Les 40 – 3 Nephi 16, 20–21

“Dan zal Ik hen bijeenvergaderen”

1 – Het huis Israëls: vier invalshoeken
2 – Van goyim, gentiles, heidenen en anderen
3 – De Israël-hoofdstukken van 3 Nephi
4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
5 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

Deze les omvat drie hoofdstukken die voornamelijk over het huis Israëls spreken. Dit is een belangrijk, maar complex onderwerp. “Het huis Israëls” is al veelzijdig in de Schriften, maar nog meer door de dimensies die sommigen er in de loop der eeuwen aan toevoegden, met soms verstrekkende gevolgen.

Tenzij anders aangeduid verwijzen Schriftreferenties naar 3 Nephi.

De Bijbelse genealogie geeft ons deze stamboom:

l40_1

 

1 – Het huis Israëls: vier invalshoeken

Tweeledig: Israëlieten versus niet-Israëlieten
Adoptief: welkom, maar niet als natuurlijk kind
Hiërarchisch: graden, binnen en buiten het huis Israëls
Universeel: alle mensen zijn gelijk

Voor een bespreking van “het huis Israëls” kun je vier invalshoeken onderscheiden: de tweeledige, de adoptieve, de hiërarchische en de universele. Ze overlappen elkaar deels of hebben raaklijnen, maar elk vertrekt vanuit een specifieke invalshoek: “wij en zij”, “je mag erbij”, “Efraïm komt eerst” en “iedereen gelijk”.

Die visies zijn oeroud en doortrekken ook de Schriften zelf. Christelijke kerken hebben die visies verder verrijkt en vervormd. In het mormonisme liepen die vier invalshoeken lang naast en door elkaar, deels gevoed door protestantse strekkingen en door creatieve interpretaties van de Schriften. Kerkleiders en leden verschilden van mening welke invalshoek de beste was en discuteerden erover, in een open sfeer.

Vanaf de jaren 1980 hebben kerkleiders de nadrukken sterk verschoven en overweegt voor het heden in feite nog maar één invalshoek — de universele.

 

Tweeledig: Israëlieten versus niet-Israëlieten

“Wij en zij.”

Dit is de invalshoek waar men “het huis Israëls” scherp van “de andere volken” aflijnt. Vele Schriftteksten, zowel in de Bijbel als in het Boek van Mormon, stellen dit contrast zonder verdere nuances. De Israëlieten zijn de rechtstreekse nakomelingen van Jakob, aan wie God de naam Israël gaf. Alle andere mensen vallen daarbuiten. In deze visie zijn dan ook geslachtslijnen belangrijk om de letterlijke afkomst van Jakob te kunnen aantonen.

De wet van Mozes maakte de Israëlieten tot een duidelijk omlijnd verbondsvolk dat zich van anderen gescheiden moet houden.[1] Wanneer de Israëlieten later, als gevolg van oorlog en verdrukking, over de wereld verstrooid worden, behoudt elk van hen die Israëlitische identiteit en geeft die door aan zijn nakomelingen. De Schriftuurlijke boodschap is dat God hen indachtig zal zijn en ooit voor hun terugkeer en “vergadering” zal zorgen. In de mormoonse visie zal Hij daartoe “de andere volken” inschakelen, dus niet-Israëlieten, die ondertussen het evangelie hebben leren kennen. Het Boek van Mormon benadrukt die boodschap profetisch:

“En nadat het huis Israëls was verstrooid, zou het wederom worden bijeenvergaderd; of kortom, nadat de andere volken de volheid van het evangelie hadden ontvangen, zouden de natuurlijke takken van de olijfboom, ofwel de overblijfselen van het huis Israëls, erop worden geënt, ofwel tot de kennis komen aangaande de ware Messias, hun Heer en hun Verlosser.” (1 Nephi 10:14).

De gelijkenis van de olijfbomen in Jakob toont hoe de interactie tussen het huis Israëls en de andere volken verloopt. Ze helpen elkaar, maar het blijven enerzijds tamme en anderzijds wilde olijfbomen, ook al kunnen ze beiden uiteindelijk goede vruchten voortbrengen.

Die boodschap weerklinkt ook in de eerste openbaringen aan Joseph Smith. In juni 1829: “Ik moet de volheid van mijn evangelie brengen van de andere volken tot het huis van Israël” (Leer en Verbonden 14:10). Niet alle andere volken kennen echter al het evangelie. In augustus luidt de opdracht aan Joseph Smith: “en het is nodig dat de mensenkinderen tot bekering worden bewogen, zowel de andere volken als het huis van Israël” (18:6).

 

“Wij en zij, maar wij zijn eigenlijk ook zij” 

Een aparte, maar belangrijke ontwikkeling in deze tweeledige visie is echter de zelfidentificatie als Israëlieten, namelijk wanneer mensen zichzelf toevoegen aan het huis Israëls vanuit een veronderstelde afstamming. Al sinds de middeleeuwen circuleerden legenden dat Saksische en Britse vorsten van koning David afstamden, met stambomen die tot Noah teruggaan. Die overtuiging breidde uit naar anderen. Vanaf de zeventiende eeuw namen een aantal Engelse puriteinen aan dat zij de lijnen verderzetten van verstrooide Israëlieten, in het bijzonder van de tien “verloren stammen”. Het leidde tot een marginaal geloof in zogenaamd “Brits-Isrealisme”.[2] Maar ook op andere plaatsen in de wereld waren en zijn mensen en groepen overtuigd van een Israëlitische afstamming. Vanuit hun invalshoek delen zij in de tweeledige visie door zich als letterlijke Israëlieten versus niet-Israëlieten te identificeren.[3]

Ook in het mormonisme vond deze benadering ingang. Het idee dat bekeerlingen nakomelingen van verstrooide Israëlieten waren werd als verklaring voor het aanvaarden van het herstelde evangelie gezien.[4] In juni 1831 spreekt een openbaring de kerkleden toe en laat verstaan dat zij “mijn volk, dat een overblijfsel is van Jakob” zijn (Leer en Verbonden 52:2). In 1834 luidt het: “Want gij zijt de kinderen van Israël en uit het nageslacht van Abraham” (103:17). Vanaf de eerste patriarchale zegens in 1834 werd afstamming van Israël bevestigd.[5]  Deze zelfidentificatie zal zich echter vooral in de hiërarchische invalshoek uiten (zie hierna).

 

Adoptief: welkom, maar niet als natuurlijk kind

“Je mag erbij.”

Door aanneming of adoptie kunnen niet-Israëlieten lid worden van het huis Israëls, ook al zijn ze geen letterlijke afstammeling. De overstap gebeurt wel in christelijk perspectief, namelijk door bekering tot de Messias. Men kan het principe van adoptie lezen in deze woorden van Jezus bij zijn bezoek aan de Nephieten: “Maar indien de andere volken zich bekeren en tot Mij terugkeren, zegt de Vader, zie, dan zullen zij onder mijn volk worden gerekend, o huis Israëls” (3 Nephi 16:13).

Adoptie werd deel van mormoonse lering.[6] In de loop der jaren bleek dit echter geen houdbare invalshoek. De geadopteerde geniet wel van alle zegens en voorrechten van het huis Israël, maar bereikt nooit de status van een “natuurlijk kind”. Zolang alle niet-Israëlieten enkel door adoptie in het huis Israëls opgenomen konden worden, was het een verdedigbare optie. Maar al in de jaren 1830 bleken er door zelfidentificatie overal authentieke Israëlieten rond te lopen (zie hiervoor). Voor hen was dus geen adoptie nodig. Hun bekering bevestigde alleen maar hun aangeboren toehoren tot het huis Israëls. Dat bleek ook uit de patriarchale zegens, die telkens directe afstamming bevestigden (zie hierna). Voor wie gold dan nog adoptie? Alvast niet voor bekeerlingen, en niet voor de Indianen als overblijfsel van de Lamanieten. Maar wat met anderen? Ook daar bleek het moeilijk: had niet iedereen ergens een verstrooide Israëliet onder zijn verre voorouders? In theorie bestond dus wel adoptie, in de praktijk werd het zelden uitgesproken.

 

Hiërarchisch: graden, binnen en buiten het huis Israëls

“Efraïm komt eerst.”

Al van bij de aanvang van Jakobs gezin spelen gradaties mee. Jozef, hoewel niet de oudste zoon, is de geliefde van Jakob onder de twaalf zonen. Hij staat ook boven hen zoals de Bijbelse geschiedenis het bevestigt. Van Jozefs eigen twee zonen wordt vervolgens Efraïm voorgeschoven op Manasse. Het eerstgeboorterecht zorgt voor hiërarchie. De lijn van Juda, een andere zoon van Jozef, is dan weer een “koninklijke” lijn, waarin de Messias geboren zou worden. Bij de latere verdeling van de stammen in twee koninkrijken, wordt het zuiden het koninkrijk Juda, terwijl het noorden de naam Israël behoudt, maar vaak aangeduid als Efraïm, wegens zijn primauteit.

Maar ook in “de andere volken”, buiten Israël, laten Schriftteksten de interpretatie van gradaties toe. De Bijbel verhaalt hoe talrijke volken zich ontwikkelen uit de nakomelingen van Noah. Aan de negatieve kant staan de nakomelingen van Cham. Aan de positieve kant die van Shem. Al sinds de middeleeuwen leidde die hiërarchische visie tot een verdeling van meer of van minder geprivilegieerde of vervloekte volken volgens de graad van verwantschap met de lijn van het geboorterecht. In de achttiende en negentiende eeuw gebruikten christelijke kerken die visie om slavernij te rechtvaardigen.[7]

De hiërarchische visie, die Efraïm vooruit schoof, beïnvloedde het jonge mormonisme in de jaren 1830 en later. In de zelfidentificatie als Israëliet kon men verduidelijken dat het om de stam van Efraïm ging, conform tradities uit protestants-puriteinse hoek. Voor toewijzing van afstamming, draagt Efraïm de voorkeur weg. Dat blijkt uit de patriarchale zegens die vanaf 1834 ook de afstamming aangeven.[8] Andere stammen komen al eens voor, maar uiterst zelden.

De kerk werd in die jaren verjaagd van plaats naar plaats. Zichzelf als nakomelingen van Efraïm zien, als het levende huis Israëls, gaf de vervolgde heiligen moed om door te zetten en offers te brengen. Dat Oudtestamentisch aspect werd ook deels gevoed door het Boek van Mormon en door elementen zoals de tempel en het Aäronisch en Melchizedeks priesterschap. De kerk werd Zion, de uittocht naar het westen werd die van het “kamp van Israël”, en Brigham Young een moderne Mozes die zijn volk naar het Beloofde Land en “Efraïms gebergte” leidde — zoals we het nu nog in lofzangen van toen zingen.[9] Het zendingswerk werd het vinden van de nakomelingen van Israël, in het bijzonder van Efraïm, om te vergaderen in Zion.[10] De stam van Juda zou later terugkeren naar Palestina, maar voor Efraïm gold de nieuwe wereld.

Maar interpretaties binnen de hiërarchische visie leidden ook tot aberrante denkbeelden. Na Joseph Smiths dood ontwikkelde een leer over het voorbestaan waarbij de verdeling van volken en rassen gekoppeld werd aan gedrag in het voorbestaan, met de allerbesten in de lijn van Efraïm (zie dit onderdeel in les 24). Racistische interpretatie leidde vervolgens tot het niet meer verlenen van priesterschap aan zwarten.[11] Het zou tot 1978 duren voor dit werd gewijzigd. Het idee van “betere” generaties geesten in het voorbestaan, voorbehouden voor deze tijd, en met “gelovig bloed” geboren in de lijn van Efraïm, zou nog lang blijven opduiken.

Indien beheerst geformuleerd en nederig begrepen kan de hiërarchische visie mensen opwekken tot inzet en volmaking. Maar ze kan ook superioriteit en discriminatie voeden.

 

Universeel: alle mensen zijn gelijk

Er is geen onderscheid tussen de mensen. Afstamming is van geen tel. De universele invalshoek vindt zijn argument vooral in Gods verbond met Abraham en de belofte: “in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden” (Genesis 12:3). De gebruikelijke christelijke interpretatie is dat Jezus, afstammeling van Abraham, de verzoening en de redding voor alle mensen mogelijk maakt, op voorwaarde van bekering.[12]

In de Schriften is dit de overwegende visie, ook in het Boek van Mormon. Het Boek van Mormon spreekt wel over het huis Israëls, maar heel ongelijk. In het begin, in 1 en 2 Nephi en in het boek Jakob, krijgt het onderwerp intens de aandacht. Maar ook Nephi is bewust van het universele:

“Hij verwerpt niemand die tot Hem komt, zwarte en blanke, slaaf en vrije, man en vrouw; en Hij is de heidenen indachtig; en allen zijn voor God gelijk, zowel de Joden als de andere volken” (2 Nephi 26:33).

Na Nephi en Jakob spreekt geen enkele van de erop volgende koningen en profeten nog over het huis Israëls, noch over verstrooiing en vergadering, en dit meer dan vijfhonderd jaar lang — althans volgens de tekst waarover we beschikken. Koning Benjamin, Abinadi, de beide Alma’s, de zonen van koning Mosiah, Nephi zoon van Nephi, Samuël de Lamaniet — allen verkondigen zij Christus, zonder ooit naar “huis Israëls” te verwijzen. Het is pas Jezus die er bij zijn verschijning op terugkomt in 3 Nephi. Voor een bespreking van die inhoudelijke stilte gedurende vijfhonderd jaar, zie dit onderdeel in les 13.

In het Nieuwe Testament vertoont Jezus eerst een selectieve houding, waarbij het huis Israël voorrang geniet. Tot de twaalf,  voor hun eerste zendingsopdracht, luidt het: “U zult u niet op weg begeven naar de heidenen en u zult geen enkele stad van de Samaritanen binnengaan, maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël” (Mattheüs 10:5–6). Wanneer een Kananese vrouw hem aanspreekt om haar bezeten dochtertje te genezen, negeert Jezus haar met de woorden: “Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.” (Mattheüs 15:24). Uiteindelijk helpt hij haar wanneer hij haar groot geloof opmerkt. Die selectieve houding blijkt tijdelijk. In latere prediking verkondigt Jezus: “Dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken” (Mattheüs 24:14). Bij zijn hemelvaart klinkt de opdracht: “U zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde” (Handelingen 1:8). De universele visie wordt dan ook die van de apostelen, vooral verwoord door Paulus. “En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen” (Galaten 3:29). Of: “Niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend” (Romeinen 9:8).

Hoewel universalisme ook altijd deel is geweest van mormoonse prediking, begonnen kerkleiders het exclusief te benadrukken na 1978, het jaar van de opheffing van de priesterschapsban. De kerk wil de afwijkingen in de hiërarchische visie achter zich laten. Het verklaart waarom het thema van het huis Israëls vanuit die hiërarchische invalshoek verdwenen is in toespraken op de algemene conferenties. De weinige verwijzingen naar het huis Israëls benadrukken de universele visie: de vergadering van Israël wordt nu verwoord als het zendingswerk, het tot Christus komen en lid worden van de kerk.[13] Adoptie krijgt daarin deze betekenis: “Allen die de verlossende verordeningen van het evangelie hebben ontvangen, worden zonen en dochters van Jezus Christus door gestadige gehoorzaamheid aan zijn geboden”.[14]

Voor zover nodig, kan men de universele visie met andere invalshoeken verzoenen in historisch perspectief: inzichten rijpen en “de herstelling is een voortgaand proces”.[15] De concepten van de stammen Israëls, het eerstgeboorterecht, adoptie, toewijzing van afstamming in patriarchale zegens, of letterlijke vergadering zijn niet verdwenen, maar krijgen een gepaste plaats in een groter geheel.[16]

 

2 – Van goyim, gentiles, heidenen en anderen

Termen die volken of groepen mensen aanduiden liggen gevoelig. Denk maar aan woorden als moffen, franzosen, kaffers, smousen of yankees. Een andersdenkende benoemen als ongelovige, of als ketter, of als heiden maakt een beduidend verschil. Daarenboven kunnen termen in de loop der eeuwen in betekenis evolueren. Neger was eeuwenlang een neutraal woord en wordt nu racistisch beschouwd. Die uiteenlopende en veranderende dimensies in betekenis noemen we connotaties.

Het concept van “andere volken” is eigen aan elke stam of volk. Men beschouwt zichzelf als de norm, de normale, en allen die daar niet toe behoren zijn “anderen”. Die groepsidentiteit krijgt elke mens als vanzelf mee met opvoeding en cultuur. De geschiedenis toont hoe dat bewustzijn ook vaak discriminatie en erger kan voeden. In ons taalgebruik duiden woorden als vreemdeling, allochtoon of nieuwkomer aan hoe we staan tegenover de andere. Over die nuances en ontwikkelingen bestaan veel studies en controverses, want uiteindelijk bepalen de woordkeuze en de connotatie die iemand aan een volk-term geeft ook zijn graad van chauvinisme of racisme.[17] Luister maar naar mensen die over een andere volksgroep spreken en welk woord ze daarvoor gebruiken…

Wanneer we dus termen in hun Oudtestamentische context lezen, en de vertalingen doorheen de eeuwen, moeten we soms bewust zijn van connotaties om ze te vatten in hun tijdsperiode. Zo is in het Oude Testament het begrip volk volgens de context soms extreem nationalistisch: Israël is een uitverkoren volk, de andere volken zijn principieel vijanden die tot afgoderij en zonden kunnen verleiden.

Het standaardwoord voor volk of natie is in het Hebreeuws goy ( גוי )‎‎. De Israëlieten vormen een goy kadosh, een “heilige natie” (Exodus 19:6). Goy is in het meervoud goyim (volken): dat duidt meestal “de andere volken” aan, de niet-Israëlieten, maar vaak met de connotatie van heidense volkeren die de ene ware God niet kennen, en soms met de opdracht die uit te roeien. In het huidige judaïsme verwijst goy standaard naar een niet-jood, maar nu zonder negatieve connotatie.

Het Hebreeuwse goyim werd in de Griekse Septuagint vertaald als ἔθνη (ethnê), meervoud van ἔθνος (ethnos, volk). Dat werd in de Latijnse Vulgata gentiles, meervoud van gentilis (van een volk of ras), van gens (volk, ras). De Romeinen gebruikten gentiles ook om vreemdelingen of “barbaren”, dus niet-Romeinen, aan te duiden. In de context van de Schrift gaat het Hebreeuwse goyim, vertaald als gentiles, nagenoeg steeds om niet-Israëlieten. De Oudfranse Bijbelteksten namen het Latijn gentiles over als “les gentils”, en zo kwam het in de vijftiende eeuw in Engelse Bijbelvertalingen terecht als “the Gentiles”.

Joseph Smith gebruikte hetzelfde woord Gentiles in de vertaling van het Boek van Mormon, als weergave van een woord dat de Nephitische vorm voor goyim moet geweest zijn.

Huidige Franse Bijbelvertalingen en het Boek van Mormon gebruiken nog steeds les Gentils. Spaans gebruikt los gentiles, Italiaans ai Gentili.

Onze Nederlandse vertalers hebben altijd moeite gehad om een goede vertaling voor Gentiles te vinden.

  • In de eerste edities van het Boek van Mormon was het gewoon “Heidenen”, dus terecht met een zeker misprijzen vanuit het religieus contrast: met die negatieve connotatie zagen de Israëlieten immers de “anderen”. Etymologisch komt heiden hoogstwaarschijnlijk van “heide-bewoners”: in oud-Germaans-Saksische talen verwees dit naar “woestelingen” die nog op de heide woonden, dus op woeste, onontgonnen grond (idem in het Engels heath -> heathen, en gelijkaardig in andere oud-Germaans-Saksische talen). Die ongeciviliseerden waren nog niet bekeerd tot het christendom, in tegenstelling tot wie in dorpen en steden woonde, vandaar de connotatie van een heide-bewoner of heiden als niet-christen. Later werd de term heidenen gebruikt voor alle onbekeerde, “primitieve” volkeren in Afrika en Amerika, kortom voor wie niet tot het juiste geloof hoorde. In moslim-taalgebruik zijn christenen dan weer de heidenen.
  • Omdat “heidenen” pejoratief klinkt (wat inderdaad ook de bedoeling was), opteerden de vertalers later voor “niet-joden”, wat jarenlang de gebruikelijke vertaling voor Gentiles is geweest. De term is neutraal en dekt ook vrij goed de lading, want het definieert het contrast met de joden. Vanuit mormoons perspectief zou de term eigenlijk iets breder, namelijk “niet-Israëlieten” moeten zijn — al diegenen die niet tot het huis Israëls behoren. Ik zal die term hierna bij gelegenheid gebruiken omdat hij voor bepaalde vergelijkingen de meest precieze is .
  • De huidige vertaling opteert voor “andere volken” als vertaling van Gentiles. Daarmee dek je een vage lading, maar verlies je de specifiek-historische context van Gentiles. Daarom kan het nuttig zijn er in lessen regelmatig aan te herinneren dat “andere volken” in de Bijbel en in het Boek van Mormon “niet-Israëlieten” betekent.

In het Duitse Boek van Mormon luidt de vertaling standaard “die Andern”, zonder het woord volk. Dat is een handige keuze, want het maakt ook het enkelvoud mogelijk. Nu kan het Nederlands het Engels “a Gentile” niet rechtstreeks weergeven vanuit “andere volken”. Het zou dus verstandig zijn een specifieker woord te vinden of zelfs een gentiel, gentielen als mormoons Nederlands woord in te voeren. Door gebruik wordt het vertrouwd en komt het uiteindelijk in de officiële woordenlijst van de Taalunie. We moeten dit durven doen! Andere kerken hebben vele tientallen eigen woorden aan de officiële Nederlandse woordenschat toegevoegd.

Ten slotte, als afronding van deze taalwandeling:

  • Hebreeuwen: vaak gebruikt als andere naam voor Israëlieten, traditioneel uitgelegd als komende van Eber, een naam vermeld bij de voorouders van Abraham (Genesis 10:21). In Genesis 14:13 is sprake van “Abraham de Hebreeuwer”. In die zin omvatten de Hebreeuwen meer volken dan enkel de nakomelingen van Jakob. Volgens de context geldt de term als synoniem van Israëlieten of van Joden. Het meest frequent gebruik is echter de afleiding Hebreeuws voor de taal.
  • Het naamwoord een Israëliet en het adjectief Israëlitisch verwijzen naar het Oude Israël en naar bindingen met dat verleden. Een Israëli of Israëliër en het adjectief Israëlisch verwijzen naar de huidige staat Israël.

 

3 – De Israël-hoofdstukken van 3 Nephi

De “Israël-hoofdstukken” in 3 Nephi, namelijk 16 en 20–22 zijn niet zo eenvoudig door de dooreenstrengeling van perspectieven en door het zware taalgebruik.

Perspectieven: wie is wie?
Perspectieven: wanneer en wat?
De taal: zwaar Oudtestamentisch
Woordelijk Jezus of literair uitgewerkt?

 

Perspectieven: wie is wie?

Het thema “huis Israëls” kan lezers al eens desoriënteren omdat het in de Schrift vanuit verschillende invalshoeken benaderd wordt, afhankelijk van de kroniekschrijver, het geschiedkundig oogpunt, de betekenis van “huis Israëls” en het doel van een passage. Soms wijzigt het perspectief vanuit hypothesen over de toekomst: indien  bekering, heeft dat een bepaald gevolg; indien geen bekering, dan volgt er iets anders. Dit alles speelt mee in de Israël-hoofdstukken in 3 Nephi. Verschillende perspectieven volgen in eenzelfde geheel soms kort op elkaar en zelfs door elkaar.

De klassieke benadering van een les over het huis Israël verloopt vaak als volgt voor de basisbegrippen:

  • Wat is het huis Israëls? = alle nakomelingen van Jakob via zijn twaalf zonen, dus verdeeld over twaalf stammen, met als bekende stam die van Juda of de joden (en die van Jozef, en zo naar Efraïm)
  • Waarom werd het huis Israëls verstrooid? = “wegens hun ongeloof” (16:4) werden ze meermaals verslagen, als gevangenen meegevoerd of verjaagd, en zo raakten ze verspreid over de hele wereld
  • Wie zijn de “andere volken”? = zij die geen nakomelingen van het huis Israëls zijn
  • Wat hebben de “andere volken” te maken met de verstrooiing van het huis Israëls? = volken zoals de Assyriërs, de Babyloniërs en later de Romeinen verjoegen het volk Israëls uit hun land
  • Wat is de vergadering van het huis Israëls? = de terugkeer van de nakomelingen van het huis Israëls naar “het land Jeruzalem” (20:29)

Die benadering beschouwt het huis Israëls als een gesloten groep: het volk was uit zijn Beloofde Land verjaagd, werd verstrooid in alle windrichtingen, en de nakomelingen worden nu terug verzameld in hun eeuwig erfland.

Die benadering wordt vervolgens verrijkt door verschillende antwoorden op de vraag “Welke andere volken zij er?”

  • zij die het evangelie niet kennen en ook nog bekeerd moeten worden
  • zij die verantwoordelijk zijn voor de verstrooiiing en de ellende van de kinderen van Israël (met in het Boek van Mormon een verwijzing naar de behandeling van het nageslacht van de Lamanieten)
  • zij die wél het evangelie kennen (onderverstaan de huidige kerk) en de opdracht hebben gekregen actief te werken aan het herstel en de vergadering van Israël, door het evangelie naar hen toe te brengen.

Daarenboven komen er ook andere perspectieven voor het huis Israëls bij:

  • zij die zullen terugkeren naar Jeruzalem, onderverstaan als de stam van Juda (20:29, 33)
  • de nakomelingen van Lehi die “dit land” als erfland krijgen (16:16; 20:14) als “een overblijfsel van het huis van Jozef” (15:12–13)
  • de “verloren stammen” (16:1–3)

Ten slotte, in een volgende godsdienstige stap, vertegenwoordigt de herstelde kerk zelf het huis Israëls. De kerkleden, oorspronkelijk deel van “andere volken”, worden nu zelf “het volk Israëls” en een “overblijfsel van Jakob”.

Voor de inwerking van die perspectieven in de Israël-hoofdstukken van 3 Nephi: zie hierna bij Gestructureerd lezen.

 

Perspectieven: wanneer en wat?

Jezus spreekt hier tot de Nephieten in 34 n.C. Voor die groep en vanuit dat tijdsperspectief behandelt Hij verleden, heden en toekomst. Omdat Hij toekomstige gebeurtenissen meldt ten overstaan van wat er aan voorafging, staat dit laatste soms in de verleden tijd, terwijl het toch nog in de toekomst moet gebeuren — dit zal gebeuren, wanneeer dat heeft plaatsgevonden. Fasen zoals prediking, afval, verdrukking, bekering en herstelling komen herhaald voor in de geschiedenis, zodat de vermelding ervan op verschillende periodes betrekking kan hebben. “Verstrooiing” kan verwijzen naar de tien stammen in de achtste eeuw v.C., naar de tijd van Lehi omstreekst 600 v.C., naar de joden na 70 n.C., of naar de Lamanieten onder druk van kolonisten na 1600 n.C. Bijvoorbeeld, gaat het “kwellen, slaan en doden” van het huis Israëls in 3 Nephi 16:9 over de joden na de tijd van Christus of over het lot van de Lamanieten vanaf de ontdekking van Amerika?

Nog een bijkomend interpretatie-probleem is dat Jezus’ woorden, gericht tot de Nephieten in 34 n.C., (deels) citatie kunnen zijn van woorden die hij tot Israël in het algemeen richt of woorden die hij in Palestina heeft uitgesproken en nu citeert (15:16-24).

Met die verschillende mogelijkheden gaan interpretaties van analisten dus soms verschillende richtingen uit.[18]

De focus van de drie hoofdstukken lijkt wel gericht op de tijd van de herstelling van het evangelie door Joseph Smith, de aanvaarding of verwerping ervan door de “andere volken”, hun houding ten overstaan van het overblijsel van het huis Israël, de vergadering van Israël en de uiteindelijke overwinning.

Voor de inwerking van die perspectieven in de Israël-hoofdstukken van 3 Nephi: zie hierna bij Gestructureerd lezen.

 

De taal: zwaar Oudtestamentisch

De taal in deze hoofdstukken vormt een scherpe stilistische breuk met de omringende hoofdstukken waar Jezus eenvoudig “Nieuwtestamentisch” spreekt. De stijl hier is zwaar Oudtestamentisch, zowel syntactisch als semantisch, met vaak lange, complexe zinnen en met de opwinding en de beeldspraak uit de profetische stijl van Micha en Jesaja — die trouwens in hoofdstukken 20 en 22 geciteerd worden.

Voor de syntaxis: Hebreeuwse stijlfiguren, die nagenoeg volledig ontbreken in de Nieuwtestamentische uitspraken van Jezus, vinden we hier wel, bijvoorbeeld:[19]

l40_2

 

Vooral de syntactische complexiteit door herhaling van de hoofdgedachte en de opbouw van bijzinnen valt op. Bijvoorbeeld, de eerste zeven verzen van hoofdstuk 21 vormen één zin van 350 woorden met 45 vervoegde werkwoorden in tal van uitdeinende bijzinnen— zowat een unicum. De onderliggende basis is nochtans eenvoudig:

“ik geef u een teken: wanneer deze dingen zullen gebeuren, zal het werk reeds begonnen zijn.”

“Deze dingen” duidt op de verkondiging van het evangelie aan de Lamanieten via de andere volken. “Het werk” is de vergadering van Israël.

Onderstaande zinsindelingen per lijn maken een vlottere lectuur van de passage mogelijk. Elke volgende insprong is onderschikkend aan het voorgaande. De vervoegde werkwoorden zijn onderlijnd. De adem van de tekst vraagt dat zinnen die uiterst links beginnen krachtiger gelezen worden, en elke volgende insprong iets minder hard, omdat die ondergeschikt is. Door de lengte van de tekst heb ik de passage over vier kaders verdeeld, maar de ene sluit meteen aan op de andere.

 

l40_3

l40_4

l40_5

l40_6

Aanbevolen oefening: kopieer zo’n lange passage uit de online versie van het Boek van Mormon, plak in een Word-document en verdeel dan de tekst over logische lijnen met insprongen.

Een ander kenmerk van deze Oudtestamentische taal is semantisch — soms wreed en wraaklustig, wat doorweegt in passages in elk van de hoofdstukken:

“Maar indien zij zich niet tot Mij keren en niet naar mijn stem luisteren, dan zal Ik toelaten, ja, dan zal Ik toelaten dat mijn volk, o huis Israëls, bij hen binnendringt en hen vertrapt, en zij zullen als zout zijn dat zijn kracht heeft verloren en daarna nergens meer voor deugt dan om weggeworpen te worden en door mijn volk onder de voet te worden getreden, o huis Israëls” (16:15)

“… Uw hand zal opgeheven zijn tegen uw tegenstanders en al uw vijanden zullen worden uitgeroeid” (20:17); “… en Ik zal de steden van uw land uitroeien en al uw verschansingen afbreken” (21:15); “… en Ik zal wraak en grimmigheid op hen uitoefenen, net als op de heidenen, zoals zij nog nooit hebben gehoord” (21:21).

 

Woordelijk Jezus of literair uitgewerkt?

Het is mogelijk dat Jezus inderdaad in deze stijl woordelijk gesproken heeft, hoewel de stijlbreuk dan moeilijk te verklaren valt. In de vier evangelies hanteert Jezus deze spreekstijl nergens — hoogstens korte citaties uit de profeten. Contextueel — dit wil zeggen vanuit de realiteit van het geschiedschrijven — kan men de stijlbreuk als volgt verklaren: het gaat hier om een literair bewerkte tekst, door een van de kroniekschrijvers, mogelijk pas jaren na Jezus’ bezoek, op basis van herinneringen of van korte notities. Deze kroniekschrijver zou dan de hoofdgedachten van Jezus’ inbreng hebben omgezet in de Oudtestamentische stijl die standaard bij een bespreking van het huis Israëls hoort. Met die stijl moet de kroniekschrijver vertrouwd zijn geweest vanuit 1 en 2 Nephi op de kleine platen of vanuit de teksten van Jesaja en andere profeten op de koperen platen.

Het is trouwens veelzeggend dat Jezus precies na deze hoofdstukken de opdracht geeft: “Slaat daarom acht op mijn woorden; schrijft de dingen die Ik u heb verteld op” (23:4). Het noteren gebeurde dus niet tijdens het spreken maar erna. Dat de Nephitische kroniekschrijvers moeite hadden om tijdig dingen te noteren blijkt ook uit de volgende opmerking van Jezus, wanneer Hij vaststelt dat een element uit de profetieën van Samuel niet genoteerd was: “Hoe komt het dat gij dat niet hebt opgeschreven?” Nephi moet toegeven dat hij zich wel herinnerde, maar niet had opgeschreven. “En het geschiedde dat Jezus gebood het op te schrijven; daarom werd het volgens zijn gebod opgeschreven” (23:12–13).

De verklaring voor de stijlbreuk vanuit een literaire bewerking is speculatie, maar vormt een uitweg voor wie met het plotse Oudtestamentische taalgebruik van de opgestane Jezus moeite heeft.

 

4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

Zie hieronder bij gestructureerd lezen voor een bespreking vers per vers.

3 Nephi 16:1 – Nog andere schapen – De verloren stammen

En voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat Ik andere schapen heb die niet in dit land zijn, noch in het land Jeruzalem, noch in enig deel van het omliggende land waar Ik ben geweest om te dienen.”

De verdeling in hoofdstukken voor deze les — 16, 20 en 21 — is wat ongelukkig voor het aspect van de verloren stammen omdat de term “verloren stammen” alleen in hoofdstuk 17 voorkomt: “Maar nu ga Ik naar de Vader, en ook om Mijzelf te vertonen aan de verloren stammen van Israël, want voor de Vader zijn zij niet verloren, want Hij weet waarheen Hij hen heeft gebracht” (17:2).

Hoofdstuk 16 behoeft ook het laatste deel van hoofdstuk 15 om duidelijk te maken dat de “andere schapen” wel degelijk letterlijke “stammen van het huis Israëls” zijn, dus nakomelingen van Jakob. Voor de twaalf discipelen tot wie Jezus zich richt verduidelijkt Hij:

“Gij zijt mijn discipelen; en gij zijt een licht voor dit volk, dat een overblijfsel is van het huis van Jozef. En zie, dit is uw erfland; en de Vader heeft het u gegeven” (15:12–13).

Daarnaast zijn er dus nog andere schapen — de verloren stammen, traditioneel verwijzend naar de tien stammen van het koninkrijk Israël die in 722 v.C. door Assyrië werden overweldigd en “weggevoerd” (2 Koningen 17:6).

Het lot van die tien stammen heeft eeuwenlang tot de verbeelding gesproken. Vooral vanaf de zeventiende eeuw, met de verdere verkenning van onbekende gebieden, werd er gespeculeerd dat bepaalde bevolkingsgroepen deze verloren stammen zouden zijn. Het gaf aanleiding tot een enorme literatuur en zelfs specifieke ontdekkingsreizen om ze te vinden.[20] Het gaf ook aanleiding tot het zogenaamd “Brits-Isrealisme” (zie hierboven bij de tweeledige visie). In hedendaagse openbaring is sprake van “van de vergadering van Israël uit de vier delen der aarde en het leiden van de tien stammen uit het noorderland” (Leer en Verbonden 110:11). Vrij specifiek is de openbaring die hun wederkomst voorspelt:

“En zij die zich in de noordelijke landen bevinden, zullen voor het aangezicht des Heren in gedachtenis worden gebracht; en hun profeten zullen zijn stem horen en zullen zich niet langer weerhouden; en zij zullen de rotsen slaan en het ijs zal vervloeien in hun tegenwoordigheid. En er zal een grote weg worden opgeworpen te midden van het grote diep… ” (133:26–34)

Stof voor de nodige speculaties die decennialang kerkleden hebben geboeid.[21] Bruce R. McConkie neigt naar een scenario dat gelijkloopt met dat van de Nephieten: Jezus bezocht na zijn opstanding een gelijkaardige groep ergens in de wereld, maar, net zoals de Nephieten, verzonken die na een tijd in afvalligheid, met verlies van hun voorgaande kennis. Waar hun nakomelingen zijn, eerder in groep of verstrooid, weten we niet. Hun herstelling en vergadering is deel of wordt nog deel van het huidige zendingswerk, dus, volgens Elder McConkie, niet als een aparte gebeurtenis of een aparte kerk.[22]

De benadering van de kerk is om niet in te gaan op speculaties, maar vooral het principe te benadrukken: Christus gedenkt al wie “verloren” is en zal zich voor zijn of haar terugkeer inzetten.[23]

 

5 – Gestructureerd lezen

Zie hiervoor voor een bespreking van perspectieven en taal.

3 Nephi 16 – Bewegingen van volken in het licht van het verbond met huis huis Israëls

  • 1–3 – Christus meldt dat er naast de Joden (in Palestina) en de Nephieten (op het Amerikaanse vasteland) nog andere volken zijn. Dit zijn de “verloren stammen”, waarvan we niet weten waar ze zijn.
  • 4 – Opdracht aan de kroniekschrijver: schrijf het op ter attentie van “mijn volk in Jeruzalem” (= de joden) voor zover die later kennis willen krijgen aangaande u (Nephieten) en aangaande “de andere stammen van wie zij niet afweten”. Deze woorden (die over de Nephieten en andere stammen spreken) zullen “worden bewaard” (via de gouden platen) en “ bekendgemaakt aan de andere volken” (= via Joseph Smith) zodat deze andere volken (= met name leden van de kerk) de kennis over de Verlosser kunnen brengen “aan het overblijfsel van hun nageslacht” (= nakomelingen van het huis Israëls, joden en ook Lamanieten).
  • 5 – “en dan zal ik hen vergaderen” om het verbond van de Vader met het huis Israëls gestand te doen. Het verbond staat voor redding.

In verzen 6 tot 11 hapert de zinsbouw en zijn invalshoeken en perioden niet altijd duidelijk. De “andere volken” (= de gelovigen onder hen) zijn gezegend door hun geloof en hun werk voor het huis Israëls, maar de ongelovigen zijn vervloekt door hun gruwelen.

  • 6–7 – Om twee redenen ontvangen de andere volken in de laatste dagen (= allen tot wie het herstelde evangelie gepredikt wordt) “de volheid van deze dingen”: (1) wegens hun geloof in Mij; (2) wegens het ongeloof van het huis Israëls.
  • 8 – Maar wee de ongelovigen “onder de andere volken” want hoewel zij op het oppervlak van dit land zijn verschenen” (= aankomst kolonisten in Amerika?), hebben zij mijn volk, dat van het huis Israëls is, vertreden en verstrooid (= verdrijving en verstrooiing van Indianen?)
  • 9 – Herhaling van het thema in verzen 6 en 7: (1) wegens de barmhartigheid van de Vader jegens andere volken (= zij die in Hem geloven) en (2) wegens de oordelen over het huis Israëls. Situering in de tijd: God heeft toegestaan dat het huis Israëls gekweld en gehaat werd (Joden na Christus? (Ook) Lamanieten na de komst van de kolonisten?).
  • 10 – Situering in de tijd, maar voorwaardelijk: indien de andere volken (ten tijde van Joseph Smith?) zondigen en de volheid van het evangelie verwerpen en allerlei gruwelen begaan, dan “zal Ik de volheid van mijn evangelie uit hun midden nemen”. Een andere interpretatie kan dit zien als de grote afval na de dood van de eerste apostelen, maar die doorloopt tot de tijd van Joseph Smith.
  • 11–12 – Vervolg van de voorwaarde: dan gedenkt de Heer het verbond met het huis Israëls en “zal Ik hun mijn evangelie brengen”. Dit sluit aan bij een visie dat eerst “de tijden van de heidenen” vervuld moeten zijn, alvorens het evangelie naar het huis Israëls gaat: “En Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn” (Lukas 21:24).
  • 13–15 – Herhaling van de voorwaarde: indien de andere volken zich bekeren, worden zij gerekend bij het huis Israëls; indien niet, dan “zal ik toelaten dat mijn volk bij hen binnendringt en hen vertrapt”. Dit laatste is verschillend geïnterpreteerd, maar de meest waarschijnlijke is verwijzing naar de tijd van Christus’ wederkomst en de overwinning van Israël op haar vijanden. Deze interpretatie wordt inderdaad versterkt in 20:15–22.
  • 16 – Bevestiging “dat Ik dit land (= op het westelijk halfrond) aan dit volk (= Nephieten, huis van Jozef) moet geven als zijn erfdeel”. Deze interpretatie gaat uit van het perspectief dat Jezus tot de Nephieten spreekt.
  • 17–20 – Aanhaling uit Jesaja om vreugde naar aanleiding van het vorige uit te drukken, maar verwijst wel specifiek naar Jeruzalem.

Hoofdstukken 17–19 horen bij les 39.

 

3 Nephi 20 – Het avondmaal – Verder over het huis Israëls

  • 1–9 – Opnieuw wordt het avondmaal bediend, nu op een wonderbaarlijke wijze omdat er brood noch wijn was meegebracht. Het vormt een parallel voor de wonderbaarlijke vermenigvulding van brood en vissen in Mattheüs 14:17–21, 15:33–38; Markus 6:38–44; Lukas 9:16–17; Johannes 6:9–13).

De rest van het hoofdstuk gaat over het huis Israëls en herneemt elementen van hoofdstuk 16.

Het vervullen van het verbond en de eindtijd

  • 10–12 – Inleiding: het gaat om “dit volk, dat een overblijfsel is van het huis Israëls” (Nephieten en Lamanieten), met verwijzing naar Jesaja en het vervullen van het verbond met het huis Israëls.
  • 13 – Voorspelling van de vergadering.
  • 14 – Herhaling van de belofte “u dit land (= op het westelijk halfrond) te geven als uw erfdeel” (= aan de Nephieten, huis van Jozef). Deze interpretatie gaat uit van het perspectief dat Jezus tot de Nephieten spreekt.
  • 15–19 – Herhaling van de voorwaarde: indien de andere volken zich niet bekeren, “nadat zij mijn volk hebben verstrooid”, “dan zult gij, die een overblijfsel van het huis van Jakob zijt” uitgaan om hen te vertrappen, en “al uw vijanden zullen worden uitgeroeid”. Gelet op het vervolg van het hoofdstuk, gaat het hier om de eindtijd bij de terugkeer van Jezus. Zie ook hiervoor bij 16:13–15.
  • (16–19 – Deze verzen hernemen een passage uit Micha, een van de kleine profeten, werkzaam tussen 750 en 700 v.C., een tijdgenoot van Jesaja. Ze drukken in beeldspraak de overwinning op de vijand uit.)
  • 20–22 – Herhaling: voorwaarde van bekering, vestiging van het huis Israël “in dit land” (= westelijk halfrond) en nieuw Jeruzalem

Jezus getuigt over zichzelf

  • 23–24 – De Heer bevestigt wie Hij is, volgens het getuigenis van de profeten.

Profetie over andere volken en over nakomelingen van Nephieten en Lamanieten

  • 25–28 – Bevestiging van afkomst en van het verbond. Bevestiging van de zegen op “andere volken”, maar die hen “machtig zal maken ter verstrooiing van mijn volk”(= val van Jeruzalem in 70 n.C. verspreiding van de Joden?) en zullen zij een gesel zijn voor het volk van dit land (= uitmoording en verdrukking van de Lamanieten?). Herhaling van de beweging: “wanneer zij de volheid van mijn evangelie hebben aangenomen (= aanvaarding van het herstelde evangelie), dan zal Ik — indien zij hun hart tegen Mij verstokken — hun ongerechtigheden op hun eigen hoofd doen wederkeren (herhaling van de voorwaarde).

Profetie over de Joden en Jeruzalem

  • 29–35 – De focus wijzigt naar het land Jeruzalem, dus naar de stam van Juda, de joden. Belofte van teruggave van het Beloofde Land, prediking van de volheid van het evangelie; vreugde om de terugkeer.
  • 36–46 – Aanhaling uit Jesaja aan (Jesaja 52), die de vervulling van de belofte van terugkeer naar Palestina heeft bezongen.

 

3 Nephi 21 – Een teken om de tijd te weten wanneer de profetie in vervulling zal gaan

Toestand in “dit land” (= westelijk halfrond)

1–7 – Zie hiervoor bij de taalbespreking de lectuur in gescheiden lijnen.

  • 1–3 – De vergadering van het huis Israëls zal een aanvang nemen wanneer de dingen die Jezus nu verkondigt aan de Nephieten ook “aan de andere volken zullen worden bekendgemaakt” (= publicatie en verspreiding van het Boek van Mormon)
  • 4–5 – Daarom liet de Vader toe “dat zij zich in dit land vestigen” (= Europese kolonisten vanaf de zestiende of zeventiende eeuw) opdat deze dingen van hen zullen uitgaan naar een overblijfsel van uw nageslacht (= Boek van Mormon van de andere volken naar de Lamanieten), dat “in ongeloof verkommert” (toestand van de Lamanieten ten tijde van Joseph Smith).
  • 6 – Zo kunnen ook de andere volken zich bekeren en zo “onder mijn volk gerekend” worden.
  • 7–9 – Wanneer dit gebeurt, is het werk van de vervulling van het verbond begonnen als “een groot en wonderbaar werk”.
  • 10 – Verwijzing naar “mijn dienstknecht” (= Joseph Smith)
  • 11 – Wie niet wil geloven zal worden afgesneden.
  • 12–13 “mijn volk, dat een overblijfsel is van Jakob, zal onder de andere volken zijn” en krachtig optreden (= bekeerde Lamanieten of de herstelde kerk die deel wordt van het huis Israël?)
  • 14–21 – Herhaling van de voorwaarde en de gevolgen indien de andere volken zich niet bekeren.
  • 22–25 – Beloften indien de andere volken zich wel bekeren: zij zullen onder het nageslacht van Jakob worden gerekend; zij zullen bijstaan om het Nieuwe Jeruzalem te bouwen.

Verbreding

  • 26–29 – Beloften aan al wie van het huis Israëls over de wereld verstrooid zijn: de weg zal voor hen bereid worden zodat zij de Vader in de naam van Christus kunnen aanroepen; de Heer zal Zijn volk huiswaarts leiden, naar hun erfland.

 

3 Nephi 22 – Aanhaling van Jesaja 

Hoewel niet horend bij de les volgens het curriculum, sluit hoofdstuk 22 direct aan op 21. In de eerste editie van het Boek van Mormon (1830) was er geen scheiding 21 en 22.

Voor de bespreking, zie les 41.

 

Voetnoten

[1]    De evoluerende relatie van Israël met nabije en omliggende volkeren vormt een complexe geschiedenis, maar is, zeker tot aan de Babylonische ballingschap, overwegend negatief: de andere is de vijand. Zie bv. de eerste hoofdstukken in Lawrence M. Wills, Not God’s People: Insiders and Outsiders in the Biblical World (Lanham: Rowman & Littlefield, 2008).

[2]    Oscar Michael Friedman, Origins of the British Israelites: The Lost Tribes (Lewiston: Edwin Mellen Press, 1993); John Wilson, “British Israelism,” The Sociological Review 16, no. 1 (1968): 41–57; John Wilson, The History and Organization of British Israelism: Some Aspects of the Religious and Political Correlates of Changing Social Order, Ph.D. diss. (Oxford: University of Oxford, 1966).

Het Brits-Israëlisme werd erg populair onder de mormonen vanaf het einde van de negentiende eeuw tot ver in de twintigste.  Daartoe droegen onder meer sterk toe bij: Elder George Reynolds, Are We of Israel? (Salt Lake City: George Q. Cannon, 1883); James Anderson, God’s Covenant Race, From Patriarchal Times to the Present (Salt Lake City: Deseret News Press, 1937); uitspraken in boeken van Joseph Fielding Smith en artikelen in de kerktijdschriften tot in de jaren 1960. De meeste van deze benaderingen volgden de hiërarchische visie, met zelfs ideeën van “raciale zuiverheid” via Efraïm.

[3]    Zie bijvoorbeeld Morris Lounds, “Hebrew Israelites/black Jews: A Case Study in the Formation of Group Identity,” PhD diss., (Massachusetts Institute of Technology, 1976); Fran Markowitz, “’Israel as Africa, Africa as Israel’: Divine Geography in the Personal Narratives and Community Identity of the Black Hebrew Israelites,” Anthropological Quarterly (1996): 193–205; Joseph Nii Abekar Mensah, Traditions and Customs of Gadangmes of Ghana: Descendants of Authentic Biblical Hebrew Israelites (Durham: Strategic Book Publishing, 2013).

[4]    Rex E. Cooper, “The Promises Made to the Fathers: A Diachronic Analysis of Mormon Covenant Organization with Reference to Puritan Federal Theology,” Ph.D. diss. (Chicago: University of Chicago, 1985).

[5]    Irene M. Bates, “Patriarchal Blessings and the Routinization of Charisma,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 26, no. 3 (1993), 1–29.

[6]    Zie voor de ontwikkeling Gordon Irving, “The Law of Adoption: One Phase of the Development of the Mormon Concept of Salvation, 1830-1900,” Brigham Young University Studies 14, no. 3 (1974): 291–314.

[7]    Die verdelingen rechtvaardigden later racisme. Zie David M. Goldenberg, The curse of Ham: Race and slavery in early Judaism, Christianity, and Islam (Princeton University Press, 2009); Stephen R. Haynes, Noah’s Curse: The Biblical Justification of American Slavery (Oxford: Oxford University Press , 2002); David Mark Whitford, The Curse of Ham in the Early Modern Era: The Bible and the Justifications for Slavery (Farnham: Ashgate Publishing, 2009).

[8]    Zie Bates, “Patriarchal Blessings”. Zelfidentificatie met het nakomelingschap van Efraïm vinden we enkele keren in Leer en Verbonden. Over kerkleden: “Want voorwaar, Ik zeg dat de weerspannigen niet van het bloed van Efraïm zijn, daarom zullen zij worden weggerukt” (Leer en Verbonden 64:36). Zie ook de identificaties van het “rijsje” en “de wortel van Isaï” in afdeling 113.

[9]    Voor de integratie van Israëlitisch gedachtengoed in het mormonisme, zie onder meer W. D. Davies, “Israel, the Mormons and the Land,” in Reflections on Mormonism: Judaeo-Christian Parallels, ed. Truman G. Madsen (Provo, UT: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1978), 79–97.

[10]  Zie verwijzingen in Arnold H. Green, “Gathering and Election: Israelite Descent and Universalism in Mormon Discourse,” Journal of Mormon History 25, No. 1 (1999): 195–228.

[11]  Een aantal studies tonen aan hoe en waarom die racistische leer zo lang in het mormonisme kon bestaan. Grondleggers waren Lester E. Bush, Jr., “Mormonism’s Negro Doctrine: An Historical Overview,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 8, no.1 (1973): 11-68; Armand L. Mauss, “Mormonism and the Negro: Faith, Folklore, and Civil Rights,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 2, no. 4 (1967):19–39; Stephen G. Taggart, Mormonism’s Negro Policy: Social and Historical Origins (Salt Lake City: University of Utah Press, 1970).

Meer recente studies hebben de analyses verder verdiept: Armand L. Mauss, “In Search of Ephraim: Traditional Mormon Conceptions of Lineage and Race,” Journal of Mormon History 25, no. 1 (1999), 131–173; Armand L. Mauss, All Abraham’s Children: Changing Mormon Conceptions of Race and Lineage (Urbana: University of Illinois Press, 2003); W. Paul Reeve, Religion of a Different Color: Race and the Mormon Struggle for Whiteness (Oxford: Oxford University Press, 2015); Russell W. Stevenson, For the Cause of Righteousness: A Global History of Blacks and Mormonism, 1830-2013 (Salt Lake City: Greg Kofford, 2014).

[12]  Dat verlossend mechanisme is onderwerp van tal van besprekingen, al vanaf de Kerkvaders, doorheen Concilies, in de Reformatie. Zie onder meer Keith H. Essex, “The Abrahamic Covenant,” Master’s Seminary Journal 10, no. 2 (1999): 191–212; Scott Hahn, “Covenant in the Old and New Testaments: Some Current Research (1994-2004),” Currents in Biblical Research 3, no. 2 (2005): 263–292; Paul R. Williamson, Abraham, Israel and the Nations: The Patriarchal Promise and Its Covenantal Development in Genesis (Sheffield: Sheffield Academic Press, 2000); Paul Williamson, “Abraham, Israel and the Church,” Evangelical Quarterly 72, no. 2 (2000): 99–118.

[13]  Neil L. Andersen, “A Witness of God”, General Conference (October 2016); Gérald Caussé, “Ye Are No More Strangers,” General Conference (April 2013); Henry B. Eyring, “A Priceless Heritage of Hope,” General Conference (October 2014); Gary E. Stevenson, “Where Are the Keys and Authority of the Priesthood?” General Conference (April 2016): de sleutels van de vergadering van Israël laten het huidige zendingswerk toe.

[14]  Gids bij de Schriften, Adoptie, met verwijzing naar Romeinen 8:15–17; Galaten 3:24–29; 4:5–7; Mosiah 5:7–8.

[15]  Dieter F. Uchtdorf, ‘Are You Sleeping through the Restoration?’ Ensign (May 2014), 59.

[16]  Voor die verzoening tussen oude en nieuwe accenten werd vaak verwezen naar een artikel in het kerkelijk tijdschrift The Ensign: Daniel H. Ludlow, “Of the House of Israel,” Ensign 21 (1991): 51–55. Het probeerde vertrouwde concepten uit de oudere invalshoeken zo goed als mogelijk te plaatsen. Wie het nu leest, merkt dat we ondertussen verder losgekomen zijn van sommige van die concepten. Dit neemt niet weg dat een litteralistische lezing van alle verwijzingen naar het huis Israëls in de Standaardwerken gelovigen kan blijven inspireren. Zie bv. Marvin R. VanDam, Mine Elect Hear My Voice: The Gathering of Israel (Salt Lake City: Deseret Book, 2007).

[17]  Voor een bespreking van het gebruik van goy voor Israël zelf, zie Aelred Cody, “When is the Chosen People called a gôy?” Vetus Testamentum 14, no. (1964): 1–6. Hoe Paulus de term gentiles betekenis geeft en zo mogelijk antisemitisme in de hand heeft gewerkt, is al lang stof voor kritische besprekingen. Zie Terence L. Donaldson, “’Gentile Christianity’ as a Category in the Study of Christian Origins,” Harvard Theological Review 106, no. 4 (2013): 433–458; Ishay Rosen-Zvi and Adi Ophir, “Paul and the Invention of the Gentiles,” Jewish Quarterly Review 105, no. 1 (2015): 1­41. Zie ook Steven Grosby, “The Biblical ‘Nation’as a Problem for Philosophy,” Hebraic Political Studies 1, no. 1 (2005): 7–23.

[18]  Voor analyses van deze hoofdstukken, zie onder meer Victor L. Ludlow, “Covenant Teachings of the Scriptures”, BYU Speeches (13 October 1998); Joseph Fielding McConkie and Robert L. Millet, Doctrinal Commentary on the Book of Mormon, vol. 4 (Salt Lake City: Bookcraft, 92), 103–119; 137–156: McConkie, The Millennial Messiah, 152–159; 246–247.

[19]  Victor Ludlow ziet één grote chiastische structuur in 15 spiegels (AN–NA) van 3 Nephi 20:10 tot 23:1, gebaseerd op thema’s per vers of groepen verzen. Volgens mij is de densiteit hiervoor veel te laag. Er zitten zoveel herhalingen in deze hoofdstukken dat je allerlei vermeende structuren kan vinden. Handout bij Victor L. Ludlow, “Covenant Teachings of the Scriptures”, BYU Speeches (13 October 1998), geciteerd in Alan C. Miner, Step by Step Through the Book of Mormon. http://stepbystep.alancminer.com/3_nephi_20

[20]  Voor een overzicht, zie Zvi Ben-Dor Benite, The Ten Lost Tribes: A World History (Oxford: Oxford University Press, 2009); Tudor Parfitt, The Lost Tribes of Israel: The History of a Myth (London: Phoenix, 2002); Ingrid Sherlock-Taselaar, “The Lost Tribes of Israel: Sources, Motifs, and Discourse in the Development of a Literary Myth,” PhD diss. (London: University of London, 2009).

[21]  R. Clayton Brough, The Lost Tribes: History, Doctrine, Prophecies, and Theories about Israel’s Lost Ten Tribes (Springville: Cedar Fort, 1979).

[22]  Bruce R. McConkie, The Millennial Messiah (Salt Lake City: Deseret Book), 215–217.

[23]  Vern G. Swanson, “Israel’s ‘Other Tribes’”, Ensign (Januari 1982).