Les 44 – Mormon 7–9

“Ik spreek tot u, alsof gij aanwezig waart”

1 – Moroni: biografische noot
2 – Moroni: de zuiverste stem in het Boek van Mormon
3 – “Tekens die hervormd Egyptische worden genoemd”
4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
5 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier

Deze les omvat de drie laatste hoofdstukken van het interne “boek Mormon”. Hoofdstuk 7 hoort nog bij het gedeelte dat Mormon zelf schreef. Ik besprak dat in de vorige les, omdat het zo sterk hoort bij Mormons hele benadering. Het vormt de derde passage in een reeks van drie, die je best samen houdt in de bespreking (zie hier voor die bespreking).

 

locke_eenzaamheid“Eenzaamheid” door Cathy  Locke

 

Hoofdstukken 8 en 9 geven ons de woorden van Mormons zoon Moroni. Hij vervult daarmee de opdracht van zijn vader om de kroniek af te sluiten en het eindpunt te zetten. Het curriculum koos als ondertitel van deze les “Ik spreek tot u, alsof gij aanwezig waart”. Die zin uit hoofdstuk 8 is belangrijk omdat een groot deel van Moroni’s woorden tot toekomende generaties is gericht. Maar een andere zin als ondertitel had de mens Moroni belicht: “Ik ben alleen, en ik heb geen vrienden en kan nergens heen” (8:5). Die eenzaamheid belichten, en het effect ervan op Moroni’s benadering, leek mij een even belangrijk aspect van deze les.

 

1 – Moroni: biografische noot

Naam, geboortejaar en leeftijd
Geroepen tot de bediening
Legerleider
Afsluiter en openbaarder van het Boek van Mormon

 

Naam, geboortejaar en leeftijd

We zijn nu in de vierde eeuw van onze tijdrekening.

Waarom Mormon zijn zoon Moroni noemde weten we niet zeker, maar er zijn aanduidingen dat hij hiermee wilde verwijzen naar een illustere voorganger, namelijk opperbevelhebber Moroni in de eerste eeuw v.C. In zijn beknopte bewerking van de kronieken besteedt Mormon bovenmaatse aandacht aan deze “eerste” Moroni en overlaadt hem met eerbetoon (Alma 48:11–13). Het is ook niet uitgesloten dat deze Moroni in de geslachtslijn van Mormon voorkwam, gelet op het erfelijk karakter van de legerleiding (Alma 62:43).

Voor de etymologie van Moroni suggereren analisten het West-Semitische mrʾ, met de betekenis “heer, meester”.[1] De naam Moron zit in de Jareditische genealogie en is tevens de naam van een land (Ether 1:7; 7:5–6). Hugh Nibley verduidelijkte dat het suffix –i evident wijst op de betekenis “toehorend aan of afkomstig van Moron”. Dat zou dan toepasselijk geweest zijn op de “eerste” Moroni of op een  nog verdere voorvader met die naam.[2]

De tekst zegt niets over Moroni’s geboortejaar. Nochtans is dit interessant om een idee van zijn leeftijd te hebben wanneer hij het Boek van Mormon afsluit. Met wat zoekwerk is een approximatief geboortejaar wel vast te stellen. Moroni’s vader Mormon werd nagenoeg zeker in 310 n.C. geboren, aangezien hij omstreeks 320 als tienjarig kind door Ammaron werd aangesproken en in 326 als zestienjarige als legeraanvoerder werd aangesteld (Mormon 1:2; 2:2). Na een periode van vier jaar intense oorlog, van 327 tot 330, breekt een rustiger periode van veertien jaar aan, van 331 tot 344. Volgens Alan Miner zal dit de meest aangewezen periode geweest zijn voor Mormon om een gezin te stichten, ergens tussen de leeftijd van eenentwintig en vierendertig jaar.[3] Moroni kan dus geboren zijn tussen 332 en 344. Donl Peterson stelt dat Moroni vermoedelijk geboren werd “dicht tegen het midden van de vierde eeuw n.C.”[4]

We moeten van hypothesen uitgaan, maar het lijkt aanvaardbaar om dan het jaar 340 als een richtdatum voor Moroni’s geboorte aan te nemen, wanneer zijn vader dertig is — met een strook van tien jaar ervoor en erna voor alternatieven. Dan is Moroni vijfenveertig op het moment van de slag van Cumorah in 385 n.C., zestig wanneer hij zich aan het afwerken van de kroniek zet in 400 n.C. en éénentachtig wanneer hij zijn laatste woorden schrijft — wanneer “er meer dan vierhonderdtwintig jaar zijn verstreken sinds het teken van de komst van Christus werd gegeven” (Moroni 10:1). Die lange levensloop, waarvan zesendertig jaar in eenzaamheid na de slag van Cumorah, is een belangrijk element om Moroni beter te begrijpen. We zullen ontdekken hoe Moroni doorheen die eenzame jaren zelf rijpt, van wraakzucht tot liefde.

 

Geroepen tot de bediening

Net zoals zijn vader vervulde Moroni zowel religieuze als militaire taken, vermoedelijk in de lijn van een lange familiale traditie. Zie hiervoor dit onderdeel in les 43.

De religieuze roeping wordt bevestigd in een brief van Mormon aan Moroni:

Een brief van mijn vader Mormon, geschreven aan mij, Moroni; en hij is aan mij geschreven kort na mijn roeping tot de bediening. En op deze wijze heeft hij mij geschreven, zeggende: Mijn geliefde zoon, Moroni, ik ben buitengewoon verheugd dat uw Heer Jezus Christus u indachtig is geweest en u tot zijn bediening heeft geroepen, en tot zijn heilige werk. (Moroni 8:1–2)

Wat een “bediening” in deze tijd onder de Nephieten inhield, heeft Mormon in zijn toespraak uitgelegd:

En de taak van hun bediening is om mensen bekering toe te roepen en het werk van de verbonden van de Vader die Hij met de mensenkinderen heeft gesloten, te vervullen en te verrichten; om de weg onder de mensenkinderen te bereiden door het woord van Christus te verkondigen aan de uitverkoren vaten des Heren, opdat zij van Hem zullen getuigen. (Moroni 7:31)

Zijn familiale achtergrond en zijn ervaring met die bediening verklaren Moroni’s grondige vertrouwdheid met de Schriften en met prediking, zoals blijkt uit zijn religieuze retoriek, onderwerp van deze en volgende lessen.

In welke mate de kerk echter nog organisatorisch functioneerde in deze oorlogsjaren en deze periode van grote slechtheid onder de Nephieten is moeilijk te zeggen. Bij zijn bezoek had Jezus zijn kerk onder de leiding van twaalf discipelen gesteld, die vervangen werden bij overlijden (4 Nephi 1:14). Omstreeks 200 n.C. begon de kerk echter af te takelen. Het volk dat in Christus bleef geloven noemde zich Nephieten, maar tegen het jaar 300 waren ook zij in even grote slechtheid als de Lamanieten vervallen (4 Nephi 1:36, 45). Tijdens zijn leven getuigt Mormon geregeld van de algemene slechtheid en ongeloof onder zijn eigen volk (Mormon 1:13–14; 2:27; 3:11–13; 4:10–12).

Toch moet er nog een kern van gelovigen actief geweest zijn. Moroni noteert een toespraak van zijn vader over geloof, hoop en naastenliefde — “want aldus sprak hij tot de mensen toen hij hen onderwees in de synagoge, die zij als plaats van aanbidding hadden gebouwd” (Moroni 7:1). Mormon richt zich tot die groep als “u die tot de kerk behoort, die de vredige volgelingen van Christus zijt”.

Deze “vredige volgelingen” kenden echter ook doctrinale disputen, zoals blijkt uit Mormons brief aan Moroni: “En nu, mijn zoon, spreek ik tot u over hetgeen mij buitengewoon bedroeft; want het bedroeft mij dat er woordenstrijd onder u ontstaat. Want, indien ik de waarheid heb vernomen, is er woordenstrijd onder u geweest aangaande de doop van uw kleine kinderen” (Moroni 8:4–5). Mormon legt dan de juiste leer uit vanuit een ontvangen openbaring, wat aantoont dat Mormon op dit punt een hoger geestelijk gezag vertegenwoordigt dan zijn zoon die nog maar kort geleden geroepen werd.

Maar wat er nog overblijft aan kerk is ook aan het verdwijnen. Mormon spreekt in zijn brief over de Nephieten in zijn eigen omgeving en besluit:

“Doch zie, ik vrees dat de Geest is opgehouden op hen in te werken; en in dit deel van het land trachten zij ook een eind te maken aan alle macht en gezag die van God komen; en zij verloochenen de Heilige Geest.” (Moroni 8:28)

 

Legerleider

Moroni treedt ook op als een van de legerleiders bij de slag van Cumorah (Mormon 6:12). Dat bevestigt het vermoeden van een familiale lijn van militairen. Hij was één van de vierentwintig die nog leefden na de slachting van het volk.

 

Afsluiter en openbaarder van het Boek van Mormon

Na de slag van Cumorah is het Moroni’s opdracht de kronieken af te sluiten. Die inhouden, en wat we er verder uit leren over Moroni, bespreken we uitgebreid in het volgende punt en in volgende lessen.

Ten slotte wordt Moroni, 1400 jaar later, ook de “openbaarder” van het Boek van Mormon wanneer hij als opgestaan wezen de platen aan Joseph Smith toevertrouwt. Dat is dan weer deel van de moderne kerkgeschiedenis.

 

2 – Moroni: de zuiverste stem in het Boek van Mormon

Elke schrijver in het Boek van Mormon heeft zijn eigenheid en zijn waarde, maar Moroni is ongetwijfeld de zuiverste, de meest oorspronkelijke stem. Zijn woorden zijn door geen tweede hand bewerkt of ingekort. Hij was immers de allerlaatste schrijver en schreef in volstrekte eenzaamheid. Niemand kon hem beïnvloeden. Aan niemand kon hij zijn teksten voorleggen voor correcties of suggesties noch voor literaire verrijking zoals we bij andere schrijvers hebben gezien. Wat Moroni uit het hart in het klad schreef was meteen net.

Authenticiteit van Moroni’s gedachtegang
Oprechtheid in een hortende start
Bezorgdheid om onvolmaaktheden
De troost van het oordeel en de wraak
De geest van prediking: “Het zal komen” en “Waarom?”
Een kenterende gedachtenvloed in het laatste bedrijf

 

Authenticiteit van Moroni’s gedachtegang

We zijn in het jaar 400 n.C. Vijftien jaar zijn voorbijgegaan sinds de vernietigende slag van Cumorah. Ondanks de opdracht van zijn vader heeft Moroni nog geen letter aan Mormons laatste woorden toegevoegd. Allicht leenden de omstandigheden er zich niet toe. Na Cumorah werden overlevende Nephieten opgejaagd en ter dood gebracht. Ook voor Moroni moeten dat jaren van vluchten en onderduiken betekend hebben. Hij moest het gunstig moment afwachten om terug te keren naar de plaats waar de platen verborgen laten. Ook zijn gemoed moest het onuitspreekbare verwerken: zijn vader, zijn verwanten, zijn vrienden en zijn volk waren in bloed weggewist. Zijn achtervolgers jaagden hem lichamelijk op, maar zijn herinneringen moeten hem nog meer gekweld hebben. Als we dit voor ogen houden, kunnen we Moroni’s geschriften  beter begrijpen wanneer hij na vijftien jaar de plek bereikt waar zijn vader het laatst gewerkt heeft.

Voor deze bespreking hanteer ik ditmaal een klassieke tekstanalyse: de inhoud contextueel doorgronden om beter te vatten hoe en waarom de schrijver schreef zoals hij schreef. In deze les gaat het om Moroni’s twee hoofdstukken in het boek Mormon (Mormon 8 en 9), in volgende lessen om zijn woorden in het boek Ether en het boek Moroni.

Wat deze analyse vooral aan het licht brengt is de authenticiteit van Moroni’s gedachtegang. We kunnen de stappen in zijn gemoedsgesteltenis helder volgen, van een aarzelende, neerslachtige start, over groeiende opwinding naar gerechtigde gramschap, om dan de geest van meevoelen en van liefde te zien overnemen. Je kunt Moroni’s schrijftrant niet altijd beheerst of coherent noemen, maar precies die natuurlijke sprongen maken hem uniek tussen alle andere schrijvers.

 

Oprechtheid in een hortende start

Moroni begint zijn tekst met korte zinnen. Geen vloeiende retoriek, maar een hortende start. Ongetwijfeld herlas hij eerst wat zijn vader als laatste woorden had geschreven. Dan grift hij zijn eigen eerste woorden erachter, nederig in de schaduw van zijn vader en omdat die het geboden heeft. Moroni heeft hier geen zin om een lang verhaal te maken, mogelijk ook uit de overweging dat hij zelf niet lang meer te leven heeft:

Zie, ik, Moroni, beëindig de kroniek van mijn vader Mormon. Zie, ik heb slechts enkele dingen te schrijven, namelijk hetgeen mijn vader mij geboden heeft. (8:1)

Zijn samenvatting van de toestand is kil en compact, zonder enig detail, in een camerabeweging die van het grote geheel van de veldslag verengt naar de vluchtende overlevenden, dan naar zijn vader, ten slotte naar zijn eenzaam zelf:

En nu geschiedde het na de grote en ontzettende slag bij Cumorah, zie, dat de Nephieten die naar het zuidelijke land waren ontkomen, door de Lamanieten werden nagezeten totdat zij allen waren vernietigd. En ook mijn vader werd door hen gedood, en alleen ik ben overgebleven om het droeve verhaal van de vernietiging van mijn volk op te schrijven. (8:2–3)

De volgende korte zinnen ademen berusting in de onzekerheid, en opnieuw een verwijzing naar het gebod van zijn vader, als enige reden voor zijn schrijven:

Doch zie, zij zijn heengegaan, en ik kom het gebod van mijn vader na. En of zij mij zullen doden, weet ik niet. Daarom zal ik schrijven en de kronieken in de aarde verbergen; en waar ik heen ga, doet er niet toe. (8:3–4)

shanti-marie_eenzaamheid“Eenzaamheid” door Shanti Marie

 

Onmacht en neerslachtigheid breken door:

Zie, mijn vader heeft deze kroniek geschreven, en hij heeft de reden daarvoor opgeschreven. En zie, ik zou die ook opschrijven als ik op de platen ruimte had, maar die heb ik niet; en erts heb ik niet, want ik ben alleen, en ik heb geen vrienden en kan nergens heen; en hoe lang de Heer zal toestaan dat ik leef, weet ik niet. (8:5)

Er volgen een aantal bondige, bittere zinnen die de algemene toestand schetsen: de Nephieten zijn vernietigd, de Lamanieten voeren onderling oorlog, niemand kent nog de ware God (8:6–12). Vervolgens hervalt Moroni in wat hij al gezegd heeft, zichzelf nog eens identificerend, zoekend naar de woorden om alles snel af te sluiten:

Zie, ik ben Moroni; en als het mogelijk was, zou ik u alle dingen bekendmaken. Zie, ik houd op met spreken over dit volk. Ik ben de zoon van Mormon, en mijn vader was een afstammeling van Nephi. En ik ben dezelfde die deze kroniek in de hoede des Heren verbergt (8:12–14).

 

Bezorgdheid om onvolmaaktheden

“… deze kroniek in de hoede des Heren verbergt”. Moroni wilde ophouden met spreken, maar het ene woord roept het andere op in de gedachtegang: te midden van zijn sombere bedenkingen trekt Moroni zich op aan de realiteit van de kroniek die hij moet verbergen. Hij beseft dat het niet om hem gaat, maar om de kroniek. En wanneer hij daaraan denkt is hij eerst bezorgd om de onvolmaaktheden en stelt hij de toekomstige lezer gerust met een belofte:

En wie deze kroniek ontvangt en die niet veroordeelt wegens de onvolmaaktheden die erin staan, die zal kennis krijgen van grotere dingen dan deze.” (8:12).

“… kennis van grotere dingen”. Vanaf dit punt zien we Moroni opleven als hij aan “die dingen” en aan de toekomst begint te denken. Immers, de kroniek is gericht op “Gods eer” en “op het welzijn van het oude en lang verstrooide verbondsvolk des Heren” (8:15). Het verbergen van de kroniek betekent ook dat de kroniek ooit eens in het licht zal worden gebracht. Profetisch voelt Moroni al een binding met wie dat zal mogen doen:

En gezegend is hij die deze dingen aan het licht brengt; want volgens het woord Gods zullen zij vanuit de duisternis in het licht worden gebracht; ja, zij zullen uit de aarde worden voortgebracht, en zij zullen uit de duisternis schijnen en het volk zal er weet van krijgen; en het zal gebeuren door de macht Gods. (8:16)

Maar dan opnieuw even de twijfel over onvolmaaktheden, die hij meteen bezweert:

En indien er fouten zijn, zijn het de fouten van een mens. Doch zie, wij weten van geen fout; niettemin, God weet alle dingen; daarom, laat hij die veroordeelt, zich bewust zijn van het gevaar voor het hellevuur. (8:17).

Even verder komt hij er opnieuw op terug:

“En indien onze platen groot genoeg waren geweest, hadden wij in het Hebreeuws geschreven; maar ook het Hebreeuws is door ons veranderd; en indien wij in het Hebreeuws hadden kunnen schrijven, zie, dan hadt gij in onze kroniek geen onvolmaaktheid gehad.” (9:33)

Ook in het “boek Ether”, waarvan Moroni de beknopte bewerking maakt, weegt die bezorgdheid om “de zwakheid” van zijn schrijven door. In gebed voert Moroni er een hele dialoog over met de Heer (Ether 12:23–37). En op het titelblad van het Boek van Mormon is het ook weer Moroni die smeekt: “En nu, indien er fouten zijn, zijn het de vergissingen van mensen; daarom, veroordeel niet de dingen Gods, opdat gij vlekkeloos zult worden bevonden voor de rechterstoel van Christus.” Die bezorgdheid loopt als een rode draad door Moroni’s teksten.

 

De troost van het oordeel en de wraak

Die laatste woorden in Mormon 8:17 over oordeel en hellevuur doen Moroni’s gedachtegang verruimen naar een nog groter perspectief. We zien hem ontstijgen aan de eenzame hoek waarin hij de kroniek aanvult. In een passage van bijna tweehonderd woorden grijpt hij terug naar Schriftteksten over het oordeel: “Want zie, wie overijld oordeelt, zal ook zelf overijld geoordeeld worden … Ziet wat de Schrift zegt…” Dit zijn zinnen die hij als kind ontelbare malen gehoord moet hebben en als bedienaar van het woord ontelbare malen heeft uitgesproken. Het zijn directe echo’s uit de prediking van Jezus aan de Nephieten. De gemoedsgesteltenis van Moroni vraagt om weerwerk tegen al wat hem bedrukt in zijn vreselijke herinneringen en daartoe borrelen passende zinnen over Gods wraak en vergelding in hem op. Na al wat hij heeft meegemaakt, kan hij die bittere troost gebruiken:

Want Mij komt het oordeel toe, zegt de Heer, en Mij komt ook de wraak toe en Ik zal vergelden. En hij die verbolgenheid en strijd tegen het werk des Heren blaast, en tegen het verbondsvolk des Heren, dat het huis Israëls is, en zegt: Wij zullen het werk des Heren vernietigen, en de Heer zal zijn verbond, dat Hij met het huis Israëls heeft gesloten, niet gedenken — die loopt gevaar te worden omgehakt en in het vuur te worden geworpen; want de eeuwige doeleinden des Heren zullen voortgaan totdat al zijn beloften zijn vervuld. (8:21–22)

“… totdat al zijn beloften zijn vervuld”. Dat doet Moroni aan de profeten en hun beloften denken. Tot dit punt heeft hij zich nog niet echt rechtstreeks tot zijn toekomstig publiek gericht, maar hier opent zijn gemoed die ingebeelde communicatie met een concrete opdracht: “Onderzoekt de profetieën van Jesaja.” (8:23). Op dat élan gaat hij in de volgende zinnen verder en herinnert hij zijn toehoorders aan “de heiligen die mij zijn voorgegaan”, aan hun werken en wonderen (8:24). Wat die mannen voorzagen slaat ook op de toekomst van de kroniek: “En zie, hun gebeden waren ook ten behoeve van hem die de Heer zou toestaan deze dingen tevoorschijn te brengen” (8:25).

 

De geest van prediking: “Het zal komen” en “Waarom?”

Met groeiende opwinding over die toekomst komt Moroni nu volop in de geest van prediking en profetie, zoals hij die van zijn vader kent en zoals hij die zelf als bedienaar heeft toegepast. Daarenboven inspireert hem de openbaring over het kwaad in de toekomst: “Maar zie, Jezus Christus heeft u aan mij getoond en ik ken uw werken” (8:35).

Die funeste kennis kleurt het vervolg van het hoofdstuk. We kunnen er twee passages in onderscheiden door Moroni’s gebruik van anaforen, de stijlfiguur die hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het begin van opeenvolgende zinnen of zinsdelen herhaalt. De eerste passage gebruikt zeven keer de anafoor “het zal komen” (8:26–32), de tweede gebruikt zeven keer de anafoor “waarom?” (8:33–41). Het gaat niet om een berekende benadering: de passages vloeien natuurlijk uit Moroni’s opgewonden gedachtegang en uit de Geest die hem bezielt.

Het zal komen. De “Het zal komen”-passage gaat verder op de aankondiging in vers 25 dat “deze dingen” tevoorschijn zullen komen — de kroniek der Nephieten —, met verwijzing naar Jesaja’s “iemand die uit de doden spreekt”. In de communicatie die hij zich verbeeldt met toekomstige toehoorders reageert Moroni op wie zou beweren dat deze dingen “niet zullen komen”. Hij antwoordt krachtig dat ze wél zullen gebeuren, met profetische verkondiging van dramatische toestanden, echo’s uit tal van vroegere profetieën.

44-1

44-2

Voortgaand op die bittere en sombere beelden bouwt Moroni in de volgende passage verder op het thema van de ontwijde kerken die lijden onder hoogmoed en door geld gedreven worden (zie in het kader hiervoor verzen 28 en 32).

“Waarom?” In de tweede anaforische passage ligt de intensiteit nog een graad hoger. Moroni’s stijgende verontwaardiging brengt hem tot de veroordelende uitroep:

O gij slecht en verkeerd en halsstarrig volk,
waarom hebt gij kerken voor uzelf gesticht om gewin te verkrijgen?
Waarom hebt gij het heilige woord Gods veranderd, zodat gij verdoemenis over uw ziel brengt?

Dan wijkt Moroni even af, in het besef dat hij nog moet verklaren hoe hij weet dat men in de toekomst kerken voor gewin heeft gesticht en Gods woord heeft veranderd. Ook om te verduidelijken tot wie hij zich richt. Het zijn logische gedachtesprongen in flashback, en die een gecorrigeerde tekst in de juiste volgorde zou hebben gezet. Maar Moroni schrijft zoals het in hem opkomt. Die verklaringen worden voorafgegaan door zie:

Zie, vertrouwt op de openbaringen Gods; want zie, te dien dage komt de tijd dat al die dingen moeten worden vervuld.
Zie, de Heer heeft mij grote en wonderbare dingen getoond aangaande hetgeen binnenkort moet komen, ten dage dat die dingen onder u tevoorschijn komen.
Zie, ik spreek tot u alsof gij aanwezig zijt, en toch zijt gij het niet.
Maar zie, Jezus Christus heeft u aan mij getoond en ik ken uw werken. (8:33–35)

Hij beschrijft dan wat hij in de toekomst gezien heeft: hoogmoed, fraaie kleren, afgunst, strijd, geld en de rijke versiering van kerken, allemaal zaken “die gij meer liefhebt dan gij de armen en de behoeftigen, de zieken en de bezochten liefhebt” (8:36–37).

Vervolgens zet hij de veroordelende uitroep met de anafoor waarom verder. Noteer ook de aanwezigheid van een dubbel polysyndeton, de opsomming met het voegwoord en, dat stilistisch een groeiende opwinding vertolkt.

44-3

Het einde bevestigt de sfeer van oordeel en wraak die Moroni op dit hoogtepunt van zijn woede bezielt:

“Zie, het zwaard der wrake hangt boven u; en weldra komt de tijd dat Hij het bloed der heiligen op u wreekt, want Hij zal hun geroep niet langer verdragen.” (9:41)

 

Een kenterende gedachtenvloed in het laatste bedrijf

We stappen over naar hoofdstuk 9. Die indeling is van latere datum, maar het is best mogelijk dat ook Moroni hier zijn schrijven even heeft onderbroken want hij zet een volgende stap in de gedachtegang.

Moroni schrijft vanuit de overtuiging dat dit zijn laatste woorden op de platen zijn. Hij heeft er geen idee van dat hij nog meer dan twintig jaar zal leven, terug zal komen naar deze plek en nog heel wat zal schrijven. Nu wordt hij bezield door een aandrift om nog enkele vitale dingen te zeggen. En hier zien we een verdere kentering in de gedachtegang, fase na fase, van het hopeloze naar het hoopvolle.

In wat voorafging, in hoofdstuk 8, lag de nadruk op veroordeling en wraak omdat Moroni in visioen zoveel slechts had gezien. Nu neemt zijn bezorgdheid voor het eeuwig lot van de mens de bovenhand. Hij richt zich eerst scherp tot de ongelovigen, niet om hen te veroordelen, maar om hen te overtuigen dat zij alsnog gered kunnen worden. Wie niet in Christus gelooft  spreekt hij rechtstreeks aan: “En nu spreek ik ook over hen die niet in Christus geloven. Zie, zult gij geloven op de dag van uw bezoeking …?” Hij daagt hen uit om te denken aan de dag des oordeels wanneer zij voor de Heiland zullen staan: “Zult gij dan nog langer de Christus verloochenen?” Hij houdt hen een schrikbeeld voor: het besef van uw schuld “zal een vlam van onuitblusbaar vuur in u ontsteken.” Maar dat alles is in de toekomst geprojecteerd. Het is nog niet zover. Dus is er nu nog hoop:

“Wendt u daarom tot de Heer; roept de Vader krachtig aan in de naam van Jezus om op die grote en laatste dag misschien vlekkeloos, rein, mooi en wit te worden bevonden, daar gij zijt gereinigd door het bloed van het Lam.” (9:6).

Dan richt Moroni zich tot hen die openbaringen en wonderen verloochenen. Van verzen 7 tot 20 houdt hij een vurig pleidooi om aan te tonen dat “God niet opgehouden is een God van wonderen te zijn”. Hij haalt daartoe de onveranderlijkheid van God aan, het plan van redding van Adam tot het laatste oordeel, de schepping van hemel en aarde en van de mens, de wonderen verricht door Christus en de apostelen. Die redenering bouwt op met getrapt parallellisme, namelijk waar één woord door herhaling de opstap wordt voor het volgende. Het is geen gezochte stijlfiguur die veel nadenken vergt. In mondelinge prediking is het eenvoudige techniek om met korte zinnen naar een climax te voeren.

44-4

Daaropvolgend confronteert Moroni de toehoorder met retorische vragen waarop maar één antwoord mogelijk is:

Zie, zijn de dingen die God heeft verricht niet wonderbaar in onze ogen? Ja, en wie kan de wonderbare werken Gods doorgronden? Wie zal zeggen dat het geen wonder is dat de hemel en de aarde door zijn woord zijn ontstaan; en dat de mens door de kracht van zijn woord is geschapen uit het stof der aarde; en dat er door de kracht van zijn woord wonderen zijn verricht? (9:16–17)

In die geestdrift wijzigt Moroni’s perspectief verder in positieve zin. Hij begint zijn toehoorders als bekeerlingen te zien: “Zie, Ik zeg u dat wie gelooft in Christus, in geen enkel opzicht twijfelende, wat hij de Vader ook zal vragen in de naam van Christus, het zal hem gegeven worden…” (9:18). De volgende zes verzen gaan op dat élan verder, vol beloften, maar ook met een oprisping naar wie nog niet gelooft of het werk des Heren nog veracht. Maar de overwinning is nabij en de toon mag dan ook uitdagend worden met de anafoor wie:

En nu, zie, wie kan de werken des Heren weerstaan?
Wie  kan zijn woorden verloochenen?
Wie wil opstaan tegen de almacht des Heren?
Wie wil de werken des Heren verachten?
Wie wil de kinderen van Christus verachten? (9:26)

De raad is dan ook: “O, veracht dus niet en verwondert u niet, maar luistert naar de woorden des Heren”. Het vers eindigt in verwelkoming thuis: “Twijfelt niet, doch weest gelovig en begint zoals in vroegere tijden en komt tot de Heer met geheel uw hart en bewerkt uw eigen behoudenis met vrees en beven voor zijn aangezicht.” (9:27).

De schapen zijn binnen. Moroni gaat verder met rustiger vermanen: wees wijs in de dagen van uw proeftijd, weersta verzoeking, wees waardig bij de doop en bij het nemen van het avondmaal. “En indien gij dat doet en tot het einde volhardt, zult gij geenszins worden uitgeworpen” (9:28–29). Het hele perspectief van doem is veranderd in hoop.

Op dit punt keert Moroni terug naar zichzelf en de kroniek: “Zie, ik spreek tot u alsof ik uit de doden spreek…” (9:30). Meteen steekt de bezorgdheid die hij bij aanvang voelde terug de kop op, maar hij vindt er zachte woorden voor:

“Veroordeelt mij niet wegens mijn onvolmaaktheid, noch mijn vader wegens zijn onvolmaaktheid, noch hen die vóór hem hebben geschreven; maar dankt liever God dat Hij u onze onvolmaaktheden heeft onthuld, opdat gij zult leren wijzer te zijn dan wij geweest zijn.” (9:31).

Moroni vult dit aan met informatie die hij verontschuldigend bedoelt, maar die voor analisten belangrijk is: de onvolmaaktheden zijn te wijten aan taalproblemen, aan de hervormd Egyptische tekens en aan het feit dat hun Hebreeuws over de jaren gewijzigd is — “indien wij in het Hebreeuws hadden kunnen schrijven, zie, dan hadt gij in onze kroniek geen onvolmaaktheid gehad” (zie hierover verder).

Ten slotte trekt zijn griffel de laatste karakters op de platen. Aan de ene kant een blik op het bittere verleden — “opdat wij onze klederen kunnen reinigen van het bloed van onze broeders, die in ongeloof zijn verkommerd” —, aan de andere kant een hoopvolle blik op de toekomst van “onze broeders” — “hun herstel tot de kennis van Christus, is volgens de gebeden van alle heiligen die in het land hebben gewoond”. Moroni kan zijn werk aftekenen met een vreugdevolle slotwens:

En moge de Heer Jezus Christus geven dat hun gebeden volgens hun geloof worden verhoord; en moge God de Vader het verbond gedenken dat Hij met het huis Israëls heeft gesloten; en moge Hij hen eeuwig zegenen door het geloof in de naam van Jezus Christus. Amen. (9:37)

 

3 – “Tekens die hervormd Egyptische worden genoemd”

“En nu, zie, wij hebben deze kroniek volgens onze kennis geschreven met de tekens die onder ons de hervormd Egyptische worden genoemd” (Mormon 9:32).

“In de taal der Egyptenaren”: een kwestie van karakters
Wat kunnen die hervormd Egyptische karakters geweest zijn?
Hebreeuws in hervormd Egyptische karakters
De grootte van de platen en de keuze van de schrijfvorm

 

“In de taal der Egyptenaren”: een kwestie van karakters

Op drie plaatsen spreekt het Boek van Mormon over taalgebruik op de platen. Merkwaardig is dat die passages bij de prille aanvang, in het midden en op het einde van de duizend jaar Nephitische geschiedenis voorkomen, zodat we een continuïteit over de hele periode kunnen vaststellen.

Ten eerste schreef Nephi, zoon van Lehi, bij de aanvang van het Boek van Mormon, in het begin van de zesde eeuw v.C.: “Ja, ik schrijf een kroniek in de taal van mijn vader, die bestaat uit de geleerdheid der Joden en de taal der Egyptenaren” (1 Nephi 1:2).

Ten tweede geeft koning Benjamin ons in 130 v.C., vijfhonderd jaar na Nephi, belangrijke bijkomende informatie. De koperen platen die Nephi van Laban had bekomen en die een groot gedeelte van het Oude Testament bevatten, waren eveneens geschreven “in de taal der Egyptenaren”. Uit Benjamins woorden blijkt dat de Egyptische “graveersels” nog steeds tot de schrijftrant van zijn tijd horen:

Mijn zonen, ik wil dat gij bedenkt dat als deze platen, die deze kronieken en geboden bevatten, er niet waren geweest, wij in onwetendheid hadden moeten blijven, zelfs in deze huidige tijd, zonder kennis van de verborgenheden Gods. Want het zou voor onze vader Lehi niet mogelijk zijn geweest zich deze dingen te herinneren om ze zijn kinderen te leren, dan alleen met behulp van deze platen; want daar hij onderwezen was in de taal der Egyptenaren, kon hij deze graveersels lezen en ze zijn kinderen leren, waardoor zij ze hun kinderen konden leren, en zo de geboden Gods konden volbrengen, ja, tot op deze huidige tijd. (Mosiah 1:3–4)

Ten derde, in 400 n.C., schrijft Moroni deze passage die veel analisten al jaren heeft beziggehouden:

En nu, zie, wij hebben deze kroniek volgens onze kennis geschreven met de tekens die onder ons de hervormd Egyptische worden genoemd, die wij hebben doorgegeven en veranderd volgens onze spreekwijze. En indien onze platen groot genoeg waren geweest, hadden wij in het Hebreeuws geschreven; maar ook het Hebreeuws is door ons veranderd; en indien wij in het Hebreeuws hadden kunnen schrijven, zie, dan hadt gij in onze kroniek geen onvolmaaktheid gehad (Mormon 9:32–33).

Ik noteer tussendoor de foutieve vertaling lettertekens voor het Engels characters — “the characters which are called among us the reformed Egyptian”. Ik heb dit in de citatie hierboven al gewijzigd in tekens. Het is precies eigen aan Egyptisch of aan een hervormd Egyptisch schrift dat het niet overeenstemt met het “één klank = één letter” schrijfsysteem en dus geen “lettertekens” gebruikt. De Volker-vertaling van 1890, onze eerste Nederlandse vertaling van het Boek van Mormon, gebruikte zelfs voor characters de term figuren om het onderscheid te onderstrepen.

Maar eigenlijk kun je characters best door karakters vertalen, de geijkte term voor taaltekens in de zogenaamde karaktertalen of logografisch schrift. Het is niet voor niets dat Joseph Smith die term gebruikte als weergave van wat er op de platen stond. Zowel het Engelse character als het Nederlandse karakter komen van het Middel-Frans caractère, dat het zelf van het Latijn character overnam, ontleend aan het Grieks χαρακτήρ [kharaktḗr], met de betekenis “ken-teken”, namelijk een teken aangebracht op bijvoorbeeld munten om ze te herkennen. Overdrachtelijk werd het woord ook als “kenmerk” van een mens, zijn “karakter” gebruikt. Maar de basisbetekenis, zowel in het Engels als in het Nederlands, blijft “kenteken, merkteken”, nu in het bijzonder voor taaltekens.

Nog een andere onnauwkeurigheid is de schrijfwijze Hervormd-Egyptisch in de huidige editie. Het Engels reformed Egyptian vraagt ook voor het Nederlands de spelling hervormd Egyptisch. Maar met hoofdletter voor Hervormd en met koppelteken erachter geeft dit aan het schrift een status die Moroni er niet aan toekende en die verkeerdelijk de indruk van een welbepaald schrift geeft. Vroegere Nederlandse vertalingen gaven wel correct hervormd Egyptisch.

 

Wat kunnen die hervormd Egyptische karakters geweest zijn?

De oorspronkelijke Egyptische schrijftaal, met honderden hiëroglyfen, dateert van drieduizend jaar voor Christus. Die schrijfvorm bestond uit pictogrammen, kleine tekeningen die een woord, een deel van een woord of een klank uitbeelden. Op monumenten werden ze met grote zorg gebeiteld zodat vele de eeuwen doorstaan hebben. Voor het praktisch, dagelijks schrijven werden de beelden vereenvoudigd tot snelle penseelstreken op papyrus, of inkervingen op kleitabletten, wat men het hiëratisch schrift noemt. Tegen 600 v.C., ten tijde van Lehi, begon het verder te stileren naar demotisch schrift. Elke ontwikkeling is een hervorming van het vorige schrift. Zo zijn er vele tussenvormen van hervormd Egyptische karakters, die ook door omliggende volken voor hun talen aangenomen en aangepast werden.[5] De illustratie toont per lijn die evolutie van hiëroglyfen naar een hiëratisch en vervolgens naar een demotisch schrift.

Demotic 1

Lehi en Nephi schreven dus allicht in een van deze vormen van “hervormd Egyptisch”, vermoedelijk tussen een hiëratische en een demotische vorm.  Maar op duizend jaar Nephitische geschiedenis zal ook die oorspronkelijke vorm geëvolueerd zijn, net zoals wij ons eigen alfabetisch schrift van oude middeleeuwse manuscripten tot op heden hebben zien evolueren. Dan zijn er uiteraard ook onze individuele verschillen, want elk van ons heeft een “geschrift”, waarvan sommige niet meteen vlot leesbaar zijn voor een ander. Joseph Smith schreef een aantal karakters van de platen over, die de stand van het schrift van Mormon of Moroni weerspiegelen. Dat is het zogenaamde Anthon transcript (hierover meer in dit onderdeel in les 10):

Caractors_large

Daarenboven is ook het Hebreeuws dat Lehi en Nephi spraken niet hetzelfde gebleven. Ontwikkeling binnen de taal is een normaal fenomeen dat elke taal in de loop der eeuwen ondergaat. Het verklaart Moroni’s opmerking over de karakters, “die wij hebben doorgegeven en veranderd volgens onze spreekwijze”, in overeenstemming met hun evoluerend Hebreeuws — “ook het Hebreeuws is door ons veranderd”.

 

Hebreeuws in hervormd Egyptische karakters

De uitdrukking “taal der Egyptenaren”, die zowel Nephi als koning Benjamin gebruiken, geeft de indruk dat Lehi en zijn groep, en hun nakomelingen, het Egyptisch als omgangstaal, of minstens als schrijftaal gebruikten. Zo begreep men het tot ver in de twintigste eeuw.[6] De meeste analisten zijn het er nu echter over eens dat de uitdrukking enkel slaat op de technische schrijfvorm. Met andere woorden, Lehi en zijn groep gebruikten het Hebreeuws als spreek- en als schrijftaal, maar zij noteerden de Hebreeuwse woorden met verkorte ideografische en hiëratische tekens van Egyptische oorsprong. Wanneer iemand die tekens las, was de orale verwoording nog steeds Hebreeuws. Je kunt het vergelijken met iemand die Nederlands spreekt maar bij het schrijven zijn Nederlandse woorden in cyrillisch schrift of in het Japanse hiragana noteert. De techniek is zelfs multicultureel gebruikelijk: jongeren van bij ons, die thuis Arabisch spreken, schrijven soms onder elkaar Arabische boodschappen in Nederlandse lettertekens.

De overtuiging dat de Nephieten Hebreeuws als taal hanteerden, maar voor de technische schrijfvorm Egyptische tekens gebruikten, is gestoeld op logische en op archeologische argumenten. De twee verwijzingen naar “taal der Egyptenaren” in het Boek van Mormon hebben vooreerst alleen betrekking op het bijhouden van de kronieken. Nergens staat dat de Nephieten ook een vorm van Egyptisch spraken. Het is onwaarschijnlijk dat de kroniekschrijvers van het Boek van Mormon mondeling Hebreeuws gebruikten en dan voor het schrijven naar Egyptisch zouden vertalen. Zelfs als Nephi dat vanuit zijn achtergrond zou gekund hebben, in de verdere omstandigheden van die maatschappij was het sociocultureel niet vol te houden om mondeling één taal te beheersen en alleen voor het schriftelijk een andere.

Vroeger spotten critici al eens met het idee dat Israëlieten van de zesde eeuw v.C. Egyptisch schrift zouden gebruiken om hun eigen Hebreeuws in te noteren. De voorbije decennia bevestigen archeologische vondsten echter het gebruik van Egyptisch schrift door sprekers van semitische talen in de Oudheid. Het fenomeen bestond al sinds de veertiende eeuw v.C. Interessant is uiteraard dat het ook in de periode van Lehi geattesteerd is. Ostracons (beschreven potscherven) zijn daartoe belangrijke archeologische bronnen. John Tvedtnes en Stephen Ricks besteedden er een boeiende studie aan.[7]

 

De grootte van de platen en de keuze van de schrijfvorm

Moroni noteert dat hij met hervormd Egyptische karakters schrijft, maar “indien onze platen groot genoeg waren geweest, hadden wij in het Hebreeuws geschreven”. Dat betekent dat de hervormd Egyptische schrijfvorm minder plaats nam dan de Hebreeuwse. Dat is logisch. Hebreeuws schrijft alfabetisch, namelijk letter per letter volgens de uitspraak. Egyptische karakters nemen minder plaats is omdat ze elk een volledig woord of een combinatie van klanken voorstellen. Met bijvoorbeeld slechts tien karakters kun je een gedachte uitdrukken waarvoor misschien twintig tot veertig lettertekens nodig voor zijn. Je wint dus veel plaats, maar de keerzijde is dat je voor de schrijfvaardigheid veel meer karakters moet leren beheersen dan de letters van het alfabet.

Die mogelijkheid tot verkorting verklaart dan ook waarom ook de koperen platen de tekst in een Egyptische schrijfvorm aanboden, zoals koning Benjamin signaleert. Het kon het volume tot de helft of een derde terugbrengen.

Moroni noteert echter ook: “en indien wij in het Hebreeuws hadden kunnen schrijven, zie, dan hadt gij in onze kroniek geen onvolmaaktheid gehad”. Ook dat is logisch omdat het alfabetisch schrijven de precieze weergave is van het spreken. De grammaticale complexiteit van de taal, met verbogen en vervoegde vormen, zie je in de letters. In een schrift dat grotendeels op beelden terugvalt is het risico groter dat bepaalde begrippen niet goed uitgedrukt worden of dat nuances niet tot hun recht komen.

Ten slotte: Moroni besefte welke taalkundige uitdaging de ontcijfering van hun schrift zou betekenen zonder goddelijke hulp. Vandaar:

Maar de Heer weet de dingen die wij hebben geschreven, en ook dat geen ander volk onze taal kent; en omdat geen ander volk onze taal kent, heeft Hij middelen bereid voor de vertaling ervan.” (Mormon 9:34).

 

4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

Mormon 8:3 – “En ook mijn vader werd door hen gedood”
Mormon 8:10 – De drie discipelen: “mijn vader en ik hebben hen gezien”
Mormon 8:35 – “Zie, ik spreek tot u alsof gij aanwezig waart, en toch zijt gij het niet.”
Mormon 9:7 – “… spreken in talen en uitleggen van talen”
Mormon 9:34 – “Hij heeft middelen bereid voor de vertaling ervan”

 

Mormon 8:3 – “En ook mijn vader werd door hen gedood”

Vers 5 voegt daar aan toe: “Mijn vader is in de strijd gedood, evenals al mijn verwanten”.

 

“Vallende strijder” door Henry Moore (1898-1986). Tate Gallery – London

 

Mormon leefde nog na de veldslag waarin de Lamanieten het “gehele volk hadden neergehouwen, op vierentwintig van ons na” (Mormon 6:11). “De volgende dag, toen de Lamanieten naar hun kampen waren teruggekeerd”, overschouwt Mormon vanaf de top van de heuvel Cumorah het slagveld. Omstandigheden van de vorige dag verklaren waarom hij nog leeft: “…en ik viel gewond in hun midden neer; en zij gingen aan mij voorbij, zodat zij geen eind aan mijn leven maakten” (6:10). Mogelijk beschouwden de Lamanieten het werk van vernietiging letterlijk “afgemaakt” en keerden zij niet meer terug naar het slagveld — een toestand die Mormon vroeger al met afgrijzen had vastgesteld wanneer de neergehouwen lichamen “als mest op het oppervlak van het land opgehoopt lagen” (2:15). We kunnen veronderstellen dat de Lamanieten inderdaad niet meer terugkeerden en dat dit Mormon de kans gaf om in hoofdstukken 6 en 7 de laatste hand aan zijn “boek Mormon” te leggen, dat hij met alle kronieken in de heuvel verborgen had.

In welke omstandigheden kwam Mormon daarna aan zijn einde? Stierf hij nadien snel aan zijn verwondingen of werd hij kort daarna ontdekt en leverde hij toen een laatste strijd? Als Moroni schrijft: “Mijn vader is in de strijd gedood, evenals al mijn verwanten”, lijkt dit eerder op de tweede omstandigheid te wijzen. Hoe Moroni dit wist is niet duidelijk, maar we mogen vermoeden dat er in de onmiddellijke periode na de verwoestende veldslag nog een netwerk van vluchtelingen en onderduikers bestond die voor informatie zorgde.

 

Mormon 8:10 – De drie discipelen: “mijn vader en ik hebben hen gezien”

En er is niemand die de ware God kent, behalve de discipelen van Jezus die in het land zijn gebleven, totdat de slechtheid van het volk zo groot was dat de Heer hun niet toestond bij het volk te blijven; en of zij nog op het oppervlak van het land zijn, weet niemand. Doch zie, mijn vader en ik hebben hen gezien en zij hebben ons gediend.”

Voor de “drie Nephieten”, zie dit onderdeel in les 42.

 

Mormon 8:35 – “Zie, ik spreek tot u alsof gij aanwezig waart, en toch zijt gij het niet.”

Voor liefhebbers van grammatica. Het gebruik van werkwoordstijden in het Boek van Mormon vormt niet alleen een boeiend taalkundig studiedomein, maar dat gebruik heeft ook vaak een leerstellige waarde. Nederlands en Engels hebben het voordeel om zeer dicht bij elkaar te liggen in de structuur van de werkwoordstijden omdat beide talen van eenzelfde, relatief nabije voorvader afstammen.

Het zinnetje “ik spreek tot u alsof gij aanwezig waart” viel mij op omdat het zo als ondertitel voor de les in de Gids voor de cursist staat, overgenomen uit een vroegere editie van het Boek van Mormon. Maar in de huidige Nederlandse editie staat “ik spreek tot u alsof gij aanwezig zijt”. De betekenis is natuurlijk duidelijk, en het gaat hier om een miniem punt, maar de wijziging van waart in zijt is symptomatisch voor de talrijke onnodige en soms foutieve veranderingen in de huidige vertaling. De opdracht voor de huidige vertaling was zo nauw mogelijk bij het Engelse origineel te blijven, wat in een aantal gevallen gebeurd is. Maar in vele gevallen wilde de vertaler toch “moderniseren”, zelfs als dit tegen het originele Engels en ook nog eens tegen de voorkeurregels van het Nederlands ingaat. Zo krijg je incoherent Nederlands in het Boek van Mormon. Ofwel kies je resoluut voor een modern leesbaar boek (zoals er onafhankelijke Engelse versies van het Boek van Mormon bestaan), ofwel hou je je strak aan de kerkopdracht . Die opdracht is terecht: analyse toont aan dat “vrijer” vertalen veel onderliggende leerstellige en taalkundige rijkdom verloren doet gaan.

De Engelse tekst zegt: “Behold, I speak unto you as if ye were present, and yet ye are not.” Dat is conform de Engelse grammatica. Idem volgens de Nederlandse voorkeurregel: “… ik spreek tot u alsof gij aanwezig waart”. Bijzinnen ingeleid door het voegwoord alsof vragen het imperfectum (“ze doet alsof ze me niet kende” of, formeler, “ze doet als kende ze me niet”). Deze bijzinnen “drukken niet-werkelijkheid uit, en wel op het spreekmoment”.[8] Moroni’s toevoeging, “en toch zijt gij het niet”, vormt precies het mooie stilistische contrast tussen de tijden.

 

Mormon 9:7 – “… spreken in talen en uitleggen van talen”

“En voorts spreek ik tot u die de openbaringen van God verloochent en zegt dat zij zijn weggedaan, dat er geen openbaringen zijn, noch profetieën, noch gaven, noch genezingen, noch spreken in talen en uitleggen van talen.”

Het Boek van Mormon verwijst meermaals naar de plaats van deze geestelijke gaven in de ware religie (Omni 1:25; Alma 9:21; 3 Nephi 29:6; Moroni 10:15–16). Deze gaven, ook deel van de oorspronkelijke kerk van Christus in Palestina, werden mee hersteld bij de herstelling van de kerk in 1830. Ze zijn als zevende geloofsartikel bevestigd: “Wij geloven in de gave van talen, profetie, openbaring, visioenen, gezondmaking, uitlegging van talen enzovoort.”

Tegenwoordig worden sommige van deze gaven meer vermeld dan andere, met een bijna exclusieve nadruk op openbaring. “De gave van talen” en de “uitlegging van talen” horen niet meer tot het gamma zoals vroeger begrepen. Toen waren ze een spiritueel fenomeen, in de psychologie glossolalia genaamd, waarbij iemand in vervoering, meestal in een gebed, onverstaanbare woorden uit, die een ander dan kan “vertalen”. Paulus vermeldt het als gave in de vroegchristelijke kerk (1 Korinthe 12:10; 14:2–28). Het negentiende-eeuwse mormonisme, dat nog openbare charismatische gaven beleefde, kende dit gebruik tot op zekere hoogte. Bekeerlingen brachten het mee uit hun eigen religieus verleden, in het bijzonder van bij de methodisten.[8a] Joseph Smith vertelt over de eerste keer dat hij Brigham Young ontmoette: “Gedurende een van onze eerste gesprekken spraken broeder Brigham Young en John P. Greene in talen, wat voor mij de eerste keer was dat ik deze gave onder de broeders hoorde, en zelf ontving ik ook de gave”.[9]

Het fenomeen kwam nog herhaaldelijk voor,[10] maar in 1842 ontmoedigde Joseph Smith het stimuleren ervan, en gaf de gave een praktische wending:

“Wees niet zo nieuwsgierig naar [de gave van] talen, spreek niet in talen tenzij er een vertaler bij aanwezig is; het ultieme doel van talen is met vreemdelingen te kunnen spreken, en als mensen zo verlangend zijn om hun intelligentie te tonen, laat hen dan tot vreemdelingen spreken in hun eigen taal.”[11]

Het fenomeen bleef nog voorkomen tot het einde van de negentiende eeuw. In latere jaren raadden kerkleiders glossolalia af als dubieus en oncontroleerbaar. Een nieuwe interpretatie identificeerde de gave als leertalent voor vreemde talen en het snel begrip ervan. Zo normaliseerde “de gave van talen” in “een gave voor talen”.[12] De “uitlegging van talen” is verdwenen, tenzij men er het talent van de tolk in wil zien.

 

Mormon 9:34 – “Hij heeft middelen bereid voor de vertaling ervan”

Die middelen zijn voornamelijk “zienerstenen”, zoals de Urim en Tummim, maar ook andere.

Over zienerstenen, zie dit onderdeel in les 17.
Over het vertaalproces, zie dit onderdeel in les 10.

 

5 – Gestructureerd lezen

Mormon 7

Dit hoofdstuk vormt de derde passage voor toekomstige lezers, waarin Mormon rond de anafoor “Weet dat gij” zijn laatste boodschap geeft.

Zie hiertoe dit onderdeel in de vorige les.

 

Mormon 8

Verslag van de toestand

  • 1–5 – Korte zinnen waarin Moroni zijn eenzame en moeilijke toestand meldt.
  • 6–9 – Beschrijving van de toestand in het land: Nephieten vernietigd, onderlinge oorlogen met Lamanieten en met rovers.
  • 10–11 – Over de drie discipelen: weggenomen van het volk, maar Mormon en Moroni hebben hen nog gezien.

Blik op de toekomst van de kroniek

  • 12–17 – Gedachten over de kroniek: bezorgdheid over onvolmaaktheden; gezegend wie de kroniek aan het licht zal brengen; doel van de kroniek: Gods eer en het welzijn van het verbondsvolk.

Veroordeling van de slechten

  • 18–22 – Wee wie de kroniek en Gods werk veroordeelt.
  • 23–25 – Verwijzing naar Jesaja en “al de heiligen die mij zijn voorgegaan”; hun werken en gebeden.
  • 26–32 – Passage met “Het zal komen” als herhaald woord (anafoor), met verwijzing naar al de slechtheid die zal komen.
  • 33–40 – Passage met “waarom” als herhaald woord (daarbinnen verzen 11–14 met uitleg dat Moroni de komende slechtheid van de mensen in openbaring heeft gezien)
  • 41 – Conclusie: “het zwaard der wrake hangt boven u”.

 

Mormon 9

Wie niet in Christus gelooft

  • 1–6 – Gericht tot hen die niet in Christus geloven. Denk aan de dag des oordeels: zult gij dan nog langer loochenen? Het zal een “vlam van onuitblusbaar vuur in u ontsteken”. Wendt u daarom tot de Heer.

Wie wonderen verloochent: God is niet opgehouden een God van wonderen te zijn

  • 7 – Gericht tot hen die openbaringen en wonderen verloochenen.
  • 8–10 – Argument van de onveranderlijkheid van God: de god van wonderen is nog steeds dezelfde.
  • 11–15 – Argument vanuit het plan van redding (zie voor deze term hier): van de schepping van Adam tot het laatste oordeel, al deze dingen tonen nog steeds dat God een God van wonderen is.
  • 16–19 – Argument vanuit bestaande wonderen: schepping van hemel en aarde en van de mens; wonderen verricht door Christus en de apostelen. God is onveranderlijk en is dus nog steeds een God van wonderen.
  • 20 – Als God ophoudt wonderen te doen, is dat door het ongeloof en de slechtheid van mensen.

Wie gelooft in Christus zal behouden worden

  • 21–23 – Beloften aan wie gelooft, in heel de wereld; maar wie niet gelooft zal worden verdoemd.
  • 24–25 – Tekenen volgen hen die geloven.

Vermaningen

  • 26–27 – Retorische vragen: wie kan de Heer weerstaan? Veracht dus niet, twijfel niet, weest gelovig.
  • 28–29 – Wees wijs in de dagen van uw proeftijd. Wees waardig bij doop en bij avondmaal.

Technisch over de kronieken

  • 30–31 – “Ik spreek tot u alsof ik uit de doden spreek.” Veroordeel de kroniek niet wegens de onvolmaaktheden.
  • 32–34 – Over de taal van de kronieken: gewijzigd Hebreeuws in hervormd Egyptische tekens.

Het doel van de kronieken

  • 35 – Voor onszelf als schrijver: “opdat wij onze klederen kunnen reinigen van het bloed van onze broeders, die in ongeloof zijn verkommerd.”
  • 36 – Voor onze broeders: “hun herstel tot de kennis van Christus”.
  • 37 – Slotwensen: moge Jezus hun gebeden verhoren; moge God het verbond gedenken en hen eeuwig zegenen.

 

Voetnoten

[1]    Book oF Mormon Onomasticon, entry Moroni.

[2]    Hugh W. Nibley, “Lehi in the Desert; The World of the Jaredites; There Were Jaredites,” eds. John W. Welch, Darrell L. Matthews, and Stephen R. Callister, Collected Works of Hugh Nibley 5 (Salt Lake City/Provo: Deseret Book/FARMS, 1988), 244.

[3]    Alan C. Miner, “A Chronological Setting for the Epistles of Mormon to Moroni,” Journal of Book of Mormon Studies 3, no. 2 (1994): 94–113 (96–97).

[4]    H. Donl Peterson, “Moroni, the Last of the Nephite Prophets,” in Fourth Nephi, From Zion to Destruction, ed. Monte S. Nyman and Charles D. Tate Jr. (Provo, UT: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1995), 235–249 (235).

[5]    William Hamblin somt zo een aantal voorbeelden op: William J. Hamblin, “Reformed Egyptian,” The FARMS Review 19, no. 1 (2014): 31–35.

[6]    Zelfs Hugh Nibley ging hiervan uit: Hugh Nibley, Lehi in the Desert, World of the Jaredites, They Were Jaredites, 1st ed. 1952 (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1988), 14–18.

[7]    John A. Tvedtnes and Stephen D. Ricks, “Jewish and Other Semitic Texts Written in Egyptian Characters,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 5, no. 2 (1996): 156–163.

[8]    ANS – Algemene Nederlandse Spraakkunst. Topic “Het imperfectum en het plusquamperfectum na als (zin met inversie) en na alsof (28/03/03/03). De regel stelt dat “Imperfectum en plusquamperfectum zijn hier verreweg de meest gebruikelijke werkwoordstijden, al zijn presens en perfectum niet geheel onmogelijk”.

[8a] Jeremy Sean Lofthouse,  “Pentecostal Power: A Study on the Origin and Conflicts of Glossolalia within Nineteenth Century Mormonism,”  Utah Historical Review 3 (2013): 225–242.

[9]    Joseph Smith, History of the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, ed. B. H. Roberts, Vol. 1 (Salt Lake City: Deseret Book, ed. 1973), 296–297.

[10]  Zie lijst van voorkomens in de Index to History of the Church, comp. E. Keith Howick (Salt Lake City: Deseret Book, 1970), 450.

[11]  Smith, History of the Church, Vol. 5, 31.

[12]  Lee Copeland, “Speaking in Tongues in the Restoration Churches,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 24, no. 1 (1991): 20–23; Dan Vogel and Scott C. Dunn, “’The Tongue of Angels’: Glossolalia among Mormonism’s Founders,” Journal of Mormon History 19, no. 2 (1993): 1–34.