Les 42 – 3 Nephi 27-30; 4 Nephi

“Dit is mijn evangelie”

1 – Plaats en naam van de kerk in de Nephitische geschiedenis
2 – De drie Nephieten: wonderen in de mormoonse subcultuur
3 – Vier Nephi: de kroniekschrijvers en de samenvatter
4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
5 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier (3 Nephi) en hier (4 Nephi).

Deze les omvat het laatste deel van de bediening van Jezus onder de Nephieten. De Heiland gaat verder met zijn onderricht. Mormon, die alles samenvat, rondt dan het boek 3 Nephi af. Ik vestig de aandacht op twee onderwerpen:

  • Het punt van “de naam van de kerk” nodigt uit om de historische ontwikkeling van “de kerk” bij de Nephieten eens te overlopen — ook een goede rappel van de geschiedenis.
  • De “drie Nephieten”, die op aarde mochten blijven, geven de kans om dat aspect eens nader te verkennen.

Vervolgens hoort het boek 4 Nephi tot de bespreking, een kort boek maar over een lange periode, dat we iets meer technisch in zijn vormgeving bekijken.

 

1 – Plaats en naam van de kerk in de Nephitische geschiedenis

Wat betekende “kerk” voor de Nephieten?
Nephi: “de broeders der kerk” en “de kerk van het Lam Gods”
Alma de oudere: “de kerk van God, ofwel de kerk van Christus”
Onder koning Benjamin: “de kinderen van Christus”
Onder koning Mosiah: “de kerk van God” – “groepen die kerken werden genoemd”
Vanaf Alma de jongere: “de kerk van God” – kerken en concurrerende kerken
Onder Helaman, zoon van Alma: “een reglement voor de gehele kerk” – “alle kerken”
Van omstreeks 50 v.C. tot Jezus’ verschijning: “de kerk van God” in goede en slechte tijden
Het woord “kerk” in de mond van Jezus

 

 Wat betekende “kerk” voor de Nephieten?

“En zij zeiden tot Hem: Heer, wij zouden willen dat Gij ons zegt met welke naam wij deze kerk moeten aanduiden; want er is woordenstrijd onder het volk aangaande die zaak.” (3 Nephi 27:3)

Hoe komt het dat het volk zich afvroeg welke naam aan “deze kerk” te geven? De kerk bestond immers al enkele eeuwen onder de Nephieten vóór de komst van Jezus in hun midden. Ook waren de pas geroepen twaalf discipelen al lang werkzaam in “de kerk”, namelijk toen ze de mensen voorbereidden en doopten tijdens de jaren vóór Jezus’ verschijning. Hoe noemden zij dan hun kerk daarvoor? De vraag biedt de gelegenheid de ontwikkelingen van de kerk onder de Nephieten te overlopen en zo ook de algemene geschiedenis even op te frissen. Die informatie zit immers versnipperd over eeuwen geschiedenis. Over die eeuwen komt het woord kerk driehonderd keer voor in het Boek van Mormon.

Eerst even iets over de term. Het Nederlandse woord kerk, het Engelse church en het Duitse Kirche komen van het Oud-Germaans *kirika, hoogstwaarschijnlijk in de vroege middeleeuwen via christelijke zendelingen overgenomen van het Griekse κυριακος (kyriakos). Dat betekent “van de Heer”, afgeleid van kyrios (heer). De volledige uitdrukking was oorspronkelijk kyriake oikia of kyriakon doma (des Heren huis), verwijzend naar een christelijk bedehuis. Vanaf de vierde eeuw n.C. vond dat Griekse woord ingang toen de christenen eigen kerkgebouwen begonnen te gebruiken om te vergaderen. Het was een alternatief voor het meer gangbare Griekse woord ἐκκλησία (ekklesia) dat “vergadering, bijeenkomst” betekende. Dat woord paste bij de clandestiene of thuisbijeenkomsten van de eerste eeuwen, toen de christenen nog geen eigen gebouwen hadden. De Romaanse talen, gesproken in landen waar het christendom vroeg ingang vond, gingen met dat woord verder, vandaar hun huidige termen: Frans église, Italiaans chiesa, Spaans iglesia, Portugees igreja.

Volgens de context hebben al die woorden, of ze nu van kyriakos of van ecclesia komen, drie connotaties:

  • Gemeenschap, groepering, samenkomst van mensen met een religieus doel. Bv. “Onze kerk vergadert in de Schoolstraat”; “In onze stad is de kerk nog klein, we tellen zo’n veertig leden”; “Ik voel me niet meer thuis hier in de kerk”. In elk van die zinnen kun je kerk door lokale gemeenschap vervangen.
  • Organisatie die de kerkleden groepeert en leidt en die de leer definieert. Dat veronderstelt een hiërarchie en controle. Bv. “Onze kerk is in 140 landen vertegenwoordigd”; “Is jullie kerk officieel erkend in Nederland?”; “De kerk verlaagde de leeftijd voor zendelingen”. Het synoniem hier is kerkelijke organisatie.
  • Gebouw waar gelovigen samenkomen. Bv. “We hebben een mooie kerk in de Schoolstraat”; “De oude kerk wordt afgebroken”.

Er zit ook een chronologie in die termen: men begint met een kleine groep of gemeenschap; die groeit en institutionaliseert vervolgens tot een organisatie die dan ook voor gebouwen zorgt om in te vergaderen.

Op de platen waarvan Joseph Smith vertaalde moet voor kerk een Hebreeuws woord gestaan hebben, of een van het Hebreeuws afgeleid woord, dat de eerste twee connotaties dekte, gemeenschap en organisatie. Wanneer de Nephieten aan Jezus vragen “Heer, wij zouden willen dat Gij ons zegt met welke naam wij deze kerk moeten aanduiden”, dan kan men dit lezen als deze gemeenschap of als deze organisatie. Het maakt een verschil in invalshoek. Jezus heeft al wel de twaalf discipelen aangesteld, dus er is een begin van organisatie. Anderzijds duiden al de ervaringen van het volk met Jezus tot dit punt — de aanraking van zijn wonden, de aanbidding, de genezingen, de kinderen, de bediening van engelen, het avondmaal — op intens gemeenschappelijk beleven. Je kunt er een persooonlijke bedenking aan toevoegen: hoe leg ik, of anderen, het accent in de kerk, op de organisatie of op de gemeenschap voor de beleving?

Ten slotte, merkwaardig coherent: in het Boek van Mormon wordt het woord kerk nooit gebruikt voor het gebouw: dan is er sprake van synagoog, bedehuis, heiligdom of tempel — in het Engels synagogue, house of worship, sanctuary, temple (2 Nephi 26:26; Alma 16:12; 21:20).

 

Nephi: “de broeders der kerk” en “de kerk van het Lam Gods”

In het begin van het Boek van Mormon is er meteen sprake van de eerste twee connotaties, gemeenschap en organisatie. Voor het eerste voorkomen van kerk in het Boek van Mormon, nog in Jeruzalem omstreeks 600 v.C., gaat het om gemeenschap en samenkomst. Nephi spreekt over zijn “broers” tegen Labans dienstknecht Zoram. Die begrijpt dit als “de broeders der kerk” (1 Nephi 4:26), conform de joodse traditie van kleine groepsvormingen voor studie en ritueel.[1] Het is een vluchtige vermelding, maar wel interessant omdat een Engelstalig auteur in de negentiende eeuw de term kerk niet zou gebruikt hebben voor een situatie ten tijde van koning Sedekia. Maar semantisch is dit woordgebruik perfect mogelijk als vertaling van de geijkte term voor gemeenschap.

Het gebruik van kerk als globale organisatie of macht vinden we eveneens bij Nephi, maar dan in profetieën over een verre toekomst. Zo beschrijft hij in een visioen de “grote en gruwelijke kerk”. Daar tegenover staat “de kerk van het Lam Gods”. Merkwaardig is de globalisering: “Zie, er zijn slechts twee kerken: de ene is de kerk van het Lam Gods, en de andere is de kerk van de duivel; daarom, wie niet tot de kerk van het Lam Gods behoort, behoort tot die grote kerk die de moeder der gruwelen is” (1 Nephi 14:10). Het verbeeldt de strijd tussen goed en kwaad, voorgesteld als overkoepelende organisaties voor elk luik van de tegenstelling. Voor een bespreking van “de grote en gruwelijke kerk”, zie onder Analyses.

Tegelijkertijd ziet Nephi in dat dualisme vertakkingen, want de gruwelijke kerk is “een kerk die boven alle andere kerken zeer gruwelijk is” (1 Nephi 13:5). Er zijn dus meerdere kerken, hier begrepen als organisaties. En “de tijd komt spoedig dat alle kerken die zijn gesticht om gewin… diep in het stof moeten worden gebracht” (1 Nephi 22:23). Zo zullen er in die laatste dagen “vele kerken opgebouwd zijn die afgunst en strijd en kwaadwilligheid veroorzaken” (2 Nephi 26:21; zie ook 28:3–14). Anderzijds zal de ware kerk voor allen de toevlucht zijn, ook voor de Joden: “de tijd komt dat zij in de ware kerk en kudde van God worden teruggebracht; wanneer zij huiswaarts worden vergaderd naar hun erflanden en in al hun landen van belofte worden gevestigd” (2 Nephi 9:2). Het beeld van de “kudde van God” sluit aan bij symboliek van de herder en de schaapstal, met dan toch nadruk op de hele kerk als gemeenschap eerder dan als organisatie (1 Nephi 22:25; Mosiah 26:20; Alma 5:37–39; Helaman 15:13; 3 Nephi 15:17).

“De kerk van het Lam Gods” situeert zich in de toekomst die Nephi profetisch mag aanschouwen. Nephi zelf, noch zijn broer Jakob, noch enige van de nakomelingen die de kleine platen bijhouden, spreken echter over een “kerk” in hun midden. Nochtans is die gemeenschap er, met een begin van organisatie, aangezien er “priesters en leraars” zijn aangesteld (2 Nephi 5:26) en aangezien Jakob de mensen laat samenkomen in de tempel (Jakob 2). Maar de term kerk, om die gemeenschap aan te duiden, hoorde blijkbaar niet tot hun spreekgewoonte.

In de loop der jaren treden verder talrijke profeten op (Enos 22), maar een kerk als formele “organisatie” wordt niet echt geëxpliciteerd. De priesterlijke leiding valt samen met die van het land, in handen van de koning-hogepriester-profeet. Voor het offeren volgens de wet van Mozes, net zoals in het Oude Israël, geldt blijkbaar een familiale en patriarchale orde die geen “kerk” vereiste. Zie voor het priesterschap onder de Nephieten tot Alma, dit onderdeel in les 19.

 

Alma de oudere: “de kerk van God, ofwel de kerk van Christus”

Pas vierhonderd jaar na Nephi komt er een afgetekende kentering. Omstreeks 145 v.C. organiseert Alma, een jonge priester gevlucht uit de entourage van koning Noah, een formele “kerk”, eerst als gemeenschap. Alma (die later “de oudere” wordt genoemd) werd ertoe geïnspireerd door Abinadi, de martelaar-profeet. Op een afgelegen plek aan de Wateren van Mormon, predikt Alma Christus, geloof, bekering en doop — als een Johannes de Doper. Hij verzamelt een paar honderd volgelingen rond zich — “en vanaf die tijd werden zij de kerk van God, ofwel de kerk van Christus, genoemd. En het geschiedde dat wie ook door de macht en het gezag van God werd gedoopt, aan zijn kerk werd toegevoegd” (Mosiah 18:17). Deze gemeenschap geeft een sociale identiteit aan de leden, daar waar dit vroeger enkel de familie en de afstamming was.

Kort daarna krijgen we een blauwdruk van deze eerder “Nieuwtestamentische” kerk aangezien ze ook de naam van Christus draagt: ze krijgt een simpele organisatie, maar dus ook een begin van institutionalisering: “En het geschiedde dat Alma, hebbende het gezag van God, priesters ordende; ja, één priester voor iedere vijftig van hun aantal ordende hij om tot hen te prediken” (18:18). Later vlucht de gemeenschap naar het land Helam, waar Alma de groep een hiërarchie, met hemzelf aan het hoofd, en een controle oplegt:

“En nu was Alma, als grondlegger van hun kerk, hun hogepriester. En het geschiedde dat niemand gezag ontving om te prediken of te leren, behalve door hem, van God. Daarom wijdde hij al hun priesters en al hun leraren; en niemand werd gewijd, tenzij hij een rechtvaardig man was.” (Mosiah 23:16–17).

De kerk legt ook sociale regels op:

“En voorts gebood Alma dat het volk der kerk van zijn bezit moest geven, eenieder naar hetgeen hij had; indien hij overvloediger had, moest hij overvloediger geven; en van hem die slechts weinig had, moest slechts weinig worden verlangd; en aan hem die niet had, moest worden gegeven” (18:27).

Die sociale dimensie wordt een belangrijk criterium, maar zal later ook voor herhaalde problemen zorgen wanneer kerkleden zich door hoogmoed en rijkdom boven anderen verheffen.

Hoewel de alternatieve naam “kerk van Christus” hier dus één keer vermeld wordt (18:17), wordt de naam “kerk van God” de standaardbenaming (Mosiah 21:30; 25:18; 23; 26:38; 27:2, 13; Alma 1:7; Helaman 3:33, enz.).

Opvallend: Ammon, op zijn ontdekkingsreis naar het volk van Zeniff, hoort spreken over “Alma en de mensen die hem hadden vergezeld, die een kerk van God hadden gevormd door de kracht en macht Gods” (Mosiah 21:30). Het gebruik van het onbepaald lidwoord in “een kerk van God” benadrukt de betekenis van “een godsdienstige gemeenschap die samenkomt”. Ammon bevindt zich op dat ogenblik bij koning Limhi en zijn volk die “verlangend waren om zich te laten dopen”. Maar Ammon acht zich onwaardig om dit te doen. Daarom “voegden zij zich op dat moment niet bijeen tot een kerk, maar wachtten op de Geest des Heren” (21:34). Ook hier betekent een kerk eerder een groepering van gelijkgestemde zielen, een gemeenschap.

Alma’s initiatief om een kerk te beginnen blijkt ook in Nephitisch historisch perspectief een primeur. Mormon, vijfhonderd jaar later, zal erop reflecteren: “En zie, ik heet Mormon, en ik ben genoemd naar het land Mormon, het land waar Alma de kerk onder het volk vestigde, ja, de eerste kerk die na hun overtreding onder hen werd gevestigd” (3 Nephi 5:12). De frase “na hun overtreding” kan betrekking hebben op de verwerping van Abinadi door het volk.

 

Onder koning Benjamin: “de kinderen van Christus”

Terwijl Alma zijn kerkgemeenschap jarenlang in het land Helam leidt, vindt ver van daar, in Zarahemla, een andere “kerkelijke kentering” plaats. In 124 v.C. doet koning Benjamin troonsafstand ten gunste van zijn zoon Mosiah. Zijn toespraak leidt tot een intense heropleving en her-toewijding van het volk, expliciet in de naam van Christus (Mosiah 2–4). Allen sluiten een verbond waarbij zij “de kinderen van Christus worden genoemd” (Mosiah 5:7). Een doop wordt hier evenwel niet vermeld. Ook de term “kerk” wordt niet gebruikt, maar er komt wel een vorm van organisatie buiten de familiale en patriarchale orde. Koning Benjamin stelt immers priesters aan “om de mensen te leren, opdat zij daardoor de geboden Gods konden horen en kennen, en om hen ertoe op te wekken de eed indachtig te zijn die zij hadden afgelegd” (Mosiah 6:3). De koning zelf functioneert als profeet en hoogste geestelijk leider. Hier krijgen we dus de indruk van een grote gemeenschap die het hele volk omsluit, maar zonder vermelding van een uitgebouwde organisatie. Toch bestond er een hiërarchische lijn van de koning-profeet naar de aangestelde priesters.

 

Onder koning Mosiah: “de kerk van God” – “groepen die kerken werden genoemd”

Omstreeks 120 v.C. vluchten Alma en zijn groep naar Zarahemla, waar nu koning Mosiah regeert. Alma krijgt toestemming tot de verzamelde menigte te prediken, met onmiddellijk succes: “ja, en zovelen als hij doopte behoorden tot de kerk van God, en wel wegens hun geloof in de woorden van Alma” (Mosiah 25:18). Het grote aantal bekeerlingen noopt echter tot splitsing in groepen. Het is opnieuw koning Mosiah, als hoogste gezag, die “Alma toestond overal in het land Zarahemla kerken te vestigen, en hem machtigde priesters en leraren voor iedere kerk te ordenen” (25:19). De reden is

“omdat er zovele mensen waren, dat zij niet allen door één leraar te besturen waren; evenmin konden zij allen in één samenkomst het woord Gods horen, daarom kwamen zij bijeen in verschillende groepen, die kerken werden genoemd, waarbij iedere kerk haar priesters en leraren had, en iedere priester het woord predikte zoals het hem bij monde van Alma werd gegeven” (25:20–21).

Hier krijgen we dus het onderscheid tussen kerk als lokale gemeenschap en de overkoepelende organisatie die “kerk van God” heet: “En zo, hoewel er vele kerken waren, vormden zij alle één kerk, ja, de kerk van God” (25:22). Elke lokale kerk of gemeenschap wordt wel bestuurd door een leraar, waarbij dus een hiërarchie ontstaat: bovenaan Alma, dan een niveau van lokale leiding, en vervolgens de gewone gelovigen.

Opvallend: de term “kerk van Christus”, omstreeks 145 v.C. nog vermeld als alternatieve benaming (Mosiah 18:17), wordt niet meer gebruikt. Ook de volledige benaming “de kerk van God”, hoewel het de standaardnaam is, komt in verhouding tot de korte verwijzing “de kerk” niet zo vaak meer voor. Het is een normaal taalfenomeen dat we in dagelijkse taal voor de kortste vorm opteren.

Voor de relatie tussen het religieus gezag van Mosiah, met zijn eigen priesters, en dat van Alma, zie dit onderdeel in les 20.

 

Vanaf Alma de jongere: “de kerk van God” – kerken en concurrerende kerken

In 91 v.C., na de dood van koning Mosiah en van Alma de oudere, wordt Alma de jongere de centrale leidersfiguur, zowel voor het land als “opperrechter”, als voor de kerk als “hogepriester”. Zo ingrijpend is de verandering dat zelfs de tijdrekening omschakelt en de Nephieten vanaf nu de jaren tellen als “van de regering der rechters”. De kerk is nog steeds “de kerk van God”, maar standaard afgekort tot “de kerk”. Om de locaties van de lokale kerken te verduidelijken lezen we van “de kerk die in de stad Zarahemla was” (Alma 6:7) of “de kerk die was gevestigd in het dal Gideon” (6:8).

Bij uitbreiding van het werk luidt het: “Alma vestigde een kerk in het land Sidom en wijdde priesters en leraren in het land om allen te dopen tot de Heer die het verlangen hadden zich te laten dopen” (Alma 15:13). Zo werken ook de zonen van koning Mosiah die als zendelingen onder de Lamanieten de kerk verder vestigen, namelijk dat zij “van stad tot stad uitgingen, en van het ene bedehuis tot het andere, en in het gehele land kerken vestigden en priesters en leraren onder de Lamanieten wijdden om het woord Gods onder hen te prediken en te leren” (Alma 23:4). Overkoepelend staat Alma: “Ik ben Alma, en ik ben hogepriester over de kerk van God in het gehele land” (Alma 8:23).

Nieuw is wel dat er vanaf nu ook “ouderlingen” tot de hiërarchie horen (Alma 4:7).

Maar de kerk van God blijft niet alleen. Ook anderen kunnen mensen rond een religieuze leer scharen. Die worden dan ook een kerk. Zo treedt Nehor al predikend op “en hij begon zelfs een kerk volgens zijn prediking te stichten” (Alma 1:6). Zo vormen de Zoramieten een eigen beweging met een eigen ritueel (Alma 31). Dergelijke ontwikkelingen zorgen voor een verdeeldheid die zich ook politiek uit: wanneer Amlici, die de leer van Nehor volgt, zich opwerpt als troonpretendent, dan verdeelt hij het volk tussen zijn aanhangers en “het volk der kerk”, onderverstaan de kerk van God (Alma 2:3). Zo ontstaat een tweespalt die meer dan een eeuw lang, tot Jezus’ verschijning op het westelijke halfrond, de Nephieten zal verdelen. Herhaaldelijk worden vijanden van de Nephieten, ook binnenlandse vijanden, afgeschilderd als zij die “ernaar streven de kerk van God te vernietigen, en het fundament van de vrijheid te vernietigen” (Alma 46:10).

De organisatie wordt complexer. In de loop der jaren worden ook regionale kerkgroeperingen gevormd, elk met een eigen hogepriester. Dat blijkt uit de behandeling van dissident Korihor. Wanneer die naar het land Jershon bij de Ammonieten trekt, vangt hij bot: “Zij waren wijzer dan velen der Nephieten; want zij grepen hem en bonden hem vast en brachten hem voor Ammon, die de hogepriester over dat volk was” (Alma 30:20). Uit Jershon uitgewezen, trekt Korihor naar het land Gideon, waar “hij werd gegrepen en vastgebonden en voor de hogepriester gebracht” (30:21). Ten slotte belandt Korihor voor Alma, blijkbaar de hoogste onder de hogepriesters. De hiërarchische niveaus breiden dus uit.

 

Onder Helaman, zoon van Alma: “een reglement voor de gehele kerk” – “alle kerken”

Tegen 72 v.C. heeft Alma al zijn bevoegdheden overgedragen aan zijn zoon Helaman, ook Helaman de oudere genoemd. Die leidt nu de kerk samen met zijn broers Shiblon en Corianton. Zij zijn “de hogepriesters over de kerk” (Alma 46:6). Zij vormen dus een soort presidium, wat op een nieuwe stap wijst omdat er voorheen blijkbaar maar één hogepriester per regio of land was, onder de algemene leiding van één hogepriester voor de hele kerk.

Gelet op de “vele oorlogen en onenigheden” die de maatschappij en de kerk de voorbije jaren beroerd hebben, werd het nodig geacht “dat er een reglement voor de gehele kerk werd opgesteld” (Alma 45:21). Dat gaat gepaard met een dusdanige hervorming dat de kerk overal “wederom gevestigd” wordt, met nieuwe aanstellingen:

“Daarom gingen Helaman en zijn broeders uit om de kerk wederom te vestigen in het gehele land, ja, in iedere stad in het gehele land dat in het bezit was van het volk van Nephi. En het geschiedde dat zij in het gehele land priesters en leraren over alle kerken aanstelden” (45:22).

De sterkere institutionalisering blijkt ook uit deze melding: “Helaman en de hogepriesters handhaafden ook de orde in de kerk; ja, vier jaar lang hadden zij in grote mate vrede” (46:38).

Dat scenario herhaalt zich ruim een decennium later, in 60 v.C. De Nephieten hebben dan net uiterst hachelijke jaren van oorlog en verbrokkeling achter de rug. Nu alles wat terug normaal wordt, “was het noodzakelijk geworden opnieuw een reglement voor de kerk op te stellen. Daarom gingen Helaman en zijn broeders heen en verkondigden het woord Gods met grote kracht … en het geschiedde dat zij de kerk van God wederom in het gehele land vestigden” (Alma 62:44–46).

 

Van omstreeks 50 v.C. tot Jezus’ verschijning: “de kerk van God” in goede en slechte tijden

Van omstreeks 50 v.C. tot Jezus’ verschijning aan de Nephieten — een tachtigjarige periode — is de geschiedenis van “de kerk van God” er een van kleine en grote golven in voor- en tegenspoed. De kroniekschrijvers zien “de kerk” als de entiteit die het goede moet vertegenwoordigen, maar die bij tijden onder interne verzwakking lijdt. Het is ook niet duidelijk of de hiërarchische structuur steeds ordentelijk werkt. De opeenvolgende kroniekschrijvers — Helaman de jongere (zoon van Helaman de oudere), Nephi (zoon van Helaman de jongere) en Nephi (zoon van de vorige Nephi) — zijn ongetwijfeld ook kerkleiders, maar we lezen weinig of niets over de organisatie. Een zeldzaam vers leert ons dat er “hogepriesters en leraren” werkzaam zijn (Helaman 3:25), maar niets bevestigt dat er nog een sterke centrale leiding is zoals onder Alma de jongere of een “reglement” zoals onder Helaman de oudere.

In een eerste fase gaat het wel met de kerk — “En het geschiedde dat er in datzelfde jaar [42 v.C.] buitengewoon grote voorspoed in de kerk heerste, zodat er duizenden waren die zich bij de kerk aansloten en tot bekering werden gedoopt” (Helaman 3:24). Maar dan begint “hoogmoed zijn intrede in de kerk te doen” (3:33) en ontstaan “vele onenigheden” (4:1). Omstreeks 30 v.C. “begon de kerk te verkommeren; en allengs geloofden zij niet meer in de geest van profetie en de geest van openbaring” (4:23). Nephi en zijn broer Lehi antwoorden daarop met krachtig zendingswerk onder de afgescheiden Nephieten en Lamanieten. Met succes: zo “was het volk der kerk zeer verheugd over de bekering der Lamanieten, ja, over de kerk van God die onder hen gevestigd was (6:3).

In Zarahemla moet Nephi echter het hoofd bieden aan verdorven rechters en het ongeloof van velen. Oorlog en hongersnood dwingen het volk zich te bekeren. Tegen 14 v.C. heeft de kentering ten goede haar hoogtepunt bereikt: “de kerk verbreidde zich over het gehele oppervlak van het land; en het merendeel van het volk, zowel de Nephieten als de Lamanieten, behoorde tot de kerk” (Helaman 11:21).

Doch de jaren die volgen zien de opkomst van de rovers van Gadianton en hun legers, terwijl de mensen “steeds meer toenamen in hun hoogmoed en in hun goddeloosheid; en aldus werden zij wederom rijp voor vernietiging” (11:37). De prediking van Samuël de Lamaniet heeft een beperkt positief effect (16:1). Enkele jaren later zorgt het teken van de geboorte van Jezus voor een golf van bekeringen (3 Nephi 1:22-23). Ook die kentering is tijdelijk want “het volk begon die tekenen en wonderen die zij hadden gehoord, te vergeten en zich steeds minder te verbazen over een teken of een wonder uit de hemel, zodat zij verstokt van hart begonnen te worden en verblind van verstand” (3 Nephi 2:1).

In 13 n.C. overspoelen de rovers van Gadianton opnieuw het land. Een alliantie van bekeerde Lamanieten en Nephieten vecht “om hun rechten en de voorrechten van hun kerk en van hun godsdienst, en hun vrijheid en hun onafhankelijkheid te handhaven” (3 Nephi 2:12). Zij besluiten “om als hun opperbevelhebber iemand aan te stellen die de geest van openbaring en ook van profetie bezat; daarom was deze Gidgiddoni een groot profeet onder hen” (3:19). Dat lijkt erop te wijzen dat de functie van “profeet”, zoals ook voorheen, niet noodzakelijk aan de kerkelijke hiërarchie verbonden is. Dat blijkt ook uit deze vrije roepingen: “En er werden mannen door de hemel geïnspireerd en uitgezonden, en zij bevonden zich onder het volk in het gehele land, en zij predikten en getuigden onverschrokken” (6:20).

In 21 n.C. verslaat de alliantie de rovers. De overwinning doet het volk God danken, maar de geschiedenis herhaalt zich: voorspoed brengt hoogmoed en sociale ongelijkheid: “En aldus ontstond er grote ongelijkheid in het gehele land, zodat de kerk uiteen begon te vallen; ja, zodat de kerk in het dertigste jaar in het gehele land uiteen was gevallen” (6:14). Ook politiek valt het land uiteen — allicht hangt het ene met het andere samen. Toch blijft een kern van kerkelijke werking actief, want Nephi, zoon van Nephi, blijft prediken en “ordende mannen tot die bediening, opdat allen die tot hen kwamen met water zouden worden gedoopt” (7:25). Zo komen we aan de vooravond van de drie dagen duisternis tijdens Jezus’ sterven en dood.

 

Het woord “kerk” in de mond van Jezus

Na zijn verschijning is een van Jezus’ eerste handelingen de discipelen de macht te geven om te dopen. Dan volgen de “tempelrede” en andere leringen en ervaringen (3 Nephi 11–16). Pas bij het instellen van het avondmaal valt voor het eerst het woord kerk. Jezus zal aan iemand “de macht geven om brood te breken en het te zegenen en het aan het volk van mijn kerk te geven, aan allen die geloven en zich in mijn naam laten dopen” (18:5). Iets verder luidt het: “En zoals Ik onder u heb gebeden, zo zult gij bidden in mijn kerk, onder mijn volk dat zich bekeert en zich in mijn naam laat dopen” (18:16). De overwegende betekenis van kerk is hier gemeenschap, versterkt door volk van mijn kerk. In dat verband is het ook sprekend dat de discipelen, wanneer zij aan hun prediking beginnen, niet de kerk van Christus stichten: “de discipelen van Jezus hadden in alle omliggende landen een kerk van Christus opgericht” (4 Nephi 1). Met andere woorden, een gemeenschap die Jezus volgde.

Ook op te merken is dat de naamgeving niet om de persoon van Jezus gaat, maar om zijn evangelie: “indien die [kerk] met mijn naam wordt aangeduid, dan is het mijn kerk, indien zij op mijn evangelie zijn gebouwd. Voorwaar, Ik zeg u dat gij op mijn evangelie zijt gebouwd; daarom moet gij alle dingen die gij aanduidt, met mijn naam aanduiden” (3 Nephi 27:8–9).

 

Besluit: de vraag van de mensen over de naam van de kerk is logisch vanuit de geschiedenis

De kroniekschrijvers gebruikten de uitdrukking “de kerk van God” voor het laatst in 30 v.C. (Helaman 5:35), maar daarna niet meer. Het gaat steeds om “de kerk”, als een bijna naamloos begrip, ingeburgerd door de gewoonte om de naam verkort te zeggen. Het is al van 145 v.C. geleden dat de naam “de kerk van Christus” voorkwam. Dat maakt de vraag van de Nephieten aan Jezus dus logisch: ze kennen het begrip “kerk”, maar verwachten er een noemer bij. Een vraag voor de les zou kunnen zijn: er was “woordenstrijd” onder de mensen over “welke naam” zij aan de kerk moesten geven — wat zouden sommigen van hun voorstellen kunnen geweest zijn? Mogelijkheden: kerk van God, kerk van Jezus, kerk van Christus, kerk van Jezus Christus, kerk van de twaalf discipelen, kerk van het nieuw verbond, kerk van het huis Israëls…

 

2 – De drie Nephieten: wonderen in de mormoonse subcultuur

Dit onderwerp gaat meer over onze tijd dan over het verleden, maar vindt zijn oorsprong in 3 Nephi 28.

Inleiding: onze kerk is een kerk van verhalen
Een rijke waaier van optredens van de drie Nephieten
Het waarheidsgehalte van deze verhalen
De betekenis en waarde van deze verhalen

 

Inleiding: onze kerk is een kerk van verhalen

Hoofdstuk 28 van 3 Nephi heeft het uitgebreid over de drie discipelen die een gedaanteverandering ondergingen en zonder de dood te smaken verder op aarde konden verblijven om mensen te dienen. Het weerspiegelt dezelfde toestand als die van de apostel Johannes, waarnaar Jezus zelf dan ook verwijst (28:6; Johannes 21:20–23). Een verduidelijking hiertoe geeft Leer en Verbonden 7:1–8.

Sinds het midden van de negentiende eeuw tot op heden zijn er vele honderden verhalen die over het werk van de drie Nephieten onder de heiligen der laatste dagen vertellen — meestal in de vorm van een geheimzinnige bezoeker of een plotse helper in een noodgeval, die dan weer verdwijnt. Bij de oudste bronnen hoort een bundel van 52 verhalen verzameld door Austin Fife. Een lijst van 150 verhalen tot in de jaren 1940, met analyse, geeft Hector Lee  in zijn doctoraatsonderzoek. BYU professor William Wilson verzamelde honderden meer recente verhalen, vooral van zendelingen.[2] Al die verhalen tonen hoezeer de drie Nephieten tot het geloof spreken. Immers, “zij zijn als de engelen Gods, en wanneer zij tot de Vader bidden in de naam van Jezus, kunnen zij zich vertonen aan wie het hun ook goeddunkt” (28:30).

Het handboek voor de leerkracht vermeldt evenwel voor deze les: “Er doen vaak verhalen de ronde over de drie Nephieten die een gedaanteverandering hebben ondergaan. Leden van de kerk dienen voorzichtig te zijn bij het aannemen of hervertellen van die verhalen. Zij dienen deze niet in de les te vermelden.” De formulering is wat ongelukkig, want het verbod om dergelijke verhalen in de les te vermelden geeft de indruk dat die verhalen per definitie ongeloofwaardig zijn. Het verbod zelf is enigszins begrijpelijk: veel verhalen zijn van horen-zeggen, ze zijn soms vervormd zoals de varianten van eenzelfde verhaal aantonen, en ze verleiden mogelijk tot speculaties of onrealistische verwachtingen. Ook is er de aanbeveling om zo’n bijzondere ervaring persoonlijk te houden. Maar de verhalen afwijzen houdt een ander risico in, namelijk het voeden van een principieel scepticisme tegenover dit soort actuele, individuele wonderen. Daarenboven is de afwijzing ook een vorm van institutionele controle: de leiding ziet het blijkbaar niet zo graag als een individueel lid het bezoek van een bovennatuurlijk persoon meent te hebben gekregen, want dat valt buiten de “normale orde”. Joseph Smith merkte hetzelfde toen hij over zijn eerste ervaring met een predikant sprak.

Maar het thema zelf van de bezoekverhalen is een fascinerend onderwerp dat zeker besproken mag worden! Voor wie mormoonse geschiedenis boeit, horen de ontelbare “drie-Nephieten-verhalen” tot de essentie van een eigen mormoonse subcultuur. “Cultuur” moge de officiële bovenlaag zijn van wat de kerkelijke “public relations” graag naar buiten brengt, “subcultuur” is wat er ook op het niveau van de leden onderling intens leeft. Voor sociologen, antropologen en literatuurkenners vormen de drie-Nephieten- en gelijkaardige verhalen een uiting van mormoonse identiteit en dus een boeiend studiedomein: er zijn heel wat wetenschappelijke boeken en artikelen over geschreven.[3] Voor alle geïnteresseerden biedt het trouwens de kans om het levende mormonisme beter te begrijpen.

De drie-Nephieten-verhalen staan niet op zich. Zij zijn deel van een sterke narratieve traditie die het mormonisme om drie redenen typeert:

  • Het mormonisme is gegrondvest in gebeurtenissen die verteld moeten worden. Vanaf het eerste visioen leidt Joseph Smith ons in zijn geschiedenis binnen, waar God met de mens spreekt, waar een engel hem onderwijst en de platen toevertrouwt, waar stap voor stap een meeslepend verhaal ons tot de publicatie van het Boek van Mormon brengt en tot de stichting van de kerk. Daarop volgt het epos van de prille groei van de kerk, de vervolgingen, Kirtland, Jackson County, Haun’s Mill, Nauvoo, de trek naar het westen, het zendingswerk in tal van landen. De kerk heeft ook altijd het bijhouden van geschiedenis benadrukt.
  • De mormoonse stijl van vergaderen en van interageren is op inhouden gericht, niet op repetitieve rituele handelingen met steeds dezelfde teksten zoals in andere religies. Mormoonse conferenties, avondmaaldiensten, getuigenisvergaderingen, lessen en leidersvergaderingen dienen om mensen toe te spreken. Geen enkele kerk vraagt zoveel uren spreken en luisteren. Verhalen vullen en verlevendigen dat spreken. Ofwel kiest de spreker uit het rijke aanbod van de mormoonse geschiedenis en de Schriften, ofwel vertelt hij eigen ervaringen of van anderen. Er leeft een zekere onuitgesproken verwachting om in een toespraak of getuigenis een geloofsversterkend verhaal te vertellen, bij voorkeur uit eigen ervaring.
  • Het mormonisme is een actie-godsdienst die om voortdurende inzet vraagt: huisonderwijs en huisbezoek, zendingswerk, welzijnszorg, genealogie en tempelwerk. Dat brengt uitdagingen mee en ook veel opbouwende ervaringen. Die geven heel wat stof voor individuele verhalen. Het is trouwens de gewoonte geworden om bij de aanvang van bepaalde vergaderingen te vragen of er “iemand een bijzondere ervaring” wil vertellen of “een verslag” heeft.

Het overwicht van het narratieve kan er zelfs toe leiden dat er in verhouding nog maar weinig over leringen wordt gesproken, in tegenstelling tot het mormonisme van de negentiende en deels twintigste eeuw. Dat kan tot een gebrek aan inzicht en kennis leiden — een aspect waarop Joseph Smith en profeten na hem zo sterk de nadruk legden.

Ook al zijn drie-Nephieten-verhalen buiten de Verenigde Staten mogelijk minder vertrouwd, ze staan symbool voor elk verhaal waar een individueel kerklid via een onbekende tussenpersoon concrete goddelijke interventie in zijn leven heeft gevoeld.

 

Een rijke waaier van optredens van de drie Nephieten

Analisten gebruiken verschillende invalshoeken om drie-Nephieten-verhalen in te delen: met hoeveel ze optreden (meestal komt er maar één), hoe ze verschijnen en verdwijnen, hoe lang ze op bezoek zijn (maar even of dagenlang), of ze anoniem blijven, welke informatie of hulp ze bieden, hoe ze er fysiek uit zien, en andere. BYU professor William Wilson onderscheidt drie thematische categorieën volgens het doel: het redden van de doden, het vinden van bekeerlingen en het verlenen van persoonlijke hulp.[4]

 

Het redden van de doden. De eerste categorie heeft te maken met genealogie en tempelwerk. In deze verhalen zorgt een onbekende voor ontbrekende stamboominformatie. Een oude, waardige man geeft je plots een document of een oude krant met de gegevens waar je al zo lang naar zocht. Of hij vertelt je waar je moet zoeken. Of hij leidt je hand naar een boek in de bibliotheek. En in elk van die gevallen is de man daarna verdwenen. Of je hebt niemand in huis gezien, maar wel iemand gehoord, en bij nazicht ligt er een blad met vitale informatie op je werktafel of is je een stamboomlijst aangevuld met de lang gezochte gegevens. Een veel voorkomend verhaal is dat van de lifter, een onbekende, netjes geklede oude man die langs de weg staat te liften. Je stopt en je laat hem plaatsnemen op de achterbank van je auto. De man vertelt je waar je ontbrekende informatie kunt vinden. Of zegt  dat je voor de verzegeling van een lang overleden echtpaar moet zorgen. Dan is hij plots van de achterbank verdwenen, of hij stapt uit en er zijn geen sporen van voetstappen in het zand of de sneeuw naast het portier. “Het moet een van de drie Nephieten geweest zijn…”.

“De grootmoeder van mijn vriendin had heel veel moeite om sommige namen in een bepaalde genealogische lijn te vinden. Ze had onderzoek gedaan, maar omdat ze de informatie niet vond, had ze over het probleem gebeden. Op een avond was ze in de keuken en haar echtgenoot in de woonkamer terwijl hij de krant las. Ze waren alleen in huis. Plots hoorden ze het geluid van de schrijfmachine die in een andere kamer stond. Eerst dacht elk dat de andere aan het typen was, maar dan beseften ze waar elk van hen was. Ze gingen naar de kamer waar de schrijfmachine stond, met de nog onafgewerkte lijst erin. Ze ontdekten dat de nog ontbrekende namen er nu in getypt stonden, op de correcte plaatsen. Ze zijn ervan overtuigd dat het een handeling van de drie Nephieten was.”[5]

 

Het vinden van bekeerlingen. De tweede categorie situeert de verhalen in het zendingswerk. Dat sluit trouwens aan bij de specifieke opdracht van de drie discipelen — namelijk “alle natiën, geslachten, talen en volken dienen, en daaruit vele zielen tot Jezus brengen, opdat hun verlangen zal worden vervuld” (28:29). Een vaak voorkomend verhaal is de onbekende die het zendingswerk heeft voorbereid. Eén voorbeeld tussen ontelbare:

“In 1875 bereikte John Morgan de wat afgelegen Haywood Valley in Georgia, waar zo’n vijfentwintig gezinnen van landbouwers woonden. Toen hij bij de eerste familie aanklopte, vernam hij dat een net geklede man tien dagen daarvoor bijna alle gezinnen in de vallei had bezocht, belangrijke passages in de Bijbel had aangeduid en verklaard had dat enkele dagen later een andere man zou komen om de betekenis van deze Schriftteksten uit te leggen ‘alsook het doel van dit leven en het eeuwige leven’. John Morgan voelde dat die persoon een van de drie Nephieten moest geweest zijn, vooral omdat elk van die families bekeerd en gedoopt werden, met inbegrip van hun Methodistische predikant.”[6]

Ook in het heden leeft het verhaal. Met tienduizenden zendelingen in het veld, die dagelijks bidden om mensen te vinden aan wie het evangelie te verkondigen, is het normaal dat voorvallen, waarbij een onbekende de zendelingen helpt, aan een bijzondere interventie doen denken. Professor Wilson, die voor doorgaand onderzoek teruggekeerde zendelingen laat rapporteren over dergelijke verhalen, verzamelde aldus honderden getuigenissen: “Van over de hele wereld komen verslagen van Nephieten die zendelingen begeleiden door een vieze achterbuurt, hen beschermen tegen een woedende menigte, deelnemen aan een voorstelling op straat, hen onderwijzen in bekeringswerk, hen opbeuren bij ontmoediging, en, in tijden van nood, hen voeding, kleding, onderdak en vervoer bezorgen.”[7]

 

Het verlenen van persoonlijke hulp. Een derde categorie omvat alle voorvallen die leden als individu of als gezin ten goede komen. Zij behoren tot de oudste vormen omdat drie-Nephieten-verhalen voor het eerst voorkwamen in het kader van het uitdagende pioniersleven, vanaf de jaren 1850. Kerkleden konden zich optrekken aan deze verhalen die telkens bevestigden dat God met hen was en dat hemelse wezens hen hielpen. Zo zijn er talrijke verhalen van kleine kinderen die door een van de drie Nephieten gered werden van de verdrinkingsdood in een van de vele irrigatiekanalen in Utah.[8] Ook ziekte vormde een immer beangstigende bedreiging in een gebied met weinig dokters, grote afstanden en een nog beperkte geneeskunde. In de jaren 1940 noteerde Wilfrid Bailey dit typische verhaal van een oude man, herinnering uit zijn kinderjaren:

“Mijn broer was ernstig ziek. Ons gezin knielde neer in gebed. Na het gebed werd er aan de deur geklopt. Het was een man met een korte baard, net gekleed in een grijs pak. Hij zei dat hij wist dat er iemand ziek was. Hij vroeg of er olijfolie in huis was. We gaven het hem en hij zei dat hij het ging heiligen voor een bijzonder doel. Hij vroeg aan mijn vader en mijn moeder om hem bij te staan. Dan gaf hij mijn broer een zalving. Hij verliet het huis. Mijn moeder zei me: “Ga achter die man aan en vraag zijn naam.” Ik liep naar buiten maar hij was verdwenen. Wij woonden op een afgelegen boerderij en niemand kon ons huis bereiken zonder paard of wagen. We hoorden niemand en zagen nergens sporen. Een weinig later ontwaakte mijn broer uit zijn coma en zijn eerste woorden waren: ‘Ik heb honger’.”[9]

In zijn grondige studie van drie-Nephieten-verhalen schetst Hector Lee een klassiek kader ervoor, zoals hij het later van een getuige opnam. In de jaren 1920, ’s avonds in een eenvoudig huisje ergens in landelijk Utah of Idaho, ontvangt een mormoons gezin de huisonderwijzers voor hun maandelijks bezoek. De boodschap gaat over geloof en patriarchale zegens en de kinderen luisteren naar een verhaal, net zoals hun ouders een generatie vroeger naar een gelijkaardig verhaal luisterden. Een van de huisonderwijzers vertelt:

“Ik weet van een trouwe zuster, Alyda Abbott Squires, die in 1874 met haar man in het afgelegen Wah Wah Springs woonde, aan de Escalante woestijn, in een schamele blokhut, met drie dochtertjes. Haar man was die dag ver weg gaan werken. Het was tegen de avond en hij had al thuis moeten zijn, maar in de verre open omgeving was er nog geen spoor van hem te zien. Zuster Squires was naar de nabije bron gestapt om water te halen, en toen zij terugkwam zag zij tot haar verbazing een man met grijs haar en een lange witte baard op de drempel zitten. Het was een net geklede man, met sprankelende ogen. Hij vroeg haar om zij hem wat te eten wilde geven. Ze was wel verontrust maar nodigde hem binnen en gaf hem kaas, brood, appeltaart en een glas melk. Hij at en dronk en zei toen tegen haar: “Zuster, je gezondheid is niet goed.” Zij bevestigde dat ze inwendig pijn had. “Zuster, zei hij, dat is je lever, maar vanaf nu zal het je niet meer hinderen.” Hij dankte haar voor de maaltijd en beloofde haar dat zij nooit enig tekort zou hebben. Hij stapte buiten. Zo gauw zuster Squires dacht dat hij de hoek van het huis bereikt had, stapte ook zij naar buiten om te kijken in welke richting hij vertrokken was, maar er was geen spoor meer van hem. Ze ging terug binnen en zag tot haar verbazing dat de tafel nog gedekt stond alsof er niets van gegeten of gedronken was. Ze herinnerde zich nochtans goed dat hij er gegeten en gedronken had. Een weinig later kwam haar man thuis en zij vroeg hem of hij iemand in de omgeving gezien had, maar hij had niemand gezien. Maanden later vertelde zuster Squires de ervaring aan haar moeder. Die glimlachte en zei: “Maar, Lyda, ben je dan je patriarchale zegen vergeten? Daarin werd je beloofd dat een van de drie Nephieten aan je tafel zou eten. Dat is wie die man was.” Zuster Squires heeft nooit meer last van haar lever gehad en ze is 89 jaar oud geworden. En hier in onze stad woont een van haar dochters. Ik weet dit verhaal van mijn moeder die het van haar tante weet die het hoorde van Mister Bowman, want hij is de man die met een van de dochters van zuster Squires is getrouwd en ze wonen hier in de stad.”[10]

Persoonlijke hulp is altijd actueel, ook in een hedendaagse context. De drie Nephieten gaan mee met hun tijd. In recente verhalen helpen ze een gezin dat in een defecte auto op een verlaten winterweg gestrand staat: een onbekende wandelaar komt langs, regelt wat aan de motor onder de motorkap en vraagt de bestuurder opnieuw te starten; dat lukt, maar als die uitstapt om de helper te danken is die spoorloos. Een oververmoeide trucker neemt een lifter mee die hem met een boeiend evangeliegesprek wakker houdt, maar bij aankomst verdwenen is. In een zondagschoolklas waar over doctrine geruzied wordt, verheldert een bezoeker rustig en gezagsvol de leer, maar nadien is hij nergens meer te vinden. Net als voorheen zorgen de drie Nephieten, als anonieme voorbijganger of bezoeker, voor troost bij ziekte, verlies of dood; voor waarschuwingen bij gevaar; voor lering en inzicht bij twijfel.

 

Het waarheidsgehalte van deze verhalen

Deze verhalen zijn per definitie niet controleerbaar, maar dat zijn wonderen verhaald in de Schriften evenmin. Voor wie zo’n ervaring met een onbekende weldoener persoonlijk heeft meegemaakt en daaruit geestelijke kracht heeft geput, is de ervaring op zich waar. De interpretatie dat het mogelijk om een van de drie Nephieten ging is altijd maar een veronderstelling. Die veronderstelling is dan weer afhankelijk van onverklaarbare aspecten van het gebeuren, zoals in de voorbeelden met de schrijfmachine of de onaangeroerde eetwaren. Het vertrek van de onbekende, die meteen daarna verdwenen blijkt te zijn, is een typisch kenmerk die de veronderstelling ondersteunt. Factoren die ook sterk meespelen zijn geloof in de mogelijkheid van dergelijke manifestaties en vertrouwdheid met drie-Nephieten-verhalen vanuit de religieuze opvoeding.

Gelovige mormonen die over zo’n ervaring uit tweede, derde of meer handen horen vertellen zullen verschillend reageren. Voor de enen zal het meteen een geloofsversterkende bevestiging zijn van wat de Schrift verkondigt — dat is nu eenmaal wat 3 Nephi 28 laat verstaan. Anderen zullen het aanzien als de uiting van een (bij)geloof dat zij respecteren, maar niet meteen lichtvaardig delen. Veel hangt ook af van de inhoudelijke geloofwaardigheid van het verhaal. William Wilson, die honderden verhalen met elkaar vergeleken heeft, aarzelt niet om er vele te discrediteren. Sommige verhalen zijn inderdaad te vaag, te vaak doorverteld in varianten, te evident vervormd om ze spannender te maken. Sommige zijn zelfs urban legends zoals het verhaal van de drie mannen in het wit die bij de Arabisch-Israëlische conflicten in de jaren 1950 en 60 voor Israëlische overwinningen zorgden.[11]

Maar er zijn ook verhalen die Wilson, als gelovig mormoon, ontroeren. Sommige heeft hij uit eerste hand, dus ervaren door zijn getuigen. Ze zijn realistisch binnen een vertrouwd kader, en qua gebeurtenis op zich volkomen geloofwaardig. Zoals dit verhaal dat hij van een zekere Carol optekende.

Brent, de verloofde van Carol, was als zendeling geroepen voor de Noord-Mexico zending. Hij ging naar de tempel in Mesa , Arizona voor zijn eigen begiftiging. Carol wachtte buiten op hem. Om de tijd aangenaam door te brengen had ze wat borduurwerk meegebracht. Terwijl ze daar dicht bij de ingang zat, kwam er kleine, erg oude man naar haar toe. Hij droeg een witte coverall en had een schoffel bij. Hij zei haar, met een blik naar de tempel: “Je moet wel erg trots zijn op die jongeman daarbinnen.” Omdat zij hem niet gezien had toen zij met Brent was aangekomen, verwonderde zijn opmerking haar. Hij zei dat hij de tuinier van de tempeltuinen was en vroeg of zij misschien met hem wilde rondwandelen, aangezien ze zo’n drie uur te wachten had. Ze nam het aan, een beetje uit nieuwsgierigheid, veronderstelde ze. Hij toonde haar al de bloemen in de tuinen en vertelde over de legenden die met een aantal samengingen. Het leek wel of zijn hele leven om die bloemen ging. Hij bleef tegen haar praten en toonde haar veel zaken in de natuur. In die korte tijd groeide haar waardering voor de oude man. Toen begon hij te spreken over Brent. Hij zei dat het fijn was dat zij zo iemand als toekomstig echtgenoot had. Hij vertelde over het belang van het huwelijk. Hij zei haar dat wanneer Brent uit de tempel zou komen, zij hem zou zien als nooit tevoren. Toen keek hij op zijn horloge en zei: “Ik denk dat jouw jongeman nu spoedig buiten zal komen, dus zullen we maar teruggaan.” Toen ze in de inkomhal stonden, dankte hij haar voor de tijd die zij met hem had willen doorbrengen en vroeg haar om de dingen te onthouden die hij haar had gezegd. Toen ging hij weg, net op het moment dat Brent aan de balie verscheen. Carol keek naar Brent. Ze zei dat er een gloed van zijn gelaat straalde. Ze vroeg hem zich even te haasten omdat zij hem aan iemand wilde voorstellen. Ze liepen snel naar buiten om de tuinman in te halen, maar ze konden hem nergens vinden. Carol keek overal rond tot ze een grote man in een vuile blauwe overall vond. Ze verontschuldigde zich en vroeg de man of hij de tuinman had gezien. De man antwoordde dat hij de enige tuinman voor de tempel was, dat hij dit al drie jaar deed en dat hij verder niemand had gezien.

Het verhaal vermeldt zelfs de veronderstelling niet dat de oude tuinman in het wit een van de drie Nephieten was, maar mormonen vertrouwd met de achtergrond leiden dit vanzelf af. Wilson twijfelt er niet aan dat deze jongevrouw die uren met deze onbekende in de tempeltuinen doorbracht. Of het nu een vriendelijke oude man was met ervaring in deze situatie van een wachtende jonge vrouw aan de tempel, dan wel een van de drie Nephieten, moet elk voor zich uitmaken, besluit professor Wilson.

 

De betekenis en waarde van deze verhalen

Wie zelfs bij het verhaal van Carol de schouders ophaalt heeft weinig van het mormonisme begrepen. Dergelijke innige verhalen hebben hun betekenis en waarde.

Vooreerst legt een bezoekverhaal van een van de drie discipelen een directe band tussen gewone mensen en historische personages uit de Schriften die plots heel werkelijk worden. Van die geprivilegieerde band konden kerkleiders wel genieten — denk aan de bezoeken van profeten en apostelen vanouds aan Joseph Smith en sommigen van zijn naaste medewerkers —, maar weinig gewone leden konden daarop rekenen. Daarenboven waren die hoge bezoeken deel van een organisatorisch plan om kennis en bevoegdheden over te dragen. De drie Nephieten zijn van een andere orde. Elk van hen kan de nabije, onverwachte vriend zijn, de engelbewaarder die plots heel dicht bij jou als mens kan staan en toch het bovennatuurlijke vertegenwoordigt. Het Boek van Mormon zelf reikt de basis voor dat geloof aan — drie werkelijke personen die al tweeduizend jaar op aarde tussen de mensen vertoeven om hen te dienen. Dat zij dan ook in het echt optreden is getuigenisversterkend. Dat bovennatuurlijke is ook nooit magisch in de zin van betoverend. De drie Nephieten zijn volkomen normale mensen die discreet hun werk doen. In het mormonisme is het goddelijke even concreet als het aardse.

Vervolgens sterken deze niet-officiële wonderverhalen een besef van alternatieve verbondenheid onder heiligen der laatste dagen. Zeker, mormonen zijn al verbonden door de strakke gelijkheid in leer en organisatie, door de coördinatie die alles afstemt op de normen van “Salt Lake” en van het “kerkelijk handboek”. Maar velen hebben ook behoefte aan een band in de sluiers van de verborgen wereld. Ze delen de honger naar religie die ver-wondert. De verhalen van een bezoekende Nephiet of van een ander merkwaardig voorval worden dan ook vooral in kleine kring verteld, als informatie voor vertrouwde vrienden. Ze horen bij wat men soms “volksgeloof” noemt of folk-lore in zijn oorspronkelijke betekenis van “volkse leer”. Het sluit ook nauw aan bij wat “persoonlijke openbaring” inhoudt.[12] Het is deze subcultuur van gedeeld volksgeloof die een groep vaak zijn authentieke, religieuze eigenheid geeft.[13] De verhalen echoën ook de sfeer van “de gaven van de Geest” die zo sterk de eerste generaties mormonen bezielden.[14] Ze bevestigen de sociale plaats die het bovennatuurlijke in het leven van de gemeenschap kan innemen.

Maar de mogelijk belangrijkste betekenis en waarde van deze verhalen is dat zij naastenliefde uitdrukken. Het wonderlijke in het verhaal is uiteindelijk maar een omhulsel voor de essentiële boodschap: mensen worden geholpen, genezen, gered, getroost, onderwezen, bemoedigd. De drie Nephieten doen wat wij zoveel mogelijk moeten doen. Uiteindelijk is een onderliggende boodschap dat elk van ons ook als een van de drie Nephieten kan optreden. Anoniem goed doen en in stilte verdwijnen.

 

3 – Vier Nephi: de kroniekschrijvers en de samenvatter

Mormon als samenvatter onder tijdsdruk?
Waarom 4 Nephi?
Wie waren de kroniekschrijvers van 4 Nephi?
Welke Nephi begon de kroniek van 4 Nephi?

 

Mormon als samenvatter onder tijdsdruk?

Bijna driehonderd jaar geschiedenis — van 35 n.C. tot 320 n.C. — vinden we samengevat in vijf bladzijden, ingedeeld in 49 verzen. Het contrast kan niet groter zijn met de anderhalve eeuw ervoor, vanaf de tijd van koning Mosiah in 124 v.C. tot Jezus’ bediening onder de Nephieten in 34 n.C. Die anderhalve eeuw vult het laatste deel van het boek Mosiah, de volledige boeken Alma en Helaman, en het volledige boek 3 Nephi, met andere woorden zo’n veertig procent van het hele Boek van Mormon. En dan, voor een periode die twee keer zo lang is, drie eeuwen, vult die periode minder dan één procent van het hele boek. Hoe het verschil te verklaren? De verantwoordelijke is Mormon die voor de samenvatting zorgt. Hij verkoos een uiterst compacte weergave. We kunnen het verklaren vanuit tijdsgebrek. De realiteit van het nakende einde, in de tweede helft van de vierde eeuw n.C., was Mormon aan het inhalen. Aanvoerder van de Nephitische legers, verwikkeld in veldslagen, prediker van bekering, beheerder van de kronieken, stond Mormon ook nog eens voor de opdracht de nog overblijvende eeuwen van de kroniek in te korten. Ditmaal koos hij resoluut voor de samenvatting, niet voor een mengeling van originele stukken en commentaren. Die samenvatting is eigenlijk meesterlijk, in brede trekken die de morele essenties van de wisselende periodes weergeven, zonder zich te bekommeren om tijdelijke of praktische aspecten en zonder enig nodeloos detail. Vier Nephi is haast mathematisch in twee delen verdeeld: 24 verzen over de vredevolle periode tot 200 n.C., 25 verzen over het verval daarna. Binnen die inhoudelijke samenvatting slaagt Mormon erin datums en kroniekschrijvers te vermelden, zodat hij het geheel toch nog een chronologisch ritme geeft.

De oorspronkelijke kronieken, die de periode van 35 tot 320 n.C. bestrijken, moeten normaal gesproken vrij uitgebreid geweest zijn. De vestiging van de kerk van Christus in alle delen van het land heeft ongetwijfeld ook impact gehad op de politieke en juridische organisatie van het land. Vielen kerk en staat samen? Hoe werkte het economisch systeem met als regel “zij hadden alle dingen gemeenschappelijk onder zich” (1:3). Wat waren de “grote en wonderbare werken verricht door de discipelen van Jezus”? (1:5). Hoe gebeurde de opvolging van de discipelen, althans van de negen die uiteindelijk stierven? Hoe verbrokkelde de maatschappij vervolgens? Welke gebeurtenissen waren doorslaggevend in de ontaarding? Dat alles moet min of meer uitvoerig beschreven geweest zijn.

De eerste tweehonderd jaar zijn vredevol. Je kunt Mormon zien samenvatten. Hij overloopt de bestaande kronieken en schrijft: “En aldus verstreek het achtendertigste jaar…” , dan leest hij verder (misschien na een lange onderbreking), ontdekt niets vermeldenswaard, en vult aan, telkens bladerend door de kronieken, mogelijk op telkens latere tijdstippen om te onthouden waar hij gekomen was: “… en ook het negenendertigste en het eenenveertigste en het tweeënveertigste, ja, totdat er negenenveertig jaar waren verstreken, en ook het eenenvijftigste en het tweeënvijftigste; ja, totdat er zelfs negenenvijftig jaar waren verstreken” (1:6). Dan volgt een algemene samenvatting van de voorspoedige toestand (1:7–13).

Vervolgens herhaalt het scenario zich. Mormon noteert: “En het geschiedde dat het eenenzeventigste jaar verstreek…” Dan leest hij verder in de oorspronkelijke kroniek en merkt dat er in het volgende jaar niets opmerkelijks gebeurd is en dus vervolgt hij zijn zin: “… en ook het tweeënzeventigste jaar…” Zelfde scenario als hij verder door de kronieken bladert en niets bijzonders opmerkt: “…ja, kortom, totdat het negenenzeventigste jaar was verstreken…” Verder bladeren, nu wat sneller met grotere delen, en dan noteren: “…ja, er waren zelfs honderd jaar verstreken, en de discipelen van Jezus, die Hij had uitgekozen, waren allen naar het paradijs van God gegaan, behalve de drie die zouden blijven.” (1:14).

Volgens John Tvedtnes zou Mormon hier eerder de jaren citeren waarvan hij de kroniek raadpleegde.[15] Dat is een mogelijke interpretatie, maar het zou verwonderen dat Mormon zoveel jaren tussenin niet bekeken zou hebben en dan toch nog die periode gobaal zou samenvatten.

Om dan toch weer wat inhoudelijk te vullen vat Mormon de gebeurtenissen samen als negatie van het negatieve, wat normaal wél geschiedenis zou uitmaken, maar dus ontbreekt:

“En het geschiedde dat er geen twist in het land was wegens de liefde voor God die de mensen in hun hart koesterden. En er was geen afgunst, noch strijd, noch opschudding, noch hoererij, noch leugen, noch moord, noch enigerlei wellust; en er kon stellig geen gelukkiger volk zijn onder alle volken die door de hand Gods waren geschapen. Er waren geen rovers of moordenaars; evenmin waren er Lamanieten of wat voor –ieten dan ook; integendeel, zij waren één, kinderen van Christus en erfgenamen van het koninkrijk Gods.” (1:15–17).

En daarop een vleug nostalgie, pijnlijk vanuit de toestand waarin Mormon nu schrijft: “En wat waren zij gezegend! Want de Heer zegende hen in al hun werken; ja, zij werden gezegend en voorspoedig gemaakt” (1:18).

Ook wanneer de vredevolle wereld uiteen begint te vallen houdt Mormon het bij vaststellingen van frequente gebeurtenissen, zonder specifieke, gedateerde voorvallen te vermelden. “En zij begonnen in standen verdeeld te worden; en zij begonnen voor zichzelf en om gewin kerken op te bouwen… (1:26). De krachtlijnen kennen we al lang want de Nephitische geschiedenis herhaalt zich: hoogmoed in de kerk, standenverschil, afvallige kerken, vervolgingen, splitsing in  verdeelde volken, opkomst van een nieuwe golf van rovers van Gadianton. Die ontaarding is gespreid over een periode van meer dan een eeuw. En zo bereikt Mormon het moment waarop hij zelf hoeder van de kronieken wordt en uit eigen leven moet aanvullen.

 

Waarom 4 Nephi?

Deze nummering “4” hoorde niet bij de platen en werd dus evenmin gebruikt in de eerste edities van het Boek van Mormon. Vier Nephi heette oorspronkelijk “The Book of Nephi”, net zoals trouwens 3 Nephi. Op de platen, en in de eerste edities van het Boek van Mormon werden 3 en 4 Nephi enkel onderscheiden door hun toevoeging, zoals we die nu nog lezen:

“Het boek Nephi – De zoon van Nephi, die de zoon van Helaman was”
“Het boek Nephi – Deze Nephi is de zoon van Nephi— een van de discipelen van Jezus Christus”

De nummering 3 en 4 Nephi werd pas in de editie van 1879 ingelast, toen het hele Boek van Mormon in andere hoofdstukken en verzen werd verdeeld. Helemaal in het begin van het Boek van Mormon hadden we immers al 1 en 2 Nephi (die wel zo op de platen vermeld waren). Die doorlopende nummering van de Nephi-boeken maakte het makkelijker om naar Schriftteksten te verwijzen.

 

Wie waren de kroniekschrijvers van 4 Nephi?

Vier Nephi draagt wel de naam van Nephi, maar over die periode van bijna drie eeuwen hebben meerdere opeenvolgende kroniekschrijvers aan de oorspronkelijke kronieken gewerkt. Bedenk echter steeds dat wij nooit de directe woorden van deze kroniekschrijvers lezen, enkel de compacte samenvatting van Mormon.

De Nephi die de kroniek opent is de derde van die naam van vader op zoon. Die namen zijn een belangrijk gegeven om de identiteit van Nephi, als eerste kroniekschrijver van 4 Nephi te vatten:

  • Nephi–H — Nephi, zoon van Helaman, is een regeerder en profeet van de eerste eeuw v.C., werkzaam vanaf het 53e jaar van de regering der rechters (38 v.C.). Zijn bijdrage zit volledig in het boek Helaman, vanaf het moment dat hij zijn vader Helaman opvolgde (Helaman 3:37). Na eerst negen jaar als opperrechter te hebben gediend, koos hij ervoor zijn verder leven aan zendingswerk te wijden.
  • Nephi–N — Deze Nephi, zoon van de vorige, is de profeet die de zorg voor de kronieken van zijn vader Nephi-H overneemt omstreeks 1 v.C., dus kort voor de geboorte van Jezus (3 Nephi 1:2). Zijn verslag, eeuwen later ingekort door Mormon, staat in het boek 3 Nephi. Deze Nephi wordt één van de twaalf discipelen, wat we kunnen afleiden uit het feit dat hij zijn broer uit de doden opwekte, een feit dat op twee verschillende plaatsen vermeld staat (3 Nephi 7:19 en 19:4).
  • Nephi–NN — Als zoon in een volgende generatie, is deze Nephi de zoon van Nephi-N, en dus kleinzoon van Nephi-H. Hij is de schrijver die de kroniek van het boek 4 Nephi inzette.

Zijn zoon Amos (de oudere) krijgt de opdracht om de kroniek verder te zetten in 110 n.C., op zeer jonge leeftijd, aangezien hij gedurende 84 jaar hoeder van de kronieken blijft, alvorens te overlijden in 194 n.C. (4 Nephi 1:20–21). Daarna volgde zijn zoon Amos (de jongere). De geschiedenis vordert dan met grote sprongen, zodat Mormon bij het samenvatten mogelijk een of meer kroniekschrijvers niet vermeld heeft.[16] We komen dan opnieuw bij een Amos uit, die bij overlijden in 305 n.C. de zorg voor de kroniek aan zijn broer Ammaron overdraagt.

Als je er niet van uitgaat dat er nog een of meer onvermelde kroniekschrijvers waren tussen Amos de jongere en Amos, broer van Ammaron, dan worden de leeftijden van de vermelde schrijvers onwaarschijnlijk hoog, want dan zouden die twee achtereenvolgend 210 jaar lang de kroniek hebben bijgehouden. George Reynolds, een van de eerste grondige ontleders van het Boek van Mormon, nam dit letterlijk aan en verklaarde die hoge leeftijden als een zegen omdat de mensen na Christus’ bezoek zo heilig leefden.[17] Ook Daniel H. Ludlow gaat uit van hoge leeftijden van de kroniekschrijvers.[18] Het is daarom geloofwaardiger (en niet in tegenspraak met de tekst) om minstens een schrijver tussen Amos de jongere en de volgende Amos te veronderstellen.

Net zoals in andere boeken in het Boek van Mormon schreven sommige kroniekschrijvers verder in de kroniek van hun voorganger, zodat de naam van die voorganger de titel voor het volledige boek blijft. Anderen begonnen een nieuw boek. Voor Vier Nephi is het niet altijd duidelijk of alle schrijvers in de oorspronkelijke kronieken steeds verder schreven onder de algemene naam van Nephi (Nephi-NN). Mormon kan ze voor de makkelijkheid onder dit “Boek van Nephi” hebben samengebracht. Er staat wel dat Amos (de oudere) de kroniek bijhield “op de platen van Nephi” (1:19), maar alle kronieken staan op deze platen. Iets verder lezen we over Amos (de jongere): “en ook hij hield die bij op de platen van Nephi; en zij werd ook in het boek Nephi geschreven, hetgeen dit boek is” (1:21). Dat wijst op aanvulling in wat nu 4 Nephi is. Maar helemaal op het einde van 4 Nephi besluit Mormon met: “En aldus is het einde van de kroniek van Ammaron” (1:49). Het zou dus kunnen dat in de loop van de geschiedenis een of meer kroniekschrijvers een nieuw boek begonnen, maar dat Mormon die overgangen in titels niet heeft genoteerd.

 

Welke Nephi begon de kroniek van 4 Nephi?

Dit punt heeft alleen belang voor analisten die verfijnd het Boek van Mormon bestuderen. Ik haal het aan voor de volledigheid. Brant Gardner is van mening dat Nephi-N en Nephi-NN dezelfde persoon zijn, dus dat de kroniekschrijver van 3 Nephi ook de kroniek schreef die in 4 Nephi start.[19] Gardner baseert zich hiervoor op een ambiguïteit in de ondertitel van 4 Nephi: “Deze Nephi is de zoon van Nephi — een van de discipelen van Jezus Christus”. Slaat “een van de discipelen” op de eerste of de tweede Nephi in de frase ervoor? Of, uitgedrukt met de identificaties (zie hiervoor) om de keuzes te verduidelijken (de onderlijning heeft betrekking op dezelfde persoon):

  • “Deze Nephi-NN is de zoon van Nephi-Neen van de discipelen van Jezus Christus”. In dit geval is Nephi-NN de schrijver van 4 Nephi.
  • Deze Nephi-N is de zoon van Nephi-H — een van de discipelen van Jezus Christus”. In dit geval is Nephi-N dezelfde als Nephi-NN en de schrijver van 4 Nephi. Dat is de stelling van Brant Gardner.

Er zijn verschillende argumenten tegen die interpretatie.

  • De appositie “een van de discipelen” slaat normaal op wat er net voor staat, dus Nephi-N. Dan is “deze Nephi” zijn zoon, namelijk Nephi-NN. In de originele editie van het Boek van Mormon wordt het als volgt geschreven: “The Book of Nephi, which is the son of Nephi, one of the disciples of Jesus Christ”. Dat versterkt de bijstelling “een van de discipelen” als betrekking hebbend op het woord er vlak voor.
  • Indien Nephi-NN dezelfde als Nephi-N was, dan zou er geen reden zijn om een nieuwe kroniek te beginnen. Wilde Mormon toch een scheiding maken, dan zou normaal dezelfde techniek als bij 1 en 2 Nephi gelden, namelijk een nummering die duidelijk maakt dat dezelfde auteur een ander boek begint.
  • De leeftijden kunnen niet kloppen als Nephi-N ook nog de eerste periode in 4 Nephi zou geschreven hebben. Nephi-N is al “de oudste zoon” van Nephi-H. Hij had de zorg voor de platen en de kronieken van zijn vader Nephi-H ten laatste in 1 v.C. en vermoedelijk al vroeger gekregen (3 Nephi 1:2). Op het moment van die overdracht was Nephi-N dus al een volwassen man, klaar om de kroniek bij te houden voor een van de belangrijkste perioden van de Nephitische geschiedenis. Als we zijn minimumleeftijd in 1 v.C. op 25 jaar stellen, dan is hij in 34 n.C., wanneer hij als discipel geroepen wordt, tegen de zestig. Dat “Nephi de discipel” dezelfde als Nephi-N is, blijkt uit de verwijzing dat hij zijn broer uit de doden opwekte (3 Nephi 7:19 en 19:4). Uit het vervolg van de kroniek in 4 Nephi kunnen we opmaken dat Amos, zoon van Nephi, in 194 n.C. sterft, na niet minder dan 84 jaar dienst (4 Nephi 1:21). Dat betekent dat deze Nephi, de vader van Amos, na de overdracht van de platen omstreeks 110 n.C. stierf. Dat kan dus moeilijk Nephi-N geweest zijn, want dan zou hij al minstens 135 jaar oud geweest zijn. Een tussengeneratie, vertegenwoordigd door Nephi-NN als eerste kroniekschrijver van 4 Nephi lijkt dus evident. Zeker is dat Amos al erg jong de zorg over de kronieken kreeg, maar dat is niet uitzonderlijk.

 

4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

3 Nephi 28:39 – “zij werden in het vlees geheiligd”
3 Nephi 29:8 – “gij behoeft de Joden niet langer uit te fluiten of te versmaden”
4 Nephi 1:5 – Stijlfiguur: polysyndeton
4 Nephi 1:36 – De indeling van de groepen: de zeven macro-lijnen

 

3 Nephi 28:39 – “zij werden in het vlees geheiligd”

“Nu was die verandering niet gelijk aan de verandering die ten laatsten dage zal plaatsvinden; maar er werd een verandering in hen teweeggebracht, zodat Satan geen macht over hen kon hebben en hen niet kon verzoeken; en zij werden in het vlees geheiligd, zodat zij heilig waren en de machten der aarde hen niet konden belemmeren.”

De uitdrukking “in het vlees heiligen” is bijzonder omdat “heiligen” standaard naar een toestand van geestelijke reiniging verwijst met het oog op het kunnen aanschouwen van God. Mozes trachtte “zijn volk te heiligen, opdat zij het aangezicht van God zouden kunnen aanschouwen” (Leer en Verbonden 84:23). “Daarom, heiligt u, opdat uw gedachten zich alleen op God zullen richten en de dagen zullen komen dat u Hem zult zien” (Leer en Verbonden 88:68).

Volgens de Schrift is het niet mogelijk God “in het vlees” te zien en te leven: “U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven” (Exodus 33:20). De uitdrukking “in het vlees” is dan ook de tegenstelling van “in de geest”: “Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, wanneer althans de Geest van God in u woont” (Romeinen 8:9).

De “heiliging in het vlees” wordt beschouwd als een fysische verandering, voldoende “reinigend” om veroudering tegen te gaan.[20]

 

3 Nephi 29:8 – “gij behoeft de Joden niet langer uit te fluiten of te versmaden”

Ja, en gij behoeft de Joden niet langer uit te fluiten of te versmaden of de spot met hen te drijven, noch met enig overblijfsel van het huis Israëls; want zie, de Heer gedenkt zijn verbond met hen, en Hij zal met hen handelen volgens hetgeen Hij heeft gezworen.

Schrijvers in het Boek van Mormon vertonen een tweeledige houding tegenover de Joden. Die houding wordt uitgedrukt door profeten, en dus soms in de mond van God zelf gelegd. In feite weerspiegelen zij daarmee de uitspraken van Bijbelse profeten, die zich zowel scherp en veroordelend uitdrukken als troostend en beloftevol tegenover hun volk.

De teksten over de Joden in het Boek van Mormon zijn daarenboven uiteenlopend van invalshoek omdat ze zich soms richten tot de Joden zelf, soms tot het huis Israëls in het algemeen, soms tot de afgebroken tak op het westelijk halfrond en soms tot de “andere volken”.

In hoofdstuk 29 richt Jezus zich profetisch tot toehoorders in de toekomst, in een algemene aanspreking die zowel het nageslacht van Israël op het westelijk halfrond als de “andere volken” kan omvatten. De Joden vallen daar enigszins buiten aangezien Jezus een vermaning aan zijn toehoorders richt hoe zij de Joden dienen te behandelen.

De opdracht de Joden niet langer te versmaden of te bespotten is opmerkenswaardig voor de tijd van verschijning van het Boek van Mormon. In die periode heerste er in de Verenigde Staten nog steeds een sterk antisemitisme, zelfs expliciet in de christelijke opvoeding.[21] We stelden reeds vroeger vast hoezeer het Boek van Mormon ook een dankbare houding tegenover de Joden aanprees, met name in de profetische waarschuwing van Nephi jegens hen die het Boek van Mormon zullen verwerpen omdat ze al een Bijbel hebben: “Een Bijbel! Een Bijbel! Wij hebben een Bijbel en er kan niet nog meer Bijbel zijn”. Daarop komt het antwoord:

Maar aldus zegt de Here God: O dwazen, zij zullen een Bijbel hebben; en deze zal voortkomen uit de Joden, mijn verbondsvolk vanouds. En hoe danken zij de Joden voor de Bijbel die zij van hen ontvangen? Ja, wat bedoelen de andere volken eigenlijk? Denken zij aan de moeiten en het gezwoeg en de inspanningen der Joden, en hoe ijverig zij jegens Mij zijn geweest om de andere volken redding te brengen? O andere volken, zijt gij de Joden, mijn verbondsvolk vanouds, indachtig geweest? Neen; integendeel, gij hebt hen vervloekt en gehaat, en niet getracht hen terug te winnen. Maar zie, Ik zal al deze dingen op uw eigen hoofd doen wederkeren, want Ik, de Heer, ben mijn volk niet vergeten.” (2 Nephi 29:4-6)


Die laatste belofte wordt hier in 3 Nephi herhaald: “want zie, de Heer gedenkt zijn verbond met hen, en Hij zal met hen handelen volgens hetgeen Hij heeft gezworen.”

 

4 Nephi 1:5 – Stijlfiguur: polysyndeton

We hebben deze stijlfiguur al voorheen bestudeerd. De moeite om eens op te frissen:

En er werden grote
en wonderbare werken verricht door de discipelen van Jezus,
zodat zij de zieken genazen,
en de doden opwekten,
en de lammen deden lopen,
en de blinden hun gezicht deden ontvangen
en de doven deden horen;
en zij verrichtten allerlei wonderen onder de mensenkinderen;
en in niets verrichtten zij wonderen dan alleen in de naam van Jezus.

De opsomming, telkens met het voegwoord en, geeft stilistisch een groeiende opwinding aan. In de mondelinge voordracht moet het naar een crescendo leiden. Deze stijlfiguur heet een polysyndeton, van het Grieks poly– (veel) en sundeo (aaneenschakelen). Voor meer informatie, zie hier in les 23.

Jammer genoeg oordeelden de Nederlandse vertalers van het Boek van Mormon dat die herhaling van het voegwoord niet paste, zodat ze er de helft van schrapten. De tekst hierboven volgt het Engelse origineel.

Eenzelfde polysyndeton vinden we in vers 16, met het voegwoord noch: “En er was geen afgunst, noch strijd, noch opschudding, noch hoererij, noch leugen, noch moord, noch enigerlei wellust”.

 

4 Nephi 1:36 – De indeling van de groepen: de zeven macro-lijnen

 En het geschiedde dat er in dat jaar een volk opstond dat de Nephieten werd genoemd, en zij geloofden waarlijk in Christus; en onder hen waren zij die door de Lamanieten Jakobieten en Jozefieten en Zoramieten werden genoemd; daarom werden zij die waarlijk in Christus geloofden en waarachtige aanbidders van Christus waren — onder wie zich de drie discipelen van Jezus bevonden die zouden blijven — Nephieten en Jakobieten en Jozefieten en Zoramieten genoemd. En het geschiedde dat zij die het evangelie verwierpen Lamanieten en Lemuëlieten en Ismaëlieten werden genoemd; en zij verkommerden niet in ongeloof, maar kwamen moedwillig in opstand tegen het evangelie van Christus; en zij leerden hun kinderen om niet te geloven, zoals hun vaderen, die vanaf het begin verkommerden.” (1:36–38)

Mormon meldt deze demografische bewegingen die echter niet noodzakelijk etnisch, maar (ook) het gevolg van morele keuzes zijn.

Voor een bespreking van deze volken met het suffix –ieten en de zeven macro-lijnen, zie dit onderdeel in les 20.

In welke mate de oude etnische lijnen nog meespeelden in de vorming van de nieuwe groepen is moeilijk te zeggen. Als we ze te overeenstemmend zien, dan neigen we naar een genetisch fatalisme, alsof afkomst uiteindelijk ook gedrag bepaalt.[22] Rond het jaar 200 n.C. kunnen familiale tradities en opvoeding normaal geen negatieve rol meer gespeeld hebben want al bijna twee eeuwen lang deelde de hele bevolking in eenzelfde ideale maatschappij. Anderzijds lijkt het waarschijnlijk dat mensen de kennis van hun afstamming behielden. Ook Jezus herinnerde het volk aan het belang van hun herkomst als huis Israëls. In hun familielegenden zullen dus ook oude rancunes overleefd hebben die nu terug boven komen:  “En hun werd geleerd de kinderen van God te haten, zoals de Lamanieten vanaf het begin was geleerd de kinderen van Nephi te haten” (4 Nephi 1:39).  Ook vroeger al waren het dergelijke herinneringen die antieke vetes terug leven inbliezen.

 

 

5 – Gestructureerd lezen

3 Nephi 27 – De naam van de kerk en beginselen van het evangelie

  • 1–3 – Vraag van de discipelen over de naam van de kerk.

Leringen van Jezus

  • 4–8 – De naam van Christus op u nemen.
  • 9–13 – Het is mijn kerk indien op mijn evangelie gebouwd.
  • 14–15 – De reden waarom Jezus aan het kruis is verhoogd. Opstanding en oordeel.
  • 16–20 – Geloof, bekering, doop, gave van de Heilige Geest, volharding tot het einde.
  • 21–22 – Doe de werken die gij Mij hebt zien doen.
  • 23–25 – Over het opschrijven van de werken en het oordeel uit de boeken.
  • 27 – De discipelen zullen rechters over dit volk zijn.
  • 28–29 – Over gebed.
  • 30-32 – Over de komende generaties: tot het derde geslacht is er vreugde over, vanaf het vierde geslacht komt de ondergang.
  • 33 – Eng is de poort en smal is de weg.

 

3 Nephi 28 – De toekomst van de twaalf discipelen

  • 1–6 – “Wat verlangt gij van Mij?” Negen verlangen op het einde van hun leven in het koninkrijk te komen; drie discipelen verlangen op aarde te blijven.
  • 7–11 – Omstandigheden op aarde waarin de drie zullen vertoeven, met zicht op de uiteindelijke overgang van sterfelijkheid naar onsterfelijkheid.
  • 12–15 – Tijdelijke opname van de drie in de hemel.
  • 16–23 – Terugblik van Mormon vanuit zijn perspectief: de werkzaamheden van de drie tijdens de eerste eeuwen.
  • 24 – Afronding van de blik op het verleden.
  • 24–26 – Mormon houdt de namen van de drie verborgen, maar hij heeft hen gezien.
  • 27–32 – Toekomstige werkzaamheden van de drie discipelen.
  • 33–35 – Deze dingen moeten stellig gebeuren; wee hem die niet wil luisteren.
  • 36–40 – Meer uitleg over de verandering die de drie ondergingen en op de oordeelsdag nog zullen ondergaan.

 

3 Nephi 29 – Vermanende woorden van Mormon over de laatste dagen

  • 1 – Wanneer “deze woorden” (het Boek van Mormon) tot de andere volken komen, dan begint ook de terugkeer van het huis Israëls naar hun erflanden.
  • 2–4 – Woorden gericht tot de twijfelaars: wat voorspelt is zal gebeuren.
  • 5–7 – Driemaal “wee” over wie het werk van de Heer versmaadt of verloochent.
  • 8–9 – Versmaad de Joden niet; het verbond zal vervuld worden.

 

3 Nephi 30 – Oproep tot de andere volken

Algemene oproep tot bekering (één vers)

 

4 Nephi – Overzicht van bijna drie eeuwen geschiedenis

Eerste periode van 34 tot 200 n.C.

  • 1–2 – In minder dan drie jaar wordt het gehele volk, Nephieten en Lamanieten, tot Christus bekeerd.
  • 3 – Zij hadden alles gemeenschappelijk; volmaakte sociale gelijkheid.
  • 4–6 – Van 37 tot 59 n.C., met samenvattende vermelding van vele “grote en wonderbare werken”.
  • 7–13 – Beschrijving van de maatschappelijke en materiële vooruitgang.
  • 14 – Van 72 tot 100 n.C. De negen discipelen zijn ondertussen overleden en andere in hun plaats geordend.
  • 15–18 – Samenvatting van de toestand: liefde en vrede; geen zonden; geen verdeeldheid.
  • 19–21 – Overdracht van de kronieken aan Amos, dan aan diens zoon Amos.
  • 22–23 – Afronding van de periode.

Tweede periode van 200 tot 320 n.C.

  • 24–29 – Ontstaan van standenverschillen; oprichting van andere kerken voor gewin.
  • 30–34 – Vervolgingen tegen de ware kerk.
  • 35–39 – Terugkeer van de vroegere verdelingen in twee hoofdgroepen met elk subgroepen.
  • 40–41 – Het slechtste deel van het volk wordt talrijker dan het volk van God.
  • 42 – Terugkeer van de rovers van Gadianton.
  • 43–45 – De Nephieten worden even slecht als de Lamanieten.
  • 46 – De rovers van Gadianton verspreiden zich over het hele land.
  • 47–49 – Overdracht van de kronieken van Amos aan Ammaron, die ze verborg.

 

Voetnoten

[1]    Heather A. McKay, Sabbath and Synagogue: The Question of Sabbath Worship in Ancient Judaism (Leiden: Brill, 2001), in het bijzonder hoofdstukken 2 en 3 voor de pre-christelijke periode.

[2]   Austin E. Fife, “The Legend of the Three Nephites among the Mormons,” Journal of American Folklore 53, no. 1 (1940): 1–49; Hector Lee’s doctoraatsonderzoek (1947), nadien gepubliceerd als The Three Nephites: The Substance and Significance of the Legend in Folklore (Albuquerque: University of New Mexico Press, 1949); William A. Wilson, “Freeways, Parking Lots, and Ice Cream Stands: The Three Nephites in Contemporary Society,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 21, no. 3 (1988): 13–26. Voor Wilsons archief, zie “Mormon Legends of the Three Nephites Collected at Indiana University,” Indiana Folklore.

[3]    Zie de verwijzingen in voorgaande en volgende voetnoten. De meest recente studies nemen het drie-Nephieten-verhaal op in de bredere mormoonse folklore-studies. Zie bv. Eric A. Eliason and Tom Mould, Latter-day Lore: Mormon Folklore Studies (Salt Lake City: University of Utah Press, 2013); Tom Mould, Still, the Small Voice: Narrative, Personal Revelation, and the Mormon Folk Tradition (Logan: Utah State University Press, 2011); William A. Wilson, “Mormon Folklore: Cut from the Marrow of Everyday Experience,” Brigham Young University Studies 33, no. 3 (1993): 521–540.

[4]    William A. Wilson, “Freeways, Parking Lots, and Ice Cream Stands: The Three Nephites in Contemporary Society,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 21, no. 3 (1988): 13–26.

[5]    Wilson, “Freeways,” 19.

[6]    Garth N. Jones, “James Thompson Lisonbee: San Luis Valley Gathering, 1876-78”, Journal of Mormon History 28, no. 1 (2002), 212–255 (240).

[7]    Wilson, “Freeways,” 19. Zie ook zijn “Being Human: The Folklore of Mormon Missionaries,” Sunstone 7, no. 1 (1982): 32–40.

[8]    Barre Toelken, “Traditional Water Narratives in Utah,” Western Folklore 50, no. 2 (1991): 191–200.

[9]    Wilfrid C. Bailey, “Folklore Aspects in Mormon Culture,” Western Folklore 10, no. 3 (1951), 217–225 (224).

[10]  Lee, The Three Nephites, in zijn doctoraatsonderzoek (1947), 9–10.

[11]  Dit verhaal verscheen voor het eerst in 1950 in een kleine Amerikaanse krant Jewish Hope. Het werd later hernomen in varianten waarbij ofwel één ofwel drie bebaarde mannen in het wit, hetzij de Arabische legers schrik aanjoegen door hun verschijning, of gewoon aan de Arabische legerleiding verschenen en hen een ultiumatum voorlegden. In de jaren 1950 en 1960 stonden veel kerkleden en leiders aan de kant van Israël, overtuigd dat de stichting van Israël en de terugkeer van de Joden de vervulling van profetie uitmaakte en de oorlogen met de Arabische wereld de aanloop voor de eindtijd inluidden. De interpretatie dat de drie Nephieten bij die oorlogen tussenkwamen werd zelfs gedeeld door apostelen zoals Joseph Fielding Smith en LeGrand Richards. Zie Joseph Fielding Smith The Signs of the Times: A Series of Discussions (Salt Lake City: Deseret News Press, 1952), 227-233; LeGrand Richards Israel! Do You Know? (Salt Lake City: Deseret Book Company, 1954), 229-233; LeGrand Richards, “TheWord of Our God Will Stand,” Improvement Era 57 (June 1954) : 404-406.

[12]  Zie hierover de analyses Tom Mould, Still, the Small Voice: Narrative, Personal Revelation, and the Mormon Folk Tradition (Logan: Utah State University Press, 2011).

[13]  Dat is een domein waar psychologie, sociologie en antropologie nuttige analyses voor aanbieden. Zie voor het mormoonse kader, Austin E. Fife, “Folk Belief and Mormon Cultural Autonomy,” The Journal of American Folklore 61, no. 239 (1948): 19–30. Matthew Bowman argumenteert dat mormoonse folkverhalen een kracht eerder dan een zwakheid zijn: Matthew Bowman, “A Mormon Bigfoot: David Patten’s Cain and the Conception of Evil in LDS Folklore,” Journal of Mormon History 33, no. 3 (2007): 62–82. Zie ook Hannah Ruth LaPrise, “The Influences of Folklore on the Creation of the Mormon Identity,” Honors Thesis (University of Tennessee, 2014).

[14]  Historici hebben de “routinisering” van geestelijke gaven in het mormonisme vrij precies kunnen vastleggen. Zie bv. Thomas Alexander, Mormonism in Transition: A History of the Latter-day Saints, 1890-1930 (Urbana: University of Illinois Press, 1986), 290–298.

[15]  John A. Tvedtnes, The Most Correct Book (Springville: Cedar Fort, 2004), 14–15.

[16]  Verneil Simmons veronderstelt één kroniekschrijver tussen Amos de jongere en Amos, broer van Ammaron: Verneil W. Simmons, Peoples, Places and Prophecies (Zarahemla Research Foundation, 1981), 220–221.

[17]  George A. Reynolds, A Dictionary of the Book of Mormon (Salt Lake City: J. H. Parry, 1891), 70–71.

[18]  Daniel H. Ludlow, A Companion to Your Study of the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book, 1976), 167.

[19]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 6a – Fourth Nephi through Ether 3 (Kindle Locations 646-649). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[20]  Bruce R. McConkie, Mormon Doctrine, 675–676.

[21]  Zie bv. Leonard Dinnerstein, Antisemitism in America (New York: Oxford University Press, 1994); David Gerber (ed.), Anti-Semitism in American History (Champaign: University of Illinois Press, 1986); William Pencak, Jews and Gentiles in Early America, 1654–1800 (Ann Arbor: University of Michigan Press, 2005); Robert Rockaway and Arnon Gutfeld, “Demonic Images of the Jew in the Nineteenth Century United States,” American Jewish History 89, no. 4 (2001): 355–381.

[22]  Sommige analisten neigen nochtans naar die visie. Zie John A. Tvedtnes, “Book of Mormon Tribal Affiliation and Military Castes,” in Warfare In The Book of Mormon, eds. Stephen D. Ricks and William J. Hamblin (Salt Lake City: Deseret Book and F.A.R.M.S., 1990), 309-311.