Les 38 – 3 Nephi 12–15

“Oude dingen zijn weggedaan, en alle dingen zijn nieuw geworden”

1 – Het vervullen van de wet
2 – Van de oude naar de nieuwe wet
3 – De “tempelrede” vergeleken met de “bergrede”
4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
5 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

Hoofdstukken 12, 13 en 14 mogen als “het hart” van het Boek van Mormon omschreven worden. Hier onderwijst Jezus de essentie van zijn leer, in grote lijnen overeenstemmend met de “bergrede” in het Nieuwe Testament, maar toch ook met enkele opmerkelijke verschillen.

De bergrede is zo’n fundamentele, zuivere tekst voor christelijk leven dat geen enkele commentaar of analyse de lectuur ervan en de meditatie erover kan vervangen. Te midden van onze intense kerkelijke bezigheden, met programma’s en vergaderingen, herinnert de bergrede ons aan de grondslagen van Jezus’ leer: barmhartig te zijn, mild, verdraagzaam, vergevingsgezind. Maatschappelijk predikt Jezus er sociale rechtvaardigheid.

De bergrede draagt een even sterke boodschap door wat ze niet aanhaalt: geen regels over sabbat, voeding, kleding… Ook dat verdient aandacht.

 

1 – Het vervullen van de wet

Een schijnbare contradictie
Vervullen als beëindigen van bloedoffers
Vervullen als nakomen van een verbond
Vervullen als afsluiten van een tijdsbedeling
Vervullen als afschaffen van het rituele
Vervullen als aanvullen, bijsturen en terugbrengen tot de essentie

 

Een schijnbare contradictie

Het werkwoord vervullen komt herhaaldelijk voor in de relatie tussen Christus en de wet van Mozes. In de vier hoofdstukken voor deze les (12–15) komt het woord elfmaal in die context voor. Maar de passages lijken elkaar soms tegen te spreken.

Enerzijds: aan de wet is een eind gekomen

Als deel van de “Nephitische bergrede” verkondigde Jezus: “Daarom zijn alle dingen die uit vroeger tijden stammen, die onder de wet vielen, alle in Mij vervuld. Oude dingen zijn weggedaan en alle dingen zijn nieuw geworden.” (12:46–47). De laatste zin is zelfs de titel van deze les.

 

alexander-henriette-verrijzenis“De verrijzenis en de hemelvaart” door de Nederlandse kunstenares Henriëtte Alexander (°1943). Ze omschrijft het als de tocht door het universum naar boven toe.

 

Het concept van het oude dat voorbijgegaan is, vinden we ook bij Paulus: “Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden” (2 Korinthe 5:17).

Wat zijn precies “alle dingen die uit vroeger tijden stammen, die onder de wet vielen”? Wat betekent “in Mij vervuld”? Hoe moeten we “alle dingen zijn nieuw geworden” begrijpen? Ook de Nephieten stelden zich vragen:

“Hij bemerkte hoe sommigen onder hen zich verwonderden en zich afvroegen wat Hij wilde aangaande de wet van Mozes; want zij begrepen het gezegde niet dat oude dingen waren voorbijgegaan, en dat alle dingen nieuw waren geworden.” (3 Nephi 15:2).

Als uitleg gebruikt Jezus vervullen om aan te duiden dat er een eind aan de wet komt:

Zie, Ik zeg u dat de wet die Mozes werd gegeven, is vervuld. Zie, Ik ben hem die de wet heeft gegeven, en Ik ben hem die Zich verbonden heeft jegens mijn volk Israël; daarom is de wet in Mij vervuld, want Ik ben gekomen om de wet te vervullen; daarom heeft zij een eind. (15:4–5)

Anderzijds: niets van de wet gaat voorbij

Maar Jezus stelt vervullen ook tegenover teniet doen of afschaffen. Dan gaat er blijkbaar niets van de wet voorbij:

Meent niet dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten teniet te doen. Ik ben niet gekomen om teniet te doen, maar om te vervullen; want voorwaar, Ik zeg u, niet één jota of één tittel is verdwenen uit de wet; integendeel, in Mij is zij geheel vervuld. (12:17–18).

In de vergelijkbare passage in Mattheüs 5:18 luidt de tekst nog sterker: “Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is.”

Een deel van het begripsprobleem heeft te maken met de semantiek van vervullen. In het Nieuwtestamentische Grieks is het woord πληρωσαι [plerosai, vullen, vol(ledig) maken]; in de Latijnse Vulgata vertaald als adimplere (bijvullen tot iets vol(ledig) is). In het Engelse werd het vertaald als fulfill. Dat betekende oorspronkelijk een vat, een kar of een schip vullen, volmaken. Vanaf de dertiende eeuw gebruikte men het vooral voor de vervulling van een wens of een profetie, net zoals het Nederlandse vervullen. In de Schrift is trouwens frequent sprake van profetieën die vervuld worden, met name gerealiseerd. Dat precies geeft een tweevoudige dimensie aan het woord: op het moment dat de profetie vervuld wordt, is het geen profetie over de toekomst meer, maar de oude tekst van de profetie bestaat nog steeds. Gelijkaardig: op het moment dat de wet van Mozes vervuld wordt, is het geen wet meer, maar de tekst van de wet bestaat nog steeds. Met die achtergrond kunnen we beter verschillende gebruiken van vervullen bij de wet van Mozes verkennen.

 

Vervullen als beëindigen van bloedoffers

Alma begreep vervullen in het kader van een eind stellen aan offers met bloed:

Daarom is het noodzakelijk dat er een groot en laatste offer zal zijn, en dan zal er een eind komen — ofwel het is raadzaam dat er een eind zal komen — aan het vergieten van bloed; dan zal de wet van Mozes vervuld zijn; ja, zij zal geheel vervuld zijn, iedere jota en tittel, en niets zal onvervuld zijn voorbijgegaan. En zie, dat is de gehele betekenis der wet, die in ieder opzicht wijst op dat grote en laatste offer; en dat grote en laatste offer zal de Zoon van God zijn, ja, oneindig en eeuwig. (Alma 34:13–14).[1]

Dramatisch accuraat is dan ook de stem van de Heiland tijdens de drie dagen duisternis, kort na zijn offerdood aan het kruis, maar nog voor de opstanding:

En gij zult Mij geen bloedvergieten meer offeren; ja, uw offeranden en uw brandoffers moeten worden afgeschaft, want Ik zal geen van uw offeranden en brandoffers aannemen. Maar gij zult Mij als offer een gebroken hart en een verslagen geest brengen. (3 Nephi 9:19–20).

Offeranden en brandoffers onder de wet van Mozes waren een voorafschaduwing van het ultieme offer dat Christus zou brengen. Eenmaal Christus dat offer bracht, was de wet “vervuld” en werd ze als een oud ding “weggedaan”. Het enige offer dat Christus van ons vraagt is een geestelijk offer.

Ook de brief aan de Hebreeën stelt Christus voor als de brenger van het volmaakte offer, want hij is “door Zijn eigen bloed eens en voor altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht” (9:12). Daartegenover konden de offers onder de wet van Mozes die volmaaktheid niet aanbieden, “want de wet, die slechts een schaduw heeft van de toekomstige heilsgoederen en niet het wezen van de dingen zelf, kan nooit met dezelfde offers, die zij jaar in jaar uit ononderbroken brengen, hen die naderen tot volmaaktheid brengen” (10:1).

 

Vervullen als nakomen van een verbond

Maar er zijn dus ook teksten, zowel in het Nieuwe Testament als in het Boek van Mormon, die een behoud van de wet lijken te poneren, waarbij Jezus zijn toehoorders als het ware corrigeert op wat ze menen begrepen te hebben: “Meent niet dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten teniet te doen. Ik ben niet gekomen om teniet te doen, maar om te vervullen; want voorwaar, Ik zeg u, niet één jota of één tittel is verdwenen uit de wet; integendeel, in Mij is zij geheel vervuld” (12:17–18). In

In Mattheüs 5:18 dus zelfs nog wat scherper: “Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is.”

Voor een mogelijke verklaring grijpen we terug naar de uitleg van Jezus tot de Nephieten:

Zie, Ik zeg u dat de wet die Mozes werd gegeven, is vervuld. Zie, Ik ben hem die de wet heeft gegeven, en Ik ben hem die Zich verbonden heeft jegens mijn volk Israël; daarom is de wet in Mij vervuld, want Ik ben gekomen om de wet te vervullen; daarom heeft zij een eind. (15:4–5)

Je kunt deze passage lezen met accent op het verbond dat de wet van Mozes essentieel is (Exodus 24). In de mormoonse visie is het Christus zelf, als Vader van deze wereld, die het verbond met Mozes ten behoeve van de Israëlieten sloot na de uittocht uit Egypte. Het was een eeuwig verbond, met eeuwige afspraken en beloften (Leviticus 24:8; Numeri 18:19; 25:13). Als zodanig wordt dat verbond niet “teniet gedaan”, maar wel tot volledige uitvoering gebracht. Door te stellen dat hij “niet gekomen om teniet te doen, maar om te vervullen”, bevestigt Jezus zijn respect voor het oude verbond, zonder dat er maar één jota of één tittel ongeldig wordt verklaard. Elk punt ervan wordt vervuld, in de zin van nagekomen, en zo komt het verbond tot een eind.

 

toorop_opstanding“De Opstanding van Jezus” door de Nederlandse symbolist Jan Toorop (1858–1928)

 

Bij het afronden van dat verbond volgt een nieuw verbond, dat Jezus bij het instellen van het avondmaal aankondigt: “want dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden” (Mattheüs 26:28). De brief aan de Hebreeën beschrijft dit als het “beter verbond”, met als besluit: “Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.” Opmerkenswaardig is hier de “zachte” overgang met termen als verouderen en op het punt staan te verdwijnen, in vergelijking met het beëindigen van de bloedoffers, wat meteen inging na de kruisdood van de Heiland.

Nog een ander verbond doorkruist dit alles, namelijk het verbond dat alle takken van het huis Israëls tot de kennis van het evangelie zal brengen en vergaderen. Jezus maakt het onderscheid expliciet: “Want zie, het verbond dat Ik met mijn volk heb gesloten, is niet geheel vervuld; maar de wet die Mozes werd gegeven, heeft in Mij een eind” (15:8). Dat onderwerp krijgt ruim aandacht in de volgende hoofdstukken van 3 Nephi: “En dan zal Ik mijn verbond, dat Ik met mijn volk heb gesloten, gedenken, o huis Israëls, en Ik zal hun mijn evangelie brengen.” (3 Nephi 16:11).

 

Vervullen als afsluiten van een tijdsbedeling

Dit perspectief sluit aan op het vorige met zijn chronologische visie, maar verbreedt het tot wereldgeschiedenis. Een “bedeling” (Engels: dispensation) is een periode waarin God zijn boodschap op een bepaalde wijze “bedeelt” aan de mens. Die wijze hangt af van omstandigheden en behoeften. Een visie op de geschiedenis als een opeenvolging van bedelingen heet dispensionalisme. Telkens wanneer een nieuwe bedeling ingaat, stelt God een gepast kader in. Dat kader kan van een hogere of van een lagere orde zijn, gericht tot een beperkte groep of tot de hele mensheid. Ook mogelijk is dat een nieuwe bedeling teruggrijpt naar het kader van een vroegere bedeling.

Naast zo’n “bedeling van het evangelie” is er ook sprake van tijdsbedelingen of tijden die door andere omstandigheden gekenmerkt worden. Wanneer een voorziene tijdsbedeling haar eindpunt bereikt, spreken de Schriften eveneens van een vervulling. “En Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn”(Lukas 21:24). Of in de moderne openbaring: “… wanneer die dag komt, zal er een overblijfsel worden verstrooid onder alle natiën; zij zullen echter opnieuw vergaderd worden; maar zij zullen blijven totdat de tijden der andere volken vervuld zijn.” (Leer en Verbonden 45:24–25).

In zijn brief aan de Galaten bevestigt Paulus dat historisch perspectief: hij start bij Gods verbond met Abraham, vierhonderd jaar voor de wet van Mozes. In dat verbond met Abraham zullen alle volken door hun geloof gezegend worden — “opdat de zegen van Abraham in Christus Jezus tot de heidenen zou komen, en opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof” (3:14). De wet die later aan Mozes werd gegeven, was tijdelijk “omwille van de overtredingen” van het volk en “zo is dan de wet onze leermeester geweest tot Christus” (3:19,24). Wanneer die wet vervuld is, wordt weer aangesloten met het verbond met Abraham en met het principe van het geloof in Christus: “En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen” (3:29).

In het mormonisme is die visie van de bedelingen nog verruimd. De boodschap van de “volheid van het evangelie” is inderdaad niet “nieuw” wanneer Christus haar predikt in Palestina of onder de Nephieten. Ze was evenmin nieuw voor Melchizedek en Abraham. Ze was de eerste mensen al bekend in de vroegste evangelie-bedeling. De beginselen en verordeningen van het “volle evangelie” waren toen al door openbaring gegeven. Dat verandert het perspectief, want het “oude verbond” onder de wet van Mozes was dus eigenlijk nieuw ten overstaan van wat eraan voorafging. Maar het was een lagere wet, omdat de Israëlieten de volheid van het evangelie niet aankonden en eerst een “leerschool” nodig hadden. Eenmaal die Mozaïsche bedeling “vervuld”, was het tijd voor de volgende die Jezus tijdens zijn aardse bestaan inluidde. De huidige bedeling is die van de “volheid ter tijden”, waarin alles van vorige bedelingen werd hersteld (Leer en Verbonden 84:23–24; 128:18–21).

 

Vervullen als afschaffen van het rituele

Dit is een klassieke uitleg voor de schijnbare contradictie tussen “een einde stellen aan de wet” en “niet één jota of één tittel van de Wet zal voorbijgaan”. Die uitleg stelt dat de wet van Mozes uit twee luiken bestond, enerzijds rituele handelingen, anderzijds morele wetten. De rituele zijn de handelingen die bijvoorbeeld Abinadi vermeldt, als “een wet van riten en verordeningen, een wet die zij van dag tot dag stipt moesten bewaren om hen ertoe op te wekken God en hun plicht jegens Hem indachtig te zijn” (Mosiah 13:30). In die visie verwijzen al die riten naar het offer van Christus en werden dus “vervuld” en weggedaan bij zijn offerdood. Het tweede luik zijn de morele wetten, zoals “gij zult niet doden” en “gij zult niet stelen”. Die worden behouden als universeel geldend in alle bedelingen.

Het is een eenvoudige verklaring die velen kan voldoen. Bij nader toezien is het onderscheid tussen ritueel en moreel niet zo simpel. Elke rite heeft ook een morele betekenis. Joodse reinigingsrites weerspiegelen een morele dimensie, net zoals de doop voor christenen. Voor christenen is het nemen van het avondmaal een rite, maar herinnert aan verbonden met een grote morele betekenis.

Wie het morele wil beperken tot “de tien geboden”, als zouden die voor alle mensen moeten gelden, zal zelfs niet alle christenen kunnen overtuigen van de universaliteit van het tweede gebod (“geen gesneden beelden”). Zo heeft de katholieke kerk dat gebod verwijderd uit haar versie van de tien geboden. Zelfde probleem met het vierde gebod (de zevende dag als sabbat), dat de meeste christelijke kerken, waaronder de mormoonse, naar de eerste dag hebben overgebracnt. Universeel aanvaard is wel de veroordeling van moord, diefstal of vals getuigenis. Maar kom je aan het vijfde gebod, geen echtbreuk, in de betekenis van echtscheiding, dan blijkt dat de maatschappelijke evolutie dat verbod op de helling heeft gezet, ook bij gelovigen.

“Vervulling” begrijpen als de simpele afschaffing van het rituele is een eenvoudige benadering, maar verklaart niet alles.

 

Vervullen als aanvullen, bijsturen en terugbrengen tot de essentie

Na de zinnen in 3 Nephi waarin Jezus stelt dat hij niet gekomen is om de wet of de profeten teniet te doen, maar te vervullen, volgt meteen een verdere uitleg over wet en geboden:

“En zie, Ik heb u de wet en de geboden van mijn Vader gegeven, namelijk dat gij in Mij zult geloven en u bekeren van uw zonden en tot Mij komen met een gebroken hart en een verslagen geest. Zie, gij hebt de geboden vóór u, en de wet is vervuld. Komt dus tot Mij en laat u redden; want voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij mijn geboden onderhoudt, die Ik u thans heb geboden, zult gij het koninkrijk van de hemel geenszins binnengaan.” (12:17–20).

De passage staat niet in de Nieuwtestamentische bergrede, maar hoort er wel impliciet bij. Het Boek van Mormon verwoordt de boodschap echter expliciet en op de juiste plaats. Het vervullen van de wet van Mozes vloeit meteen over in “de wet en de geboden van mijn Vader”, met name geloof, bekering en het tot Jezus komen “met een gebroken hart en een verslagen geest”. Bijzonder is deze zin: “gij hebt de geboden vóór u, en de wet is vervuld.” Het vervullen van de wet van Mozes opent de deur naar een volgende, hogere fase, met de geboden “die Ik u thans heb geboden”.

 

lyn-constable-maxwell-1994-the-crucified-and-risen-christ-all-saints-pastoral-centre-london-colney“De gekruisigde en opgestane Christus” door Lyn Constable Maxwell (°1944), All Saints Pastoral Centre, London Colney.

 

Daarop volgen de bekende antithesen waarbij Jezus een element uit de wet van Mozes aanhaalt, maar dat telkens aanvult of bijstuurt in het kader van een hogere wet: “U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is … Maar Ik zeg u…”

In die zin kan vervullen begrepen worden als aanvullen, bijvullen of bijsturen. De sterkste bijsturing brengt alles terug tot de essentie — de gulden regel die Jezus identificeert als “de wet en de profeten”: “Daarom, alles wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo, want dat is de wet en de profeten” (14:12).

Paulus zal het vervullen van de wet dan ook zo innig herformuleren:

Wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. Want dit: U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis geven, u zult niet begeren, en welk ander gebod er ook is, wordt in dit woord samengevat, namelijk hierin: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde de vervulling van de wet. (Romeinen 13:8–10)

 

2 – Van de oude naar de nieuwe wet

De overgang van een oud naar een nieuw systeem stelt tal van uitdagingen. Mensen moeten gewoonten wijzigen. Het waardenpatroon wordt anders. Een andere mentaliteit moet zijn intrede doen. Maar vooral: wat blijft er uit het oude nog gelden in het nieuwe? De sleutelzin “Oude dingen zijn weggedaan, en alle dingen zijn nieuw geworden” is niet zomaar eenduidig. Er is geen precieze lijst van “oude dingen”. En betekent “nieuw geworden” dat alles nieuw is of dat sommige oude dingen nog gelden, maar enkel “vernieuwd” zijn? Wat hoorde precies tot de wet van Mozes dat is “weggedaan” en wat blijft er van vroeger gelden? Een sluitend antwoord is niet evident, maar we kunnen wel aspecten ervan verkennen.

Wat hield de wet van Mozes in?
Van oud naar nieuw bij de Nephieten, vergeleken met Palestina
Van oud naar nieuw bij de eerste christenen

 

Wat hield de wet van Mozes in?

Op die vraag zijn verschillende antwoorden mogelijk.

yoram-raanan_thora-rolIn brede zin

“Thora-rol” van de Isaraëlische schilder Yoram Raanan

 

In brede zin verwijst de wet van Mozes naar het geheel van de teksten in het Oude Testament die aan hem worden toegeschreven. Traditie beschouwt daartoe de Pentateuch, de eerste vijf boeken van het Oude Testament, ook Thora (wet) genaamd, hoewel die laatste term ook meer kan dekken. De Pentateuch bestaat voor ongeveer de helft uit narratieve teksten (de schepping, de zondvloed, de aartsvaders, de uittocht uit Egypte…) en de andere helft uit prescriptieve teksten. Maar het onderscheid tussen narratief en prescriptief vormt geen scherpe lijn. Nogal wat richtlijnen voor ritueel zijn een directe weerspiegeling van een verhaal om het in herinnering te brengen en te vieren, zoals het bouwen van loofhutten of het nuttigen van de Seidermaaltijd. Rite en verhaal zijn onlosmakelijk verbonden. Net zoals voor christenen de rite van het avondmaal geen zin zou hebben zonder referentie naar Jezus’ laatste avondmaal en zijn breken van het brood als herinnering aan zijn offerdood.

Of de Nephieten alle teksten van de Pentateuch op de koperen platen hadden is niet geweten. Toen Lehi Jeruzalem verliet, was de samenstelling allicht anders, want de compositie in vijf boeken dateert pas van omstreeks 330 v.C. Een andere samenstelling en keuze van teksten blijkt ook uit de aanwezigheid van profeten die niet in de Bijbel voorkomen, zoals Zenos, Zenock, Neüm en Ezias. Die uitbreiding doet echter vermoeden dat de koperen platen dan zeker alle relevante teksten van de Pentateuch bevatten en mogelijk meer. Zo ontdekte Lehi dat de platen “ook een geslachtsregister van zijn vaderen” bevatte (1 Nephi 5:14).

 

In engere zin

In engere zin is de wet van Mozes het geheel van de prescriptieve teksten — al wat mensen, of bepaalde mensen, vraagt iets te doen of niet te doen. Die teksten zitten her en der verspreid in de Pentateuch. Sublieme wetten staan er naast schijnbare triviale. In Deuteronomium is er een samenvattende frase voor: “Dit zijn de geboden, de verordeningen en de bepalingen die de Heere, uw God, geboden heeft u te leren…” (6:1). Nephi verwoordt hetzelfde, nu anders vertaald in het Nederlands: “En wij onderhielden nauwgezet de gerichten, de inzettingen en de geboden des Heren in alles, volgens de wet van Mozes.” (2 Nephi 5:10). In het Engels: judgments, statutes, commandments. Er zijn nog meer Hebreeuwse termen voor vormen van prescriptie. Ze overlappen elkaar deels en de vertalingen houden de oorspronkelijke Hebreeuwse termen zelden uit elkaar.

In de joodse traditie hebben rabbijnen doorheen de eeuwen al deze geboden uit het Oude Testament gecodificeerd. Dat gaf een lijst van 613 geboden verdeeld over twaalf “families”. Daarvan gaan er 365 over “wat niet mag” en 248 over “wat moet”. Ongeveer 200 zijn historisch niet meer toepasselijk omdat ze betrekking hadden op de tocht door de woestijn, op het verzorgen en dragen van het tabernakel en op de verovering van Kanaän. Andere zijn bedoeld voor specifieke groepen, zoals de Levieten, of voor specifieke personen, zoals de hogepriester. Nog andere zijn beroepsgebonden, bijvoorbeeld regels voor de landbouw of voor het weven van stof. De overblijvende geboden verdeelt men vaak in drie groepen: morele geboden, zoals niet doden en niet stelen; ceremoniële geboden waarvan de meeste te maken hebben met rituele handelingen, bijvoorbeeld bij het offeren; en juridische geboden die straffen voor overtredingen bepalen.[2] Maar nogal wat analisten wijzen op het overlappend karakter van moraal, rite en straf bij veel geboden.[3]

Hiervoor noteerden we al hoe moeilijk het soms is het rituele en het morele te scheiden. Uiteindelijk blijven er maar weinig universeel morele geboden over. Paulus somt de volgende als evidente op wanneer hij voorbeelden zoekt: “U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis geven, u zult niet begeren” (Romeinen 13:9).

 

Van oud naar nieuw bij de Nephieten, vergeleken met Palestina

henry-shelton_hemelvaart“Hemelvaart” door Henry Shelton

 

Voor zover we kunnen oordelen uit de teksten, maken de Nephieten een uniek fenomeen mee: een zuivere, vlekkeloze overgang van de oude naar de nieuwe wet. Dat hebben ze te danken aan gunstige voorwaarden: het volk was al een selecte groep, gerijpt door louterende ervaringen; ze waren al lang voorbereid op de komst van Christus; ze konden hem als opgestaan wezen persoonlijk ontmoeten en aanraken; ze beschikten meteen over ervaren leiders die al jaren Christus predikten; ze werden als groep, zonder interne spanningen, door Jezus zelf onderwezen; het onderwijs was systematisch en werd meteen in de praktijk omgezet. Die situatie levert ons in de verslagen een uitmuntende aftekening van het punt waar de oude wet ophield en wat de nieuwe wet inhield.

Die voorwaarden golden niet bij Jezus’ prediking in Palestina. Die moeizame situatie aldaar, deel van Jezus’ sterfelijk bestaan, was noodzakelijk om uit te monden in zijn lijden en zijn kruisdood. Jezus’ publiek, zelfs zijn apostelen, hadden alles nog te leren over het oude en het nieuwe verbond. Farizeeën en Schriftgeleerden stonden op vinkeslag om hem te vangen in zijn woorden over de wet van Mozes. Na Jezus’ opstanding onderwees hij zijn apostelen wel verder, maar al vlug zou blijken dat de jonge christelijke kerk ook zelf haar weg zou moeten zoeken in het afbakenen van het punt waar de oude wet ophield en hoe het nieuwe een geëigende vorm te geven.

Met die beide werelden, in oost en west, beschikken we dus over boeiend vergelijkingsmateriaal.

 

Van oud naar nieuw bij de eerste christenen

Over dit onderwerp bestaan ontelbare historische studies.[4] Hieronder een insteek enkel vanuit gegevens in het Nieuwe Testament.

De eerste apostelen hadden allemaal een joodse achtergrond. Hun opvoeding en hun omgeving noopten tot een natuurlijk volgen van hun dagelijkse religieuze gewoonten. Daaruit treden kon uitermate storend zijn.

pete-s-vision1Petrus had het visioen van het laken met de dieren nodig om te beseffen dat het onderscheid tussen reine en onreine dieren niet meer gold, en om anderen ervan te overtuigen (Handelingen 11:1–18). De bekering van niet-joden confronteerde de jonge kerk met vragen over de toepassing van de besnijdenis, van voedingswetten, van de sabbat. Petrus begreep wat voor een “juk op de hals van de discipelen” de vele Mozaïsche regels voor een christen bekeerling zouden betekenen (Handelingen 15:10). Voor de doorsnee-jood vormden het kennen en het eerbiedigen van de vele geboden al een zware bagage, met tal van mogelijke overtredingen. Na de nodige woordenwisselingen besloot de vergadering van apostelen en discipelen in Jeruzalem tot deze boodschap aan de bekeerlingen —

“… u verder geen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: dat u zich onthoudt van afgodenoffers, van bloed, van het verstikte en van hoererij. Als u zich ver van deze dingen houdt, zult u juist handelen. Vaarwel.” (Handelingen 15:28–29).

Er bleef dus nog een spoor van oude wetten over, wat de apostelen als het “onaanvaardbare” aanvoelden: offeren aan afgoden, eten van bloed of verstikt vlees, en hoererij. Voor het overige vertolkte hun boodschap een monumentale beslissing die het christendom losweekte van het jodendom: de boodschap impliceerde dat de regels uit de wet van Mozes niet meer nodig waren, waaronder, zo kon het begrepen worden, de bekendste tekenen van joods geloof, zoals besnijdenis, “koosjer” voeding en regels voor de sabbat.

Paulus zal het in zijn brieven herhaaldelijk bevestigen, daarmee ingaand tegen de lokale gewoonten van joodse bekeerlingen om toch nog joodse regels te laten gelden. Zo moeten de Galaten zich niet laten verplichten tot de besnijdenis of tot het vieren van “dagen, maanden, tijden en jaren”: “Laat u niet weer met een juk van slavernij belasten” (4:10; 5:1–3). Tot de Kolossenzen: “Laat dus niemand u veroordelen inzake eten of drinken, of op het punt van een feestdag, een nieuwe maan of de sabbatten” (2:16). Dit punt over de sabbat en hoe de christelijke zondag er deels de functie van overnam bespreek ik in de volgende les.

In het loskomen van de wet van Mozes zijn de eerste kerkleiders niet altijd coherent. Paulus behoudt een ambigue relatie met de wet. “Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet” (Romeinen 3:31). De mens heeft de wet nodig om de zonde te beseffen: “Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed” (Romeinen 6:12). Voor evidente geboden, verwijst Paulus naar de wet van Mozes, zoals het eren van vader en moeder (Efeziërs 6:2). De frasen “zoals er geschreven staat” en “want er staat geschreven”, met verwijzing naar het Oude Testament, komen veelvuldig voor in de brieven van Paulus. Voor de stadhouder Felix verdedigt Paulus zich als goede jood wanneer hij ervan beschuldigd wordt “oproer te wekken onder alle joden”: “Maar dit erken ik voor u: dat ik volgens die Weg die zij sekte noemen, op die manier de God van de vaderen dien, en dat ik alles geloof wat er in de Wet en in de Profeten geschreven staat.” (Handelingen 24:14). Ook Petrus verwijst voor autoriteit naar het Oude Testament: “want er staat geschreven: Wees heilig, want Ik ben heilig” (1 Petrus 1:15–16).

De vroege kerkleiders behouden ook traditionele joodse visies over vrouwen. Voor Paulus moeten vrouwen zwijgen in de kerk en hun hoofd bedekt houden (1 Korinthe 11:13–15; 14:34–35). Hij houdt zich ook met hun kleding en haartooi bezig (1 Timotheüs 2:9–11). Petrus doet hetzelfde (1 Petrus 3:1–5). Deze kerkleiders, hoewel ze de wet van Mozes globaal konden schrappen, ontsnappen niet aan de tendens om meer gedetailleerde regels te behouden of in te stellen. Hun persoonlijke gevoelens spelen ook mee: onverholen verdedigt Paulus het celibaat (1 Korinthe 7:25–40), wat in sommige latere kerken een enorme invloed zou uitoefenen. De toevoeging van regels is een fenomeen dat nagenoeg alle religies typeert, of althans een aantal van hun leiders en leden op gelijk welk niveau.

Na de dood van de apostelen zou het christendom zich verder in talrijke vormen en richtingen diversifiëren.

 

3 – De “tempelrede” vergeleken met de “bergrede”

De “bergrede” is de klassieke omschrijving voor de woorden van Jezus in Mattheüs 5, 6 en 7: “Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op” om te onderwijzen. Lukas geeft een vergelijkbaar verslag, maar dan “op een vlakke plaats” en enigszins verschillend (Lukas 6:17–49). Men neemt aan dat Jezus dezelfde boodschap op meerdere plaatsen tijdens zijn prediking in Palestina heeft gegeven. De boodschap is inderdaad essentieel voor Jezus’ leer. Hij herhaalt de boodschap dan ook voor de Nephieten. Soms wordt die tekst dan de “tempelrede” genoemd omdat Jezus de woorden uitsprak staande aan de tempel in Overvloed.

 

mikidegoodaboom_sermon-on-the-mount“De bergrede” van de Franse kunstenares Miki de Goodaboom (°1955)

 

In grote lijnen lopen de tempelrede tot de Nephieten en de Nieuwtestamentische bergrede vrij gelijk. Critici spotten al eens dat Joseph Smith gewoon die hoofdstukken uit het Nieuwe Testament kopieerde, maar er zitten heel wat verschillen tussen beide versies. In zijn herziene Bijbelvertaling zou Joseph Smith trouwens de Nieuwtestamentische tekst deels in diezelfde zin verbeteren. De verschillen, die soms subtiel zijn en daarom niet altijd opvallen, zijn telkens verrijkend en verhelderend.[5] Hieronder een keuze van verschillen. De verwijzing vooraan geeft het betrokken vers in 3 Nephi aan. In de meeste gevallen stemmen de versnummers overeen met de passages in Mattheüs. Hoofdstuk 12 van 3 Nephi weerspiegelt Mattheüs 5, hoofdstuk 13 Mattheüs 6 en hoofdstuk 14 Mattheüs 7.

  • 12:1 – De bergrede is informeler, met Jezus die gaat zitten en blijkbaar alleen de discipelen onderwijst: “Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem. En Hij opende Zijn mond en onderwees hen”. In de tempelrede richt Jezus zich krachtig en met gezag tot de menigte: “Het geschiedde … dat Hij zijn hand tot de menigte uitstrekte en hen toeriep…”. Het uitstrekken van de hand gaat een plechtige en gezagvolle verklaring vooraf (zie dit onderdeel in les 18). Hij richt zich “tot de menigte” en gebruikt zijn stem (“toeriep”). Daardoor krijgt de tempelrede een formeel karakter, waarin Jezus “de wet en de geboden van Mijn vader” voorlegt (12:19), waartoe de mensen zich zullen verbinden (hoofdstuk 18). Ook het volgende punt bevestigt dit.
  • 12:1–2 – De bergrede begint meteen met “Gezegend zijn de armen van geest …”. In de tempelrede gaat daar een inleidende passage van 147 woorden aan vooraf. Daaruit blijkt vooreerst dat de tempelrede in een kerkelijke context gebeurt, bijna zoals bij een algemene conferentie, waarbij gevraagd wordt “acht te slaan op de woorden van deze twaalf die Ik uit uw midden heb gekozen om u te leren en uw dienstknecht te zijn.” Vervolgens identificeert Jezus zijn toehoorders, maar met een contrast: tweemaal gebruikt hij “gezegend zijt gij…” en tweemaal een “gezegend zijn zij…”. In dat contrast verduidelijkt Jezus dat zijn toehoorders gezegend zijn wegens hun geloof en doop omdat zij hem gezien hebben; maar “meer gezegend zijn zij” die zullen geloven en zich laten dopen op basis van geloof en getuigenis alleen. In die eerste vier “zegensprekingen” ligt de nadruk op geloof en op de doop door water en “met vuur en met de Heilige Geest”. Het typeert het sterk religieuze karakter van de benadering. Het gaat om meer dan een “sociale” boodschap, zoals de bergrede soms getypeerd wordt.[6]
  • 12:3 – In de bergrede lezen we: “Gezegend zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen”. In de tempelrede verduidelijkt een subtiele toevoeging dat er een voorwaarde aan verbonden is: “Ja, gezegend zijn de armen van geest die tot Mij komen, want hunner is het koninkrijk van de hemel”.
  • 12:6 – In de bergrede lezen we: “Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.” In de tempelrede wordt dat aangevuld met “want zij zullen met de Heilige Geest worden vervuld”.
  • 12:18 – De bergrede en de tempelrede horen niet tot dezelfde situatie voor Christus zelf. Jezus sprak de bergrede uit tijdens zijn aards bestaan, voor zijn lijden en zijn kruisdood. De wet van Mozes was nog niet vervuld. De tempelrede sprak hij uit als opgestaan wezen, na het brengen van het zoenoffer. In de bergrede spreekt Jezus dus nog in de toekomende tijd: “Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is.” Die zin luidt in de tempelrede: “Ik zeg u, niet één jota of één tittel is verdwenen uit de wet; integendeel, in Mij is zij geheel vervuld”. De frase “Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan” is verwijderd. Ook in de geïnspireerde Bijbelvertaling wijzigde Joseph Smith de Mattheüs-versie. Het voegwoord “totdat” is eruit verdwenen, zodat de verwijzing naar hemel en aarde een losstaande vergelijking wordt: “hemel en aarde zullen moeten voorbijgaan”, maar niets van de wet gaat voorbij tot alles vervuld is (Engels: “heaven and earth must pass away, but one jot or one tittle shall in no wise pass from the law, until all be fulfilled”). Het beantwoordt aan de logica van de vervulling van de wet.

 

karoly-ferenczy-le-sermon-sur-la-montagne-_1896

“De bergrede” van de Hongaarse schilder Károly Ferenczy (1862-1917)

  • 12:19 – De bergrede stelt, aangezien toen de wet van Mozes nog gold: “Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen”. Die wat scherpe passage ontbreekt in de tempelrede. Op het moment van de tempelrede is de situatie ook anders aangezien op dat moment de wet vervuld is: “Ik zeg u, niet één jota of één tittel is verdwenen uit de wet; integendeel, in Mij is zij geheel vervuld.”
  • 12:20 – In de bergrede klinken de aanmaningen soms algemeen en verwijzen ze al eens kritisch naar de Schriftgeleerden en de Farizeeën: “Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de Schriftgeleerden en de Farizeeën, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.” Die verwijzing naar Farizeeën zou voor de Nephieten geen betekenis hebben. De tempelrede verheft de passage tot het formele van een wetgeving: “En zie, Ik heb u de wet en de geboden van mijn Vader gegeven”, waarop een doordringende uitnodiging volgt: “Komt dus tot Mij en laat u redden; want voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij mijn geboden onderhoudt, die Ik u thans heb geboden, zult gij het koninkrijk van de hemel geenszins binnengaan”.
  • 12:21 en andere verzen – In de reeks antithesen in de bergrede verwijst Jezus naar de wet in mondelinge termen: “U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is”. In de tempelrede voegt Jezus daar echter aan toe: “Gij hebt gehoord dat er is gezegd door hen van weleer — en het staat tevens geschreven vóór u…” Volgens John Welch reflecteert de benadering in de bergrede de orale traditie van de joden in Jeruzalem. De Nephieten waren echter gewend aan een geschreven cultuur en naar opgetekende Schriftuur, wat Jezus’ nadruk op de geschreven versie kan verklaren. Zie ook verzen 27, 31, 33, 38 en 43: hetzelfde verschil tussen bergrede en tempelrede komt telkens terug.
  • 12:23 – De bergrede richt zich tot een publiek in Palestina dat nog naar de tempel gaat om te offeren: “Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert…”. Met het wegvallen van offers heeft die context geen zin meer en verwoordt Christus het zo in de tempelrede: “Daarom, indien gij tot Mij komt, of verlangt tot Mij te komen, en gij herinnert u…”
  • 12:29–30 – De bergrede gebruikt enkele harde hyperbolen na de verzen over het begerig kijken naar een vrouw: “Als dan uw rechteroog u doet struikelen, ruk het uit en werp het van u weg… En als uw rechterhand u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.” Het extreme van de verwoording, niet echt eigen aan Jezus, is dan ook onderwerp van studies.[7] In de tempelrede ontbreken die hyperbolen en luidt de tekst: “Zie, Ik geef u een gebod geen van die dingen in uw hart te laten opkomen; want het is beter dat gij u van die dingen onthoudt, waarin gij uw kruis opneemt, dan dat gij in de hel wordt geworpen.”
  • 12:35 – In het vers over zweren bij ede vermeldt de bergrede om dit niet te doen “bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning”. Tekstkritische studie van het Mattheüs-evangelie oordeelt dat “de stad van de grote Koning” een latere historische toevoeging is.[8] In de tempelrede ontbreekt die frase dan ook logischerwijze.
  • 12:48 – Zelfde opmerking als bij 12:18: Jezus spreekt tot de Nephieten als opgestaan wezen. Dat verklaart waarom in de bergrede Jezus als sterfelijk wezen alsnog zegt: “Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is” (Mattheüs 5:48), maar in de tempelrede: “Welnu, Ik wil dat gij volmaakt zijt zoals Ik, of zoals uw Vader die in de hemel is, volmaakt is” (12:48). De toevoeging “zoals Ik” wijst op de staat die Jezus nu bereikt heeft.
  • 13:2 – De bergrede bevat een aantal terechtwijzingen die op de Farizeeën gericht zijn, zoals “Wanneer u dan een liefdegave geeft, laat het niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij door de mensen geëerd zouden worden.” In de tempelrede spreekt Jezus echter tot een publiek voor wie die huichelaars niet (meer) tegenwoordig zijn. Daarom drukt hij het in de toekomende tijd uit: “bazuint het niet voor u uit zoals de huichelaars in de synagoge en op straat zullen doen om zich door de mensen te laten roemen” (Engels: “as will hypocrites do in the synagogues and in the streets”). De Nederlandse vertaling respecteert dit echter niet en gebruikt de tegenwoordige tijd, wat het vers anachronistisch maakt. Het is een voorbeeld van de subtiele verschillen tussen de situatie in Palestina en die onder de Nephieten.

 

mikidegoodaboom_sermon-on-the-mount_2“De bergrede II” van de Franse kunstenares Miki de Goodaboom (°1955)

 

  • 13:9–13 – Dit gaat om “het gebed des Heeren” of het “Onze Vader”. In de tempelrede ontbreken twee frasen die wel in de bergrede voorkomen. Dit is opmerkelijk omdat het gebed zo ritueel ingeburgerd is dat elke afwijking meteen opvalt. Dat is trouwens al zo in de licht verschillende katholieke en protestantse versies van het gebed. In de tempelrede ontbreekt vooreerst: “Uw koninkrijk kome”. Dit wordt verklaard door het feit dat het koninkrijk al gekomen is door Christus’ overwinning over de dood en door zijn aanwezigheid te midden van de Nephieten.[9] Vervolgens ontbreekt “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Daar bestaan verschillende pogingen tot verklaring voor. McConkie, Millet en Top menen dat die frase in de bergrede gericht was tot de apostelen die zonder inkomsten op zending zouden vertrekken en dus zouden moeten bidden voor hun dagelijks brood. Die opdracht gold volgens hen niet voor de tempelrede.[10] John Welch suggereert dat de context zich er niet toe leende aangezien Jezus wat later het avondmaal zou instellen met een andere symboliek voor het brood.[11] Brant Gardner stelt het eigenaardig: hij meent dat Joseph Smith in het vertaalwerk de frase liet vallen omdat brood zomaar niet gegeven wordt, maar verdiend moet worden. [12] We hebben al meer gemerkt dat Gardner nogal vrij interpreteert om bepaalde Amerikaanse “waarden” te verdedigen. Maar om daartoe Joseph Smith van tekstmanipulatie te verdenken?

Voor mij illustreert het ontbreken van de twee frasen de authenticiteit van het Boek van Mormon: Jezus onderwees het gebed niet als een ritueel gebed, noch in Palestina, noch onder de Nephieten, maar enkel als een voorbeeld van natuurlijk en eerlijk spreken tot de Vader, precies in tegenstelling tot de rituele joodse gebeden. De verschillen tussen beide gebeden, in 3 Nephi en in Mattheüs, bevestigen precies die vrijheid. Maar al sinds de middeleeuwen beschouwen gelovigen het “Onze Vader” als een rituele inhoud. Dat was ook zo in Joseph Smiths tijd. Elke schrijver in zijn tijd zou de inhoud zorgvuldig gerespecteerd hebben. Ook hedendaagse analisten zoeken naar verklaringen voor de “afwijking”. Onnodig: dat het Boek van Mormon die ingeburgerde overtuiging van een “ritueel gebed” niet volgt illustreert precies dat het van een veel oudere origine is.

  • 13:13 – Het slot van het gebed, “Want Uwer is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen” staat zowel in de bergrede als in de tempelrede. Daar zijn vroeger critici al eens over gevallen omdat deze passage niet als origineel tot het evangelie van Mattheüs zou behoren, maar een toevoeging uit latere eeuwen zou zijn, een zogenaamde doxologie of ascriptie. Eerste antwoord hierop is dat de tempelrede geen kopie is van de originele Mattheüs-versie, wat alle voorgaande vergelijkingen al aantonen. Vervolgens blijkt dat de oudste teksten, in het bijzonder de Didache van het begin van de tweede eeuw, de passage wel als deel van het gebed des Heeren vermelden.[13]

 

4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

Voor de talrijke passages over het vervullen van de wet, zie dit onderdeel hierboven.

Voor de vergelijking van de bergrede en de tempelrede, zie dit onderdeel hierboven.

3 Nephi 12:3-11 – “Gezegend zijn de….”

Oudere Bijbelvertalingen spreken nog van zalig zijn de… Vandaar de term zaligsprekingen. De meest nauwkeurige vertaling is gelukkig zijn de… 

In de oorspronkelijk Griekse tekst van Mattheüs is het woord μακαριος (makarios), in het Latijn vertaald als beatus, met de betekenissen gelukkig, gezegend. Het Engels vertaalt hier met happy, blessed. Elk van die woorden heeft een eigen historische achtergrond die ons veel leert over onze religieuze woordenschat. Zie hiervoor dit onderdeel in les 30.

 

3 Nephi 12:25–26 – “totdat gij de laatste senine hebt betaald”

Kom vlug met uw tegenpartij tot een vergelijk, terwijl gij nog met hem onderweg zijt, opdat hij u niet op een zeker tijdstip grijpt en gij in de gevangenis wordt geworpen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zult daar geenszins uitkomen. En kunt gij zelfs maar één senine betalen terwijl gij in de gevangenis zit? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, neen.

In de bergrede luidt dit “Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste kwadrant betaald hebt” (HSV-vertaling). De koperen kwadrant was in die tijd een van de kleinste munteenheden van het Romeinse Rijk (Latijn quadrans). Er was ook nog een halve kwadrant. Vier kwadranten hadden de waarde van een penning.

Bij de Nephieten was de senine de kleinste eenheid in goud (Alma 11:8–10). Zie dit onderdeel in les 23 over het Nephitisch waardensysteem. De verwijzing naar een senine is hier toepasselijk omdat het ook de waarde-eenheid is voor het dagloon van een rechter (Alma 11:3). Wie in de gevangenis zit, zal op het juridisch systeem beroep moeten doen en daarvoor moeten betalen.

 

5 – Gestructureerd lezen

3 Nephi 12 – “Tempelrede” vergelijkbaar met de bergrede in Mattheüs 5

  • 1–2 – Inleidende gegevens: de twaalf zijn gekozen om te onderwijzen; onderscheid tussen “gij” die kunt geloven omdat gij gezien hebt, en “zij” die op geloof zullen moeten voortgaan.
  • 3–11 – De “zaligsprekingen” die negen kenmerken vermelden: de armen van geest, zij die treuren, de zachtmoedigen, zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, de barmhartigen, de reinen van hart, de vredestichters, zij die vervolgd worden, zij die gesmaad en vervolgd worden.
  • 13–16 – Over de macht van het voorbeeld: het zout, het licht van een stad, de kaars als standaard
  • 17–20 – Over het vervullen van de wet (van Mozes): de wet wordt niet te niet gedaan, maar “vervuld” (= het doel ervan is bereikt, en een nieuwe wet volgt er op). Het “offeren” wordt vervangen door het offer van een gebroken hart en een verslagen geest.
  • 21–45 – Lijst van zes antithesen: “Gij hebt gehoord… maar …” Elementen van de oude wet gaan over in de nieuwe. Voor elk element verhoogt de geest van de wet de dimensie van ons handelen.
  • 46–47 – Samengevat: oude dingen zijn weggedaan, alle dingen zijn nieuw geworden.
  • 48 – Besluit: volmaakt zijn.

 

3 Nephi 13 – “Tempelrede” vergelijkbaar met de bergrede in Mattheüs 6

  • 1–4 – Over het geven van aalmoezen
  • 5–13 – Over het bidden
  • 14–15 – Over vergeving
  • 16–18 – Over vasten
  • 19–21– Over aardse bezittingen
  • 22–24 – Over loyauteit (hoe zuiver sta je tegenover jezelf?)
  • 25–34 – Raadgevingen tot de Twaalf discipelen: totale overgave aan het werk van de Heer.

 

3 Nephi 14 – “Tempelrede” vergelijkbaar met de bergrede in Mattheüs 7

  • 1–5 – Oordeel niet.
  • 6 – Hou de waarheid heilig.
  • 7–11 – Bid en u zal gegeven worden.
  • 12 – De gulden regel.
  • 13–14 – Ga door de enge poort.
  • 15–20 – Let op voor valse profeten. Kijk naar de vruchten.
  • 21–23 – Doe de wil van de Vader.
  • 24–27 – Bouw uw huis op de rots.

 

3 Nephi  15 – Verdere belangrijke leringen van Christus

  • 1 – “… wie dan aan die woorden van Mij denkt en ze doet …”
  • 2–10 – Over de vervulling van de wet van Mozes: die wet was gegeven als voorbereiding op de komst van Christus. Bij Christus’ komst wordt een hogere wet gegeven.
  • 11–24 – Over het huis van Israël en de verspreiding van de twaalf stammen. Christus bevestigt dat het Nephitische volk van de stam van Jozef is. Het is van hen dat hij in Palestina tot de Joden zei: “Andere schapen heb ik, die niet van deze stal zijn”.

 

Voetnoten

[1]    De Nederlandse vertaling neemt hier wel een grote vrijheid door “onvervuld” toe te voegen in de frase: “zij zal geheel vervuld zijn, iedere jota en tittel, en niets zal onvervuld zijn voorbijgegaan”. Dat staat niet in het Engels, wel: “yea, it shall be all fulfilled, every jot and tittle, and none shall have passed away”. Andere vertalingen respecteren die nuance nauwgezet: “ja, es wird ganz erfüllt sein, jedes Jota und Pünktchen, und nichts wird vergangen sein”.

[2]    Zie bijvoorbeeld John A. Tvedtnes, “Performances and Ordinances of the Law,” chapter in The Most Correct Book: Insights from a Book of Mormon Scholar (Salt Lake City: Cornerstone Publishing, 1999), 275–277.

[3]    Charles C. Ryrie, “The End of the Law,” Bibliotheca Sacra 124, no. 495 (1967): 239–247.

[4]    Voor algemene introductie: Everett Ferguson, Backgrounds of Early Christianity (Grand Rapids, MI: Wm. B. Eerdmans Publishing, 2003; Everett Ferguson, Encyclopedia of Early Christianity (New York: Routledge, 2013); Charles Freeman, A New History of Early Christianity (Yale: Yale University Press, 2009); Robinson, James M. and Helmut Koester, Trajectories through Early Christianity (Eugene, OR: Wipf and Stock Publishers, 2006); Watson, Francis, Paul, Judaism, and the Gentiles: A Sociological Approach vol. 56 (Cambridge: Cambridge University Press, 1989).

[5]    John W. Welch, Illuminating the Sermon at the Temple & Sermon on the Mount: An Approach to 3 Nephi 11-18 and Matthew 5-7 (Provo: FARMS, 1998). Zie in het bijzonder hoofdstuk 6 dat de verschillen oplijst en bespreekt. Zie ook voor verdere studie Stan Larson, “The Historicity of the Matthean Sermon on the Mount in 3 Nephi.” New approaches to the Book of Mormon (1993): 115–163; Stan Larson, “The Sermon on the Mount: What its Textual Transformation Discloses Concerning the Historicity of the Book of Mormon,” Trinity journal 7, no. 1 (1986): 23–45.

[6]    Bijvoorbeeld Clarence Bauman, The sermon on the Mount: The Modern Quest for Its Meaning (Mercer University Press, 1985); Peter J. Frederick, Knights of the Golden Rule: The Intellectual as Christian Social Reformer in the 1890s (University Press of Kentucky, 1976); Anna Wierzbicka, What did Jesus mean?: Explaining the Sermon on the Mount and the Parables in Simple and Universal Human Concepts (London: Oxford University Press, 2001).

[7]    John F. Cornell, “Anatomy of Scandal: Self‐Dismemberment in the Gospel of Matthew and in Gogol’s ‘The Nose’,” Literature and Theology 16, no. 3 (2002): 270–290; John P. Schwerkoske, Jason P. Caplan, and Dawn M. Benford. “Self-mutilation and Biblical Delusions: A Review,” Psychosomatics 53, no. 4 (2012): 327–333.

[8]    Dennis C. Duling, “’[Do Not Swear…] by Jerusalem Because It Is the City of the Great King’ (Matt 5: 35),” Journal of Biblical Literature 110, no. 2 (1991): 291–309. Zie de aldaar geciteerde literatuur.

[9]    Dat is de gebruikelijke verklaring van analisten. Zie Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5b – Third Nephi 8-30 (Kindle Locations 4746-4747). Greg Kofford Books; Robert J. Matthews, A Bible! A Bible! (Salt Lake City: Bookcraft, 1990), 242; John W. Welch, Illuminating the Sermon at the Temple & Sermon on the Mount: An Approach to 3 Nephi 11–18 and Matthew 5–7 (Provo: FARMS, 1998), chapter 6, under “A Postresurrectional Setting”.

[10]  Joseph F. McConkie, Robert L. Millet, and Brent L. Top, Doctrinal Commentary on the Book of Mormon, vol. IV (Salt Lake City: Bookcraft), 83.

[11]  Welch, Illuminating the Sermon, 145.

[12]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5b – Third Nephi 8-30 (Kindle Locations 4801-4804). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[13] Joachim Jeremias, “The Lord’s Prayer in Modern Research,” The Expository Times 71, no. 5 (1960): 141–146; Hubertus Waltherus Maria van de Sandt, Huub Van de Sandt, and David Flusser, The Didache: its Jewish Sources and Its Place in early Judaism and Christianity, vol. 5 (Fortress Press, 2002). Ook Hugh Nibley verwijst naar de Didache: Hugh W. Nibley, Mormonism and Early Christianity (Salt Lake City: Deseret Book / Provo: FARMS, 1987), 55–56; alsmede McConkie, Millet, and Top, Doctrinal Commentary, 83.

Om terug te keren

1 – Het vervullen van de wet
2 – Van de oude naar de nieuwe wet
3 – De “tempelrede” vergeleken met de “bergrede”
4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
5 – Gestructureerd lezen