Les 39 – 3 Nephi 17–19

“Ziet, mijn vreugde is volkomen”

1 – “Grote en wonderbare dingen”
2 – Een nieuwe bedeling, een nieuwe benadering
3 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
4 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

De vorige les, les 38, betrof hoofdstukken 12 tot 15, waarbij de “tempelrede”, tegenhanger van de bergrede in het Nieuwe Testament, centraal stond. Het curriculum voorziet het volgende hoofdstuk, hoofdstuk 16, samen met hoofdstukken 20–21 in les 40 te behandelen: die drie hoofdstukken horen bij elkaar door het thema van het huis Israëls.

Deze les behandelt hoofdstukken 17 tot 19. Die verhalen verdere hoogtepunten tijdens de bediening van Jezus aan de Nephieten.

Dit deel in 3 Nephi, als scharnier waar het oude verbond overgaat in het nieuwe, is echter ook de gelegenheid om een verwant onderwerp te behandelen: de sabbat. Daaraan besteed ik het grootste deel van de aanvullende informatie bij deze les. Klik hier de aparte pagina Van sabbat naar zondag.

 

1 – “Grote en wonderbare dingen”

Gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament in een andere dimensie
De wenende en de lachende Jezus
Het drievoudig bidden in Gethsemane en bij de Nephieten

 

Gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament in een andere dimensie

Bij aanvang van hoofdstuk 17 vraagt Jezus de mensen naar huis te keren zodat hijzelf naar zijn Vader kan gaan en ook om zich te “vertonen aan de verloren stammen van Israël”. Maar de mensen kijken hem gestadig aan “alsof zij Hem wilden vragen nog wat langer bij hen te blijven”. Jezus’ reactie — “Mijn binnenste is vervuld met medelijden met u” — markeert dan de aanvang van intense gebeurtenissen:

  • de genezing van zieken en gebrekkigen
  • de aanbidding — “zodat zij zijn voeten met hun tranen natmaakten”
  • het wonderbaarlijk gebed tot de Vader
  • de hemelse bediening van de kinderen
  • de instelling van het avondmaal
  • de aanraking van de discipelen om hen de macht te geven de Heilige Geest te verlenen.

 

chris-higham_jesus-and-the-children-christian-art“Jezus en de kinderen” door Chris Higham

 

Dan pas verlaat Jezus hen door ten hemel te varen (hoofdstukken 17–18). De volgende dag onderwijzen de twaalf het volk en verschijnt Jezus opnieuw. Tot de gebeurtenissen van die dag horen

  • de doop
  • het ontvangen van de Heilige Geest met vuur
  • de bediening van engelen
  • het bidden van de menigte
  • het bidden van de discipelen en van Jezus in drie fasen
  • de schitterende witheid van gelaat en klederen.

De menigte ziet en hoort dit alles (hoofdstuk 19).

In hoofdstuk 20 horen verzen 1 tot 9 eigenlijk nog tot het elan:

  • het bedienen van het avondmaal met een wonderbaarlijk verschaffen van brood en wijn.

In de oorspronkelijke editie van het Boek van Mormon vormen hoofdstukken 19 en 20 inderdaad een aaneensluitende tekst.

Elk van die gebeurtenissen weerspiegelt een gebeurtenis uit het Nieuwe Testament, maar in een andere volgorde en in een grotere, volmaakte dimensie, onbezoedeld door de afwezigheid van twijfelaars of Farizeeën, beheerst door een opgestane Jezus, omringd door een menigte die hem aanbidt. De verwante beelden kennen we uit het Nieuwe Testament:

  • genezingen van zieken, blinden, kreupelen, melaatsen (refs. in alle evangelies)
  • de zondares die huilend zijn voeten natmaakte met haar tranen (Lukas 7:38)
  • het zegenen van de kinderen (Mattheüs 19:13–15)
  • de instelling van het avondmaal (Mattheüs 26:26–29)
  • het ontvangen van de Heilige Geest met vuur (Handelingen 2:1–13)
  • de bediening van engelen (Mattheüs 4:11)
  • de wonderbare spijziging (Mattheüs 14:13–21)
  • het gebed in drie fasen in Gethsemane (Mattheüs 26:36–46)
  • de stralende witheid van gelaat en kleding (Mattheüs 17:2; 28:2–3)

 

Pentecost

“Het ontvangen van de Heilige Geest” door Chris Higham

 

De omvang en volmaaktheid van de verwante gebeurtenissen bij de Nephieten leidt dan ook tot het besluit dat Jezus op het einde verwoordt:

“Een zo groot geloof heb Ik onder alle Joden nog nooit gezien; daarom kon Ik hun, wegens hun ongeloof, niet zulke grote wonderen tonen. Voorwaar, Ik zeg u, geen van hen heeft zulke grote dingen gezien als gij hebt gezien; noch hebben zij zulke grote dingen gehoord als gij hebt gehoord.” (19:35–36).


Enkele bijzonder opvallende elementen verdienen een apart onderdeel.

 

De wenende en de lachende Jezus

“Hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij wegens uw geloof. En nu zie, mijn vreugde is overvloedig. En toen Hij die woorden had gezegd, weende Hij, en de menigte getuigde ervan, en Hij nam hun kleine kinderen een voor een en zegende hen en bad tot de Vader voor hen. En toen Hij dat had gedaan, weende Hij wederom.” (17:20–22)

“En het geschiedde dat Jezus hen zegende terwijl zij tot Hem baden; en zijn gelaat lachte hen toe, en het licht van zijn gelaat bescheen hen… en zie, zij baden gestadig, zonder ophouden, tot Hem; en wederom lachte Hij hen toe” (19:25–30)

Het wenen kennen we uit de evangelies. Bij de intocht in Jeruzalem: “En toen Hij dichtbij kwam en de stad zag, weende Hij over haar.” (Lukas 19:41). Bij de opwekking van Lazarus: “Toen Jezus haar dan zag huilen, en ook de Joden die met haar meekwamen, zag huilen, werd Hij heftig in de geest bewogen en raakte innerlijk in beroering. En Hij zei: Waar hebt u hem gelegd? Zij zeiden tegen Hem: Heere, kom het zien. Jezus weende.” (Johannes 11:33–35). Maar in elk van die Nieuwtestamentische passage weent Jezus uit verdriet. Hier, bij de Nephieten, weent hij uit vreugde.

Een lachende Jezus is niet alleen uniek in de Schriften — enkel hier in het Boek van Mormon. In de christelijke wereld was het haast een dogma dat Jezus nooit gelachen heeft. De historicus Michael Screech ontleedde dat voor christenen lachen altijd onbetamelijk is geweest, omdat omstaanders gespot en gelachen hadden toen Jezus aan het kruis hing.[1] Het verklaart de overwegend sombere benadering van christelijke denkers. In vele kloosters was lachen verboden. In alle kunstvoorstellingen tot de twintigste eeuw is nooit een lachende, zelfs geen glimlachende Jezus uitgebeeld.[2] In Umberto Eco’s De naam van de roos wordt in de middeleeuwen gemoord om die lach te onderdrukken.

Uiterst merkwaardig is dus een boek van 1830 dat Jezus in zijn bediening doet lachen. Het ging in tegen alle gangbare concepten over de Heiland en illustreert de originaliteit van het Boek van Mormon, tegenover de ciritici dit het boek soms afdoen als een afkooksel van gangbare ideeën begin negentiende eeuw. In die context van lach en vreugde bevat het Boek van Mormon nog een andere unieke visie: “Adam viel, opdat de mensen zouden zijn; en de mensen zijn, opdat zij vreugde zullen hebben” (2 Nephi 2:25).

 

Het drievoudig bidden in Gethsemane en bij de Nephieten

Het gebed in drie fasen dat Jezus uitspreekt op Gethsemane, waarbij hij telkens naar zijn discipelen terugkeert en dan weer wat verder gaat bidden, vindt een onmiskenbare weerspiegeling in het gebed in de nabijheid van zijn twaalf Nephitische discipelen. Inhoudelijk zijn er ook raaklijnen, in zoverre we het hogepriesterlijk gebed in Johannes 17 als deel van het gebeuren zien.

Maar welk een contrast: op Gethsemane vindt Jezus zijn apostelen telkens slapend en staat hij alleen in zijn bidden en zijn lijden; in het spiegelgebeuren in Overvloed overheerst intense betrokkenheid en vreugde: “En het geschiedde dat Jezus hen zegende terwijl zij tot Hem baden; en zijn gelaat lachte hen toe, en het licht van zijn gelaat bescheen hen, en zie, zij waren zo wit als het gelaat en ook als de klederen van Jezus” (19:25). De derde fase van Jezus’ gebed wordt een buitenwerkelijk hoogtepunt: “Evenwel waren de woorden die Hij bad zo groot en wonderbaar, dat ze niet kunnen worden opgeschreven, noch door een mens uitgesproken” (19:34).

“Grote en wonderbare dingen”: de sublieme scenes in deze drie hoofdstukken tekenen een imposant contrast met de vernietigingen die nog maar kort ervoor zovele steden troffen. De boodschap is overweldigend: na het lijden brengt Jezus immense vreugde.

 

2 – Een nieuwe bedeling, een nieuwe benadering

Omstandigheden bepalen de werkwijze
Priesterschap heringesteld
Eerst geordend, dan pas gedoopt
Herdopen was gebruikelijk

 

Omstandigheden bepalen de werkwijze

Ons huidig kerkelijk-handboek-formalisme maakt dat we een vaste en duidelijke volgorde van bevoegdheden en verordeningen verwachten. Eerst dopen door iemand met gezag, dan het ontvangen van de Heilige Geest, dan van het avondmaal kunnen nemen, dan het lagere priesterschap ontvangen om te kunnen dopen of het avondmaal in te zegenen, vervolgens het hogere voor andere bevoegdheden.

Bij het bezoek van Jezus aan de Nephieten stemmen de gebeurtenissen niet overeen met dat formalisme.

  • Jezus begint met Nephi en de andere discipelen de macht te geven om te dopen (11:21–22), terwijl zij zelf nog gedoopt moeten worden (19:10–12).
  • Nephi en vele anderen waren vroeger al gedoopt en hadden ook al zelf gedoopt (1:23: 7:26). Toch worden ze herdoopt. Dat geldt vermoedelijk evengoed voor de menigte: dit zijn immers overwegend gelovigen die zich al voor Jezus’ komst hadden bekeerd en gedoopt werden en precies daarom in de recente rampen gespaard waren gebleven.
  • Ook het priesterschap zelf lijkt uit balans: Nephi en anderen waren al voor Jezus’ komst bevoegde priesterschapsdragers om te dopen, maar krijgen blijkbaar opnieuw die bevoegdheid.
  • Jezus bedient het avondmaal en laat het vervolgens ronddelen aan mensen die nog gedoopt (of herdoopt) zullen worden (18:1–9). Hij lijkt tevens te stellen dat het avondmaal een verordening is die bij de doop hoort (18:5, 11, 30).
  • Voor het bedienen van het avondmaal kondigt Jezus aan dat “één onder u zal worden geordend” met de macht om het brood te breken. Het betekent dus een bevoegdheid die de anderen niet bezitten, hoewel ze wel de bevoegdheid hebben om te dopen (18:5).

Wat kunnen we hieruit leren? Procedures en bevoegdheden wijzigen. Zaken die nu gebruikelijk in de kerk zijn, waren het daarom niet tweeduizend jaar geleden, maar evenmin in 1830 of in 1930. De kerk is een dynamische instelling. Vervolgens leren we dat een nieuwe bedeling, zoals Jezus die inluidt, ook het hernieuwen van verbonden en ordeningen vraagt. Dat verduidelijken volgende punten.

 

Priesterschap heringesteld

Tot het bezoek van de Heiland aan de Nephieten bezaten hun profeten, priesters of bedienaars enkel het Melchizedeks priesterschap. Van Lehi’s tijd tot Alma gebeurde de overdracht ervan via een directe lijn van God of via een erfelijke lijn (zie hier in les 19 over de lijnen van overdacht en over het priesterschap tot Alma). In Alma’s “kerk van God” of “kerk van Christus” wijzigde de patriarchale orde in een institutionele: Alma ordende priesters en stelde er één aan voor iedere vijftig mensen “om tot hen te prediken en hun de dingen te leren die betrekking hebben op het koninkrijk Gods” (18:18). Ook hier ging het om priesters die het Melchizedeks priesterschap droegen (zie hier). Tot aan de tijd van Jezus’ komst bleef de “kerk van Christus” actief functioneren, ondanks al de interne moeilijkheden en perioden van afvalligheid. De profeten die de kronieken en heilige voorwerpen aan een volgende overdroegen vertegenwoordigden het ononderbroken gezag. In de jaren voor Jezus’ verschijning was de kerk bijzonder werkzaam, ondanks de slechten (1:23; 5:1–6; 6:20). Over het jaar voor Jezus’ verschijning lezen we:

En in het begin van het drieëndertigste jaar verhief Nephi zijn stem tot het volk; en hij predikte hun bekering en vergeving van zonden. Nu wil ik dat gij tevens in gedachte houdt dat niemand die tot bekering was gebracht, niet met water werd gedoopt. Daarom ordende Nephi mannen tot die bediening, opdat allen die tot hen kwamen met water zouden worden gedoopt, en wel als een teken en een getuigenis voor het aangezicht van God en tot het volk, dat zij zich hadden bekeerd en vergeving van hun zonden hadden ontvangen. En er waren er velen in het begin van dat jaar die zich tot bekering lieten dopen. (7:23–26)

Het zijn mensen uit deze groep, gespaard tijdens de verwoestingen, die Jezus zien verschijnen aan de tempel in Overvloed. Hier ontmoet Jezus Nephi en diegenen die Nephi geordend heeft. Toch begint de Heiland, net zoals in Palestina, met de propere lei van een nieuwe bedeling. Hij kiest twaalf discipelen en geeft hen bevoegdheid te dopen, blijkbaar zonder rekening te houden met de bevoegdheid die ze al hadden. Hij verlangt tevens dat ze opnieuw gedoopt worden, zonder verwijzing naar hun vroegere doop.

 

Higham_Avondmaal“Het avondmaal” door Chris Higham

 

Joseph Fielding Smith stelt dat Jezus op dat ogenblik de Nephieten het priesterschap verleende zoals wij dat heden ten dage uitoefenen, inclusief het Aäronische priesterschap met onderscheiden ambten.[3] Wij denken te snel, vanuit onze huidige ervaring, dat het Aäronische priesterschap voor jongeren is en van een “mindere” orde. Maar dat was niet zo in de negentiende eeuw en allicht evenmin ten tijde van Christus.

Zo ordent Jezus één persoon “met de macht om het brood te breken” (18:5). Een enkele, blijkbaar bijzondere priesterschapsdrager voor het breken van het brood hoeft niet te verwonderen. Ook in het begin van onze kerkgeschiedenis werd het inzegenen van het avondmaal niet toevertrouwd aan jongens of jonge volwassenen, maar aan een van de twaalf apostelen als hij aanwezig was of aan een andere, oudere hogepriester. Het ronddienen gebeurde eveneens door de apostelen of zelfs leden van het Eerste Presidium als ze aanwezig waren. In de latere wijken in Utah waren het nog steeds hogepriesters die voor het avondmaal zorgden. De inschakeling van jongens voor het avondmaal begon pas in de twintigste eeuw.[4]

 

Eerst geordend, dan pas gedoopt

Jezus geeft Nephi en anderen de bevoegdheid om te dopen en met die bevoegdheid worden zij pas daarna gedoopt.

Het geval van Alma de oudere illustreert hoe het bezit van het priesterschap aan de doop kan voorafgaan, wanneer hij zichzelf samen met Helam doopt (Mosiah 18:12–15). We zien eenzelfde “afwijking” in de ordening en doop van Joseph Smith en Oliver Cowdery. Johannes de Doper verleende eerst het Aäronisch priesterschap aan Joseph Smith en Oliver Cowdery. Joseph doopte dan Oliver en Oliver Joseph. Maar in dit geval volgt dan een uiting van de orde zoals we ze kennen: Joseph ordende vervolgens Oliver tot het Aäronisch priesterschap en Oliver deed daarna hetzelfde “want zo was het ons geboden” (Geschiedenis van Joseph Smith 68–71).

 

Herdopen was gebruikelijk

Nephi en vele anderen waren al jaren voor Jezus’ komst gedoopt en toch worden ze nu opnieuw gedoopt. Herdopen was niet ongebruikelijk bij de aanvang van een nieuwe periode of voor een ander doel, in het bijzonder hernieuwde toewijding. Dit was het geval bij de komst van de Heiland onder de Nephieten.

Herdopen was ook gebruikelijk in de negentiende eeuw. Hoewel Joseph Smith en Oliver Cowdery elkaar in 1829 gedoopt hadden, werden ze op 6 april 1830 opnieuw gedoopt, nu als leden van de pas gestichte kerk. In Nauvoo was herdopen vrij gebruikelijk.[5] In de eerste jaren na aankomst in de Salt Lake vallei werd nagenoeg iedere pionier die aankwam herdoopt als teken van toewijding aan de nieuwe opdracht in Zion.[6] Om dezelfde reden was herdoop gebruikelijk wanneer een groep opdracht kreeg een nieuwe plaats te gaan koloniseren of deel te nemen aan de Verenigde Orde.

De praktijk begon echter af te wijken van het doel toen men ook begon te herdopen om iemand geestelijk te verlichten, alsof een nieuwe doop begane zonden uitwiste, of om te helpen bij genezing van ziekte.[7] In 1897 besliste de kerkleiding daarom de praktijk van het herdopen te stoppen.

 

3 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

3 Nephi 17:7 – “blind of kreupel of verminkt of melaats”
3 Nephi 18:1 – “brood en wijn”
3 Nephi 18:8 – “de wijn uit de beker te nemen en ervan te drinken”
3 Nephi 18: 18 – “Satan begeert u te bezitten om u als tarwe te ziften.”
3 Nephi 19:4 – De namen van de twaalf discipelen
3 Nephi 19:11 – “En het geschiedde dat Nephi in het water afdaalde en zich liet dopen.”
3 Nephi 19:18 – “zij baden tot Jezus en noemden Hem hun Heer en hun God”

 

3 Nephi 17:7 – “blind of kreupel of verminkt of melaats”

Soms beweren critici dat melaatsheid niet bestond in het Oude Amerika, aangezien de Europese ontdekkers van Amerika er de ziekte niet aantroffen: het Boek van Mormon zou hier dus een anachronisme bevatten. Een eenvoudig antwoord hierop is dat er ook geen bewijs is dat het nooit is voorgekomen in eeuwen daarvoor.

Een ander antwoord komt van John Welch: hij noteert dat in de oudheid de term melaatsheid een algemene term voor ernstige huidziekten was omdat correcte diagnoses toen nog niet gesteld konden worden.[8] Op het oostelijk halfrond is het zelfs waarschijnlijk dat mensen met een ernstige en aanhoudende huidziekte, die geen melaatsheid was, werden verwezen naar plaatsen waar melaatsen verbleven en zo de ziekte opdeden.

 

3 Nephi 18:1 – “brood en wijn”

Brood en wijn zijn sinds de verste oudheid heilige symbolen voor voedsel en drank. Het zijn geen natuurlijke producten, want elk van beiden vereist een specifiek productieproces, dat ook op een beschavingsniveau wijst. In Jezus’ optreden in Palestina zijn brood en wijn prominent aanwezig, zoals bij de vermenigvuldiging van het brood en de verandering van water in wijn.

Brant Gardner wijdt een lange uitleg aan het gegeven dat Meso-Amerikaanse volken geen brood noch wijn van druiven kenden: hij onderzoekt daarom welke alternatieven er voor brood en wijn gebruikt werden, zoals maïskoeken en gefermenteerde dranken van bepaalde vruchten.[9] Joseph Smith zou dan de Nephitische termen ervoor, zoals die op de platen voorkwamen, in “normaal Engels” hebben omgezet. Dat is mogelijk, maar dergelijke uitleg gaat steeds uit van een nauwe connectie tussen de Nephieten en volken als de Inca’s en Azteken, of hun voorlopers, terwijl daar geen enkel bewijs voor bestaat. Het lijkt mij eenvoudiger om de Nephieten als een Hebreeuwse enclave te beschouwen die kennis en tradities vanuit hun wereld toepasten en dus ook het traditioneel woordgebruik ervoor hanteerden, in het Hebreeuws idioom van hun tijd. Als oeroude concepten, hoorden “brood en wijn” daar zeker toe, zelfs als hun producten iets zouden afwijken van wat wij als brood en wijn verstaan.

 

3 Nephi 18:8 – “de wijn uit de beker te nemen en ervan te drinken”

Historisch weetje: Voor het bedienen van het avondmaal in de mormoonse kerk bleef wijn gebruikelijk gedurende de negentiende eeuw. De vervanging van wijn door water kwam er geleidelijk, afhankelijk van de regio en van de beschikbaarheid van wijn of van drinkbaar water. Sommige apologeten hebben getracht te bewijzen dat de vervanging al in de jaren 1830 gebeurde, om zo een vroege en strenge toepassing van het Woord van Wijsheid te illustreren. Maar vele bronnen bevestigen dat wijn wel degelijk tot ver in de negentiende eeuw voor het avondmaal gebruikt werd. Men vindt meldingen van het gebruik van wijn voor het avondmaal tot 1906.[10]

 

3 Nephi 18:18 – “Satan begeert u te bezitten om u als tarwe te ziften.”

“Tarwe ziften” is een laatste fase in het scheiden van de graankorrels van onzuiverheden. Na het maaien wordt er eerst gedorst op een harde dorsvloer: de halmen worden vertrapt door de hoeven van dieren, of door een houten dorsslede die erover getrokken wordt, of geslagen met een dorsvlegel om de graankorrels uit de aren los te maken en het stro zoveel mogelijk te verpulveren. Vervolgens gaat men wannen met een wan, dit is een schep waarmee het op de grond liggend mengsel van korrels en onzuiverheden in de lucht wordt gegooid zodat de wind de lichtere elementen weg kan blazen. Ten slotte wordt er gezift met een zeef om al wat nog groter dan een graankorrel was, zoals steentjes of nog grotere stukken stro, van de korrels te scheiden.

Brant Gardner, door de Nephieten steeds als een oud Meso-Amerikaans volk te willen beschouwen, vindt dat de uitdrukking cultureel niet klopt omdat tarwe ziften volgens hem niet bekend was bij Inca’s of Azteken. Om de discrepantie te verklaren vermoedt hij dat Jezus dus een andere uitdrukking voor de Nephieten gebruikte, maar dat Joseph Smith die vertaalde in termen die lezers van de Bijbel vertrouwd waren.[11] Het lijkt mij een vergezochte en nodeloze uitleg. Opnieuw wordt hier vergeten dat de Nephieten een Hebreeuwse achtergrond hadden en allicht eigen tradities in stand hielden. Zelfs indien landbouw anders evolueerde, fundamentele uitdrukkingen blijven levend en worden begrepen. Ook wij lezen nu de uitdrukking “tarwe ziften”, maar velen van ons hebben dat nooit in het echt zien gebeuren en hebben er, zonder verdere uitleg, maar een vaag begrip van. Dat is echter voldoende om de boodschap te vatten: Satan zift de mensen om ze in zijn greep te krijgen.

 

3 Nephi 19:4 – De namen van de twaalf discipelen

“En het geschiedde de volgende dag, toen de menigte tezamen was gekomen, zie, dat Nephi en zijn broeder, die hij uit de doden had opgewekt, wiens naam Timoteüs was, en ook zijn zoon, wiens naam Jona was, en ook Mathoni en Mathonihah, zijn broeder, en Kumen en Kumenonhi en Jeremia en Shemnon en Jonas en Sedekia en Jesaja — dit nu waren de namen van de discipelen die Jezus had uitgekozen.”

De namen zijn van diverse origine, maar allen verklaarbaar in het Nephitisch patrimonium:

  • Jona, Jeremia, Jonas, Sedekia en Jesaja: duidelijk Oudtestamentisch
  • Mathoni en de afleiding Mathonihah: hoogstwaarschijnlijk Hebreeuws (Mattan en Mattanja zijn Oudtestamentisch, 2 Koningen 11:18; 24:17)
  • Kumen: verschillende Akkadische of Hittitische mogelijkheden[12]
  • Kumenonhi: eveneens Akkadische of Hittitische mogelijkheden, waarbij Hugh Nibley Kumen-onhi suggereert, de Egyptisch-Hittitische naam voor de stad Kumani[13]
  • Shemnon: Semitische basis, gekend als Shem, Sem, Sam; het suffix –non kan wijzen op grootheid, belangrijkheid[14]
  • Grieks voor Timoteüs. De Engelse versie spreekt van Timothy, wat een verengelste vorm is. Zie dit onderdeel in les 36 voor de aanwezigheid van Griekse namen onder de Nephieten. Het is vreemd dat de huidige Nederlandse vertaling niet Timotheüs, met h, spelt, zoals in de HSV, de Bijbelvertaling die de kerk volgt. Als Timothy niet behouden wordt omdat men wil vernederlandsen, dan zou het beter zijn de Griekse vorm te gebruiken, Timotheus (zonder trema) of Timotheos, want de Latijnse vorm Timotheüs was zeker niet bekend onder de Nephieten.

 

3 Nephi 19:11 – “En het geschiedde dat Nephi in het water afdaalde en zich liet dopen.”

Ongetwijfeld was Nephi al eerder gedoopt (zie hierboven). Maar wie doopte hem nu?

De Engelse tekst luidt: “And it came to pass that Nephi went down into the water and was baptized.” De huidige Nederlandse vertaling neemt hier enige vrijheid door interpretatie: de vertaler gaat er blijkbaar van uit dat Nephi niet zichzelf kon dopen en zich dus liet dopen (onderverstaan door iemand anders). Vroegere Nederlandse vertalingen zetten de tekst letterlijker om: “en werd gedoopt”. Dat verbreedt de mogelijkheid van een zelfdoop. Moest Nephi door iemand gedoopt zijn, zou de tekst het allicht vermeld hebben. Sommigen menen inderdaad dat Nephi zichzelf doopte.[15] Er is een precedent voor: voor de doop begroef Alma zichzelf in het water, zonder dat iemand hem expliciet doopte:

“En toen Alma die woorden had gesproken, werden Alma en Helam beiden in het water begraven; en zij rezen op en kwamen vol vreugde uit het water tevoorschijn, zijnde vervuld met de Geest. En voorts nam Alma een ander en ging voor de tweede maal het water in en doopte hem overeenkomstig de eerste, behalve dat hij zichzelf niet wederom in het water begroef” (Mosiah 18:14–15).

 

3 Nephi 19:18 – “zij baden tot Jezus en noemden Hem hun Heer en hun God”

Deze passage heeft nogal wat commentaren uitgelokt omdat “tot Jezus bidden” in plaats van tot de Vader ongebruikelijk is. Jezus zelf heeft de Nephieten nog maar pas geleerd te bidden tot de Vader: “Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd…” (3 Nephi 13:9).

De meest eenvoudige uitleg geeft Jezus zelf enkele verzen verder, in zijn eigen gebed tot de Vader: “Vader, Gij hebt hun de Heilige Geest gegeven, omdat zij in Mij geloven; en Gij ziet dat zij in Mij geloven, want Gij hoort hen, en zij bidden tot Mij; en zij bidden tot Mij, omdat Ik bij hen ben” (vers 22).

Zo zou deze situatie dus maar tijdelijk zijn, door het feit dat Jezus in hun midden vertoeft en de mensen, in een natuurlijke beweging ten overstaan van de opgestane Heiland, zich tot hem in gebed richten. De meeste commentatoren stellen dit als voldoende uitleg.[16]

Theologisch trachten sommigen dit ook in een ander licht te zien. Jezus is God. Hij is een lid van de godheid. Hij is ook de Vader van deze wereld. Hij is Jehova, de God van het Oude en Nieuwe Testament. Hij vertegenwoordigt zijn eigen Hemelse Vader. John Welch vestigt de aandacht op deze dynamiek die al in vers 6 begint: “zij lieten de menigte op het oppervlak der aarde knielen en tot de Vader bidden in de naam van Jezus.” Bidden “in de naam van Jezus”, zoals wij in al onze gebeden doen, betekent dat elk gebed via de middelaar Jezus tot de Vader komt. Jezus is dus steeds de tussenpersoon.[17] Welch gebruikt als argument dat ook Joseph Smith tot Jezus zou gebeden hebben in het gebed bij de inwijding van de tempel te Kirtland op 27 maart 1836, vanuit deze overgangen: “Dank zij uw naam, o Here God van Israël” is de aanvang ervan. Het gaat over in de gewone aanspreking: “En nu vragen wij U, heilige Vader, in de naam van Jezus Christus, de Zoon van uw boezem…”. Maar verderop spreekt Joseph God aan als “O Jehova, wees dit volk genadig… Maar wij smeken u, o Jehova, bevrijd uw dienstknechten uit hun handen en reinig hen van hun bloed” (Leer en Verbonden 109: 1, 4, 34, 42). Jehova, in de mormoonse theologie, is Jezus Christus. In zijn kritiek op Welch’s visie lijkt Brant Gardner gelijk te hebben dat Joseph Smith hier retorisch spreekt en de titel Jehova als geldend voor de Vader gebruikt. De aansprekingen waren verwisselbaar. Maar Gardner trekt daaruit de conclusie dat de Nephieten niet tot Jezus baden, maar eigenlijk tot de Vader.[18] Dat lijkt mij dan weer een stap te ver, omdat Jezus zelf, in zijn gebed tot de Vader, stelt: “zij bidden tot Mij, omdat Ik bij hen ben.”

Hoe het Godsbeeld bij de Nephieten ontwikkelde is stof voor een aparte studie.

 

4 – Gestructureerd lezen

3 Nephi 17 – Genezingen – de kinderen

  • 1-3 – Overgang: Jezus bemerkt dat de mensen zwak zijn en al zijn woorden nog niet kunnen begrijpen. Hij geeft hen opdracht naar huis te keren, alles te overdenken, erover te bidden en zich voor te bereiden voor de volgende dag.
  • 4 – Jezus zal ondertussen naar zijn Vader gaan en zich vertonen aan de verloren stammen van het huis Israëls.
  • 5 – Toch vertrekt Jezus niet meteen als hij de tranen en de blikken van de mensen ziet.
  • 6–10 – De genezing van zieken en gehandicapten.
  • 11–25 – Jezus en de kinderen: zij worden rond Jezus gebracht en de mensen wijken een stuk terug; Jezus knielt en bidt een bijzonder gebed tot de Vader; hij zegent de kinderen één voor één; de kinderen worden door engelen bediend.

 

3 Nephi 18 – Over het avondmaal, het gebed, de orde in de kerk, en de Heilige Geest

  • 1–6 – Het breken van het brood, het ronddelen en het nuttigen ervan.
  • 7 – De drie aspecten van het breken en nuttigen van het brood: ter gedachtenis van het lichaam van Christus; als een getuigenis tot de Vader dat wij Christus indachtig zijn; de belofte: wij zullen dan Zijn Geest met ons hebben.
  • 8–10 – Het verdelen van de wijn en het drinken ervan.
  • 11 – De drie aspecten van het drinken van de beker: ter gedachtenis van het bloed van Christus; als een getuigenis tot de Vader dat wij Christus indachtig zijn; de belofte: wij zullen dan Zijn Geest met ons hebben.
  • 12–14 – Indien gij deze dingen doet, zijt gij op mijn rots gebouwd.
  • 15-21 – Over het gebed.
  • 22-25 – Over samenkomen, samen bidden en niemand uitwerpen.
  • 26–35 – Over de orde in de kerk, onwaardig nemen van het avondmaal, en de houding ten overstaan van overtreders.
  • 36–37 – Over de Heilige Geest.
  • 38–39 – Jezus verlaat de menigte voor die dag.

 

3 Nephi 19 – Over de doop en de Heilige Geest – Het tweede bezoek van Jezus

  • 1–3 – Het nieuws van Jezus’ komst verspreidt zich.
  • 4 – De namen van de twaalf discipelen.
  • 5 – De menigte is zo groot geworden, dat zij in groepen verdeeld wordt.
  • 6–9 – Onderwijs en gebed. De discipelen onderwijzen zonder van Jezus’ woorden af te wijken.
  • 10–14 – De doop van de twaalf discipelen en hun ontvangen van de Heilige Geest. Engelen dalen neer uit de hemel om hen te dienen.
  • 15 – Jezus verschijnt opnieuw.
  • 16–36 – De gebeden van Jezus en de discipelen: het verloopt in drie fasen, te vergelijken met de gebeden in Gethsemane toen hij zich van de apostelen verwijderde om alleen te bidden.

 

Voetnoten

[1]    Michael A. Screech, Laughter at the Foot of the Cross (Chicago: University of Chicago Press, 1997).

[2]    Winfried Wilhelmy, Seliges Lächeln und höllisches Gelächter. Das Lachen in Kunst und Kultur des Mittelalters (Regensburg: Schnell & Steiner 2012).

[3]    Joseph Fielding Smith, “The Priesthood of the Nephites”, in Answers to Gospel Questions, vol.1 (Salt Lake City: Deseret Book, 1957), 122–126; idem, “Rebaptism of Nephi III”, vol. 3, 205–206.

[4]    Justin R. Bray, “The Lord’s Supper in Early Mormonism,” in You Shall Have My Word: Exploring the Text of the Doctrine and Covenants, ed. Scott C. Esplin, Richard O. Cowan, and Rachel Cope (Provo, UT: Religious Studies Center; Salt Lake City: Deseret Book, 2012), 64–74.

[5]    D. Michael Quinn, “The Practice of Rebaptism at Nauvoo,” Brigham Young University Studies 18, no. 2 (1978): 226–232.

[6]    Joseph Fielding Smith, Doctrines of Salvation, vol. 2, (Salt Lake City: Bookcraft, 1954), 333.

[7]    Jonathan A. Stapley and Kristine L. Wright, “’They Shall Be Made Whole’: A History of Baptism for Health,” Journal of Mormon History 34, no. 4 (2008): 69–112.

[8]    John L. Sorenson, “Was There Leprosy Among the Nephites?,” in Pressing Forward with the Book of Mormon, ed. John W. Welch and Melvin J. Thorne (Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 1999), 231–33.

[9]    Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5b – Third Nephi 8-30 (Kindle Location 6093). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[10]  Thomas G. Alexander, “The Word of Wisdom: From Principle to Requirement,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 14, no. 3 (1981): 78–88 (79); Paul Y. Hoskisson, “The Word of Wisdom in Its First Decade,” Journal of Mormon History 38, no. 1 (2012): 131–200.

[11]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5b – Third Nephi 8-30 (Kindle Location 6257). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[12]  Book of Mormon Onomasticon. https://onoma.lib.byu.edu/index.php/KUMEN

[13]  Hugh W. Nibley, An Approach to the Book of Mormon, Collected Works of Hugh Nibley, vol. 6 (Salt Lake City: Deseret Book / Provo: FARMS, 1988), 289.

[14] Book of Mormon Onomasticon. https://onoma.lib.byu.edu/index.php/SHEMNON

[15]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5b – Third Nephi 8-30 (Kindle Location 6614-6616). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[16]  Bruce R. McConkie, Doctrinal New Testament Commentary, vol. 1 (Salt Lake City: Bookcraft, 1965), 758; Joseph Fielding McConkie and Robert L. Millet, Doctrinal Commentary on the Book of Mormon, vol. 4 (Salt Lake City: Bookcraft, 92), 134–135.

[17]  John W. Welch, “3 Nephi 19:4 – Understanding the Sermon at the Temple,” in Nibley’s Commentary on the Book of Mormon, Selections from all four volumes Teachings of the Book of Mormon, ed. Sharman B. Hummel (Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 1993).

[18]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5b – Third Nephi 8-30 (Kindle Locations 6726-6735). Greg Kofford Books. Kindle Edition.