneer het nacht werd, hielden zij niet op de Heer te prijzen” (6:9). Terwijl in de groep van Lehi aanhoudende conflicten de reis in de wildernis en de overtocht over zee vaak tot een hel maakten (1 Nephi 16–18). Dat onderscheid kan ook aan een andere reden te wijten zijn: het Jareditische verhaal is een geïdealiseerde beschrijving uit mondelinge overlevering (zie verder), terwijl Nephi zijn ervaringen als ooggetuige en als slachtoffer zelf neerschreef.

 

Politiek: coup-plegende despoten versus collectieven

Politiek heeft een heel andere betekenis voor Jaredieten dan voor Nephieten. Nochtans kozen zij beiden voor monarchie, maar elk vanuit een andere historische setting. Die achtergrond blijft doorheen hun geschiedenis doorwegen.

Jaredieten. Na de eerste idyllische periode in het nieuwe land, worden Jared en zijn broeder oud en brengen ze het volk bijeen voor advies. De mensen verlangen een koning. De afwijzende reactie van de broeder van Jared is typerend: “Dat voert stellig tot gevangenschap” (6:23). Blijkbaar waren Jared en zijn broer vertrouwd met de primaire praktijk waarbij een familielid de gewettigde heerser gevangen zet om zijn plaats in te nemen. Het erfelijk karakter van het koningschap houdt de macht immers in een beperkte kring waar familieleden elkaars gevaarlijkste vijanden worden. Hugh Nibley verwijst naar tal van voorbeelden waar antieke heersers de macht grepen door een vader of een broer gevangen te zetten.[2] Ook onze eigen Europese geschiedenis kende gevangenschap van koningen en prinsen als politiek middel.[3] Soms kon het gevangen familielid onder toezicht nog een redelijk leven leiden, zelfs familiaal en dus kinderen verwekken. De kans was echter groot dat ook de nieuwe heerser eenzelfde lot beschoren was wanneer een andere verwante de kans kreeg om een coup te plegen of wanneer de gevangene zelf een complot kon smeden om terug aan de macht te raken.

knielende-gevangene_ca-2200-vc“Knielende gevangene”, Saqqara, pyramide complex van Pepi II, omstreeks 2200 v.C.

Dat is dan ook het continu verhaal van politiek bij de Jaredieten. Na de aanstelling van Orihah, de eerste Jareditische koning, duurt het inderdaad maar twee generaties of een aanhoudend verhaal van gevangenschappen begint. Familiale “staatsgrepen” bepalen de geschiedenis: zoon staat op tegen vader, broer tegen broer, zelfs vader tegen zoon. Meer dan twintig keer valt het woord gevangen of gevangenschap in die context in het boek Ether. Intriges, geheime eden, verraad en wraak bepalen het beleid. Het draait daarbij altijd om de individuele heerser, of hij nu slecht of rechtvaardig is. Het gaat nooit om generische conflicten tussen volken. Het woord Jaredieten of de naam van enig ander volk over verscheidene generaties komt nergens in het boek Ether voor. De drie keer dat “volk van” gebruikt wordt — volk van Akish, volk van Coriantumr en volk van Shiz — betreft telkens een tijdelijke toestand waarbij mensen zich om hun heerser moesten scharen.

 

Nephieten. Bij Nephieten en Lamanieten daarentegen draait nagenoeg alles om collectieven, om groepen en hun tradities. Zeker, de oorsprong van het oerconflict ligt bij de zonen van Lehi, met Nephi en Laman als protagonisten. Maar hun tegenstelling krijgt meteen een religieuze dimensie en vertaalt zich in een ideologische spanning tussen volken die eeuwen zal aanhouden. Lehi en zijn nakomelingen zijn het product van de Israëlitische levenssfeer in de zevende eeuw v.C. Die sfeer was gekneed door de woorden van hun profeten waarbij het volk centraal staat, het “huis van Israël”. Bij Jesaja gaan de conflicten tussen volken: Israël tegen Juda, of Israël tegenover Babylon of Syrië. Zo ook in het Boek van Mormon: van 1 Nephi tot Mormon gaat het altijd over groepen — Nephieten, Lamanieten, volk van Zarahemla, Amlicieten, Ammonieten, volgelingen van Nehor of rovers van Gadianton. Altijd namens het volk handelen de leiders om massa’s op de been te brengen, om landen en steden aan te vallen of te verdedigen, om territorium in te nemen of terug te winnen. Nergens laat iemand een leidinggevend familielid gevangen zetten als deel van een coup.

In tegenstelling tot vele Jareditische heersers gedragen de grote Nephitische koningen — Nephi, Mosiah I, Benjamin en Mosiah II — zich voorbeeldig en zijn ze tegelijk ook profeten. Zelfs in de aparte tak van Zeniff, met de slechte koning Noah, is geen sprake van familiale intriges. Precies uit vrees voor dergelijke twisten besluit koning Mosiah II het koningschap af te schaffen wanneer geen van zijn zonen de troon wil. Hij vervangt het door een systeem van rechters, maar voorzag niet dat het opperrechterschap ook erfelijk zou worden. Daar komen dan later wel enkele gevallen van broedertwist voor, bij Pahoran (Helaman 1) en bij Seantum (Helaman 9). Maar dit zijn uitzonderingen en van politieke gevangenschap is geen sprake. Zowel bij Nephieten als bij Lamanieten blijken familietrouw en erkenning van erfelijke opvolging de toon aan te geven. De politieke sfeer verschilt dan ook grondig van die bij de Jaredieten — verklaarbaar vanuit hun verschillende tradities.

 

Vrouwen: schaduwstatus, polygamie versus monogamie

Zowel bij Jaredieten als bij Nephieten staan vrouwen in de schaduw. Profeten, koningen, priesters, kroniekschrijvers – het zijn allemaal mannen. Beide culturen weerspiegelen de inferieure positie van de vrouw in de patriarchale oudheid.

sumerische-vrouw_ca-2000-vcSumerische vrouw met harp, ca. 2000 v.C., bas-reliëf in de koninklijke graven van Ur

Jaredieten. In het boek Ether is het gebrek aan aandacht voor vrouwen allicht ook te wijten aan de compacte benadering, maar het blijft een opvallende lacune. Vrouwen moeten in heel de migratie en vestiging in het nieuwe land een vitale rol gespeeld hebben, maar daar wordt niet op gelet. De enige markante vrouwelijke verschijning is de dochter van (een latere) Jared, “die buitengewoon schrander was” en die een snood plan verzon om het koninkrijk voor haar vader terug te winnen, als deel van de machtsintriges (8:8–17). Op het einde van de kroniek lezen we ook nog dat, voor de laatste grote strijd, zowel mannen als vrouwen en kinderen met oorlogswapens waren uitgerust (15:15). Dat is echter alles wat het boek Ether over vrouwelijke inbreng biedt.

Wat wel beide culturen onderscheidt is polygamie, voor zover we dit kunnen afleiden uit de karige gegevens. Al van bij de aanvang is er een signaal dat de broeder van Jared polygaam is. De Heer spreekt hem aan:

Welaan nu, breng uw kudden van iedere soort bijeen, zowel mannelijke als vrouwelijke, en ook het zaad der aarde van iedere soort; en uw gezinnen; en ook Jared, uw broeder, en zijn gezin; en ook uw vrienden en hun gezinnen, en de vrienden van Jared en hun gezinnen. (1:41)

Het contrast tussen het meervoudig “uw gezinnen”, tekstueel gericht tot de broeder van Jared, en het enige “zijn gezin” van Jared laat verstaan dat de broeder van Jared meerdere gezinnen had. Later blijkt hij tweeëntwintig kinderen te hebben, terwijl Jared zelf er “maar” twaalf heeft (6:19–20). Voor de broeder van Jared lijkt dit polygamie te bevestigen. Voor Jared kunnen we er uit afleiden dat niet elke man polygaam was, hoewel Jared in de tussentijd ook nog een of meer vrouwen kan gehuwd hebben en zo een totaal van twaalf kinderen heeft gekregen. In het bekende Bijbels voorbeeld van Jakob, betekent twaalf kinderen vier vrouwen.

Vervolgens wordt een van de zonen van Jared, Orihah, tot koning gezalfd. “En hij verwekte zonen en dochters; ja, hij verwekte er eenendertig, onder wie drieëntwintig zonen” (7:2). Dat lijkt polygamie definitief te bevestigen. Zo’n tien generaties verder lezen we: “En het geschiedde dat Riplakish niet deed wat goed was in de ogen des Heren, want hij had vele vrouwen en bijvrouwen” (10:5). Er wordt hier wel een afkeuring verwoord, maar de vermelding bevestigt het stelsel. Ook in de laatste fase van de Jareditische geschiedenis is er nog een mogelijke aanduiding van polygamie: “…en eenieder hield het gevest van zijn zwaard in zijn rechterhand ter verdediging van zijn eigendom en zijn eigen leven en dat van zijn vrouwen en kinderen (14:2).

 

Nephieten. Voor de plaats van de vrouw onder Nephieten en Lamanieten, zie hier de analyse in les 12.

Wat het huwelijksstelsel betreft, bij Nephieten en Lamanieten is monogamie de regel, reeds door Lehi vooropgesteld: “… geen enkele man onder u zal meer dan één vrouw hebben; en hij zal geen bijvrouwen hebben” (Jakob 2:27, 34). Alvast in één periode hebben een aantal moeite zich daaraan te houden, maar het wordt veroordeeld als bron van kwaad (Jakob 2:35). Nephi’s broer Jakob prijst de Lamanieten voor hun monogame huwelijkstrouw (Jakob 3:5–7). Veroordeeld worden dan ook koning Noach en zijn priesters omwille van hun vrouwen en bijvrouwen (Mosiah 11:2, 4). Het aantal zonen (twee tot drie) die van tijd tot tijd gemeld worden doorheen de Nephitische geschiedenis bevestigt monogamie als basisinstelling. Bij Jezus’ bezoek geeft Hij aanwijzingen die passen bij het monogame stelsel (3 Nephi 12:28–32).

 

Religie: wat met profeten, doctrine en kerk?

Hoewel we voor het religieus aspect moeten voortgaan op de sterk ingekorte gegevens in het boek Ether, vergeleken met de uitgebreide openbaringen en predikingen onder de Nephieten, zijn enige bedenkingen wel mogelijk.

Jaredieten. Van bij de aanvang merken we geloof in openbaring aan een “begunstigd” man: “En omdat de broeder van Jared een groot en machtig man was, en een man die door de Heer hoogst begunstigd was, zeide zijn broeder Jared tot hem: Roep de Heer aan…” (1:34). De broeder van Jared blijft aanspreekpunt en tussenpersoon voor de communicatie met God. Was hij iemand in de lijn van dragers van het hogere priesterschap sinds de dagen van Adam? Vermoedelijk wel om zo begunstigd te zijn, maar de tekst zegt er niets over.

Als deel van de reisvoorbereidingen, in het bijzonder voor de bouw van de boten, krijgen de openbaringen aan de broeder van Jared een bijzondere dimensie. Op de top van de berg Shelem openbaart Jezus Christus zich aan hem. De doctrinale inhoud is kolossaal: eeuwen voor zijn geboorte op aarde treedt de Heiland hier op — “Zie, Ik ben Jezus Christus. Ik ben de Vader en de Zoon”. Zijn geestelijk lichaam is in de vorm van een mens — “alle mensen zijn in het begin naar mijn beeld geschapen”. Hij kondigt zijn latere geboorte op aarde aan — “gij hebt gezien dat Ik vlees en bloed op Mij zal nemen”. Hij vermeldt het mechanisme van redding — “Omdat gij die dingen weet, zijt gij verlost van de val; daarom zijt gij teruggebracht in mijn tegenwoordigheid” (3:9–16).[4]

Maar al die kennis is niet bedoeld voor bekendmaking en wordt met zorg verborgen:

“Zie, gij zult de dingen die gij hebt gezien en gehoord niet in de wereld laten uitgaan, tot de tijd komt dat Ik mijn naam in het vlees zal verheerlijken; daarom moet gij de dingen die gij hebt gezien en gehoord als een schat bewaren en ze aan niemand bekendmaken. En zie, tegen de tijd dat gij tot Mij komt, zult gij ze opschrijven en verzegelen, zodat niemand ze kan vertalen; want gij zult ze opschrijven in een taal waarin ze niet kunnen worden gelezen.” (3:21–22)

De vraag blijft dus: over welke religieuze kennis beschikten de Jaredieten in het algemeen? Doorheen hun geschiedenis treden wel veel profeten op, maar blijkbaar buiten de context van een kerk of priesterschapsorganisatie. Op dat vlak lijken ze op Oudtestamentische profeten die God volgens omstandigheden en behoeften roept. Ze worden enkel vermeld in hun prediking tegen slechtheid, in een vrij eenvormige benadering. Of ze de Heiland of enige leer verkondigden, of enige verordeningen toepasten, staat niet vermeld. Zelfs het woord offer, zo eigen aan deze oude culturen, komt nergens in het boek Ether voor.

Wel is er standaard sprake van het zalven bij de aanstelling van koningen (6:22, 27; 9:4, 14, 15, 21, 22; 10:10, 16), hoewel dit evenzeer voor slechte koningen geldt. Het duidt op rituele gebruiken. Bij de Nephieten wordt zalven maar één keer gemeld, wanneer Nephi, de eerste koning, zijn opvolger aanstelt (Jakob 1:9).

Een zeldzame hint dat de rechtvaardigen toch over meer kennis beschikten geeft Ether 9:22: de rechtvaardige koning Emer “zag zelfs de Zoon der gerechtigheid en hij verheugde zich over diens dag en roemde erin”. Dat wijst op een inzicht in de komende Verlosser zoals ook Jesaja en Jeremia het in het Oude Testament formuleren, de belofte van het Rijsje uit de tronk van Isaï (Jesaja 11:1–10) of van de Spruit uit David (Jeremia 23:5–6).

 

Profeten. Jareditische profeten prediken steeds “tot het volk”, soms met de steun van de koning. Het lijkt nuttig om die versnipperde passages eens samen te brengen om hun coherentie beter te vatten:

Tijdens de regering van Shule mét steun van de koning:

“En ook kwamen er tijdens de regering van Shule profeten onder het volk, die door de Heer waren gezonden, en profeteerden dat de slechtheid en de afgoderij van het volk een vervloeking op het land brachten, en dat zij vernietigd zouden worden indien zij zich niet bekeerden. En het geschiedde dat het volk de profeten beschimpte en hen bespotte. En het geschiedde dat koning Shule allen veroordeelde* die de profeten beschimpten. En hij vaardigde een wet uit in het gehele land die de profeten de bevoegdheid gaf te gaan waarheen zij maar wilden; en daardoor werd het volk tot bekering gebracht.” (7:23–25)

*Ik gebruik hier de duidelijker vertaling uit een vorige editie. De huidige editie vertaalt “…did execute judgment against all those who…” met “…in het gericht trad met allen die…”. Dat maakt de tekst ambigu.

Tijdens de regering van Heth:

“En er kwamen wederom profeten in het land die hen bekering toeriepen — dat zij de weg des Heren moesten bereiden, omdat er anders een vervloeking over het oppervlak van het land zou komen; ja, er zou zelfs een grote hongersnood zijn waarin zij vernietigd zouden worden indien zij zich niet bekeerden. niet bekeerden. Doch het volk geloofde de woorden der profeten niet, maar zij wierpen hen uit; en een aantal van hen wierpen zij in een put en lieten hen achter om om te komen. En het geschiedde dat zij al die dingen deden op bevel van de koning, Heth.” (9:28–29)

Tijdens de regering van Com mét steun van de koning:

“En ook in de dagen van Com kwamen er vele profeten, en zij profeteerden de vernietiging van dat grote volk, tenzij het zich bekeerde en zich tot de Heer wendde en zijn moorden en slechtheid verzaakte. En het geschiedde dat de profeten door het volk werden verworpen, en zij vluchtten naar Com voor bescherming, want het volk trachtte hen te vernietigen. En zij profeteerden vele dingen tot Com; en hij was gedurende de rest van zijn dagen gezegend.” (11:1–3)

Maar een generatie verder, nadat Coms zoon Shiblom zijn vader heeft opgevolgd, staat de broeder van Shiblom tegen hem op en “het geschiedde dat de broeder van Shiblom alle profeten die de vernietiging van het volk profeteerden, ter dood liet brengen” (11:5).

 

dore_prophet-micahZoals in het Oude Testament: “Micah predikend” door Gustave Doré

 

Tijdens de regering van Ethem:

“En het geschiedde dat er in de dagen van Ethem vele profeten kwamen en wederom tot het volk profeteerden; ja, zij profeteerden dat de Heer hen geheel van het oppervlak der aarde zou wegvagen, tenzij zij zich van hun ongerechtigheden bekeerden. En het geschiedde dat het volk zijn hart verstokte en niet naar hun woorden wilde luisteren; en de profeten treurden en trokken zich van het volk terug.” (11:12–13)

Tijdens de regering van Coriantor:

“En in de dagen van Coriantor kwamen er ook vele profeten, en zij profeteerden grote en wonderbaarlijke dingen en riepen het volk bekering toe; en tenzij zij zich bekeerden zou de Here God met hen in het gericht treden tot hun volkomen vernietiging; en door zijn macht zou de Here God een ander volk zenden of brengen om het land te bezitten, zoals Hij hun vaderen had gebracht. En wegens hun geheime vereniging en goddeloze gruwelen verwierpen zij alle woorden der profeten.” (11:20–22)

 

De prediking van Ether. Tijdens de regering van Coriantumr, de laatste koning, treedt de profeet Ether op. Als laatste kroniekschrijver komt zijn persoon uiteraard meer aan bod.

Allicht nuttig als rappel voor de tijdsoriëntatie: als we Sorensons chronologie volgen, was Ether een quasi tijdgenoot van Lehi en Nephi omstreeks 570 v.C. De Jaredieten woonden echter een heel stuk naar het noorden. Moroni, die het hier allemaal samenvat, leeft zo’n duizend jaar later, in 400 n.C.

“En Ether was een profeet des Heren; Ether nu trad naar voren in de dagen van Coriantumr en begon tot het volk te profeteren, want wegens de Geest des Heren die in hem was, kon hij niet worden weerhouden. Want hij predikte van de ochtend tot aan het ondergaan van de zon en spoorde het volk aan om in God te geloven tot bekering, opdat zij niet vernietigd zouden worden, hun zeggende dat alle dingen door geloof worden vervuld.” (2:2–3)

De prediking van Ether, aan wie het boek Ether ontleend is, reikt veel verder dan wat we kunnen opmaken uit de voorgaande optredens van profeten onder de Jaredieten. Zo predikt hij over geloof en hoop (2:4). Ook lezen we dat hij “grote en wonderbare dingen tot het volk profeteerde die zij niet geloofden, omdat zij ze niet zagen” (2:5). De frase “grote en wonderbare dingen” echoot wat ook Nephitische profeten gezien hebben, zoals Lehi (1 Nephi 1:14), Nephi (2 Nephi 4:17) en Alma (Alma 9:6). Het doet vermoeden dat Ether gelijkaardige profetieën uitte.

Bijzonder zijn de verzen 3 tot 6 van hoofdstuk 13. Ether wordt gezegend met profetisch inzicht, met visioenen die tot de Oud- en Nieuwtestamentische sfeer horen. Chronologisch lopen ze wat door elkaar, zoals mogelijk bij visioenen. Hij spreekt over het land — “dat het de plek was van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel zou neerdalen, en van het gewijde heiligdom des Heren” (13:3). Daar meteen op volgend ziet Ether “de dagen van Christus en hij sprak van een nieuw Jeruzalem op dit land” (13:4). De frase “dagen van Christus” slaat gewoonlijk op de aardse bediening van de Heiland, lang voor de periode van een nieuw Jeruzalem. In het volgende vers wijzigt de profetische periode naar iets nog dichterbij: Ether sprak ook “van het huis Israëls en het Jeruzalem waar Lehi vandaan zou komen”, meteen gevolgd door een sprong in een verre toekomst voor het oude Jeruzalem: “nadat het verwoest was, zou het wederom worden opgebouwd, een heilige stad voor de Heer” (13:5). Dan keert Ether terug naar het nieuw Jeruzalem dat “in dit land zou worden gebouwd voor het overblijfsel van het nageslacht van Jozef, van welke dingen er een zinnebeeld is geweest” (13:6).

Volgens Moroni’s verslag gebruikte Ether dus namen — Jeruzalem, huis Israëls, Jozef — die buiten de Jareditische kennis vallen en die hem enkel door openbaring vertrouwd kunnen zijn. Ethers inbreng wordt daarenboven verstrengeld met vermoedelijke commentaar van Moroni in de verzen die erop volgen (13:7–12). Het is dan ook Moroni die besluit: “En ik wilde meer schrijven, doch het is mij verboden; groot en wonderbaar waren echter de profetieën van Ether, maar zij achtten hem als niets en wierpen hem uit” (13:13). Ether treedt dus op als een profeet van de gestalte van Nephi of Abinadi, die ook toekomstige gebeurtenissen met naam benoemden, maar die evenmin gehoor vonden.

Al bij al weten we dus zeer weinig over de religieuze kennis en gebruiken onder de Jaredieten. Bij hun vertrek uit het oostelijk halfrond beschikten ze over de geschiedenis van de schepping tot de tijd van de toren, dus die basis hadden ze (1:3). Blijkbaar bevond zich onder hun teksten ook informatie over de duistere eden van Kaïn (8:9, 15). De groep verliet het oostelijk halfrond lang voor de tijd van Abraham. Beschikten zij over kennis overgedragen door de lijn van het Melchizedeks priesterschap sinds de dagen van Adam? Niets wijst daar op in de tekst, maar het is niet uitgesloten. Religie was inderdaad deel van hun oorspronkelijke achtergrond, zoals het reisverhaal meldt: “En zij zongen de Heer lof toe… en wanneer het nacht werd, hielden zij niet op de Heer te prijzen” (6:9). We kunnen ook veronderstellen dat hun vele profeten, aangezien door God geroepen, meer onderwezen dan enkel tot bekering roepen. Maar wat precies blijft in het ongewisse.

 

Nephieten. Van de Nephitische profeten weten we dat ze overvloedig openbaringen kregen, inclusief uitgebreide doctrinale kennis. Lehi, Nephi, koning Benjamin, Abinadi, de beide Alma’s, Samuël de Lamaniet en anderen leveren een weelde van teksten waaruit het huidig mormonisme ruim citeert. Die teksten hebben we te danken aan een gedetailleerde verslaggeving. Toch zijn er ook vermeldingen van “onafhankelijke” profeten: “En er waren buitengewoon veel profeten onder ons. En het volk was een halsstarrig volk, traag van begrip” (Enos 1:22). De context is dan steeds de roep om bekering, zoals bij de Jaredieten:

“En het geschiedde dat de profeten des Heren het volk van Nephi volgens het woord Gods dreigden dat zij, indien zij de geboden niet onderhielden, maar tot overtreding vervielen, van het oppervlak van het land zouden worden weggevaagd.” (Jarom 10).

 

Als besluit: de vergelijking van de twee werelden toont beduidende culturele verschillen, verklaarbaar vanuit de onderscheiden historische periodes. Tegelijkertijd ontbreekt nog zeer veel om een juister beeld van de Jaredieten te kunnen vormen.

 

2 – Geografie en demografie

Voor wie van concrete speculaties houdt. Welke route volgden de Jaredieten? Waar kwamen zij terecht op het westelijk halfrond? Hoe groot werd hun bevolking?

De reisroute, eerste fase: jaren voortgedreven in de wildernis
De reisroute, tweede fase: over één zee of over meerdere?
De reisroute, derde fase: over welke oceaan?
De landingsplaats
De ontwikkeling van de bevolking

 

De reisroute, eerste fase: jaren voortgedreven in de wildernis

Het boek Ether geeft geen indicatie of Jareds expeditie via de Atlantische Oceaan dan wel via de Grote Oceaan naar Amerika voer. Van de tocht van Lehi wordt doorgaans aangenomen dat die van west naar oost ging, via de Indische en vervolgens Grote Oceaan, omwille van hun eerste traject langs de kuststreek van de Rode Zee naar het zuiden (1 Nephi 2:5).

De enige indicaties voor Jareds route zijn enkele bakens, maar die kunnen zowel naar oost als naar west leiden. Algemeen wordt aangenomen dat het vertrekpunt Mesopotamië was, de streek van de “grote toren”, die de Bijbel in het land Sinear situeert (Genesis 11:2). Vandaar moet de groep eerst “afdalen” naar een dal dat in het noorden ligt — “en de naam van het dal was Nimrod, genoemd naar de grote jager” (2:1). Analisten nemen doorgaans aan dit dal in de regio ligt waar Tigris en Eufraat ontspringen of hun bovenloop hebben.[5]

De volgende stap is dat “de Heer hun gebood de wildernis in te trekken, ja, in dat deel waar nog nooit een mens was geweest” (2:5). In het latere gebed van de broeder van Jared voor ze aan de zeereis beginnen, zegt hij hierover: “Zie, o Heer, Gij hebt ons geslagen wegens onze ongerechtigheid, en hebt ons voortgedreven, en al die jaren zijn wij in de wildernis geweest” (3:3). Dat kan wijzen op een lange nomadische tocht over een grote afstand. Maar ging die naar het oosten of het westen? Het element “dat deel waar nog nooit een mens was geweest” is relatief: het kan betrekking hebben op het begin van de tocht, maar het is onwaarschijnlijk dat de groep jaren door volledig onbewoonde gebieden zou getrokken hebben.

 

De reisroute, tweede fase: over één zee of over meerdere?

sumerian-shipSumeriërs kenden scheepsbouw vanaf het  vierde millennium v.C.

Kwamen de Jaredieten tijdens die lange reis doorheen de wildernis ook een of meerdere zeeën tegen waarvoor ze boten moesten bouwen, alvorens uiteindelijk de oever van de oceaan te bereiken en daar dan de grote zeereis aan te vangen? Die vraag spruit voort uit de volgende verzen, waar analisten zich al lang het hoofd over breken:

“En het geschiedde dat zij in de wildernis reisden en boten bouwden waarin zij vele wateren overstaken, en zij werden voortdurend door de hand des Heren geleid. En de Heer wilde niet toestaan dat zij aan de overzijde van de zee in de wildernis bleven [Engels: that they should stop beyond the sea in the wilderness], maar Hij wilde dat zij naar het land van belofte kwamen, dat verkieslijk was boven alle andere landen en dat de Here God had bewaard voor een rechtvaardig volk.” (2:6–7)

Een eerste mogelijke lezing is dat die passage de hele reis samenvat. De “vele wateren” zijn dan de oceaan. Dat ze niet “aan de overzijde van de zee in de wildernis” zouden blijven is dan vanuit het perspectief in Amerika gezien, kijkend over de oceaan naar de wildernis op het oostelijk halfrond. Dat perspectief vindt bevestiging in de zin “Hij wilde dat zij naar het land van belofte kwamen”, in plaats van “naar het land van belofte gingen”. Maar of we daarmee “stop beyond the sea in the wilderness” juist begrijpen?

Een tweede mogelijke lezing is dat de “vele wateren” nog niet de oceaan zijn, maar stromen, meren of binnenzeeën. Tijdens hun tocht door de wildernis kwamen ze daar voor te staan en bouwden ze boten om die over te steken. Ze voeren over die “vele wateren” tot ze aan de “overzijde” ervan een andere wildernis bereikten, aan de oever van de oceaan. Daar pas begon de grote etappe met de acht boten gedurende driehonderdviereenveertig dagen.

Het probleem ligt ook in de tussenlassing van Moroni in verzen 8 tot 12, waar hij uitweidt over het beloofde land en zo de loop van het verhaal onderbreekt. In vers 13 pikt hij de draad op:

“En nu ga ik verder met mijn kroniek; want zie, het geschiedde dat de Heer Jared en zijn broeders naar die grote zee bracht die de landen scheidt. En toen zij bij de zee kwamen, sloegen zij hun tenten op; en zij noemden de naam van de plaats Moriancumer; en zij woonden in tenten, en vier jaar lang woonden zij in tenten aan de oever van de zee.” (2:13)

Herneemt Moroni hier de reisstand in de eerste mogelijke lezing van verzen 6–7? Dat zou betekenen dat de “vele wateren” hetzelfde zijn als “die grote zee die de landen scheidt”. Na de lange reis doorheen de wildernis staan de migranten voor de oceaan. Of gaat Moroni verder op de tweede mogelijke lezing van verzen 6–7? In dat geval zijn de reizigers al een eerste keer over “vele wateren” gevaren om nu pas aan de oever van de grote zee te staan. Deze interpretatie kan ondersteuning vinden in een volgend vers, wanneer ze al vier jaar aan de oever van de grote zee in Moriancumer wonen en de Heer aan de broeder van Jared zegt:

“En de Heer zeide: Ga aan het werk en bouw het soort boten dat gij tot dusver hebt gebouwd. En het geschiedde dat de broeder van Jared aan het werk ging, en eveneens zijn broeders, en zij bouwden boten zoals zij ze hadden gebouwd, volgens de aanwijzingen des Heren.” (2:16)

Het lijkt erop dat de reizigers opnieuw boten moeten bouwen, dus in navolging van een vorige opdracht die dan betrekking kan hebben op een eerste reis over “vele wateren”. Het kan echter ook dat ze op deze plek al enkele boten hadden gebouwd en er nu nog meer moeten bouwen. Al deze interpretaties zijn mogelijk.

 

De reisroute, derde fase: over welke oceaan?

Zowel in de eerste als in de tweede lezing van Ether 2:6–7 (zie hier net voor) kan de tocht naar het oosten of het westen zijn gegaan. Een eenvoudige keuze is de Jared-route grotendeels gelijk te laten vallen met die van Lehi eeuwen later. De groep van Jared zou dan mogelijk iets meer naar het oosten doorheen de wildernis van het Arabisch schiereiland de Arabische Zee bereikt hebben, en vandaar Lehi’s route naar het oosten gevolgd hebben. John Sorenson was oorspronkelijk die mening toegedaan, maar opteerde later voor de Atlantische route omdat hij de landingsplaats van de Jaredieten op de oostkust van Mexico veronderstelt, nabij Veracruz.[6]

 

world-map_3

 

Analisten die uitgaan van twee bootreizen verklaren de “vele wateren” van de eerste bootreis als volgt:

  • Hugh Nibley opteert voor de oostelijke route, door de Aziatische steppes. Om de “vele wateren” in die gebieden te verklaren verwijst hij naar oude bronnen, waaronder Chinese annalen, maar ook naar geologische studies. Die spreken van binnenzeeën die sindsdien zijn uitgedroogd of gekrompen tot kleinere meren. Nibley vermeldt wel niet op welk punt van de Aziatische oostkust hij dan Moriancumer, de laatste pleisterplaats voor de grote overtocht, zou plaatsen.[7]
  • Brant Gardner opteert voor de westelijke route. Voor hem kunnen de “vele wateren” de Zwarte Zee, maar zeker ook de Middellandse Zee geweest zijn. Moriancumer zou dan volgens hem in Zuid-Spanje of Noord-Afrika kunnen liggen.[8]

 

De landingsplaats

Analisten die Nephieten en Lamanieten in Midden-Amerika situeren zijn verplicht om ook de Jaredieten in die regio te laten landen, weliswaar vele eeuwen voor Lehi en zijn groep aankwamen.[9] Het Boek van Mormon bevestigt immers de nabijheid van de gebieden waar eerst de Jaredieten en later de Nephieten en Lamanieten woonden. Expedities van de Mulekieten en van het volk van Limhi ontdekten de overblijfselen van de Jareditische beschaving op een aantal dagreizen naar het noorden (Omni 20–21; Mosiah 8:8–9; 21:26–27). Zelfs met een paar weken reizen zijn de ontdekkers nog steeds relatief dicht in de buurt in verhouding tot het hele continent. Dat betekent dat we het geheel nog steeds kunnen kaderen in het “beperkt geografisch model”.

Daarenboven komt, volgens de commentaar van Moroni, het Jareditisch leger van Coriantumr “bij de heuvel Ramah; en het was diezelfde heuvel waar mijn vader Mormon de kronieken, die heilig waren, in de hoede des Heren had verborgen” (15:11). Die heuvel lag in “het land noordwaarts”, dus ten noorden van de smalle landengte. Het was immers daarheen dat de opmars van de Lamanieten de Nephieten steeds verder verdreven had. John Sorenson berekende dat de regio waar de laatste Jareditische veldslag plaatsvond ten hoogste 150 kilometer boven de smalle landengte lag.[10]

Vanuit dat Meso-Amerikaans perspectief is het niet verwonderlijk dat analisten dan connecties leggen tussen Jaredieten en de Olmeken-beschaving, die ruwweg tussen 1500 en 400 v.C. in Zuid-Mexico en Guatemala floreerde.

Maar uiteindelijk is er (nog) geen afdoend bewijs dat de regio van Jaredieten, Mulekieten, Nephieten en Lamanieten in Midden-Amerika lag.

 

De ontwikkeling van de bevolking

Het boek Ether geeft ons weinig aanwijzingen over bevolkingsaantallen. Bij de aanvang van hun geschiedenis bestaat de groep al wel uit een aantal gezinnen — die van Jared, van zijn broer, en van vrienden aan beide zijden. Polygamie, die de Jaredieten allicht kenden (zie hierboven), kan de demografische groei versnellen op voorwaarde dat er een groter aantal vrouwen dan mannen is. Oorlogen kunnen inderdaad het aantal mannen reduceren, maar dat betekent ook reductie in bevolkingsaantal. Na een paar honderd jaar Jareditische geschiedenis lezen we bijvoorbeeld:

En er ontstond een oorlog tussen de zonen van Akish en Akish die vele jaren duurde, ja, totdat bijna alle mensen van het koninkrijk waren vernietigd, ja, alle, op dertig zielen na en hen die met het huis van Omer waren gevlucht. (9:12)

Zo’n dramatische toestanden kunnen de bevolkingsgroei beduidend stuiten. We weten ook niet of de Jaredieten zich vermengden met autochtone populaties, hoewel een aantal analisten dat aannemen[11]. Natuurlijk, gelet op de lange periode van de Jareditische geschiedenis, kunnen nakomelingen in vele richtingen zijn uitgezwermd. De kroniek van Ether zal zich echter beperkt hebben tot de kring binnen geografisch bereik.

Tegen de tijd van de vernietiging van de Jaredieten door burgeroorlogen, stelt Coriantumr vast “dat er al bijna twee miljoen van zijn volk door het zwaard waren gedood” (15:2). Dit is uiteraard een opmerkelijk aantal. Nogal wat analisten aanzien dit als retoriek. Bij gelijkaardige passages met hoge aantallen vermeldde ik het volgende over Nephitische retoriek, maar die kan ook voor de Jareditische gelden:

Sommige analisten zoeken een verklaring voor de hoge aantallen in het taalgebruik. Ook in de Bijbel gelden hoge aantallen als symbolische eenheden voor grootheid. Zo worden de legeraantallen van de Israëlieten in veelvouden van honderdduizenden gemeld (1 Samuël 11:8; 2 Samuël 24:9; Richteren 20:2; 2 Kronieken 14:8; 25:5). Dergelijke aantallen zijn demografisch onmogelijk.[12]

Vanuit hun Israëlitische achtergrond kunnen Nephitische kroniekschrijvers deze grootsprakige benadering hebben overgenomen. Het gaat dan om een emotionele stijlfiguur om de omvang van een gebeuren uit te drukken. Het is vergelijkbaar met de uitdrukking “zo talrijk als het zand der zee”, dat Mormon al in het begin gebruikt heeft: “Het gehele oppervlak van het land was nu met gebouwen bedekt en de mensen waren, als het ware, bijna zo talrijk als het zand der zee” (1:7). Ook voorheen zijn we dit tegengekomen: “En zie, terwijl zij de Sidon overstaken, vielen de Amlicieten en de Lamanieten, die als het ware bijna even talrijk waren als het zand der zee, hen aan om hen te vernietigen” (Alma 2:27). Dat wordt dan, zoals bij Mormon, gevolgd door de veelvouden van duizend: “En in één jaar werden er duizenden en tienduizenden zielen naar de eeuwige wereld gezonden om hun beloning te oogsten naar hun werken, hetzij die goed, hetzij die kwaad waren” (Alma 3:26).

 

3 – Historische tekstverkenning van het boek Ether

Inleiding
Meerlagige bronnen verklaren verschillende verhaalstijlen
De kroniek van Ether: eeuwen geschiedenis op vierentwintig platen
Hoe werkte Moroni voor zijn “boek Ether”?
De openbaring aan de broeder van Jared: onleesbaar en verzegeld
Mythische dimensie: de verweving van funderende verhalen

 

Inleiding

Voor een goed begrip van onderstaande is het nuttig het onderdeel “De bakens die het boek Ether aankondigen” in les 45 te hebben gelezen.

Hoe is de informatie over de Jaredieten in het boek Ether tot stand gekomen? We spreken immers over mogelijk 2500 jaar geschiedenis, dat is hetzelfde als van het heden teruggaan tot de tijd van de Babylonische gevangenschap in de zesde eeuw v.C. Zelfs als de periode beduidend korter was gaat het nog steeds om vele eeuwen (zie hier de bespreking van het tijdskader).

De tekst die Moroni ons naliet noemde hij zelf het “boek Ether” (in feite “Boek van Ether”, maar de huidige Nederlandse editie kortte het in). Moroni’s tekst grijpt echter terug naar een kroniek die Ether op vierentwintig platen schreef, zo’n duizend jaar voor Moroni. Moroni verwijst naar die kroniek ook als “boek Ether” (1:2). Om verwarring te vermijden noem ik die veel oudere tekst even “de kroniek van Ether”. Moroni gebruikt die omschrijving ook: “Hij die deze kroniek heeft geschreven, was Ether”. Ether zelf heeft op zijn beurt, voor het verleden dat hij in zijn kroniek beschrijft, ook op bronnen beroep moeten doen. Van welke aard waren die, gespreid over zovele eeuwen?

Voor historici die zich met bronnenstudie bezighouden vormt het boek Ether dus een complex geval. In dit onderdeel verken ik enkele van deze aspecten van tekstvorming en tekstoverdracht. Misschien lijsten we zo meer vragen dan antwoorden op, maar ook dat is deel van Schriftstudie.

 

Meerlagige bronnen verklaren verschillende verhaalstijlen

Voor bronnen kunnen we de volgende lagen onderscheiden. Die helpen om uiteenlopende verhaalstijlen in het boek Ether te verklaren.

  • Mondelinge tradities. Een deel van de oudste Jareditische geschiedenis werd vermoedelijk eerst mondeling overgedragen: analyse van hun exodus-verhaal wijst op kenmerken van mythologische literatuur van orale oorsprong, verrijkt vanuit andere oorsprongsmythen (zie verder). Op een bepaald moment werden die genoteerd in de vorm die ze toen bereikt hadden. Dat verklaart hun eigen verhaalstijl.
  • Algemene geschreven kronieken. De Jaredieten kenden het principe van geschreven kronieken, want ze hadden er zelf alvast een “over het grote diep meegebracht” (8:9). We mogen veronderstellen dat hun kroniekschrijvers minstens de grote voorvallen uit hun geschiedenis bijhielden, maar mogelijk veel meer. Stamboomlijsten waren er zeker deel van, met hun eigen stijl, waarvan we sporen in het boek Ether terugvinden (onder meer 1:6–32).
  • Het aparte openbaringsverslag van de broeder van Jared. Hij moest dit verslag maken van de bijzondere openbaring die hij op de berg Shelem ontving (3:21–24). Qua stijl moet het een gedetailleerd verslag geweest zijn, met een weergave van de dialoog tussen God en de broeder van Jared, gelet op de latere overname van die gegevens. Het moest wel geheim blijven tot na de komst van Jezus in het vlees (3:21–24). Dat doet vragen rijzen over wie het eerst las en hoe Moroni het opnam (zie verder).
  • Het verslag op vierentwintig platen door Ether geschreven, als inkorting van de Jareditische geschiedenis. Moroni verwijst ernaar met als auteur Ether: “Hij die deze kroniek heeft geschreven, was Ether, en hij was een afstammeling van Coriantor” (1:2). Moroni noteert dat Ether het laatste deel ervan schreef, verborgen “in de holte van een rots” (13:14).
  • De vertaling van Koning Mosiah van het voorgaande. Mosiah maakte omstreeks 100 v.C. een vertaling van de vierentwintig platen. Het is niet duidelijk of deze tekst in omloop bleef met dezelfde waarde als de kroniek van Ether en of die dus (ook) als bron voor Moroni diende.
  • De bewerking door Moroni. Hij “ontleende” die aan de vierentwintig platen van Ether (1:2). Dat werd uiteindelijk een warrige tekst qua onderdelen, verklaarbaar door de omstandigheden waarin Moroni hem schreef (zie de bespreking ervan in de vorige les).

De Engelse vertaling die Joseph Smith ons gaf van Moroni’s bewerking is een volgende stap en dus het resultaat van een behoorlijk aantal voorafgaandelijke stappen. Die Engelse tekst is op zijn beurt bron voor vertaling in andere talen, ook voor onze Nederlandse tekst, met eigen uitdagingen van precieze weergave van het origineel, zoals blijkt wanneer we de vertaalfouten oplijsten.

Of nog anders uitgedrukt: wij lezen de Nederlandse vertaling van de Engelse vertaling van een Nephitische beknopte bewerking van een Nephitische vertaling van een Jareditische inkorting van Jareditische kronieken.

 

De kroniek van Ether: eeuwen geschiedenis op vierentwintig platen

Moroni verwijst naar een bundel van vierentwintig platen als zijn enige bron: “En ik ontleen mijn verslag aan de vierentwintig platen die gevonden waren door het volk van Limhi, dat het boek Ether wordt genoemd” (1:2). Volgens Moroni bevatten de platen ook het verhaal van de schepping, van Adam en “vanaf die tijd tot aan de grote toren, en alle dingen die tot aan die tijd onder de mensenkinderen hebben plaatsgevonden” (1:3). Hij besloot dat deel niet over te nemen vanuit de veronderstelling dat zijn toekomstige lezers die informatie van de Joden hebben. Bovendien zegt Moroni dat hij maar een kleine deel heeft overgenomen — “geen honderdste deel heb ik opgeschreven” (15:33).

Scribe_1391 B.C. Detroit Institute of ArtsHoe heeft Ether zijn gegevens over die eeuwen geselecteerd en op vierentwintig platen samengebracht? Op welke bronnen heeft hij zich gebaseerd? Mondelinge overleveringen of geschreven kronieken? Hoe waren die doorgegeven? Hoe betrouwbaar zijn ze? Welke ook de antwoorden op die vragen zijn, Ether heeft het allemaal moeten condenseren. Ethers werk zelf is inderdaad al een inkorting of beknopte bewerking van veel ruimere kronieken, wat ook blijkt uit deze zin in de titelpagina van het Boek van Mormon waarin Moroni zijn werk beschrijft: “een inkorting genomen van het Boek van Ether”. Dus Moroni ontleende van een inkorting, die hij dan zelf verder bewerkte.

Toch zal Ethers verslag nog heel veel hebben ingehouden, gelet op de toevloed van gebeurtenissen over zoveel eeuwen. Hoe konden slechts vierentwintig platen zoveel informatie inhouden? Analisten hebben hiervoor enkele mogelijke verklaringen. De platen kunnen van een groot formaat geweest zijn en het schrift extreem klein. Dat schrift was allicht ideografisch, wat de tekst beduidend korter kan maken. Het gedeelte van de schepping tot de “tijd van de toren” komt overeen met Genesis 1 tot 11, wat uiteindelijk beperkt is. Aan beide zijden beschreven maken vierentwintig platen achtenveertig bladzijden.

Daarenboven kan Moroni’s frase “geen honderdste deel heb ik opgeschreven” een retorische uitdrukking zijn, die ook elders in het Boek van Mormon voorkomt en in feite betekent “niet alles heb ik kunnen opschrijven”. In dat geval moeten we ons niet indenken dat de kroniek van Ether bijna honderd keer langer was dan wat Moroni eruit overnam. Mogelijk was ze maar enkele keren langer en dan kon ze makkelijk op vierentwintig platen staan.

 

Hoe werkte Moroni voor zijn “boek Ether”?

Dan de omzetting door Moroni: wat heeft hij woordelijk van Ether overgenomen? Wat heeft hij bewerkt of ingekort? Noteer de frase “ik ontleen mijn verslag aan”. In het Engels luidt het “I take mine account from”. Op het titelblad van het Boek van Mormon (origineel deel van de platen) beschreef Moroni het als “een inkorting genomen van het Boek van Ether”— in het Engels  “an abridgment taken from the Book of Ether”, wat men ook als beknopte bewerking kan vertalen. De huidige Nederlandse editie maakte daar ten onrechte “een samenvatting ontleend aan het boek Ether” van. Nee, abridgment is geen summary. Het duidt op ingrepen die het boek inkorten, maar dus zowel  delen woordelijk kunnen overnemen als delen samenvatten. Zo omschrijft ook Mormon zijn bewerking van de Nephitische geschiedenis — an abridgment, een inkorting (Woorden van Mormon 3).

Voor Moroni is het echter de inkorting van een inkorting die Ether al gemaakt had. Sommige delen, zoals de dialogen tussen de Heer en de broeder van Jared, zijn direct overgenomen; andere delen zijn samenvattend, soms uiterst compact. Het resultaat is nog steeds “mijn verslag” zoals Moroni het formuleert, niet zomaar de tekst van Ether. In feite citeert Moroni Ether maar één keer expliciet, in het allerlaatste vers van het boek Ether.

We lezen dus Ether door de bril van Moroni. Dat betekent dat Moroni mogelijk bepaalde concepten vertaalde naar eigen inzicht en met eigen termen, of dat hij gebeurtenissen beoordeelde vanuit zijn ervaringen bij de Nephieten. Dat blijkt overvloedig uit zijn herhaalde tussenlassingen (zie de structuur ervan hier in les 45).

Wat we ook niet weten is of Moroni zijn informatie rechtstreeks uit de platen van Ether haalde dan wel uit de vertaling van Mosiah of uit een latere vertaling na Jezus’ komst aangezien bepaalde delen pas bekend mochten raken na die komst (zie hieronder).

 

De openbaring aan de broeder van Jared: onleesbaar en verzegeld

De geestelijke ervaringen van de broeder van Jared vormen een apart geheel, dat wel opgeschreven werd, maar op een bijzondere wijze beveiligd en verzegeld:

“En het geschiedde dat de Heer tot de broeder van Jared zeide: Zie, gij zult de dingen die gij hebt gezien en gehoord niet in de wereld laten uitgaan, tot de tijd komt dat Ik mijn naam in het vlees zal verheerlijken; daarom moet gij de dingen die gij hebt gezien en gehoord als een schat bewaren en ze aan niemand bekendmaken. En zie, tegen de tijd dat gij tot Mij komt, zult gij ze opschrijven en verzegelen, zodat niemand ze kan vertalen; want gij zult ze opschrijven in een taal waarin ze niet kunnen worden gelezen. En zie, Ik zal u deze twee stenen geven, en gij moet die ook verzegelen, met de dingen die gij zult opschrijven.” (3:21–23).

Het verbod om dit “openbaringsverslag” bekend te maken, “tot de tijd komt dat Ik mijn naam in het vlees zal verheerlijken”, doet verschillende vragen rijzen.

Vooreerst, had Ether in de zesde eeuw v.C. zelf toegang tot die tekst? John Welch meent van niet aangezien de tijd nog niet was aangebroken van Jezus vleeswording.[13] Anderzijds was de opdracht enkel de tekst “niet in de wereld te laten uitgaan”. Het lijkt onwaarschijnlijk dat een profeet van de status van Ether, die ook voor de hele samengevatte kroniek van zijn volk moest zorgen, geen toegang zou hebben gehad tot het openbaringsverslag. Ether voegde dat verslag in ieder geval toe aan zijn vierentwintig platen, of als deel ervan, aangezien het zo als geheel bij koning Limhi en later bij koning Mosiah terecht kwam.

Vervolgens komen we bij koning Mosiah die zo’n eeuw voor Jezus’ geboorte de vierentwintig platen vertaalde. Nam hij kennis van het openbaringsverslag hoewel de tijd er nog niet voor gekomen was? Mosiah beschikte over de zienerstenen om dat verslag te lezen. Mogelijk nam hij kennis van de tekst, maar schreef hij die niet over in zijn eigen geschrift en maakte hij die kennis evenmin bekend aan het volk. Het volk kreeg wel het verhaal van opgang en ondergang van de Jaredieten te horen (Mosiah 28:18). Moroni formuleert het als volgt wanneer hij als commentaar verduidelijkt dat de Heer de broeder van Jared gebood

“… de dingen op te schrijven die hij had gezien; en ze mochten pas tot de mensenkinderen komen nadat Hij was verhoogd aan het kruis; en om die reden heeft koning Mosiah ze bewaard, zodat ze pas tot de wereld zouden komen nadat Christus Zich aan zijn volk zou vertonen. En nadat Christus Zich waarlijk aan zijn volk had getoond, heeft Hij geboden ze openbaar te maken.” (4:1–2)

Ten slotte blijft de vraag of Moroni, voor zijn beknopte bewerking, het originele openbaringsverslag met behulp van de zienerstenen las dan wel terugviel op de vertaling van Mosiah (voor zover die bestond voor dat deel) of op de tekst zoals die sinds Jezus’ komst onder de Nephieten beschikbaar was. Uit Moroni’s commentaar is niet echt op te maken welke bron hij gebruikte. Qua verhaalstijl is het een gedetailleerd verslag, maar herverteld door Moroni, met directe citaties van de woorden van Jezus en van de broeder van Jared. Onmiddellijk na het melden van de openbaring aan de broeder van Jared schrijft Moroni ook nog:

“En nu, zoals ik, Moroni, zei, heb ik geen volledig verslag kunnen maken van die dingen die geschreven zijn; daarom is het mij voldoende te zeggen dat Jezus Zich in de geest aan deze man heeft getoond, ja, op de wijze en in de gelijkenis van hetzelfde lichaam waarin Hij Zich aan de Nephieten heeft getoond.” (3:17)

Daarenboven hangt Moroni er nog een postscriptum aan vast:

“Zie, ik heb op deze platen precies die dingen opgeschreven die de broeder van Jared heeft gezien; en er zijn nog nooit grotere dingen geopenbaard dan de dingen die werden geopenbaard aan de broeder van Jared. Daarom heeft de Heer mij geboden ze op te schrijven; en ik heb ze opgeschreven. En Hij heeft mij geboden ze te verzegelen; en Hij heeft mij eveneens geboden de uitleg ervan te verzegelen; daarom heb ik de vertalers verzegeld volgens het gebod des Heren. (4:4–5).

Een “niet volledig verslag”, en deel dat “verzegeld” is, de “uitleg ervan” die ook verzegeld is — die elementen hebben aanleiding gegeven tot andere vragen, met name of dit betrekking heeft op het nog verzegelde deel van de platen van het Boek van Mormon. Dit wordt inderdaad algemeen zo begrepen, maar blijft een interpretatie.[14]

 

Mythische dimensie: de verweving van funderende verhalen

Dit onderdeel gaat specifiek over het exodus-verhaal van de Jaredieten.

Het verhaal van de bijzondere boten, zoals weergegeven in Ether 6, was in les 45 al gelegenheid voor enkele bedenkingen over de mythische dimensie van het verhaal. Om literalisten al meteen gerust te stellen: een mythische dimensie doet niets af van de grondslag van waarheid in een verhaal. De secundaire connotatie van mythe als “onwaar verhaal” geldt hier niet. “Een mythologie is het geheel van verhalen en denkbeelden van een bepaalde cultuur waarin belangrijke vragen aan bod komen zoals de oorsprong van de mens, de wereld en natuurverschijnselen.”[15] Binnen de cultuur waarin ze functioneert, geeft de mythe waarheid weer in de termen van haar historische periode. Mythen geven uitdrukking aan religieuze en filosofische reflecties, aan normen, waarden en historische gebeurtenissen, in het bijzonder over onze oorsprong.[16] Daarenboven, zoals Hugh Nibley vaak heeft benadrukt: veel begrippen in oude beschavingen zijn vervormde overblijfselen van oorspronkelijke kennis toen er nog een Zion-maatschappij op aarde was.[17] In die zin zijn mythen archetypisch — teruggaand naar oermodellen.

We gaan er dus steeds van uit dat de gemelde gebeurtenissen in hun essentie effectief hebben plaatsgegrepen. Maar inzicht in verhaalvorming en in symboliek kunnen onvermoede aspecten doen ontdekken die het verhaal doen uitstijgen boven de feiten alleen. Precies dat inzicht kan de authenticiteit van het verhaal versterken en dus ook de grondslag ervan geloofwaardiger maken.

Voor een groot stuk ontlenen antieke volkeren hun identiteit aan verhalen over hun oorsprong. Die verhalen zijn divers, de ene al magischer of heroïscher dan de andere. Ze gaan terug op ware gebeurtenissen. Mondelinge overlevering heeft die dan overgedragen, generatie na generatie, met onvermijdelijke vervormingen. Een belangrijk kenmerk is dat zo’n oorsprongsverhaal zich soms vermengt met andere funderende verhalen. Historische feiten die zoveel eeuwen geleden gebeurd zijn, worden verweven of verrijkt met gezaghebbende elementen van elders. Zo wordt het verhaal ook beter onthouden en doorverteld. Het exodus-verhaal van de Jaredieten lijkt daar een sprekend voorbeeld van. Het draagt inderdaad zoveel archetypische kenmerken dat het boven zichzelf uitstijgt als een spiegel van het scheppingsverhaal, van de overdracht van leven in al zijn vormen, van de loutering door het heilsplan en van de uiteindelijke bestemming van de mens.

 

Scheppingsverhaal. Wat een vreemde optocht wanneer de groep met “Jared en zijn broeder en hun gezinnen, en ook de vrienden van Jared en zijn broeder en hun gezinnen, afdaalden naar het dal dat in het noorden lag” (2:1). Zij voeren niet alleen hun kudden mee — “mannelijke en vrouwelijke dieren[18], van iedere soort” — maar “zij spanden ook valstrikken en vingen vogels van de lucht; en zij vervaardigden ook een vat waarin zij de vissen van de wateren met zich meevoerden” (2:2–3). Daarnaast “voerden zij bijenzwermen met zich mee, en van allerlei dat op het oppervlak van het land was, zaden van iedere soort” (2:3).

Nomaden voeren kudden mee, en ook zaadsoorten. Maar voeren zij normaal gesproken ook nog vogels, bijenzwermen en zelfs vissen mee? De reden kan nochtans evident zijn. De “zaden van iedere soort”, de dieren met “mannelijke en vrouwelijke van iedere soort”, de vogels en vissen — het somt de reeks van het scheppingsverhaal op waarover de mens mag heersen — “over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen”, en “al het zaaddragende gewas” dat de mens gegeven is (Genesis 1:26, 29). Zelfs bijen als vertegenwoordigers van de insectenwereld worden toegevoegd. Het is in dat scheppingskader dat de vogels en de vissen een hogere betekenis als deel van Jareds bagage krijgen. Maar om ze concreet in het verhaal te kunnen inwerken zijn er valstrikken nodig om de vogels te vangen en een vat voor de vissen. Voor een criticus of een oppervlakkig lezer zal dit banaal en storend lijken. Maar precies de aanwezigheid van deze gegevens maakt de kring rond. Het banale staat voor iets subliems. Het verband met de schepping tilt de tekst naar een hoger niveau. Deze uitverkoren groep mensen is op weg naar een nieuwe wereld met al het leven uit de oude.

Men kan zelfs in het “afdalen naar het dal” een beeld van het goddelijk initiatief van de schepping zien — “Laten wij naar beneden gaan…” (Abraham 4:1). Zoals de Heer Adam en Eva ontmoette bij de aanvang van hun levensreis na de val, zo zegt de Heer tot de broeder van Jared over het dal waar hij met de hele groep heen moet trekken: “Daar zal ik u ontmoeten” (1:42). “En het geschiedde, toen zij in het dal Nimrod waren afgedaald, dat de Heer neerdaalde en met de broeder van Jared sprak” (2:4). Het parallellisme is misschien overinterpretatie, maar de piste is informatief.[19]

 

Ark van Noach. Ook het verhaal van de ark van Noach, dat zelf allicht de mythische uitdrukking van een overlevingsverhaal bij een allesomvattende overstroming is, helpt Jareds exodus te verrijken. De oproep om van de kudden zowel mannelijke als vrouwelijke dieren van iedere soort bijeen te brengen echoot dezelfde opdracht als aan Noach (Genesis 6). In beide gevallen geeft de Heer instructies voor de bouw van de vaartuigen. Al de dieren moeten mee in de boten die zelf “zo dicht als de ark van Noach” waren (6:7). Jareds reistijd over het water komt nauw overeen met Noah’s tijd: driehonderdvierenveertig dagen lang. Het parallellisme is onmiskenbaar. Het Jareditisch verhaal deelt in een groter geheel.

 

Een louterende reis met Gods hulp. De hele tocht is die van een louterende passage van het oude naar het nieuwe. Wat de Jareditische groep feitelijk overkomt wordt door een hoger perspectief belicht. De broeder van Jared moet wel de concrete uitdagingen voor de reis zelf onder ogen zien, en soms zelf oplossingen voorstellen, maar de Heer helpt. De bekommernissen voor de zeereis richten zich op vitale componenten — voeding, lucht en licht. Voor elk zijn er concrete oplossingen: voorraad, afsluitbare openingen in de scheepsromp, stenen die licht geven. Maar ze stralen ook een hogere betekenis uit in het voeden van de geest en het ontvangen van het licht van Christus. De overtocht, waarbij zij door de golven “in de diepten der zee werden begraven”, maar waarna de Heer hen “wederom tevoorschijn bracht bovenop de wateren”, kan verwijzen naar een reinigende onderdompeling, en dus ook naar de symboliek van dood en opstanding (6:7). De huizenhoge golven, de grote en verschrikkelijke orkanen en het zeemonster dat hen niet kon breken verwoorden primordiale angsten (6:6, 10). Maar de mens zit veilig geborgen in een sterke, ondoordringbare ruimte, verlicht door wondere stenen. Dat biedt het evangelie bij gehoorzaamheid. Zo kunnen de fasen van de reis ook een reflectie op het heilsplan zijn, met op het einde de veilige haven van de eindbestemming. In die zin kan de aankomst in het beloofde land ook een zinnebeeld van de hemelse thuiskomst zijn:

En zij landden op de kust van het beloofde land. En toen zij voet op de kust van het beloofde land hadden gezet, bogen zij zich op het oppervlak van het land neer en verootmoedigden zich voor de Heer en vergoten tranen van vreugde voor het aangezicht des Heren, wegens de overvloed van zijn tedere barmhartigheden jegens hen. (6:12)

 

4 – Taalgebruik en eigennamen

Inleiding
Verwekken
Zonen en dochters
Eigennamen: unieke Jareditische namen
Latere Bijbelse namen onder de Jaredieten
Typisch Jareditische namen onder de Nephieten

 

Inleiding

Een van de opmerkelijkste aspecten van het Boek van Mormon is de variatie in stijl en woordenschat tussen de verschillende hoofdfiguren wanneer de kroniek hen rechtstreeks citeert. We hebben dit in vorige lessen kunnen vaststellen bij Nephi, zijn broer Jakob, Abinadi, Alma de oudere, Alma de jongere, opperbevelhebber Moroni, Samuël de Lamaniet en anderen. Maar allen treden ze op binnen één cultuur, de Nephitische, gekoppeld aan de Israëlitische cultuur van omstreeks 600 v.C. Die cultuur heeft een aantal kenmerken die als een rode draad doorheen duizend jaar geschiedenis lopen. Zelfs binnen de vele maatschappelijke stormen en oorlogen merk je een constante ondertoon die al deze Nephieten samenhangend verbindt.

De Jaredieten horen tot een veel oudere cultuur, dus zouden er taalsporen van hun eigenheid in het boek Ether te vinden moeten zijn. Voor het gewone taalgebruik maakt het probleem van de meerlagige bronnen het echter niet eenvoudig om een typisch Jareditisch lexicon of structuren te onderscheiden. We benaderen de Jareditische cultuur immers via de bewerking die Moroni maakte en die hijzelf mogelijk baseerde op de vertaling van Mosiah. Beiden fungeerden dus als Nephitische filters alvorens de tekst ons bereikte. Toch vallen enkele zaken op. Voor de eigennamen is er meer zekerheid omdat die een eigen achtergrond hebben.

 

Verwekken

De uitdrukking dat een man kinderen “verwekte” komt veertig keer voor in het boek Ether, maar geen enkele keer in de rest van het Boek van Mormon: “En de broeder van Jared verwekte eveneens zonen en dochters”, “en Kib verwekte Corihor”, “niettemin verwekte Kib op zijn oude dag Shule”… Mosiah of Moroni moeten dan ook de uitdrukking van Ethers tekst hebben overgenomen als een standaarduitdrukking in de Jareditische kroniek.

 

Zonen en dochters

Opvallend in de Jareditische schrijftrant is de uitdrukking “zonen en dochters” wanneer kinderen verwekt worden. Niet minder dan vijfentwintig keer lezen we de uitdrukking doorheen de Jareditische geschiedenis. Ook hun aantallen worden al eens vermeld, maar door aftrekking van het aantal zonen: “…het aantal zonen en dochters van Jared bedroeg twaalf, onder wie vier zonen” (6:20); “En hij verwekte zonen en dochters; ja, hij verwekte er eenendertig, onder wie drieëntwintig zonen” (7:2). In de Nephitische geschiedschrijving komt de uitdrukking “zonen en dochters” nooit voor bij het vermelden van aantal kinderen. Daar tellen enkel zonen (zie hier de analyse in les 33).

Bij de Nephieten worden dochters wel vermeld in enkele omstandigheden: bij het huwelijk van de dochters van Ismaël (1 Nephi 16:7, bij de zegen die Lehi aan kleinkinderen geeft (2 Nephi 4), bij de vergadering van de gezinnen rond de tempel onder koning Benjamin, bij de ontvoering van de “dochters der Lamanieten” (Mosiah 20) en als middel om vijanden te vermurwen (Mosiah 19:13). Ook worden in religieus taalgebruik de kinderen van Christus “zijn zonen en dochters” genoemd (Mosiah 5:7; 27:25).

 

Eigennamen: unieke Jareditische namen

Paul Hoskisson waarschuwt ervoor niet te snel tot conclusies te komen bij de studie van eigennamen in het Boek van Mormon.[20] Namen evolueren met de tijd en spellingsfouten kunnen ons op een verkeerde piste zetten. We weten ook niets over de oorspronkelijke uitspraak. Nederlandstaligen lezen Nephi als [ ne-fi ] en Engelstaligen als [ ni-faaj ], maar origineel kan het evengoed [ nep–hi ] geweest zijn. Dat maakt een beduidend verschil voor de mogelijke etymologie. Voor hun kind kiezen ouders soms een originele naam buiten de eigen cultuur, maar eeuwen later kan dit de indruk wekken dat dit kind, dan een verre voorouder, uit die andere cultuur kwam. Kroniekschrijvers en vertalers zetten soms oudere namen om in een eigentijdse of eigentalige versie, wat het etymologisch spoor kan verwarren. Zo wijzigde de huidige Nederlandse editie van het Boek van Mormon een aantal originele namen in “vernederlandste” vormen, wat vroeger nooit gedaan werd.

Dat alles moet tot voorzichtigheid manen. In hun enthousiasme om het Boek van Mormon te “bewijzen” kunnen sommigen dus wat te snel de mogelijkheid van een specifieke origine als feitelijkheid voorstellen. Dat betekent niet dat we ons moeten afhouden van onomastiek — de studie van eigennamen. Integendeel, de eigennamen in het Boek van Mormon vormen een belangrijk studiedomein, maar we moeten opletten met voorbarige asserties.

Een van de meest intrigerende aspecten van het Boek van Mormon is het aantal eigennamen: 337! Van die 337 zijn er 188 uniek voor het Boek van Mormon, dus nergens anders voorkomend, zoals Lehi, Nephi, Zarahemla of Coriantumr. De overige 149 vinden we ook in de Bijbel, zoals Jakob, Jozef, Levi of Timotheüs. Het boek Ether staat boordevol eigennamen, niet minder dan 62 verschillende. Zestien daarvan komen ook in de Bijbel voor, negen ook onder de Nephieten, maar 37 zijn uniek in het boek Ether, zoals Ablom, Agosh, Amnigaddah, Heathom, Mahah, Riplakish, Shule, enzovoort.[21]

Die eigenheid bevestigt het aparte karakter van de Jareditische cultuur. John Tvedtnes maakte een fonemische analyse van al die namen, wat een overzicht verschaft van de aanvaardbare klankcombinaties in de Jareditische taal.[22] John Sorenson vermoedt dat de Jaredieten een Noord-Semitische taal spraken, ver verwant met het latere Hebreeuws.[23] Analisten die graag de Jaredieten aan de Olmeken in Midden-Amerika koppelen, hebben naar verbanden gezocht met de indiaanse Zoque-taalgroep. Die taalgroep zou een overblijfsel van de Olmeken-taal kunnen zijn, maar die piste leverde geen adequaat resultaat.[24]

 

Latere Bijbelse namen onder de Jaredieten

Schijnbare contradicties vragen om verklaringen. Bijvoorbeeld, als we Sorenson volgen, verlieten de Jaredieten Mesopotamië omstreeks 3100 v.C. om zich naar het westelijk halfrond te begeven. Een deel van hun eigennamen reflecteert die periode van de toren van Babel en de tijd ervoor, zoals Jared, Nimrod, Noah en Seth. Maar in hun latere genealogie komen ook Bijbelse namen voor die tot een veel latere periode in Palestina horen, zoals Aaron, Efraïm, Ether, Gilead of Levi. Hoe kwamen ze aan die namen? Antwoorden zijn makkelijk te geven.

  • Vooreerst beschikken we niet over het totale gamma eigennamen in omloop omstreeks 3100 v.C. Namen die later in de Bijbel voorkomen kunnen dus even goed al vroeger bestaan hebben in min of meer gelijkende vormen, maar staan nergens genoteerd.
  • Het boek Ether is  niet in zijn originele vorm tot ons gekomen, maar via vertalingen. De eerste was een vertaling, door koning Mosiah of Moroni, vanuit “Jareditisch” naar “Hebreeuws-Nephitisch”, geschreven in hervormd Egyptische karakters. Zoals vertalers vaak doen, kunnen ook koning Mosiah of Moroni sommige eigennamen hebben omgezet naar hun vertrouwde namen en schrijfwijzen. Zo wijzigen ook onze vertalers het Engelse Isaiah in Jesaja, James in Jakob, of John in Johannes.

sumerian-tablet-list-of-proper-names_3000-vcSumerisch tablet met logografische eigennamen van eigenaars, ca. 3000 v.C. Voorzeker enkelen met de achternaam Boom.

  • De kroniekschrijvers werkten met deels logografisch schrift, dus niet letter-na-letter voor elke klank. Een eigennaam in die oude culturen heeft nagenoeg steeds een betekenis. Bijvoorbeeld, Efraïm, in het Hebreeuws אֶפְרָיִם, betekent Vruchtbaar, Vruchtdragend. Het Jareditische woordbeeld voor een man met de naam Vruchtbaar, Vruchtdragend (waarvan we  niet weten hoe het uitgesproken werd) zal dus door een Nephitisch schrijver met Hebreeuwse achtergrond als Efraïm omgezet worden. Maar in de volgende vertaalfase door Joseph Smith, van de platen naar het Engels, werd Efraïm behouden. Joseph Smith had evengoed Fruitful als naam kunnen schrijven, maar in onze cultuur is het ongebruikelijk de betekenis van een eigennaam te vertalen. Het gebeurt soms wel met plaatsnamen als Desolation en Bountiful. Onze Nederlandse vertaling volgde het principe door te vertalen met Woestenij en Overvloed. Met eigennamen gebeurt dat niet meer in onze tijd, maar in archaïsche tijden allicht wel, en zeker vanuit logografisch schrift.

Kortom, er zijn verschillende evidente verklaringen voor het schijnbaar gebruik van latere Bijbelse namen door de Jaredieten.  De kans is groot dat die in het Jareditisch een andere woordvorm hadden.

 

Typisch Jareditische namen onder de Nephieten

Negen namen, eigen aan de Jaredieten, vinden we ook onder de Nephieten: Coriantumr, Corihor (gespeld als Korihor in het Nephitisch deel), Gilgal, Moriancumr, Morianton, Nehor, Shiblom, Shiblon en Shim. Ook op te merken is Moroni, als verwant met Moron als landsnaam in het boek Ether. Die beperkte influx van Jareditische namen in het Nephitisch onomasticon wordt algemeen verklaard door het contact van de Mulekieten, het latere volk van Zarahemla, met de laatste sporen van de Jaredieten. We weten dat Coriantumr nog “negen manen” onder hen leefde (Omni 21). Sommige analisten suggereren dat het niet anders kan dan dat ook andere overlevenden en vluchtelingen van de Jareditische burgeroorlogen bij de Mulekieten terechtkwamen.[25] Dat sommige Jareditische namen via het volk van Zarahemla zijn binnen gesijpeld vinden we geïllustreerd in de persoon van een zekere Coriantumr, omstreeks 52 v.C.: de Lamanieten “werden aangevoerd door een man wiens naam Coriantumr was; en hij was een afstammeling van Zarahemla; en hij was een afgescheidene van de Nephieten (Helaman 1:15). Het is dan ook logisch dat die Jareditische namen pas in het Nephitisch taalgebruik verschijnen na de samenvoeging van Nephieten met het volk van Zarahemla.

 

5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

Ether 7:9 – “… hij smolt uit de heuvel, en maakte zwaarden uit staal”
Ether 8:15 – “De eden … die waren doorgegeven van Kaïn af”
Ether 9:17 – “want zij hadden allerlei vruchten en granen en zijde en fijn linnen”
Ether 9:18–19 – Fauna van de Jaredieten
Ether 9:21–24 – “… en hij verwekte Coriantum, en hij zalfde Coriantum om in zijn plaats te regeren…”
Ether 10:31 – “… en hij verwekte Coriantum, en Coriantum verbleef al zijn dagen in gevangenschap”
Ether 12:35 – “… als de andere volken wegens onze zwakheid geen naastenliefde bezitten”
Ether 15:2 – “Hij zag dat er al bijna twee miljoen van zijn volk door het zwaard waren gedood”

 

Ether 7:9 – “… hij smolt uit de heuvel, en maakte zwaarden uit staal”

Qua tijdsperiode bevinden we ons nog in de eerste generaties van de Jaredieten. Volgens Sorensons chronologie betekent dit bij het begin van het tweede millennium v.C., dus omstreeks 3000 tot 2800 v.C.

Critici hebben de aanwezigheid van staal als onmogelijk voor de betrokken periode aangehaald. Hugh Nibley meldt dat die kritiek nu wel uitgedoofd is door voortschrijdende archeologische kennis.[26] Vooreerst is de productie van ijzer vastgesteld in veel vroegere periodes dan voorheen aangenomen, al vanaf 3500 v.C. Vervolgens geldt een probleem van termen omdat de evolutie van de legeringen het niet mogelijk maakt het precieze punt te bepalen wanneer volwaardig staal bereikt werd. Zo gauw ijzer een iets betere kwaliteit bereikte, kwam in oude talen een term in omgang die het verschil aanduidde. Nibley verwijst daartoe naar voorbeelden uit verschillende antieke culturen. Een moderne vertaling met het woord staal betekent daarom nog niet staal zoals wij het nu definiëren.

Het woord staal levert wel een argument voor wie de Jareditische geschiedenis later wil laten beginnen, zoals Brant Gardner.

Een andere interpretatie is dat de onderscheiden omzetters van de oorspronkelijke tekst een term gebruikten die hen eigen was. Dat kan Ether geweest zijn, ergens in de zesde eeuw v.C., wanneer ook de Jaredieten allicht tot een vorm van staalproductie waren gekomen. Of het kan de vertaler van de kroniek van Ether, koning Mosiah of Moroni, geweest zijn die het Nephitische woord voor het door hen gekende metaal gebruikte. In hun periode was staal gekend.[27] En vervolgens was het uiteindelijk Joseph Smith die het Engelse woord steel noteerde voor wat er op de platen stond, maar daarom nog niet perfect overeenstemmend met het Nephitisch woord. Die taalkundige uitdagingen tonen aan dat we er niet meteen de ontwikkeling van de metallurgie in de oudheid moeten bijhalen.

 

Ether 8:15 – “De eden … die waren doorgegeven van Kaïn af”

“En Akish nam hun de eden af, die gegeven waren door de ouden die ook naar macht hadden gestreefd, en die waren doorgegeven van Kaïn af, die vanaf het begin een moordenaar was.”


Zie hiervoor dit onderdeel over geheime combinaties in les 34.

 

Ether 9:17 – “want zij hadden allerlei vruchten en granen en zijde en fijn linnen”

Allicht zette Joseph Smith de oorspronkelijke woorden op de platen om in het vertrouwde “zijde en fijn linnen” als retorische uitdrukking voor rijke kledingstoffen. We zijn de termen in dezelfde context van rijkdom en overvloed reeds in 1 Nephi 13:7 en in Alma 1:29 tegengekomen.

Zijde is gemaakt van de fijne natuurlijk vezels waarmee rupsen een cocon maken. De zijdeteelt was al gekend in China drieduizend jaar v.C. op basis van de Aziatische mot, Bombyx mori. Die was echter niet gekend op het Amerikaanse vasteland. Volgens John Sorenson werd de techniek in precolumbiaanse culturen toegepast met andere cocons of met kapok van de kapokboom (Ceiba pentandra, gekend in Yucatan).[28]

Linnen is voor ons een weefsel van vlas, een plant waarvan de vezels al duizenden jaren gebruikt worden om mee te weven. Vlas als zodanig was niet bekend in het Oude Amerika, maar de vezels van planten als de ixtle (maguey of agave) of de yucca werden voor hetzelfde doel gebruikt, eveneens vermeld door Sorenson.

 

Ether 9:18–19 – Fauna van de Jaredieten

“[Zij hadden] ook allerlei vee: ossen en koeien en schapen en zwijnen en geiten, en tevens vele andere soorten dieren die nuttig waren als voedsel voor de mens. En zij hadden ook paarden en ezels, en er waren olifanten en cureloms en cumoms, die alle nuttig waren voor de mens, en in het bijzonder de olifanten en de cureloms en de cumoms.”

De passage is eigenlijk zo extravagant dat een vervalser, die het Boek van Mormon in de negentiende eeuw zou geschreven hebben, dit zeker niet zo zou gedaan hebben om zijn geloofwaardigheid te bewaren. Maar als de passage authentiek is, hoe die dan te verklaren?

Sommige apologeten van het Boek van Mormon hebben zich in bochten gewrongen om het bestaan van de gemelde dieren in het Oude Amerika ten tijde van de Jaredieten te bevestigen. Hun pogingen zijn lofwaardig maar zelden overtuigend door gebrek aan harde bewijzen voor sommige dieren.

Specifiek voor paarden is er wel een interessante benadering. Zie dit onderdeel in les 25.

Hugh Nibley opteert voor de eenvoudigste en ook meest overtuigende uitleg: de dierennamen zijn, net zoals bij het gebruik van het woord staal, in hoofdzaak een taalkundig probleem van omzettingen. Enerzijds zijn er vreemde concepten waar iemand een bekend woord voor gebruikt om het weer te geven. Middeleeuwse reizigers naar Azië kwamen terug met verhalen over hun vreemde paarden. Later bleken dit kamelen of dromedarissen te zijn. Anderzijds zijn er termen die reizigers als ooggetuigen overnemen, maar die niemand in hun thuisland dan begrijpt. “Ze hebben veel ijzer, accarum en andanicum,” schrijft ontdekkingsreiziger Marco Polo in de dertiende eeuw over het volk van Kobian. Niemand heeft ooit kunnen uitmaken wat accarum en andanicum was, hoewel Marco Polo het als ooggetuige wist. Nibley gaat er dus van uit dat vertalers dierennamen gebruiken die hun vertrouwd zijn als approximatieve omzetting van een gelijkaardig dier, of het oorspronkelijk woord laten staan omdat er geen gelijkwaardig equivalent in de andere taal bestaat. Met andere woorden, de dieren waarover sprake in verzen 18 en 19 kunnen soorten kalkoenen, lamas, cavia’s, miereneters, tapirs, alpaca’s, en meer geweest zijn. Sommige namen kunnen ook op uitgestorven soorten betrekking hebben. [29]

 

Ether 9:21–24 – “… en hij verwekte Coriantum, en hij zalfde Coriantum om in zijn plaats te regeren…”

Van verzen 21 tot 24 komt de eigennaam Coriantum vijfmaal voor. De huidige Nederlandse editie schrijft hier telkens ten onrechte Coriantumr. Alle vorige edities spelden dit nochtans correct. Er is een verschil tussen Coriantum en Coriantumr. Van elk van beide namen zijn er twee personen in het boek Ether.

  • Coriantum I, zoon van Emer (1:28; 9:21–24). Deze is dus verkeerd gespeld als Coriantumr in hoofdstuk 9.
  • Coriantum II, zoon van Amnigaddah (1:14; 10:31).
  • Coriantumr I, zoon van Omer (8:4).
  • Coriantumr II, laatste koning der Jaredieten (al vermeld in Omni; verder van Ether 12 tot 15, waar zijn naam 64 keer vermeld wordt).

Fouten als deze tonen aan hoe onverantwoord het was een volledig nieuwe vertaling te willen maken, eerder dan voort te bouwen op het bestand van de vorige vertaling waarin dergelijke fouten al lang waren weggewerkt. Bijna een eeuw van zorgvuldige verbeteringen in opeenvolgende Nederlandse edities werd daarmee weggevaagd.

 

Ether 10:31 – “… en hij verwekte Coriantum, en Coriantum verbleef al zijn dagen in gevangenschap”

Zelfde opmerking als bij Ether 9. Bovenstaande is de correcte versie. De huidige editie schrijft hier tweemaal ten onrechte Coriantumr. Alle vorige edities spelden dit nochtans correct.

 

Ether 12:35 – “… als de andere volken wegens onze zwakheid geen naastenliefde bezitten”

“Daarom weet ik door hetgeen Gij hebt gezegd, dat als de andere volken wegens onze zwakheid geen naastenliefde bezitten, Gij hen zult beproeven en hun talent, ja, hetgeen zij hebben ontvangen, zult wegnemen en zult geven aan hen die overvloediger bezitten.”

Zonder context is dit een moeilijk vers. Welke zwakheid? Welk talent? Wie bezit er “overvloediger”?

Het vers is deel van een lange, persoonlijke inlassing door Moroni die al vroeger begonnen is. De hele passage klinkt als een afsluiting en afscheid (nagenoeg heel hoofdstuk 12, van vers 6 tot 41). In verzen 23 tot 25 heeft Moroni in een gebed tot God uiting gegeven aan zijn onzekerheid “wegens onze zwakheid in het schrijven”. Hij klaagt over de “onbeholpenheid van onze handen” en vreest “dat de andere volken de spot zullen drijven met onze woorden”. De Heer beantwoordt het gebed:

“Dwazen spotten, doch zij zullen treuren; en mijn genade is genoeg voor de zachtmoedigen, zodat zij geen misbruik zullen maken van uw zwakheid … Zie, Ik zal de andere volken hun zwakheid tonen, en Ik zal hun tonen dat geloof, hoop en naastenliefde tot Mij voeren” (12:26–28)

Moroni voelt zich getroost en reageert met een lange passage over geloof, hoop en naastenliefde (12:29–34). Daardoor zit er enigszins een breuk tot we aan vers 35 komen. Maar het voorgaande maakt het eerste deel van vers 35 duidelijk: andere volken (de mensen die het Boek van Mormon zullen lezen) hebben geen naastenliefde als ze met de zwakke schrijfstijl van het boek spotten.

Voor het tweede gedeelte van vers 35 kan de interpretatie dan luiden: door hun negatieve houding verliezen die mensen hun talent — ”hetgeen zij hebben ontvangen”, dus de toegang tot het Boek van Mormon en de waarheid. Dat wordt gegeven aan hen “die overvloediger bezitten” — openheid en naastenliefde. Daar sluit dan Moroni’s gebed logisch op aan:  “En het geschiedde dat ik de Heer bad dat Hij de andere volken genade zou schenken, opdat zij naastenliefde zouden bezitten” (12:36)

 

Ether 15:2 – “Hij zag dat er al bijna twee miljoen van zijn volk door het zwaard waren gedood”

Zie hiervoor bij de bespreking van de demografie.

 

6 – Gestructureerd lezen

Zie hier voor een algemeen schema van het boek Ether.

Zie hier voor een overzicht van de onderdelen van het boek Ether.

Ether 7 – Generaties van Orihah tot Shule

  • 1–3 – Opvolging van Orihah – Kib – Corihor.
  • 4–9 – Strijd van zoon Corihor tegen vader Kib, vervolgens Kibs zoon Shule tegen zijn broer Corihor.
  • 10–19 – Strijd van Corihors zoon Noach tegen Shule en zijn eigen vader Corihor.
  • 20–27 – Verdere strijd en herstel van de vrede onder Shule.

Ether 8 – Van Omer tot Akish – Moroni’s vierde tussenkomst

  • 1–6 – Omer verwekt Jared – Jared staat op tegen zijn vader, maar Omers andere zonen verslaan Jared.
  • 7–19 – Complot van Jareds dochter om Omer, dus haar grootvader, te doden. Zij danst voor Akish en laar de geheime eden gebruiken om de moord te begaan.
  • 20–26 – Moroni’s vierde tussenkomst in de kroniek, met bedenkingen over de geheime combinaties.

Ether 9 – Van Akish tot Com

  • 1–3 – Omer en zijn familie trekken weg.
  • 4–12 – De strijd rond Akish.
  • 13–22 – Omer “hersteld in zijn erfland” – zoon Emer volgt op voor een periode van vrede.
  • 23–25 – Opvolging door Coriantum, dan Com, dan Heth.
  • 26–29 – Heth onttroont zijn vader Com, profeten treden op.
  • 30–34 – Periode van schaarste, giftige slangen.
  • 35 – Bekering.

Ether 10 – Van Shez tot Com

  • 1–4 – Regering van de rechtvaardige koning Shez.
  • 5–8 – Regering van de slechte koning Riplakish, die verdreven wordt.
  • 9–12 – Regering van de slechte koning Morianton.
  • 13–18 – Opeenvolging van koningen.
  • 19–29 – Regering van de rechtvaardige koning Lib, met grote voorspoed in het land.
  • 30–34 – Opeenvolging van koningen.

Ether 11 – Van Com tot Ether

  • 1–3 – Regering van de rechtvaardige koning Com.
  • 4–9 – Strijd tussen Shiblom en zijn broeder.
  • 10–22 – Opeenvolging van slechte koningen, met gevangenschap van Moron en Coriantor.
  • 23 – Geboorte van Ether.

Ether 12 – Optreden van Ether – Moroni’s vijfde tussenkomst

  • 1–5 – Optreden van Ether.

Moroni’s vijfde tussenkomst, een intense afsluiting

  • 6–22 – Intense passage over geloof.
  • 23–25 – Gebed van Moroni over zijn zwakheid in het schrijven.
  • 26–28 – Antwoord van de Heer die Moroni troost.
  • 29–37 – Vervolg van het gebed van Moroni en nogmaals antwoord van de Heer.
  • 38–41 – Het (transitoire) afscheid: “En nu zeg ik, Moroni, de andere volken vaarwel…”

Ether 13 – Profetieën van Ether – Strijd rond Coriantumr

  • 1–12 – Profetieën van Ether, waarin verzen 7 tot 12 mogelijk een verduidelijking van Moroni zijn.
  • 13–14 – Beschrijving van Ethers’ situatie.
  • 15–19 – Algemene slechtheid onder Coriantumr.
  • 20–22 – Profetische waarschuwingen aan Coriantumr.
  • 23–31 – Wisselende oorlogskansen; strijd tussen Shared en Coriantumr.

Ether 14 – Vervloeking en oorlogen

  • 1–2 – Vervloeking over het hele land.
  • 3–31 – Opeenvolging van oorlogen.

Ether 15 – De eindfase

  • 1–3 – Coriantumr komt tot inkeer.
  • 4–12 – Volgende fase in de strijd tussen Shiz en Coriantumr.
  • 13–17 ­– Vier jaar oorlogsvoorbereiding, gevolgd door strijd.
  • 18–19 – Poging om de strijd te doen ophouden.
  • 20–32 – Eindstrijd.
  • 33–34 – Afsluiting door Moroni, laatste woorden van Ether.

 

Voetnoten

[1]    De afstamming van Lehi via Manasse wordt in Alma 9:3 bevestigd. De afstamming van Ishmaël via Efraïm heeft Joseph Smith bevestigd, volgens getuigenis van Erastus Snow (Journal of Discourses, vol. 23, 184b). Volgens Hugh Nibley wijst het huwelijk tussen de zonen van Lehi en de dochters van Ishmaël op noodzakelijke verwantschap tussen beide families. Zie Hugh Nibley, Lehi In the Desert (Provo, Utah: FARMS), 40.

[2]    Hugh Nibley, The World of the Jaredites, chapter 4, “Jaredite Culture: Splendor and Shame”, sectie “A World of Jails”. In de editie van 1952, pp. 201–203. Oudheidkundige Hugh Nibley heeft in verscheidene studies heel wat geschreven over “de wereld van de Jaredieten”. Een groot deel ervan verscheen in het kerkelijk tijdschrift The Improvement Era in de jaren 1950. Nibley’s publikaties over de Jaredieten zijn grotendeels samengebracht in een verzamelwerk Lehi in the Desert; The World of the Jaredites; They Were Jaredites (Salt Lake City: Deseret Book Company, 1988).

[3]    Jean Dunbabin, Captivity and Imprisonment in Medieval Europe, 1000-1300 (New York, Palgrave Macmillan, 2002); Adam J. Kosto, Hostages in the Middle Ages (Oxford: Oxford University Press, 2012). Populair werd het fictieve verhaal van het IJzeren Masker, de opgesloten tweelingbroer van Lodewijk XIV.

[4]    Voor een bespreking van de doctrinale dimensie, zie Robert J. Matthews, “The Mission of Jesus Christ—Ether 3 and 4:2,” in Fourth Nephi, From Zion to Destruction, ed. Monte S. Nyman and Charles D. Tate Jr. (Provo, UT: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1995), 19–29.

[5]    Hugh Nibley, The World of the Jaredites, chapter 2, section “The Way Out”; Randall P. Spackman, The Jaredite Journey to America, 34–36; John L. Sorenson, An Ancient American Setting for The Book Of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1985), 116.

[6]    John L. Sorenson, Mormon’s Codex: An Ancient American Book (Kindle Locations 17213-17215). Deseret Book Company with Neal A. Maxwell Institute. Kindle Edition.

[7]    Hugh Nibley, The World of the Jaredites, chapter 2, section “The Way Out”.

[8]    Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 6a – Fourth Nephi through Ether 3 (Kindle Locations 5042-5046). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[9]    Zoals Brant Gardner, John Sorenson en anderen.

[10]  John L. Sorenson, An Ancient American Setting for The Book Of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1985).

[11]  John M. Butler ziet dit vanuit DNA perspectief: “A Few Thoughts from a Believing DNA Scientist,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 12, no. 1 (2003): 36-37; Sorenson baseert zich hierover op de melding van steden, vroeg in de geschiedenis: “The reference to a city implies a substantial population. That surely means that a native population had become involved with the colonists, the only means of providing sufficient numbers to justify the city designation.” John L. Sorenson , Mormon’s Codex: An Ancient American Book (Kindle Locations 772-773). Deseret Book Company with Neal A. Maxwell Institute. Kindle Edition.

[12]  Meir Ban-Ilan, “Internecine Wars in Biblical Israel,” in War and Peace in Jewish Tradition: From the Biblical World to the Present, eds. Yigal Levin and Amnon Shapira, (New York: Routledge, 2012), 89–100 (100); Magen Broshi and Israel Finkelstein, “The Population of Palestine in Iron Age II,” Bulletin of the American Schools of Oriental Research (1992): 47–60; Yigal Shiloh, “The Population of Iron Age Palestine in the Light of a Sample Analysis of Urban Plans, Areas, and Population Density,” Bulletin of the American Schools of Oriental Research 239 (1980): 25–35.

[13]  John W. Welch, “Preliminary Comments on the Sources behind the Book of Ether,” FARMS Preliminary Reports (1986).

[14]  “What is the “sealed portion” of the Book of Mormon, and will we ever know what’s in it?” Ensign (Occtober 2011); Valentin Arts, “A Third Jaredite Record: The Sealed Portion of the Gold Plates,” Journal of Book of Mormon Studies 11, no. 1 (2002): 50–59, 110–111.

[15]  Felipe Fernández-Armesto, The Legendary Past. World of Myths, volume 2 (London: The Britisch Museum Press, 2004), vi.

[16]  Voor dit en andere inzichten is een van de belangrijkste analisten van mythe en religie Mircea Eliade. Relevant voor ons zijn werken als (vertaald in het Engels) The Sacred and the Profane: The Nature of Religion; Myth and Reality; The Quest: History and Meaning in Religion.

[17]  Zie bv. Hugh Nibley, Temple and Cosmos, Collected Works of Hugh Nibley, vol. 12, ed. Don E. Norton (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1992), 541–549.

[18]  “mannelijke en vrouwelijke”. Ik gebruik hier de vroegere vertaling. De huidige vertaling spreekt van “mannetjes en wijfjes”, wat een afwijking is van de Engelse adjectivale vormen male and female en ook niet overeenstemt met het taalgebruik van de HSV in Genesis 7:3, 9. Het is de zoveelste onnodige en foutieve wijziging in de huidige vertaling van het Boek van Mormon.

[19]  Zie ook John S. Thompson, “The Jaredite Exodus: A Literary Perspective of a Historical Narrative,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 3, no. 1 (1994): 104–112. Thompson signaleert de dimensie van het scheppingsverhaal en de symboliek van het licht van Christus in de stenen, maar ziet in het verhaal ook nog de ervaring met de tempel. Dat laatste lijkt mij niet echt ondersteund door de tekst. Thompson zocht in het boek Ether een toepassing van analyse die Alan Goff al had gemaakt voor de vergelijkbare tocht van Lehi en zijn groep over de oceaan. Zie Alan Goff, “Boats, Beginnings, and Repetitions,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 1, no. 1 (1992): 67–84. Een andere analist die (soms wat vergaande) parallellismen tussen Jareds exodus en het heilsplan voorstelt is Thomas R. Valletta, “Jared and His Brother,” in Fourth Nephi, From Zion to Destruction, ed. Monte S. Nyman and Charles D. Tate Jr. (Provo, UT: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1995), 303–322.

[20] Paul Y. Hoskisson, “An Introduction to the Relevance of and a Methodology for a Study of the Proper Names of the Book of Mormon,” in By Study and Also by Faith, Essays in Honor of Hugh W. Nibley, vol. 2, eds. John M. Lundquist, Stephen D. Ricks (Salt Lake City/Provo: Deseret Book/Farms, 1990).

[21]  Stephen D. Ricks, “Some Observations on Proper Name Formation in the Book of Mormon,” Deseret Language and Linguistic Society Symposium 11, no. 1 (1985), 129–131.

[22]  John A. Tvedtnes, “A Phonemic Analysis Of Nephite And Jaredite Proper Names,” Paper Presented at the Twenty-second Annual Symposium on the Archaeology of the Scriptures and Allied Fields, held at Brigham Young University on October 28, 1973. Ook in Newsletter and Proceedings of the SEHA, no. 141 (December 1977).

[23]  John L. Sorenson, An Ancient American Setting for the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book/Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 1985), 59.

[24]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 6a – Fourth Nephi through Ether 3 (Kindle Locations 3825-3841). Greg Kofford Books. Kindle Edition. “Omdat in het Olmeekse kerngebied in historische tijden de Mixe-Zoquetalen gesproken werden en worden, veronderstellen de meeste wetenschappers dat de Olmeken een of meer talen van deze familie spraken. Zo poneerden de Amerikaanse linguïsten Terrence Kaufman en Lyle Campbell in 1976 de stelling dat de Olmeken Proto-Mixe-Zoque gesproken zouden hebben, en suggereerde de Mixe-Zoquespecialist Søren Wichmann in 2008 dat de Olmeken van San Lorenzo Proto-Mixe spraken en de Olmeken van La Venta Proto-Zoque. Michael D. Coe speculeerde in 1968 dat de Olmeken voorouders van de Maya’s zouden zijn en ook Otomanguetalen behoren tot de mogelijkheden.” (Wikipedia, Olmeken)

[25]  Zo onder meer Nibley, Lehi in the Desert, 238-242; Sorenson, An Ancient American Setting, 84.

[26]  Hugh Nibley, The World of the Jaredites, chapter 4, “Jaredite Culture: Splendor and Shame”, sectie “Steel, Glass, and Silk”. Ook geciteerd in Randal S. Chase, Book of Mormon Study Guide, Pt. 3, Helaman to Moroni (Making Precious Things Plain) (Kindle Locations 6166-6179). Plain and Precious Publishing. Kindle Edition.

[27]  Voor dit argument, zie William J. Hamblin and A. Brent Merrill, “Swords in the Book of Mormon,” in Warfare in the Book of Mormon, ed. Stephen D. Ricks and William J. Hamblin (Salt Lake City: Deseret Book/Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 1990), 347.

[28]  John L. Sorenson, “Possible ‘Silk’ and ‘Linen’ in the Book of Mormon,” in John W. Welch, ed., Reexploring the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1992), 162.

[29]  Hugh Nibley, The World of the Jaredites, chapter 4, “Jaredite Culture: Splendor and Shame”, sectie “The Animal Kingdom”. Zie ook Randal S. Chase, Book of Mormon Study Guide, Pt. 3, Helaman to Moroni (Making Precious Things Plain) (Kindle Locations 6317-6320). Plain and Precious Publishing. Kindle Edition.