Les 37 – 3 Nephi 8–11

“Wie ook wil komen, zal Ik ontvangen”

1 – Drie dagen in Palestina, drie dagen onder de Nephieten
2 – De vijf tekens
3 – Geschil over de leer: de psychologie van de vermaner
4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
5 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

De vorige les, over hoofdstukken 1 tot 7 van 3 Nephi, bestreek de periode van Jezus’ aardse leven, maar dan zoals ervaren door Nephieten en Lamanieten op het westelijk halfrond. Het enige wat ze wisten was dat de Heiland in de wereld gekomen was. Drieëndertig jaar later breken de drie dagen aan van Jezus’ kruisiging, dood en opstanding. Hoofdstukken 8, 9 en 10 beschrijven wat daarmee samengaat op het westelijk halfrond — de aangekondigde drie dagen duisternis. Daarna komt het hoogtepunt in hoofdstuk 11: Jezus Christus verschijnt aan de Nephieten.

Tenzij anders vermeld, verwijzen hoofdstuk- en versnummers naar 3 Nephi.

 

1 – Drie dagen in Palestina, drie dagen onder de Nephieten

De kosmische weerspiegeling van lijden, dood en opstanding
3 Nephi 9 – Een retorisch hoofdstuk in twee luiken
“Gij die van het huis Israëls zijt”

Hoofdstukken 8, 9 en 10 horen tot de samenvatting die Mormon maakte van het verslag van Nephi. Ze handelen over intense gebeurtenissen in de drie dagen tussen de kruisiging van Jezus en zijn opstanding. Twee soorten inhoud vermengen zich: enerzijds de beschrijving van de rampen die de Nephieten treffen en hun reacties daarop, anderzijds de stem van de Heer die zowel straffend als hoopgevend weerklinkt.

 

De kosmische weerspiegeling van lijden, dood en opstanding

Volgens de inleidende commentaar bij hoofdstuk 8 verhaalt dit hoofdstuk de “orkanen, aardbevingen, branden, wervelwinden en bodemverheffingen” als “getuigen van Christus’ kruisiging”. Nagenoeg alle analisten van dit hoofdstuk bekommeren zich in extenso om twee aspecten: de datering “in het vierendertigste jaar, in de eerste maand, op de vierde dag van de maand” (8:5) en de seismische omwentelingen die het hoofdstuk beschrijft. Voor de datering verdiept men zich in berekeningen vanuit verschillende kalenders. Voor de seismische omwentelingen krijgen we tal van studies over de historiek van orkanen, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, overstromingen, landverschuivingen en meer in Midden-Amerika, zowel technisch, natuurkundig, geografisch en geologisch, als in Meso-Amerikaanse legenden.[1] Zo worden de vulkanen opgesomd en doorgelicht die mogelijk voor de aswolk zorgden die de duisternis veroorzaakte en de chemische samenstelling van de lucht waardoor er geen vuur kon worden gemaakt. De bedoeling is duidelijk: bewijzen dat al die rampen effectief plaatsvonden.

 

tintoretto_the-crucifixion-of-christ-1568_2“De kruisiging van Jezus” door Tintoretto (1518–1594)

 

Dat alles moge interessant zijn, maar we dreigen ermee te verwaarlozen waar dit hoofdstuk essentieel om gaat. In die periode van drie uur wordt Jezus gekruisigd en opgeheven aan het kruis, ondergaat hij onuitsprekelijk lijden, spreekt zijn laatste woorden en geeft de geest. De verwoestingen die de Nephitische steden treffen, precies tijdens deze drie uur, roepen een kosmisch parallellisme op. Steden verbranden, verzinken in de diepte van de zee, worden begraven onder de aarde. Duizenden sterven terwijl Christus sterft. Wegen worden opgebroken, rotsen scheuren doormidden en alles wordt vervormd (8:5–19). De natuur lijdt samen met het lichaam van Christus. De omvang van dat lijden doen aanvoelen is de eerste bedoeling van de schokkende beschrijving.

Dan treedt “de dikke duisternis” in, waarin het onmogelijk blijkt zelfs met droog hout licht te maken (8:20–22). De drie dagen van duisternis vallen samen met de periode vanaf het moment dat Jezus de geest geeft en de tijd dat zijn lichaam in het graf verblijft. De Nephieten geven zich eerst over aan “groot getreur en gekerm en geween onder het gehele volk” (8:23–25). Hun smart spoort met de smart van Maria, Maria Magdalena, de apostelen en de discipelen in Jeruzalem aan de voet van het kruis.

Hoofdstuk 9 verhaalt de boodschap die het volk dan hoort in de duisternis. Na die woorden, nog steeds in de duisternis, volgen er “vele uren lang stilte” (10:1). Ook de mensen, in die beklemmende sfeer, houden ermee op “te weeklagen en te kermen over het verlies van hun verwanten die gedood waren” (10:2). Het zijn de uren in de stilte en de duisternis van het graf. Dan weerklinkt opnieuw de stem om het volk te herinneren aan de beloften vanouds (10:4–7). Opnieuw beginnen de mensen “te wenen en te kermen wegens het verlies van hun verwanten en vrienden” (10:8). Hun verwarring en de golven van emoties die zij doorstaan weerspiegelen wat de discipelen van Jezus in Palestina ervaren.

Na het verstrijken van de drie dagen breekt de ochtend aan “en de duisternis verdween van het oppervlak van het land” en de aarde hield op met beven en de rotsen scheurden niet meer en het ontzettende kreunen hield op en al het rumoer verstomde” (10:9). Het volgende vers — “En de aarde voegde zich wederom aaneen, zodat zij vast was” — kan gelezen worden als verwoording van de opstanding, wanneer geest en lichaam zich opnieuw verenigen. Het effect op de Nephieten is gelijk aan het effect van hen die in Palestina de opgestane Christus zien: “… en hun rouw veranderde in vreugde, en hun weeklagen in lof en dankzegging aan de Heer Jezus Christus, hun Verlosser” (10:10).

Wat er onder de Nephieten gebeurt is een dramatische, uitvergrote weerspiegeling van elke fase  in Jeruzalem, van kruisiging tot opstanding.

 

3 Nephi 9 – Een retorisch hoofdstuk in twee luiken

Volgens het verslag horen alle bewoners over het gehele land, te midden van de volledige duisternis die hen omringt, een stem die als volgt aanzet:

Wee, wee, wee dit volk; wee de bewoners van de gehele aarde, tenzij zij zich bekeren; want de duivel lacht en zijn engelen juichen wegens de gedoden onder de mooie zonen en dochters van mijn volk; en het is wegens hun ongerechtigheid en gruwelen dat zij zijn omgekomen! Zie, die grote stad Zarahemla heb Ik met vuur verbrand, en haar inwoners…

Tot vers 12 gaat de opsomming verder van de steden en hun inwoners die “Ik heb doen” verbranden, verdrinken, begraven, vernietigen. Het eerste deel van 3 Nephi 9, van vers 2 tot vers 12, klinkt als de Oudtestamentische oratie van een wraakzuchtige God die er schijnbaar genoegen in schept dat zovelen zijn omgekomen. Vanaf vers 13 kantelt de tekst in een Nieuwtestamentische uitnodiging om als een klein kind van Jezus’ barmhartigheid te proeven. Het contrast tussen beide delen kenmerkt de overgang van een weerzinwekkend verleden van zonde en vernietiging naar een hoopvolle toekomst van redding en verlossing.

Analyse wijst uit dat het om een verzorgde tekst gaat, met chiasmen, opsommingen en uitgewerkte parallelstructuren. Voor de literalistische lezer heeft Jezus deze tekst werkelijk zo uitgesproken en bevestigt hij dus zijn persoonlijk optreden om al die steden te vernietigen. Maar even literalistisch moet men dan opmerken dat wat de stem zei niet ter plekke kon genoteerd worden, want er heerste volslagen duisternis en niemand kon licht maken (8:21–23). Het gaat dus alvast om een latere notering. Gelet op de omstandigheden van verregaande vernietiging en ontreddering doorheen het land zal die notering dan vermoedelijk pas veel later gebeurd zijn. Voor de literalist zal op dat later moment de werking van de Geest de precies uitgesproken tekst in herinnering gebracht hebben. Maar evenwaardig is de interpretatie dat het hier gaat om een latere, literair uitgewerkte tekst, gebaseerd op de emoties en herinneringen die de omstandigheden toen opwekten. Die interpretatie kan de tekst meer aanvaardbaar maken voor wie zich moeilijk kan indenken dat Jezus wraakzuchtig verkondigt dat hij de ene stad na de andere met hun inwoners vernietigd heeft — om dan wat later de “Bergrede” uit te spreken.

Men kan opmerken dat volgens de tekst Jezus de vernietiging van de steden rechtvaardigde door hun zondig verleden, in de herhaalde aanhaling — “zodat het bloed van de profeten en de heiligen niet meer tot Mij zal getuigen tegen hen”. Dat hoort inderdaad bij de Schriftuurlijke logica, maar met de bedenking dat dan ook onschuldigen, inclusief kinderen, vernietigd werden. Wat weten we historisch van vergoten bloed van profeten en heiligen in de opgesomde Nephitische steden? Voor de lopende, nog levende generatie sinds Jezus’ geboorte is er alleen in 30 n.C. sprake geweest van corrupte rechters  die “profeten des Heren ter dood hadden veroordeeld” (6:25). De verantwoordelijkheid ligt dus enkel bij die rechters, maar ze verbinden zich wel in het geheim met “vele verwanten en vrienden” om buiten de greep van het gerecht te blijven (6:27–30). Bij het uiteenvallen van het land in 31 n.C. lezen we van onafhankelijke familiestammen die zich hadden afgewend van de Heer — “en zij stenigden de profeten en wierpen hen uit hun midden” (7:14). Welk deel van de bevolking bij die stenigingen betrokken was en hoeveel martelaren er vielen vermeldt de tekst niet. Aangezien de namen van tien van de dertien vernietigde steden nooit vroeger vermeld werden, gaat het mogelijk vooral over nieuwe nederzettingen van dergelijke familiestammen, dus beperkt in omvang (zie opmerking hierna). Het maakt het drama niet minder. Nephi’s eigen broer was door steniging gedood, maar terug opgewekt (7:19). Als kroniekschrijver had Nephi dus zelf die drama’s van dichtbij meegemaakt. Het lijkt dan ook waarschijnlijk dat hij, als vertolker van Gods’ stem in de kroniek, zijn eigen emoties de woorden en de literaire vormgeving van het eerste deel van hoofdstuk 9 heeft laten bepalen.

 

“Gij die van het huis Israëls zijt”

De tweede boodschap die de Nephieten in de duisternis horen is een hoopgevende tijding die hen herinnert aan oude beloften:

O gij volk van deze grote steden die gevallen zijn, gij die afstammelingen van Jakob zijt, ja, gij die van het huis Israëls zijt, hoe dikwijls heb Ik u vergaderd zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en heb Ik u verzorgd. (10:4)

De boodschap loopt verder tot vers 7, waarbij “huis Israëls” vijfmaal indringend in Jezus’ woorden weerklinkt. Voor de Schriftlezer luidt de boodschap vertrouwd, maar historisch is ze hier verrassend. Het is al meer dan vijfhonderd jaar geleden dat de uitdrukking “huis Israëls” in het Boek van Mormon vermeld werd. Nephi en zijn broer Jakob waren de enigen en laatsten die in hun geschriften op de kleine platen ruim over het huis Israëls spraken. Nephi gebruikte de uitdrukking meer dan zestigmaal, vaak met verwijzing naar Jesaja. Jakob haalde de gelijkenis van de olijfbomen aan, die helemaal rond het thema van het huis Israëls gebouwd is. Vanuit hun levenservaringen waren Nephi en Jakob doordrongen van het besef dat zij een afgebroken tak van het huis Israëls waren. Maar hun geschriften stonden op de kleine platen, die slechts in een enge familielijn bewaard bleven en waaruit verder nooit geciteerd werd.

Na Nephi en Jakob wijzigt de focus in de prediking. Koning Benjamin, Abinadi, Alma de oudere, Alma de jongere en alle anderen prediken essentieel over de Heiland. Hun aandacht is vooral op de Verlosser en de toekomst gericht. Wanneer Jezus verschijnt, is zijn visie op zijn volk gericht, op hun verleden en de gemaakte beloften. Het is een merkwaardige kentering in perspectief.

 Later in zijn prediking zal Jezus verder ingaan op de verloren schapen van het huis Israëls, de verstrooiing en de vergadering.

 

2 – De vijf tekens

De eerste handeling die de opgestane Christus laat uitvoeren
“Uw hand in mijn zijde steken” – Het litteken van de speer
Door de ogen van kunstenaars: hun impact op het religieus denken

 

De eerste handeling die de opgestane Christus laat uitvoeren

Mogelijk de meest aangrijpende, onthutsende scène uit het hele Boek van Mormon, is Jezus’ uitnodiging tot het volk om één voor één nader te komen en de tekens op zijn lichaam aan te raken. Hij doet dit meteen na uit de hemel te zijn neergedaald en zich te hebben voorgesteld:

“Staat op en nadert tot Mij om uw hand in mijn zijde te steken, en ook om de tekens van de nagels in mijn handen en in mijn voeten te voelen, opdat gij zult weten dat Ik de God van Israël en de God der gehele aarde ben, en ben gedood voor de zonden der wereld. En het geschiedde dat de menigte toetrad en de handen in zijn zijde stak en de tekens van de nagels in zijn handen en in zijn voeten voelde; en dat deden zij en traden één voor één toe totdat allen waren toegetreden en met hun ogen hadden gezien en met hun handen hadden gevoeld, en met zekerheid wisten en getuigden, dat Hij het was van wie de profeten hadden geschreven dat Hij zou komen.” (11:14–15)

“Het ongeloof van Thomas” van Peter Paul Rubens (1577-1640)

 

De passage echoot de ervaring van apostel Thomas in Jeruzalem. Hij kon niet geloven dat Jezus was opgestaan en reageerde met:

“Als ik in Zijn handen niet het litteken van de spijkers zie, en mijn vinger niet steek in het litteken van de spijkers, en mijn hand niet steek in Zijn zij, zal ik beslist niet geloven.” Acht dagen later verscheen Jezus opnieuw en zei tegen Thomas: “Kom hier met uw vinger en bekijk Mijn handen, en kom hier met uw hand en steek die in Mijn zij; en wees niet ongelovig, maar gelovig” (Johannes 20:24–29).

De tekst zegt niet of Thomas effectief de littekens aanraakte, enkel dat hij uitriep: “Mijn Heere en mijn God!” Jezus merkte op: “Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, hebt u geloofd; zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en toch zullen geloven.”

Bij de Nephieten krijgt het gebeuren echter een bovenmatige realiteit. Jezus biedt de ervaring aan allen na. Ze komen ook daadwerkelijk, een voor een, om eigenhandig Jezus’ lichaam aan te raken en de vingers te leggen op de littekens in zijn vlees. Meer nog, de handen “in zijn zijde te steken” alsof de gevouwen huid nog een spleet vertoonde van de speer waarmee de Romeinse soldaat hem doorboord had. Het maakt de ervaring niet alleen pakkend zintuiglijk, voor sommigen mogelijk tot het akelige af, maar ook en vooral adembeklemmend voor het gemoed.

Hoe de aanwezigheid van littekens na de opstanding verklaren? Dan is het lichaam toch volmaakt? De vraag is begrijpelijk voor wie concreet-logisch gelooft, maar ze is ook ergens onbetamelijk. Alsof Thomas bij Jezus’ verschijning zou gezegd hebben: “Is hij wel echt opgestaan? Hoe komt het dan dat die tekens nog zichtbaar zijn?” Zou Thomas het sublieme van wat hij mocht aanschouwen laten overschaduwen door een analytische bedenking? Het mormonisme houdt dat risico in: door onze invulling van het nabestaan als een verheerlijkt maar nog altijd materieel bestaan, zijn wij eraan gewend om ook meteen fysiek en nuchter over de opstanding te denken. Alsof het ene wonder, dat van de opstanding, geen tweede wonder, dat van de tekens, mogelijk maakt.

Littekens van gruwelijke wonden op het lichaam van een volmaakt opgestaan wezen: wat is de bedoeling van deze contradictie? Dit beeld verzoent twee perspectieven in de benadering van het fysieke offer van Jezus. Aan de ene kant is er de gekruisigde Jezus, tijdens de laatste uren van zijn aards bestaan. Aan de andere kant is er de glorieuze opgestane Christus, waarbij lijden en dood zijn overwonnen. Maar het beeld van de opgestane Jezus, met toch nog reëel en rauw de tekenen van de spijkers in zijn handen en voeten en van de lans die zijn zij doorboorde, biedt een tweevoudig perspectief, dat de gekruisigde én de opgestane samenbrengt. Christus is overwinnaar, maar de tekenen van de wonden herinneren aan de prijs die hij ervoor betaalde.

Jezus wil dat tweevoudig perspectief doen ervaren door de Nephieten — “opdat gij zult weten dat Ik de God van Israël en de God der gehele aarde ben, en ben gedood voor de zonden der wereld.” Het eerste luik bevestigt zijn goddelijke identiteit als opgestaan wezen, het tweede doet de mensen de fysieke oorzaak en de geestelijke reden van zijn dood beseffen. De aanraking van de littekens bij Jezus als opgestaan wezen doet die tweevoudige boodschap diep indringen.

 

“Uw hand in mijn zijde steken” – Het litteken van de speer

Een litteken van de spijker op elke hand en elke voet geeft vier tekens. Jezus’ zijde vertoonde een vijfde litteken, zoals verhaald door Johannes: “Maar een van de soldaten stak met een speer in Zijn zij en meteen kwam er bloed en water uit” (Johannes 19:34).

 

The Crucifixion; The Last Judgment by Jan van Eyck, photographed at The Metropolitan Museum of Art for Maryan Ainsworth's 82nd and 5th episode. © 2013 MMA, photographed by Anna-Marie Kellen. The Crucifixion; The Last Judgment Jan van Eyck and Workshop Assistant (Netherlandish, Maaseik ca. 1390–1441 Bruges) Date: ca. 1435–40 Medium: Oil on canvas, transferred from wood Dimensions: Each 22 1/4 x 7 2/3 in. (56.5 x 19.7 cm) Classification: Paintings Credit Line: Fletcher Fund, 1933 Accession Number: 33.92ab Working Title/Artist: The Crucifixion; The Last JudgmentDepartment: European PaintingsCulture/Period/Location: HB/TOA Date Code: 08Working Date: 1430 Digital Photo File Name: ef1_33.92ab_301139.tif Online Publications Edited By Steven Paneccasio for TOAH 12/30/2013

“De kruisiging” door Jan Van Eyck (1390-1441). Metropolitan Museum New York. Klik hier voor het volledige schilderij.

Tot de Nephieten zei Jezus: “Staat op en nadert tot Mij om uw hand in mijn zijde te steken, en ook om de tekens van de nagels in mijn handen en in mijn voeten te voelen”. Het onderscheid valt op. Jezus spreekt niet van “het teken van de speer in mijn zijde te voelen”, zoals hij verwijst naar de tekens in zijn handen en voeten. Hij benadrukt ook “in mijn zijde te steken”, alsof het hier om een invasieve ervaring gaat, meer dan enkel de oppervlakte van een litteken te voelen. Ook in het voorval met de apostel Thomas wordt hetzelfde onderscheid gemaakt.

Strikt genomen, bij de uitnodiging om “uw hand in mijn zijde te steken” spreekt Jezus niet over een litteken, noch tot Thomas, noch tot de Nephieten. “De hand in de zij steken” kan dus ook een geste van nauwe kennismaking verbeelden. Toch heeft de christelijke wereld die frase begrepen als deel van het aanraken van de littekens, dus in dit geval de plaats waar de speer Jezus’ zij doorboorde. Ook mormoonse kerkleiders hebben dat begrip overgenomen. Erastus Snow spreekt van de “opening” (hole) die de speer had gemaakt en waar Thomas’ hand naartoe wordt geleid.[2] James Talmage spreekt van een wonde “breed genoeg dat een mens zijn hand erin kon steken”.[3] Bij de beschrijving van de Nephieten die naar Jezus toekomen vermeldt Talmage dat zij de indrukken van de nagels in zijn handen en voeten konden voelen, en ook “van de wonde van de speer in zijn zij”.[4] Ook meer recentelijk hebben kerkleiders naar de wonde van de speer verwezen als het vijfde teken op Jezus’ lichaam.[5]

De oudste artistieke voorstellingen, al van de vijfde eeuw n.C., laten de Romeinse soldaat (volgens latere legende een zekere Longinus) Jezus borst doorboren iets onder de linkertepel, dus in de hartstreek. Latere voorstellingen kozen echter de rechterzijde en die zou van dan af picturaal overwegen.[6] Maar beroemde schilders zoals Rubens en Manet kozen de linkerzijde (bij Rubens, zie het schilderij hierboven, waarbij het litteken van de speer op de linkerborst amper zichtbaar is).

In zijn beschrijving van Jezus’ dood opteert apostel James Talmage voor de linkerzijde: “Indien de speer van de soldaat in de linkerzijde werd gestoten en feitelijk het hart doorstak, dan is het bloed en water dat er uit vloeide bewijs van een hartbreuk”.[7]

 

Door de ogen van kunstenaars: hun impact op het religieus denken

Aan de ene kant is er dus de gekruisigde Jezus, tijdens de laatste uren van zijn aards bestaan. Aan de andere kant is er de glorieuze opgestane Christus, waarbij lijden en dood zijn overwonnen.

Duizenden kunstenaars sinds de vroege middeleeuwen hebben elk van de momenten van de kruisiging uitgebeeld — wanneer soldaten de spijkers in zijn handen en voeten slaan, zij het kruis opheffen, hij zijn laatste woorden spreekt en een soldaat een speer in zijn zij steekt.

Vander Weyden_detail kruisafneming“Hand van Jezus”, detail uit “De Kruisafneming“, van Rogier van der Weyden (1399-1464).
Klik op de illustratie voor het volledige schilderij en merk hoe de schilder het verdriet van de omstaanders weet uit te drukken.

 

Dan zijn er de ontelbare stilbeelden waar hij dood aan het kruis hangt. Vervolgens wanneer Jozef van Arimathea en enkele helpers hem van het kruis afnemen. Al deze momenten hebben kunstenaars met oneindig veel aandoening in tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken trachten vast te leggen om zo zijn onnoemelijk lijden, maar ook dat van zijn moeder en anderen te veraanschouwelijken. Alles gebeurt aan dat kruis, dat dan ook het symbool van het christendom is geworden.

Kunst die de glorieuze opgestane Christus voorstelt is zeldzamer. Hoe stel je immers volmaaktheid voor? En de tekenen in zijn lichaam, als de kunstenaar die al wil toevoegen? Hoe de gaafheid van een opgestaan wezen combineren met een geschonden uiterlijk? Elke manier van uitbeelden vertaalt de betrokkenheid die de kunstenaar voor Jezus voelt. Zal de kunstenaar elk teken minimaliseren tot een kleine, mooi geheelde wonde, of zal hij de wonden uitvergroten om zo de toeschouwer toch nog in het lijden van de opgestane Heiland te doen intreden?

De gebruikelijke theologische en artistieke term voor de tekens is stigmata, in het enkelvoud stigma, van het Grieks στιγμα, wat “(brand)merk” betekent. Het komt uit een brief van Paulus: “Verder, laat niemand mij lastigvallen, want ik draag de littekens [stigmata] van de Heere Jezus in mijn lichaam” (Galaten 6:17).

 

Kunst in de middeleeuwse en mystieke traditie

Het historisch christendom heeft altijd veel belang aan het lijden en de dood van Jezus gehecht. De kunst heeft daar sterk toe bijgedragen. In de vroegmiddeleeuwse en Romaanse periode, tot omstreeks 1200, blijven de afbeeldingen nog sober en zijn de stigmata niet of amper zichtbaar. Vanaf de gotiek en later zien we steeds meer dramatische uitbeeldingen van Jezus’ lijden en dood. Die vertolkten ook de confrontaties van elke mens met lijden en dood in eigen omgeving, alsmede de eigen doodsangst. Het waren de eeuwen dat de Zwarte Dood, de pest, in Europa rondwaarde en voor hallucinante doodstaferelen zorgde. Een  troost vond men in het besef van Jezus niet minder geleden had. In dat perspectief verbeelden de grootste meesterwerken uit ons Vlaamse en Nederlandse kunstpatrimonium de fasen van Jezus’ lijden, de zogenaamde passie van de Heiland.

 

Schilder van de meest aangrijpende passie is Matthias Grünewald (1470–1528). “De gekruisigde Jezus” is deel van het Isenheimer altaarstuk. Unterlinden-museum in Colmar.
Klik hier voor het volledige schilderij en bemerk hoe ook handen en voeten de pijn van de wonden uitdrukken (klik door voor meer details).

 

De confrontatie met het beeld moedigde gelovigen aan visueel deel te nemen aan de passie van de Heiland. Dat uit zich in com-passie, samen lijden. In die diepe gevoelens kan de mens ook een extatische communicatie met God bereiken: dat is de wereld van de mystiek. Daaruit groeide op termijn ook een afwijkend beleven, namelijk mee fysisch lijden om zo bij te dragen aan het verlossingswerk van de Heiland. Rond de “vijf heilige wonden” ontstond een zekere cultus.[8] In extreme gevallen van beleving kregen mensen zoals Franciscus van Assisi zelf de stigmata op hun lichaam — vandaar de term stigmatisatie. Maar dat zijn de aberraties. Over het algemeen heeft onze Westerse christelijke kunst, van de middeleeuwen tot nu, overwegend realisme nagestreefd om uit te drukken wat Jezus heeft ondergaan. De uitdaging is er tegelijkertijd het transcendente in te leggen.

 

Kunst in de protestantse en mormoonse traditie

In de zestiende eeuw keerde het protestantisme zich tegen de artistieke voorstelling, niet omwille van de kunst op zich, maar omwille van de verering die vele katholieke gelovigen aan beelden hechten.[9] Luther, Calvijn, Zwingli en anderen wensten soberheid en austeriteit. Het leidde in onze contreien tot de “beeldenstorm” waarbij vele kunstwerken vernietigd werden. Het protestantisme aanvaardde met de tijd wel een eigen picturale stijl, zoals prenten in boeken voor de religieuze opvoeding en sobere, neutrale, informatieve schilderijen. Naakt werd daarin vermeden. Het calvinistische Nederland ontwikkelde daarom een andere religieuze esthetiek dan het katholieke Vlaanderen.

Het mormonisme ontstond in een protestants milieu. Kerkleden volgden de esthetische normen van hun tijd. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw heerste de Victoriaanse mode van geïdealiseerde scènes uit Jezus’ leven, vooral als Goede Herder, zonder enige lelijkheid of storing. Het zou echter pas tot de jaren 1930 duren voor enkele kerkleiders zich voor een bepaalde stijl uitspraken om Christus in de kerkelijke tijdschriften voor te stellen. De voorkeur ging uit naar een negentiende-eeuwse Germaans-Scandinavische voorstelling, met een bepaald type van Christus: een combinatie van waardigheid en viriliteit, met korte baard en sluik haar tot op de schouders. Zo gebruiken de kerkelijke tijdschriften veel reproducties van schilderijen van Heinrich Hofmann en Carl Heinrich Bloch.[10] Representatief werd het drie meter hoge standbeeld van Christus met de open armen, van de Deense beeldhouwer Bertel Thorvaldsen, waarvan replica in het Visitors Center op Temple Square in Salt Lake City. Voor velen inspirerend, maar fysisch allicht sterk afwijkend van de eerder kleine joodse man die Jezus hoogstwaarschijnlijk was.

replica-thorvaldse_christus-foot-lds_2Op Thorvaldsens Christus zijn de tekenen in handen en voeten kleine gepolijste inkepingen. Op de rechterborst verbeeldt een fijne gepolijste kerf het litteken van de speer in de zij. Het zijn gestileerde stigmata die het er nog amper zijn.

Eigen mormoonse schilderkunst volgde in dat spoor, met accent op de volmaaktheid die Christus moet voorstellen. Zo kregen we de beelden van de opgestane Christus beheerst poserend in een smetteloos wit lang kleed voor het open graf, of beheerst zegevierend tussen de wolken in een wapperend gewaad omringd door bazuinende engelen. Geen of amper een spoor van de tekens op zijn lichaam. Dezelfde sfeer bepaalt de artistieke pogingen om zijn verschijnen tussen de Nephieten te verbeelden. Op de meeste prenten en schilderijen staat hij er fysiek groter dan de andere mensen, waardig dominerend in een lang wit kleed. Opvallend: voor de scene van de aanraking van de tekens, worden die tekens niet of zo min mogelijk getoond, enkel een vage vlek in de handen in sommige schilderijen. Jezus’ naakte zij, waar volgens de Schifttekst elke Nephiet zijn hand mag “insteken”, wordt zedig vermeden. Geen enkel schilderij laat een Nephiet een hand in Jezus’ zij steken. Het typeert ook een Amerikaanse schroom voor intimiteit.

Maar de passage in 3 Nephi, waarbij elke persoon daadwerkelijk de littekens mag aanraken en de handen in Jezus’ zij steken, verplicht ons uit de comfort-zone van mormoonse kunst te treden en stil te staan bij wat de ervaring werkelijk moet betekend hebben.

 

caravaggio_thomasEen van de meest concrete voorstellingen van het “steken van de handen in de zij” zien we in het beroemde schilderij “Het ongeloof van Thomas” van Caravaggio (1571–1610). Jezus leidt Thomas’ hand naar de open huidplooi van het litteken. Zijn verschijning als opgestaan wezen verschilt lichamelijk niet van de apostelen. De blikken van de drie apostelen zijn intens nieuwsgierig. Hier overtreft een gedurfd realisme de gebruikelijke verdoezeling van de stigmata. Hier krijgt het “kennen” van de Heiland een andere, uiterst persoonlijke dimensie.

 

Hoe reageerde u op de verschillende beelden? Het is goed als gelovigen ook uiteenlopende kunst leren zien, begrijpen en interpreteren. In welke mate komt een beeld overeen met een bepaalde mormoonse visie op de Heiland? In welke mate kan een beeld ons helpen andere aspecten van de Heiland te ontdekken? Doen “gezuiverde” beelden van Jezus ons voldoende zijn lijden beseffen? En ook: respecteren we de visie van een ander op de Heiland?

 

3 – Geschil over de leer: de psychologie van de vermaner

Dit onderdeel begint bij een belangrijk element uit 3 Nephi 11. Ik voeg er persoonlijke gedachten aan toe, ondersteund door verwijzingen naar onderzoek. Dus met een caveat: dit is eigen inbreng voor wie het interesseert.

Het allereerste gebod van de Heer aan de Nephieten
Mensen ontsporen evengoed in strakheid als in losheid
Wat drijft vermaners?
Wat zijn mogelijke gevolgen van veel of overdreven vermanen?
De zwijgende groep: luisteren en verdragen
“Het is mijn leer dat zulke zaken moeten worden weggedaan”

 

Het allereerste gebod van de Heer aan de Nephieten

Het allereerste gebod van de Heer bij zijn verschijnen aan de Nephieten luidt: “En er zal geen woordenstrijd onder u zijn” (11:22). Het komt meteen nadat Hij het volk tot zich heeft laten komen en de discipelen macht heeft gegeven om te dopen. Het komt nog vóór de “Bergrede” en de leringen in hoofdstukken 12 tot 18. Meer nog, in datzelfde hoofdstuk 11 herhaalt Jezus het gebod nogmaals enkele verzen verder, met nadruk:

“En er zal geen woordenstrijd onder u zijn, zoals er tot dusver is geweest; evenmin zal er woordenstrijd onder u zijn over de punten van mijn leer, zoals er tot dusver is geweest. Want voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, hij die de geest van twisten heeft, is niet van Mij, maar van de duivel, die de vader van twisten is, en hij hitst het hart der mensen op om in toorn te twisten, de een met de ander. Zie, dat is niet mijn leer om het hart der mensen tot toorn op te hitsen, de een tegen de ander; dit is daarentegen mijn leer: dat zulke zaken moeten worden weggedaan” (11:28–30).

De Nederlandse vertaling koos hier woordenstrijd en twist voor de Engelse termen disputation en contention. Dat is mogelijk, maar die vertaalkeuze vernauwt die begrippen tot “hevige discussies” en “ruzie”. De Engelse woorden, beide uit het Oudfrans, hebben voor deze algemene context een bredere betekenis. Disputation is elke vorm van meningsverschil (van het Latijn dis-putare, anders denken) en kan hier dus best als geschil of meningsverschil vertaald worden. Een geschil met iemand kan, maar hoeft nog geen woordenstrijd te betekenen. Contention (van het Latijn con-tendere, opspannen, tegenspannen) is elke situatie die een spanning doet ontstaan. Spanning of conflict zijn hier mogelijke vertalingen. To contend with anger verhoogt de graad tot werkelijke twist, want Satan “hitst het hart der mensen op”. Jezus zelf onderscheidt hier dus gradaties, van geschillen en spanningen tot werkelijke woede.

In bovenstaande passage heeft Jezus het niet over buitenstaanders of vijanden van de kerk. Hij heeft het “onder u”, dus de mensen aan wij hij verschijnt. Dit is “het rechtvaardigste deel van het volk dat gespaard was gebleven” (10:12).

Geschil over de leer was de Nephieten niet vreemd. Aan de ene kant waren er de schismatici, zoals Sherem, Nehor, Korihor, de priesters van Noah en de Zoramieten. Aan de andere kant, en daar gaat het hier om, kampte de Nephitische kerk geregeld met interne onenigheid. Een recente controverse ging over het behoud van de wet van Mozes. Na het teken van Jezus’ geboorte — de nacht zonder duisternis — waren er enigen “die begonnen te prediken en aan de hand van de Schriften trachtten te bewijzen dat het niet meer noodzakelijk was de wet van Mozes te bewaren” (1:24). Het typeert waar het vaak om gaat bij meningsverschillen binnen religie: de grenzen bij regels en geboden. Zo is bij de joden de wet van Mozes eeuwenlang een bron van geschillen geweest. Onderscheiden rabbijnse scholen en denkrichtingen bepaalden allerhande specifieke regels over wat mocht en vooral niet mocht op de sabbat, over wat mocht en vooral niet mocht inzake voeding. De meest conservatieve groepen verstarden de beleving tot een strak gecodificeerd gedrag. Vandaar, in Palestina, de beoordelingen van Farizeeën en Schriftgeleerden over Jezus’ optreden: hij overtrad de wet. Bij sommige Nephieten na Jezus’ geboorte was de beweging andersom: loskomen van de wet van Mozes. De strikte gelovigen reageerden behoudsgezind. In zijn verwijzing naar die vroegere geschillen onder de Nephieten trekt Jezus geen partij. Hij vraagt alleen “dat zulke zaken moeten worden weggedaan”.

 

Mensen ontsporen evengoed in strakheid als in losheid

In een priesterschapsles verdedigt een lid het creationisme in zesduizend jaar. In een zondagsschoolles stelt de leerkracht dat alle cafeïne-houdende dranken onder het woord van wijsheid vallen. In een toespraak over de sabbat vertelt de spreker hoe zijn gezin de sabbat eerbiedigt en nooit naar een concert of een museum zou gaan “zoals sommige leden wel doen”. In een getuigenisvergadering herinnert een zuster aan de doelen inzake aantal namen voor tempelwerk en betreurt dat “sommige leden” daar niet aan werken. In een ZHV-vergadering gaat het om kledingnormen en het bedekken van de schouders, ook bij meisjes van het jeugdwerk — een steek naar enkele moeders toe.

Dit is een delicaat onderwerp want je wil evenmin hen kwetsen die dit soort uitspraken doen. Het gaat in bovenstaande voorbeelden meestal ook om een kleine minderheid van leden, en ook niet in alle wijken. Toch komt het voor en heeft elk van dergelijke voorvallen gevolgen op gevoelens van anderen. Door het wegdoen van disputation en contention als allereerste gebod aan de Nephieten, nodigt de Heer ook ons uit erover na te denken.

Mensen ontsporen evengoed in strakheid als in losheid. Maar ontsporen in strakheid is een van de belangrijkste oorzaken van geschillen en spanningen in de kerk. Dat is niet alleen bij mormonen zo, maar in elke religie met expliciete normen. Een nog vriendelijke term voor mensen die geboden en normen overdreven benadrukken is vermaner. Een hardere term is fundamentalist. Het fenomeen van fundamentalisering in religie is al lang onderwerp van onderzoek, vroeger in het kader van sekten, maar de voorbije jaren hoog op de agenda naar aanleiding van radicalisering in sommige religies.

Door een aanhoudende focus op gedrag gaan vermaners hun religie essentieel ervaren als een geheel van geboden en verboden, en de buitenwereld als fundamenteel slecht. De eigenlijke inhoud van hun geloof kennen ze niet zo goed of hebben ze verwaarloosd. Ook in het mormonisme doet dit zich voor. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de vraag “wat betekent het voor u om mormoon te zijn?” Vaak hoor je dan: de sabbatdag eren; tiende betalen; de Schriften dagelijks lezen; gezinsgebed en gezinsavond houden; maandelijks vasten; geen tabak, alcohol, koffie en thee; een taak in de kerk vervullen; geen seksuele betrekkingen buiten het huwelijk; je zedig kleden; niet de normen van de wereld volgen. Maar in die antwoorden blijft de kern van het mormonisme onvermeld. Het is inderdaad makkelijker concrete geboden en verboden op te sommen dan aan te geven wat het mormonisme, of kortom het herstelde evangelie, zijn unieke dimensie en zijn zielsverheffende betekenis geeft.

 

Wat drijft vermaners?

In positieve zin is er de oprechte behoefte om zichzelf en anderen te sterken in het beleven van het evangelie. Vanuit een eerlijke bekommernis om goede kerkleden te zijn, nemen vermaners de “vervolmaking der heiligen” ernstig. “Nauwgezetheid” in het onderhouden van geboden is nu eenmaal een Schriftuurlijke opdracht.

Er zijn echter ook andere, meer onbewuste motieven die vermaners kunnen aandrijven.

Zo kan vermanen uit zelfverheffing spruiten. Het fenomeen is bekend: de arrogantie van de gelovige onder het kleed van rechtschapenheid.[11] In een kerk die getrouwheid en persoonlijke waardigheid benadrukt, worden leden aangestuurd om zich ook publiekelijk als getrouw en waardig te profileren. Dat openlijk bevestigen mag natuurlijk, maar de stap naar zelfverheffing is klein. Wie in een les of toespraak stelt dat tiende betalen een voorrecht is en dat we daar niet op mogen beknibbelen, laat verstaan dat hij een goed tiende-betaler is. Een leider die tot eerbied voor de sabbat vermaant en daarbij vertelt dat zijn zoontje een uitnodiging voor een verjaardagsfeestje bij een vriend heeft afgewezen omdat het op zondag was, huldigt zowel het kind als zijn voorbeeldige opvoedingsrol. Wie de leden vermaant meer in de Schriften te lezen en daarbij vertelt dat zijn gezin elke ochtend om zes uur opstaat om samen een half uur in de Schriften te lezen, hoopt daar bewondering voor te oogsten. Op de achtergrond kan bij sommigen ook verborgen ambitie meespelen: wie toegewijd en waardig overkomt, maakt een betere kans op hogere leiderschapsfuncties. Deze strategieën, die zich subtiel kunnen vermengen met oprechte bedoelingen, zijn bekend in de psychologie van de religieuze persoonlijkheid, ook bij mormonen.[12] Onderzoek wijst uit dat voorbeeldig religieus gedrag vaak correleert met indruk maken en zelfverheffing.[13]

Vaak drijft gezagsuitoefening de vermaner. Die houding spruit uit een psychische verzuchting, vaak onbewust, om anderen te kunnen bevelen. Autoritair aangelegde personen vinden in godsdienstige regels een bijzonder geschikt kanaal om anderen de les te spellen.[14] Mogelijk hebben sommige van deze vermaners in het gewone leven zelden of nooit gezag kunnen uitoefenen. In de mormoonse kerk krijgen ze ruim de gelegenheid om als leerkracht of leider op te treden of gewoon om hun stem met gezag te laten horen. De telkens weer belerende of terechtwijzende spreektoon van iemand in een les, toespraak of gesprek verraadt de eerder autoritaire vermaner. In een toespraak zal dit type persoon meestal ook voor de vuist spreken, met enige prekerige opwinding, soms gestreng, soms ook wat kluchtig om succes te oogsten. In regio’s waar de kerk nog jong is en meer bekeerlingen de dienst uitmaken is de kans op vermaners met dergelijke trekken groter dan in ervaren wijken met bezadigde leiders en lange tradities. Maar ook bij generatie-mormonen, die zich door die erfelijke status gezagvol vinden, leeft die houding soms.

 

Wat zijn mogelijke gevolgen van veel of overdreven vermanen?

Vooreerst kan de vreugde van het evangelie, een essentieel kenmerk van het mormonisme, bedolven raken onder verplichtingen en gewetensvragen: doe ik wel genoeg? Waarin ben ik nog niet volmaakt? Hoe moet ik mij verder verbeteren? Ons lesmateriaal en bijhorende vragen dragen daar vaak ongewild toe bij. Personen die, zoals in de voorbeelden bij zelfverheffing, hun voorbeeldig gedrag in de verf zetten, zeggen misschien op zich niets verkeerds, maar kunnen deprimerend op anderen inwerken: wie immers niet zo voorbeeldig handelt, voelt zich ergens tekort schieten.

Vervolgens kan het waardenbesef al eens uit balans raken, alsof gelijk welke overtreding even erg is. Een kop koffie drinken is dan even erg als heroïne gebruiken, of zelfbevrediging even erg als verkrachting. Kinderen en jongeren die in een excessieve sfeer van regels en zondebesef worden grootgebracht, hoe liefdevol ook omringd, blijken soms moeite te hebben met de ontwikkeling van een evenwichtig waardenpatroon.[15] In sommige gevallen kan het schaamte, benauwdheid en depressies over triviale zaken stimuleren. Ik herinner me hoe een oud-studente van me op BYU na twee jaar om een gesprek vroeg. Ze was ondertussen op zending geweest. Ze begon te wenen en vertelde dat ze al twee jaar met een zware gewetenslast wegens een zonde kampte. Ze kwam bekennen en vergeving vragen. Ze had namelijk twee jaar geleden tijdens een toets even afgekeken van de student naast haar… Psychotherapeuten krijgen te maken met dit soort excessieve psychische belasting, ook binnen het mormoonse kader.[16] In alle normerende religies kampt een groep strikte gelovigen met dit soort afwijkingen, met name bij perfectionistisch ingestelde ouders met te hoge verwachtingen.[17] Uit onderzoek blijkt echter ook dat mormonen die geboden en verboden ondergeschikt maken aan evenwichtige godsdienstigheid en geestelijke maturiteit, een sterke mentale gezondheid vertonen en positief functioneren.[18]

Zolang vermaners een marginale rol in de groep vervullen blijft het effect beperkt. Maar hun benadering kan anderen tot gelijkaardig gedrag beïnvloeden, zeker wanneer vermaners optreden vanuit een leidersfunctie of als leerkracht. Jeugd en bekeerlingen nemen de retoriek over omdat het blijkbaar passend is zo in de kerk te spreken. Zo krijg je steeds meer toespraken en getuigenissen over geboden en verboden. Die ontwikkeling kan ook blijken uit de opgelegde onderwerpen voor toespraken. Na een tijd kunnen wijken en gemeenten daardoor verschillen in algemene sfeer. Bij de enen overweegt een opwekkend, vreugdevol, opbouwend perspectief; bij anderen een drukkende bezorgdheid over regels en gedrag.

Vermaners hebben de neiging om “de wereld” te demoniseren: de maatschappij is slecht. Een kwalijk effect van die houding kan een mentaliteit van afzondering zijn, waardoor de vriendenkring zich uiteindelijk beperkt tot medeleden, ook als gevolg van de tijd die inzet voor de kerk vraagt. Die mentaliteit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat mormoonse ouders hun kinderen liever niet met niet-mormoonse kinderen laten spelen – een houding die kerkleiders ten stelligste afkeuren.[19]

Een bekend gevolg van overdreven vermanen is de toevoeging van bijkomende regels en leringen. De sfeer van zelfverheffing of gezagsuitoefening verleidt immers om méér vereisten te stellen omdat je je daar mee kan onderscheiden. Sommigen breiden geboden dan ook uit met eigen specificaties, wat we vooral zien in verband met het woord van wijsheid en de sabbat — precies de domeinen — voeding en sabbat — waarin ook joods legalisme steeds verder ging. Dergelijke specificaties spreken sommigen aan omdat ze zich veilig in gedetailleerde regels voelen.[20] Het irriteert echter anderen omdat die bijkomende regels niet officieel gelden en vermaners die gebruiken om zich als “betere” mormonen te profileren. Ze mogen die extra’s natuurlijk zelf volgen, maar zelfs maar aangeven dat dit “beter” is, zaait het zaad van spanning en twist. Hetzelfde geldt voor leerstellige standpunten. Een lid dat in de kerk creationisme als de juiste leer voorstelt, wijkt niet alleen af van het officiële standpunt van de kerk, maar zorgt gegarandeerd voor controverse. Van vermaners worden zo’n leden stoorzenders.

Ten slotte kan de autoritaire vermaner, als hij ook nog een leidersfunctie bekleedt, in bazig gedrag vervallen, soms subtiel uitgevoerd. Joseph Smith waarschuwde ervoor: “Wij hebben door droeve ervaring geleerd dat het de aard en neiging is van bijna alle mensen dat zij, zodra zij een weinig gezag krijgen, zoals zij veronderstellen, onmiddellijk onrechtvaardige heerschappij beginnen uit te oefenen”.[21] In nagenoeg elke religie stelt zich dat probleem.[22] Het mormonisme vormt daar geen uitzondering op, zeker waar de kerk nog jong is en beroep moet doen op onervaren krachten met weinig opleiding.

 

De zwijgende groep: luisteren en verdragen

Geschil in de kerk is niet altijd openlijk. Bij aanvang gaf ik voorbeelden van personen die over creationisme, cafeïne, sabbatheiliging en kledingnormen spraken. Het kan best zijn dat niemand er openlijk op reageerde. Dat betekent echter niet dat het toehoorders onberoerd liet. Wanneer een zelfzeker kerklid in lessen of toespraken de lat hoger dan vereist legt, of afwijkende leer verkondigt, of zich categorisch opstelt, dan wekt hij bij toehoorders ongelukkige gevoelens op. Maar vaak zwijgen die mensen omdat ze geen openlijk geschil wensen of omdat ze weten dat een reactie de aanstichter alleen maar aanspoort om toch gelijk te willen halen. Maar de aanstichter is wel verantwoordelijk voor de irritatie of het verdriet dat hij opwekt. Hij zaait spanning en conflict in het gemoed van anderen. Als dat vaak gebeurt en aansleept, kunnen vermaners mensen doen afhaken uit de kerk.

 

“Het is mijn leer dat zulke zaken moeten worden weggedaan”

Jezus vraagt ons elke vorm van geschil en spanning te vermijden — “zulke zaken weg te doen”. Wat kan daarbij helpen?

  • Mezelf eens kritisch bekijken: herken ik sommige kenmerken van de vermaner in mij?
  • Andere accenten leggen. Wat motiveert mensen het meest om geboden te (blijven) onderhouden? Niet zozeer de aanhoudende rappel om ze te onderhouden, maar wel de diepere reden waarom ze te onderhouden. Dat betekent opbouwende kennis, leerstellig en historisch, “licht en waarheid”. Apostel Boyd K. Packer waarschuwde dat lokale leiders makkelijk door hun taken opgeslorpt raken en zo gedurende vele jaren, zelfs decennia, intens dienen, vooral in leidersvergaderingen, raden, interviews en conferenties, zonder echter nog zelf hun evangeliekennis door eigenstudie te voeden.[23] In dat vacuüm verschralen hun toespraken dan makkelijk tot repetitief gepraat over geboden, gehoorzaamheid en getrouwheid. En dat besmet dan weer anderen.
  • Goed op de hoogte zijn van de huidige leer, regels en normen van de kerk. Dan zal je geen creationisme verkondigen, maar enkel de officiële verklaring van november 1909 voorlezen, die sindsdien herhaaldelijk opnieuw gepubliceerd werd. Dan zal je niet beweren dat cafeïne onder het woord van wijsheid valt, maar verwijzen naar de verklaring van april 2008. In die verklaringen valt telkens op hoe karig en hoe voorzichtig die opgesteld zijn. De minste toevoeging is afwijking.
  • Aanvaarden dat niet alle leden op dezelfde conforme wijze het evangelie beleven. Wie strikter wil zijn dan een ander mag het gerust, maar houdt dat best voor zichzelf.
  • Als echt vermaand moet worden, bepalen wie dat wanneer, in welke mate en naar wie toe doet. De énen hebben vermaningen nodig omdat hun verkeerd gedrag het vraagt. Anderen, die wel alles goed doen, begrijpen diezelfde vermaningen als berisping en als eis om nog te verbeteren. In die zin hebben vermaningen een “functionele ambiguïteit” die we behoedzaam moeten hanteren.

Een laatste nuancering. Over elk “gevoelig” onderwerp kan men ook neutraal van gedachten wisselen, met de inbreng van informatie van kerkhistorici of andere mormoonse experten. Wat leert ons de geschiedenis van het Woord van Wijsheid? Hoe ontwikkelden zich standpunten ten overstaan van schepping en evolutie onder mormonen? Hoe werd de joodse sabbat de christelijke zondag en hoe ontwikkelde dat begrip in christelijke kerken? Hoe ontstaan en wijzigen “zedige” kledingnormen? Zo’n bredere kijk laat beter begrijpen hoe boeiend het mormonisme als een levende godsdienst is.

 

4 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

3 Nephi 9:3–10 – En zie, de stad Zarahemla… en de stad Gilgal… en de stad Onihah…
3 Nephi 10:19 – “Daarom beëindig ik voorlopig mijn woorden”
3 Nephi 11:1 – Rondom de tempel in het land Overvloed
3 Nephi 11:15 – “en zij traden één voor één toe” – met hoeveel waren ze?
3 Nephi 11:17 – Hosanna!
3 Nephi 11:21 – “Ik geef u de macht om dit volk te dopen” – Had Nephi dit macht al niet?

 

3 Nephi 9:3–10 – En zie, de stad Zarahemla… en de stad Gilgal… en de stad Onihah…

Van al de verwoeste steden die hier worden opgesomd zijn er maar drie namen vroeger voorgekomen, namelijk Zarahemla, Moroni (Alma 50:14) en Jeruzalem (Alma 21:4). Er verschijnen nu namen van nog tien andere steden, mogelijk exemplarisch vernoemd tussen andere die ook vernietigd werden. Als iemand het Boek van Mormon als vervalsing in de negentiende eeuw had geschreven, zou hij hier eerder een reeks namen van al bekende steden vermeld hebben. Maar er zit logica in die nieuwe namen. Demografisch is er inderdaad veel gebeurd de voorbije jaren, wat het ontstaan van nieuwe nederzettingen verklaart. In 17 n.C. hadden de Nephieten het land noord (Zarahemla) grotendeels ontruimd onder druk van de roverpopulatie. Ze namen toen al hun bezittingen en vee mee, zodat er mogelijk een techniek van verbrande aarde werd toegepast (wat ook kan blijken uit het voedselprobleem waarmee de invallende rovers daarna kampten). Toen de Nephieten in 26 n.C. terugkeerden, zijn mogelijk nieuwe vestigingen gesticht. Bij de desintegratie van de maatschappij in 30 n.C. verdeelde het volk zich in stammen: ook dat fenomeen kan verspreiding en stichting van nieuwe verblijfplaatsen gestimuleerd hebben.

Als we ervan uitgaan dat hoofdstuk 9 een latere literaire reflectie van de lopende kroniekschrijver is (zie hierboven), dan is het ook normaal dat hij vooral aan plaatsnamen uit zijn eigen tijd dacht.

 

3 Nephi 10:18–19 – “Daarom beëindig ik voorlopig mijn woorden”

Dit punt heeft de maken met het moment waarop Jezus de Nephieten bezocht. Vrij kort na zijn opstanding? Tijdens de periode voor zijn hemelvaart wanneer hij ook zijn apostelen in Palestina onderwees? Of pas na zijn hemelvaart? En hoeveel tijd dan erna? Voer voor studies en speculaties.[24]

Op het einde van hoofdstuk 10 staat een afsluitende zin. Hij komt op het einde van een passage die wat verward begint:

En het geschiedde aan het eind van het vierendertigste jaar, zie, ik zal u tonen dat er aan het volk van Nephi dat gespaard was gebleven, en ook aan hen die Lamanieten hadden geheten en gespaard waren gebleven, grote gunsten werden bewezen, en dat er grote zegeningen op hun hoofd werden uitgestort, omdat Christus Zich kort na zijn hemelvaart aan hen heeft geopenbaard — hun zijn lichaam heeft getoond en hen heeft gediend; en een verslag van zijn bediening wordt hierna gegeven. Daarom beëindig ik voorlopig mijn woorden.

Het is meer dan waarschijnlijk Mormon die hier de samenvatting van 3 Nephi tot dit eindpunt in het 34e jaar afsluit. Het vervolg is dus allicht geen samenvatting meer, maar een directe overname van een volledig verslag, namelijk het bezoek van de Heiland aan de Nephieten. Dat deel begint inderdaad met een eigen preambule, die deel was van de orginele platen: “Jezus Christus heeft Zich aan het volk van Nephi vertoond, toen de menigte was bijeenvergaderd in het land Overvloed, en Hij heeft hen gediend; en Hij heeft Zich op de volgende wijze aan hen vertoond.”

Wat analisten echter vooral heeft beziggehouden is de aanvangszin van de afsluitende woorden van Mormon: “En het geschiedde aan het eind van het vierendertigste jaar, zie, ik zal u tonen dat …” Is dit een reflectie op het punt van het verslag waartoe Mormon gekomen is, of is het de aankondiging van het moment waarop het volgende deel begint? In het eerste geval kan Jezus al vroeger aan zijn werk onder de Nephieten begonnen zijn. In het laatste geval zou Christus pas op het eind van het 34e jaar verschenen zijn, terwijl de drie dagen duisternis in het begin van het 34e jaar volgens de Nephitische kalender plaatsvonden (7:5). Dan zouden de Nephieten bijna een heel jaar hebben moeten wachten op de komst van de Heiland. Mormon vertelt ons niets over zo’n tussenperiode. Sommige analisten zijn van mening dat een periode van recuperatie en heropbouw, na de vreselijke natuurrampen, normaal zou geweest zijn. Anderen wijzen op de aanvang van 3 Nephi 11, waaruit kan blijken dat de mensen zich nog maar net realiseerden “welke grote en wonderbare verandering” had plaatsgevonden, waarna Jezus spoedig verschijnt.

 

3 Nephi 11:1 – Rondom de tempel in het land Overvloed

En nu geschiedde het dat er een grote menigte van het volk van Nephi was bijeenvergaderd rondom de tempel die in het land Overvloed stond; en zij verbaasden zich en uitten hun verwondering aan elkaar en wezen elkaar de grote en wonderbare verandering aan die had plaatsgevonden.

Waarom in het land Overvloed? Ten tijde van de oorlogen met de rovers, in 17 n.C., hebben de Nephieten zich noordwaarts teruggetrokken in het land Overvloed, aan de smalle landengte, waar zij dank zij hun voorraden stand hielden. Daardoor werd Overvloed ook het nieuwe politieke centrum van de Nephieten. De vroegere hoofdstad Zarahemla werd in de as gelegd tijdens de eerste van de drie dagen duisternis in 34 n.C. De stad zou wel later herbouwd worden (4 Nephi 1:6, 8), maar herwon blijkbaar niet haar status van hoofdstad.

De term “tempel” heeft niet dezelfde betekenis als nu. Elk gebouw dat diende voor vergaderingen of voor offers volgens de wet van Mozes kon een “tempel” zijn. We lezen dat “Alma en Amulek gingen uit en predikten het volk bekering in hun tempels en in hun heiligdommen” (Alma 16:13). In het land noordwaarts laten de mensen de bomen groeien om later “hun huizen te bouwen, ja, hun steden en hun tempels en hun synagogen en hun heiligdommen en hun verschillende gebouwen” (Helaman 3:9).

 

3 Nephi 11:15 – “en zij traden één voor één toe” – met hoeveel waren ze?

Jezus laat de mensen één voor één tot hem komen, de littekens in zijn handen en voeten aanraken en hun handen in zijn zij steken. Als het letterlijk zo gebeurde, is een normale vraag hoeveel mensen dit betrof. Daaruit volgt de deductie dat dit moeilijk vele duizenden kunnen geweest zijn. Wat blijft er nog over van de Nephitische bevolking?

In 17 n.C. had Lachoneus [in Griekse uitspraak lakonois] alle Nephieten laten verzamelen in het land Overvloed en onmiddellijke omgeving. Toen was er sprake van “duizenden en tienduizenden” (3:22). In 19 n.C. volgt een vreselijke veldslag met de rovers van Gadianton, die nu een grote populatie uitmaken — “ja, zo groot en verschrikkelijk was de slachting ervan, dat men onder het gehele volk van Lehi, sedert hij Jeruzalem had verlaten, nog nooit een zo grote slachting had gekend” (4:11). In 21 n.C. wordt de oorlog er een van uitvallen tegen de rovers, maar de Nephieten “roeiden hen uit bij duizenden en bij tienduizenden” (4:21). Anderzijds geven “vele duizenden” rovers zich als gevangenen over aan de Nephieten (4:27). In 26 n.C. keert “het gehele volk der Nephieten naar zijn eigen landen terug”, dus weg uit Overvloed naar hun plaatsen van herkomst doorheen het land Zarahemla en in het land noordwaarts (6:1). Er moeten dus maar weinig mensen zijn overgebleven in het land Overvloed. Vanaf 29 n.C. verslechtert de morele toestand onder de Nephieten en ook de kerk valt uiteen (6:10–18). Dan volgt de verbrokkeling van de maatschappij in stammen. In het 34e jaar, tijdens de drie dagen duisternis, treffen natuurrampen talrijke steden en komen ontelbaren om. Wie overblijft is “het rechtvaardigste deel van het volk dat gespaard was gebleven” (10:12).

In het 34e jaar, “geschiedde het dat er een grote menigte van het volk van Nephi was bijeenvergaderd rondom de tempel die in het land Overvloed stond” (11:1). Hoeveel mensen nog in Overvloed woonden is niet geweten, maar de grote meerderheid was er uit weggetrokken in 26 n.C. Waren nu overlevenden van elders opgeroepen om naar Overvloed te komen? Dat zou normaal gesproken wel vermeld geweest zijn. Een term als “grote menigte” kan enkele duizenden mensen beduiden, maar ook enkele honderden. Het feit dat ze allen een voor een tot bij Jezus mochten komen en tijd kregen om zijn tekens aan te raken en hun handen in zijn zij te steken, legt zekere beperkingen op.

Later vernemen we:

En de menigte zag en hoorde en getuigde; en zij weten dat hun getuigenis waar is, want zij allen zagen en hoorden, ieder voor zich; en zij waren in aantal ongeveer tweeduizend vijfhonderd zielen; en het waren mannen, vrouwen en kinderen. (17:25)

Jezus heeft ondertussen al veel gepredikt, dus er kunnen op dat moment nog mensen zijn bijgekomen, in vergelijking met hen die er van bij de aanvang waren.

Picturale voorstellingen van het gebeuren beïnvloeden onze perceptie. Meestal tonen prenten en schilderijen een majestueuze Inca- of Azteeks-achtige tempel en suggestief duizenden mensen errond. In het Boek van Mormon verwijst het woord “tempel” naar een van de gebouwen voor vergaderingen — tempels, synagogen en heiligdommen (Helaman 3:14). Overvloed is ook maar recentelijk en gedurende korte tijd een hoofdplaats voor de Nephieten geweest, en dan nog te midden van zware oorlogsjaren en belegering.

Brant Gardner, die zoals de meesten uitgaat van een massa van vele duizenden in Overvloed, vindt het bijgevolg problematisch dat de mensen individueel Jezus konden aanraken. Hij berekende zelfs dat slechts 720 mensen, a rato van één minuut per persoon, in een tijdspanne van 12 uur Jezus zouden hebben kunnen ontmoeten. Zijn besluit is dan ook dat de individuele ontmoeting een literaire manier van voorstellen is en dat slechts een beperkt aantal mensen Jezus konden aanraken terwijl de massa toekeek.[25] Dan lijkt het mij eenvoudiger en ook correcter ten overstaan van de tekst om uit te gaan van een beperkte “grote menigte”. De tekst benadrukt met klem dat de mensen echt één voor één toetraden — “totdat allen waren toegetreden en met hun ogen hadden gezien en met hun handen hadden gevoeld, en met zekerheid wisten en getuigden, dat Hij het was”. Het is een hoogtepunt dat nog eens herhaald wordt: “En toen zij allen waren toegetreden en er zelf getuige van waren geweest, riepen zij eenparig uit, zeggende: Hosanna!”

 

3 Nephi 11:17 – Hosanna!

Hosanna komt vermoedelijk origineel uit het Aramees, een taal in de Noordwestelijke Semitische taalgroep waartoe ook Hebreeuws behoort. Maar de juiste oorsprong en originele betekenis is voor linguïsten nog steeds voorwerp van studie.[26] Een algemeen aangenomen basisbetekenis is helpen, redden. Als uitroep is de betekenis dan help (mij(, red (mij). In het jodendom is het een liturgische term die hoort bij specifieke gebeden. In het christendom werd het woord bekend als uitroep van lof wanneer Jezus Jeruzalem intreedt: “Hosanna! Gezegend wordt wie in naam van de Heer komt!” Door dit soort context evolueerde het woord van een roep om hulp tot een uitroep van lof.

Het is normaal dat de Nephieten met het woord vertrouwd waren aangezien het deel is van teksten die op de koperen platen voorkwamen, zoals in Psalmen 118:25, en als deel van liturgische uitdrukkingen onder de wet van Mozes.

 

3 Nephi 11:21 – “Ik geef u de macht om dit volk te dopen” – Had Nephi dit macht al niet?

Nog maar twee jaar hiervoor predikte deze zelfde Nephi bekering tot het volk, doopte hij en ordende hij anderen om te dopen voor de vergeving van zonden (7:23–26). Hij had dus deze bevoegdheid en het priesterschap ervoor. Wat later zullen we ook lezen dat Nephi ook nog gedoopt werd hoewel hij voorheen al gedoopt was.

De reden voor deze hernieuwing van priesterschap en doop wordt uitgelegd vanuit het perspectief van de bedelingen. Na het vervullen van de wet van Mozes opende Jezus een volledig nieuwe bedeling van het evangelie. Nephi en zijn voorgangers hielden hun priesterschap vanuit een oude erfelijke lijn of vanuit een directe lijn (zie dit onderdeel over lijnen van overdracht in les 19 ). Jezus stelt een andere orde in, de hiërarchische lijn, met twaalf discipelen. Joseph Fielding Smith verduidelijkt dat Jezus de Nephieten het priesterschap verleende en de ambten erin voorzag, zoals wij dat heden ten dage kennen. Zo kwam een volledige kerkorganisatie tot stand.[27] Voor de herhaling van de doop maakt Joseph Fielding Smith de vergelijking met de doop van Joseph Smith en Oliver Cowdery in 1829: een jaar later werden zij opnieuw gedoopt, ditmaal als teken van hun lidmaatschap in de kerk.

 

5 – Gestructureerd lezen

3 Nephi 8 – De tekenen van Christus’ dood

  • 1–4 – Aangezien het 34e jaar aanbreekt, kijkt het volk uit naar het teken dat door Samuël was aangekondigd, namelijk de drie dagen duisternis.
  • 5–19 – Beschrijving van de vreselijke gebeurtenissen in een tijdsspanne van drie uur.
  • 20–22 – Duisternis gedurende drie dagen.
  • 23–25 – De spijt van hen die zich niet bekeerd hebben.

 

3 Nephi 9 – De stem van Christus  (tijdens de drie dagen duisternis)

  • 1–12 – Beschrijving van de rampen die de goddelozen getroffen hebben. Merk op hoe de Heer telkens verwijst naar de diepe reden van de straf: het bloed van de profeten.
  • 13–14 – Uitnodiging tot de overlevenden.
  • 15–18 – Christus stelt zichzelf voor.
  • 19–22 – De wijziging van de wet van offerande.

 

3 Nephi 10 – De drie dagen gaan voorbij

  • 1–3 – Een periode van vele uren stilte.
  • 4–7 – Opnieuw de stem, nu over de vergadering van het huis Israëls.
  • 8–11 – De duisternis houdt op. De wereld komt tot rust.
  • 12–13 – Beschrijving van wie gespaard is.
  • 14–17 – Herinnering aan de profeten die de gebeurtenissen voorspeld hadden.
  • 18–19 – Aankondiging van het belangrijke onderdeel dat gaan volgen.

 

3 Nephi 11 – Christus verschijnt aan de Nephieten

  • 1–2 – Een grote menigte is bijeen aan de tempel in Overvloed.
  • 3–6 – De stem uit de hemel weerklinkt driemaal. De derde maal verstaan ze hoe de Vader de Zoon aankondigt. Noteer het verschil in hun houding: ditmaal zetten ze hun oren open en richten ze hun ogen naar het punt waar de stem vandaan komt. Om de Heer te verstaan, moeten wij dus zélf ook iets doen.
  • 7 – De Vader kondigt zijn Zoon aan.  Zelden in de Schriften horen we de Vader spreken (bijna alle openbaringen zijn eigenlijk door Christus gegeven, die in de naam van de Vader spreekt). Wanneer de Vader Zelf spreekt, is het steeds om Zijn Zoon voor te stellen. Er zijn vier gevallen van bekend: bij de doop van Jezus (Mattheüs 3:17); bij de verheerlijking op de berg (Mattheüs 17:5); bij het Eerste Visioen van Joseph Smith (JS-G 1:17); en hier, bij het verschijnen van Christus aan de Nephieten.
  • 8–11 – De verschijning van Christus en Zijn eerste woorden.
  • 12 – De reactie van het volk.
  • 13–15 – De uitnodiging voor het aanraken van de tekens.
  • 16–17 – De reactie van het volk.
  • 18–22 – De roeping van Nephi en van anderen: zij krijgen de macht om te dopen.
  • 23–28 – Instructie over het dopen.
  • 29–30 – Over de geest van twisten.
  • 31–41 – Dit is Mijn leer: woordenstrijd en twist moeten worden weggedaan.

 

Voetnoten

[1]    Onder meer: James L. Baer, “The Third Nephi Disaster: A Geological View,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 19, no. 1 (1986): 129–132; Russell H. Ball, “An Hypothesis concerning the Three Days of Darkness among the Nephites,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 2, no. 1 (1993): 107–123; Alvin K. Benson, “Geological Upheaval and Darkness in 3 Nephi 8-10,” In The Book of Mormon: 3 Nephi 9-30, This is My Gospel, ed. Monte S. Nyman and Charles D. Tate, Jr. (Provo, UT: Religious Studies Center, 1993), 59–72; David B. Cummings, “Three Days and Three Nights: Reassessing Jesus’s Entombment,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 16, no. 1 (2007): 56–63; John Gee, “Another Note on the Three Days of Darkness,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 6, no. 2 (1997): 235–244; Benjamin R. Jordan, “’Many Great and Notable Cities Were Sunk’: Liquefaction in the Book of Mormon,” Brigham Young University Studies 38, no. 3 (1999): 119–122; Benjamin R. Jordan, “Volcanic Destruction in the Book of Mormon: Possible Evidence from Ice Cores,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 12, no. 1 (2003): 78–87; Bart J. Kowallis, “In the Thirty and Fourth Year: A Geologist’s View of the Great Destruction in 3 Nephi,’ BYU Studies 37, no. 3 (1997): 136–190; John A. Tvedtnes, “A Modern Example of Night without Darkness,” Insights: An Ancient Window 18, no. 5 (October 1998): 4; Bruce W . Warren and Thomas Stuart Ferguson, The Messiah in Ancient America (Provo: Book of Mormon Research Foundation 1987), 40–45.

[2]    Erastus Snow, “Discourse” (3 March 1878), Journal of Discourses, vol. 19, 276–277.

[3]    James E. Talmage, Jesus the Christ (Salt Lake City: Deseret Book, 1915), 664.

[4]    Talmage, Jesus the Christ, 725.

[5]    David B. Haight, “The Resurrected Christ”, Conference (April 1985); George P. Lee, “Behold My Beloved Son, in Whom I Am Well Pleased”, Conference (October 1982).

[6]    Vladimir Gurewich, “Observations on the Iconography of the Wound in Christ’s Side, with Special Reference to its Position,” Journal of the Warburg and Courtauld Institutes 20, no. 3/4 (1957): 358–362; Mathieu Schoffeleers, “Symmetrie en asymmetrie in religieuze symboliek: de lanswonde van Christus,” Etnofoor 2 (1990): 115–133.

[7]    Talmage, Jesus the Christ, 669.

[8]    Sharon Klayman Farber, “Ecstatic Stigmatics and Holy Anorexics: Medieval and Contemporary,” Journal of Psychohistory 31, no. 2 (2004): 182–204; Romuald Hamon,  “Les fonctions des stigmates de la Passion du Christ,” Ph.D. diss. (Université de Rennes 2, 2006); Peter Vogt, “Honor to the Side: The Adoration of the Side Wound of Jesus in Eighteenth-Century Morovian Piety,” Journal of Moravian History 7 (2009): 83–106; J-N. Vuarnet, “Les phénomènes physiques du mysticisme et leur représentation dans le corps-spectacle,” Revue de l’Université de Bruxelles 3-4 (1987): 121­–134.

[9]    Een prima studie levert Sergiusz Michalski, Reformation and the Visual Arts: The Protestant Image Question in Western and Eastern Europe (London: Routledge, 2013). Zie ook David Morgan, Protestants and Pictures: Religion, Visual Culture, and the Age of American Mass Production (Oxford: Oxford University Press, 1999).

[10]  Voor studies van deze ontwikkelingen in mormoonse kunst, zie Robert T. Barrett and Susan Easton Black, “Setting a Standard in LDS Art: Four Illustrators of the Mid-Twentieth Century,” BYU Studies 44, no. 2 (2005): 24–95; Noel A. Carmack, “Images of Christ in Latter-day Saint Visual Culture, 1900-1999,” BYU Studies 39, no. 3 (2000): 18–76; Barry Laga, “Making the Absent Visible: The Real, Ideal, and the Abstract in Mormon Art,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 40, no. 2 (2007): 47­–77; Richard G. Oman, “’Ye Shall See the Heavens Open’: Portrayal of the Divine and the Angelic in Latter-day Saint Art,” BYU Studies 35, no. 4 (1995): 113–141; Richard G. Oman, “’What Think Ye of Christ?’ An Art Historian’s Perspective,” BYU Studies 39, no. 3 (2000): 77–90.

[11]  Larry Osborne, Accidental Pharisees: Avoiding Pride, Exclusivity, and the Other Dangers of Overzealous Faith (Grand Rapids: Zondervan, 2012); Eric-Jon K. Marlowe, “The Only True Church: Boldness without Overbearance,” Religious Educator 7, no. 3 (2006): 22–37.

[12]  G. E. Allen and Kenneth T. Wang. “Examining Religious Commitment, Perfectionism, Scrupulosity, and Well-Being among LDS Individuals,” Psychology of Religion and Spirituality 6, no. 3 (2014): 257–264; Delroy L. Paulhus and Oliver P. John, “Egoistic and Moralistic Biases in Self‐Perception: The Interplay of Self‐Deceptive Styles with Basic Traits and Motives,” Journal of Personality 66, no. 6 (1998): 1025-1060.

[13]  Vicky Gillings and Stephen Joseph, “Religiosity and Social Desirability: Impression Management and Self-Deceptive Positivity,” Personality and Individual Differences 21, no. 6 (1996): 1047–1050; Gary K. Leak and Stanley Fish, “Religious Orientation, Impression Management, and Self-Deception: Toward a Clarification of the Link between Religiosity and Social Desirability,” Journal for the Scientific Study of Religion (1989): 355–359; Constantine Sedikides and Jochen E. Gebauer, “Religiosity as Self-Enhancement: A Meta-Analysis of the Relation between Socially Desirable Responding and Religiosity,” Personality and Social Psychology Review 14, no. 1 (2009): 17–36.

[14]  Kathleen Ritter and Craig O’Neill, Righteous Religion: Unmasking the Illusions of Fundamentalism and Authoritarian Catholicism (New York: Routledge, 2014); Matthieu Van Pachterbeke, Christopher Freyer, and Vassilis Saroglou, “When Authoritarianism Meets Religion: Sacrificing Others in the Name of Abstract Deontology,” European Journal of Social Psychology 41, no. 7 (2011): 898–903.

[15]  Doret De Ruyter, “Fundamentalist Education: A Critical Analysis,” Religious Education 96, no. 2 (2001): 193–210; Seth Dowland, Family Values and the Rise of the Christian Right (Philadelphia: University of Pennsylvania Press, 2015); Peter C. Hill and William Paul Williamson, The Psychology of Religious Fundamentalism (London: Guilford Press, 2005); Oduntan Jawoniyi, “Religious Education, Critical Thinking, Rational Autonomy, and the Child’s Right to an Open Future,” Religion & Education 42, no. 1 (2015): 34–53.

[16]  Zie ook vorige referenties. Verder: G.E. Kawika Allen, Kenneth T. Wang & Hannah Stokes, “Examining Legalism, Scrupulosity, Family Perfectionism, and Psychological Adjustment among LDS Individuals,” Mental Health, Religion & Culture 18, no. 4 (2015), 246–258; Stevan L. Nielsen, W. Brad Johnson, Albert Ellis, Counseling and Psychotherapy with Religious Persons: A Rational Emotive Behavior Therapy Approach (New York: Routledge, 2001); Eric G. Swedin, Healing Souls: Psychotherapy in the Latter-day Saint Community (University of Illinois Press, 2003); Eric G. Swedin, “Psychotherapy in the LDS community,” Issues in Religion and Psychotherapy 25, no. 1 (2000): 27–39.

[17]  Bijvoorbeeld John R. Peteet, Francis G. Lu, William E. Narrow (eds.), Religious and Spiritual Issues in Psychiatric Diagnosis: A Research Agenda for DSM-V (Arlington, VA: American Psychiatric Publishing, 2011); Cheryl Zerbe Taylor, “Religious Addiction: Obsession with Spirituality,” Pastoral Psychology 50, no. 4 (2002): 291-315.

[18]  Peter W. Sanders, GE Kawika Allen, Lane Fischer, P. Scott Richards, David T. Morgan, and Richard W. Potts, “Intrinsic Religiousness and Spirituality as Predictors of Mental Health and Positive Psychological Functioning in Latter-Day Saint Adolescents and Young Adults,” Journal of Religion and Health 54, no. 3 (2015): 871–887.

[19]  M. Russell Ballard, “Doctrine of Inclusion,” Conference (October 2001); Dallin H. Oaks, “Loving Others and Living with Differences,” Conference (October 2014).

[20]  Piazza, Jared. ““If You Love Me Keep My Commandments”: Religiosity Increases Preference for Rule-Based Moral Arguments,” International Journal for the Psychology of Religion 22, no. 4 (2012): 285–302.

[21]  Leer en Verbonden 121:39.

[22]  Benyei, Candace R., and Harold G. Koenig. Understanding Clergy Misconduct in Religious Systems: Scapegoating, Family Secrets, and the Abuse of Power (New York: Routledge, 2014); Anson D. Shupe, Wolves Within the Fold: Religious Leadership and Abuses of Power (New Brunswick, NJ: Rutgers University Press, 1998); Anson D. Shupe, Spoils of the Kingdom: Clergy Misconduct and Religious Community (University of Illinois Press, 2007).

[23]  Boyd K. Packer, “Principles”, Ensign, March 1985. Gebaseerd op een toespraak van 6 april 1984.

[24]  Zie bijvoorbeeld Brown, S. Kent. “When Did Jesus Visit the Americas?” In From Jerusalem to Zarahemla: Literary and Historical Studies of the Book of Mormon (Provo, UT: Religious Studies Center, 1998), 146­–156; Monte S. Nyman, Divine Ministry—The First Gospel: Jesus Among the Nephites (Orem, Utah: Granite Publishing and Distribution, 2003), 127–128; Sidney B. Sperry, Book of Mormon Compendium (Salt Lake City: Bookcraft, 1968), 401–402; John A. Tvedtnes, The Most Correct Book: Insights from a Book of Mormon Scholar (Salt Lake City: Cornerstone Publishing, 1999), 256–257.

[25]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5b – Third Nephi 8-30 (Kindle Locations 1192-1196). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[26]  Henry St John Hart, “Hosanna in the Highest,” Scottish Journal of Theology 45, no. 3 (1992): 283–302; Klaus Seybold, Der Segen und andere liturgische Worte aus der hebräischen Bibel (Zürich: Theologischer Verlag Zürich, 2004); J. Spencer Kennard, “’Hosanna’ and the Purpose of Jesus,” Journal of Biblical Literature (1948): 171–176; Eric Werner, “’Hosanna’ in the Gospels,” Journal of Biblical Literature (1946): 97–122.

[27]  Joseph Fielding Smith, “The Priesthood of the Nephites”, in Answers to Gospel Questions, vol.1 (Salt Lake City: Deseret Book, 1957), 122–126; idem, “Rebaptism of Nephi III”, vol. 3, 205–206.