Les 36 – 3 Nephi 1–7

“Morgen kom Ik in de wereld”

1 – Vragen (en antwoorden) bij de tijdrekening
2 – “Deze nacht wordt het teken gegeven”
3 – Over vier Nephis en de schrijvers van boek naar boek
4 – Het fenomeen van de transitoire afsluitingen
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
6 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

In het Boek van Mormon bekleedt het interne boek 3 Nephi een bijzondere plaats: het verhaalt het bezoek van de opgestane Christus aan het volk der Nephieten. Het is het hoogtepunt waarnaar zes eeuwen geschiedenis hebben uitgekeken. Van de 30 hoofdstukken in 3 Nephi zijn er 18 aan dat bezoek gewijd (11–28).

De eerste zeven hoofdstukken van 3 Nephi, bedoeld voor deze les, zijn deel van de aanloop naar dat bezoek. Ze bestrijken de periode van het jaar 1 tot 33 n.C., dus precies de periode van het aardse leven van Jezus in Palestina. Op het westelijk halfrond hebben de Nephieten wel het teken van zijn geboorte beleefd — een nacht zonder duisternis —, maar voor het overige loopt hun geschiedenis 33 jaar verder in golven van geloof en ongeloof, in weinig vrede en veel oorlog, en in maatschappelijke desintegratie. Dat brengt hen aan de vooravond van de natuurrampen die met Christus’ dood samengaan en zijn opstanding voorafgaan.

 

1 – Vragen (en antwoorden) bij de tijdrekening

Voor liefhebbers van geschiedenis.

Het bijzonder tijdvak van zeshonderd jaar
Wanneer werd Jezus geboren?
Wanneer verliet Lehi Jeruzalem?
Hoe telden de Nephieten hun jaren?
Implicaties en keuzen voor het heden

 

Het bijzonder tijdvak van zeshonderd jaar

De lectuur van 3 Nephi begint met een plechtig vers over de tijd:

Nu geschiedde het dat het eenennegentigste jaar was verstreken, en het was zeshonderd jaar vanaf het tijdstip waarop Lehi Jeruzalem had verlaten; en het was in het jaar dat Lachoneus opperrechter en regeerder van het land was. (3 Nephi 1:1)

Het 91e jaar verwijst naar de telling volgens de regering der rechters. Die was begonnen toen er “in het geheel vijfhonderdnegen jaar was verstreken vanaf het tijdstip waarop Lehi Jeruzalem had verlaten” (Mosiah 29:46). In het 91e jaar zijn er dus inderdaad zeshonderd jaar verstreken. De periode van “zeshonderd jaar” luidde dan ook de vervulling in van een profetie die Nephi eeuwen daarvoor had genoteerd: “Want volgens de woorden der profeten, komt de Messias zeshonderd jaar na het vertrek van mijn vader uit Jeruzalem” (2 Nephi 25:19). Het aanvangsvers van 3 Nephi heeft dus een buitengewone betekenis: we staan aan de vooravond van de geboorte van de Verlosser.

 

census_at_bethlehemJozef en Maria bij aankomst in Bethlehem, detail van “Volkstelling te Bethlehem” door Pieter Brueghel de Jonge (1564–1638).
Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen
Klik voor het volledige schilderij.

 

De chronologie met 600 jaar lijkt simpel, maar voor wie het nader bestudeert is het complexer — en boeiend om de Schriften grondiger te vatten. Het Boek van Mormon vraagt ons inderdaad aandacht te schenken aan de tijdrekening aangezien de Nephitische kroniekschrijvers er zelf veel mee bezig waren. Herhaaldelijk melden zij het aantal jaar “vanaf het tijdstip dat Lehi Jeruzalem verliet”, noteren ze een na een de jaren “in de regering der rechters” en voorspellen ze komende gebeurtenissen met een jaartal. De markantste voorspelling is de komst van de Messias — zeshonderd jaar na het vertrek van Lehi uit Jeruzalem. Naar dat moment uitkijken beheerst voor een groot stuk het leven en de hoop van de Nephitische profeten.

De meest eenvoudige visie op die profetie stelt het vertrek van Lehi op 600 v.C. en de geboorte van Jezus in het jaar 1 v.C. van onze tijdrekening. Dat geeft precies 600 jaar. Een nauwkeuriger zicht doet echter opmerken dat Lehi pas een aantal jaar na 600 v.C. uit Jeruzalem is vertrokken en dat historici de geboorte van Jezus een aantal jaar voor onze tijdrekening situeren. Dat vernauwt het tijdvak tot minder dan 600 en lijkt dus te knagen aan de geloofwaardigheid van de precieze 600 jaar. Onderzoek biedt hier echter een boeiend antwoord. Daartoe moeten we eerst twee vragen behandelen: Wanneer werd Jezus geboren? Wanneer vertrok Lehi uit Jeruzalem? Uit de antwoorden zal blijken dat het betrokken tijdvak inderdaad minder dan 600 jaar bedraagt. Maar dan blijkt er ook een evidente uitleg voor de 600 Nephitische jaren, namelijk het antwoord op de derde vraag: Hoe telden de Nephieten hun jaren? We behandelen elke vraag hierna.

 

Wanneer werd Jezus geboren?

Hoewel geen officiële leerstelling, is de traditie van Jezus’ geboortedag op 6 april van het jaar 1 veel mormonen vertrouwd. Basis hiervoor is een literalistisch lezen van Leer en Verbonden 20:1, op de dag van de stichting van kerk op 6 april 1830: “De opkomst van de kerk van Christus in deze laatste dagen, en wel achttienhonderddertig jaar na de komst van onze Heer en Heiland Jezus Christus.”

Die connectie met de geboortedag van Jezus is echter pas in de twintigste eeuw gelegd. Joseph Smith, noch enig kerkleider of kerklid in de negentiende eeuw, hebben die betekenis in dat vers gezien. Voor hen was de zin enkel een plechtige manier om te zeggen dat de kerk in 1830 werd gesticht, niet om de datum van Jezus’ geboorte te openbaren. Als er al een mormoon in de negentiende eeuw aan een andere datum dan 25 december dacht, was het de zelfzekere doordenker Orson Pratt die met eigen berekeningen uitkwam op 11 april in het jaar 4 v.C. als Jezus’ geboortedag en op 6 april in het jaar 30 als de dag van de kruisiging.[1]

 

geboorte-met-jozef-die-windsels-snijdt“Geboorte van Jezus”, met volgens een oude legende Jozef die voor het nog naakte kindje  windsels snijdt van zijn kousen. Onbekende Vlaamse meester ca. 1400 op houtpaneel. Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen

 

Het was pas in 1915 dat apostel James Talmage, op basis van dat vers in Leer en Verbonden 20, een literalistische lezing voorstelde: “Wij geloven dat Jezus Christus geboren werd in Bethlehem van Judea op 6 april, 1 v.C.”[2] Hij deed dat in zijn boek Jesus the Christ, dat in vele talen vertaald werd en nog altijd in herdruk is, wat zijn blijvende invloed verklaart. Sommige algemene autoriteiten vermelden die geboortedag van 6 april al eens en het is dus populair onder kerkleden.[3] Andere kerkleiders nemen echter afstand van Talmage’s interpretatie. In Our Lord of the Gospels, gebruikt als lesboek voor de Melchizedekse Priesterschap in 1958, gaat President J. Reuben Clark uit van de historische traditie van een geboorte in december en van het jaartal 5 v.C., “zoals door de meeste historici aanvaard”.[4] In The Mortal Messiah bespreekt apostel Bruce R. McConkie verschillende modellen om Jezus’ geboortedatum te berekenen. Ook hij komt tot het besluit van een geboorte in december in het jaar 5 v.C. of vroeg in het jaar 4 v.C.[5]

De kerk zelf hecht geen “Jezus-feestdag” aan 6 april. Net zoals de rest van de christelijke wereld blijft de kerk jaarlijks december als Jezus’ geboortemaand vieren met kerstconcerten, een kerstboodschap van het Eerste Presidium, en kerstliederen tijdens de diensten. De datum van 6 april van het jaar 1 als Jezus’ geboortedatum is dus een interpretatie waar men vrij in mag geloven, zolang het niet als enige waarheid wordt opgedrongen.

Het eigenlijke jaartal van Jezus’ geboorte is stof voor heel wat onderzoek geweest en dat gaat nog steeds verder. Volgens de logica van onze tijdrekening vond de geboorte plaats bij de aanvang ervan, dus op de grens tussen 1 v.C. en 1 n.C. (het jaar nul bestaat niet). Hoe kwam die tijdrekening tot stand? Pas in 525 n.C. probeerde de monnik Dionysius Exiguus een berekening van het aantal jaar na Jezus’ geboorte uit te kienen en kwam hij uit op 525 — een half millennium na de feiten.[6] De antieke en de vroegmiddeleeuwse wereld rekende immers nog eeuwenlang verder met de systemen waaraan zij gewend waren. Pas in de achtste eeuw begon men in christelijke middens de jaren aan te duiden volgens de christelijke tijdrekening zoals Dionysius had voorgesteld.

Later onderzoek kwam keer op keer tot het besluit dat de eigenlijke geboortedatum vier à vijf jaar voor onze tijdrekening moest gesitueerd worden. Onderzoekers gaan daarbij uit van historische personages en gebeurtenissen die in de vier evangelies vermeld worden en die men dan kan koppelen aan andere tijdrekeningen uit die en volgende perioden. Zo kon men het veel nauwkeuriger doen dan Dionysius. Een meerderheid van historici, inclusief mormoonse analisten, situeren Jezus’ geboorte ergens tussen 6 en 4 v.C.[7] Zij bevestigen wat ook kerkleiders als J. Reuben Clark en Bruce R. McConkie als vermoedelijk tijdstip aannemen.

 

Wanneer verliet Lehi Jeruzalem?

Nephi, zoon van Lehi, begint zijn kroniek met een historische situering: “… in het begin van het eerste jaar der regering van Sedekia, koning van Juda” (1 Nephi 1:4). Hij verduidelijkt dat eerste jaar als het moment waarop vele profeten in Jeruzalem optreden en het volk tot bekering roepen. De voetnoot in het Boek van Mormon voor dat eerste jaar geeft “598 v.C.” aan, met verwijzing naar de Gids bij de Schriften. Maar die Gids geeft dan weer het jaar 600 aan voor “Lehi trekt weg uit Jeruzalem”. Bij hoofdstuk 1 in het Boek van Mormon staat er als nuancerende toevoeging: “Ongeveer 600 v.C.” Die uiteenlopende verduidelijkingen verraden dat men bewust is van de vraagtekens bij de tijdrekening.

Nagenoeg alle moderne historici stellen het eerste jaar van de regering van Sedekia op 597 v.C.[8] Die precisering is vooral te danken aan de ontdekking, in het midden van de twintigste eeuw, van meer Babylonische kronieken. Sedekia’s geschiedenis is immers nauw verbonden met Babylonië aangezien hij als vazal-koning door Nebukadnezar II op de troon van Juda werd gezet. Omdat het na de afzetting van de vorige koning van Juda, Jojachin, allicht enige maanden heeft geduurd voor Nebukadnezar Sedekia als nieuwe koning bevestigde, stellen een aantal onderzoekers het eerste jaar van de regering van Sedekia op 596 v.C.[9] Met het jaar 597 of 596 als eerste jaar van zijn regering, hebben we dus een discrepantie van drie à vier jaar ten overstaan van het jaar 600 v.C.

sedekia_rouilleSedekia, zoals voorgesteld in de “Promptuarii Iconum Insigniorum” van Guillaume Rouillé (1518-1589)

 

Daarenboven is het niet zeker dat het vertrek van Lehi precies in het eerste jaar van de regering van Sedekia plaatsvond. Nephi vermeldt dat in het zog van de “vele profeten” ook zijn vader als profeet geroepen werd en tot het volk begon te prediken (1 Nephi 1:18). Werd hij al in het eerste jaar of in een later jaar geroepen? Indien in het eerste jaar, verliet hij dan nog datzelfde jaar Jeruzalem, of was het later? Daarenboven bleef hij, na het vertrek uit de stad Jeruzalem, nog geruime tijd op enkele dagreizen van de stad, terwijl zijn zonen weer naar Jeruzalem keerden om de koperen platen te verkrijgen. Vervolgens gingen ze nog eens terug om het gezin van Ismaël te overtuigen. BYU professor Randall Spackman suggereert dat het eigenlijke vertrek mogelijk pas in 588 of 587 plaatsvond omdat volgens Nephi de vernietiging van Jeruzalem “hen zou treffen onmiddellijk na het vertrek van mijn vader uit Jeruzalem” (2 Nephi 25:10).[10] Die vernietiging trof de stad in 586 v.C. toen Nebukadnezar, als antwoord op Sedekia’s bondgenootschap met Egypte, Jeruzalem belegerde, innam en verwoestte.

Een vertrek van Lehi in 600 v.C. is dus een moeilijk houdbare stelling. Als het vertrek later plaatsvond, vernauwt dit het tijdvak tot aan de geboorte van Jezus. Met dat geboortejaar tussen 6 en 4 v.C., zoals hierboven besproken, verkleint het tijdvak nogmaals. Zo zijn er hoogstens nog maar 593 jaar tussen de twee data, 597 en 4 v.C. Het kunnen nog minder jaren geweest zijn als het vertrek van Lehi pas na enkele jaren plaatsvond en als Jezus al in 6 v.C. geboren werd. Met Spackmans opmerking over een mogelijk vertrek van Lehi in 588 of 587 v.C., vermindert het tijdvak zelfs tot een kleine 580 jaar.

Enkele mormoonse apologeten hebben hun uiterste best gedaan om toch maar te bewijzen dat er wel degelijk volle zeshonderd jaar kunnen liggen tussen het vertrek van Lehi in 600 v.C. en de geboorte van Jezus, die dan in 1 n.C. wordt gesitueerd, zodat de profetie van Nephi perfect uitkomt.[11] Daartoe moeten zij wel, met de nodige speculaties, de datum van het eerste jaar van Sedekia drie jaar vroeger zetten, en de datums van historische personages ten tijde van Christus wat later zetten. Dat is echter lastig vol te houden en stuit dus ook op kritiek.[12]

 

Hoe telden de Nephieten hun jaren?

Professor Spackman vond een evidente verklaring voor de discrepantie in aantal jaren.[13] Een belangrijke vraag is immers: volgens welke kalender rekenden de Nephieten? Die volgens het zonnejaar met 365,2422 dagen per jaar of die van de maan met een jaar als twaalf keer een volle maan, wat een jaar van 354,367 dagen maakt? De maan-kalender was de meest gebruikelijke kalender bij Babyloniërs en Egyptenaren en hoorde ook bij de Hebreeuwse manier van tijdrekenen, soms met combinaties met het zonnejaar.[14]

Joodse zodiac voor tijdrekening_6de eeuwOok de Hebreeuwse tijdrekening maakte gebruik van de twaalf zodiakale tekens (dierenriem), al in de zevende eeuw v.C. bekend vanuit de Babylonische astronomie. Mozaïek van de zesde eeuw, in de Beit Alpha Synagoog, Israël.

 

Grieken en Romeinen gingen er mee verder, ook met eigen aanpassingen. En onze jaarindeling, ook al hebben we een zonnejaar van 365 dagen, verdeelt het jaar nog steeds in de twaalf traditionele “maan-den” van de oudheid, zij het met een andere telling van de dagen en met schrikkeljaren om met het zonnejaar te blijven overeenstemmen.

Het is dus hoogstwaarschijnlijk dat ook de Nephieten de jaartellingen volgens de maanstanden deden. Het woord maand komt zestienmaal voor in het Boek van Mormon, maar in oude talen verwees dit woord, zoals etymologisch nog steeds, naar de cyclus van de maan, niet naar onze maanden van 30 of 31 dagen. Typerend is dat het meervoudig woord maanden geen enkele keer in het Boek van Mormon voorkomt, maar wel manen: “En Coriantumr werd aangetroffen door het volk van Zarahemla; en hij woonde negen manen lang onder hen” (Omni 21). Er is dus veel voor te zeggen dat de Nephieten de maan-kalender gebruikten en daarmee jaren telden.

Wat is hiervan het gevolg voor de berekening? Zeshonderd maanjaren stellen mathematisch 582 zonnejaren voor. Als je dan bijvoorbeeld het vertrek van Lehi op 587 v.C. stelt, zoals Spackman suggereert op basis van 2 Nephi 25:10, en Jezus’ geboorte op 5 v.C., zoals door vele analisten bepaald, dan klopt de chronologie perfect.

587-5vc

Het is een aantrekkelijk en geloofwaardig voorstel, maar mag ook niet als definitieve waarheid gelden. Voorzichtiger is te spreken van een nuancerende marge die de berekening met maanjaren aanbiedt. Inderdaad, net zoals de Hebreeën en andere oude volkeren, pasten de Nephieten tussendoor zeker ook correcties toe, zoals bijstellingen voor festivals of een dertiende maand wanneer ze gelijklopendheid met seizoenen zochten. Op zes eeuwen Nephitische geschiedenis, met tal van onderbrekingen door jarenlange oorlogen en benauwingen, zijn dergelijke na-correcties en afwijkingen normaal. Mogelijk zijn er ook periodes van telling in zonnejaren geweest. Gelijkaardige correcties, afwijkingen en combinaties typeren alle oude culturen. Maar zeker is dat een tijdvak van 600 maanjaren in de Nephitische berekening een kleiner aantal jaren oplevert wanneer uitgedrukt in zonnejaren. Dat lost het probleem van de discrepantie op.

 

Implicaties en keuzen voor het heden

Als de Nephitische jaren inderdaad maanjaren zijn, moeten we dan niet bij elke Nephitische verwijzing naar een jaar — zoals het zoveelste jaar na Lehi’s vertrek of het zoveelste jaar van de regering der rechters — er een ander aangepast jaar v.C. bij vermelden door omzetting van de maan-kalender naar onze manier van rekenen? Sommige analisten, zoals Brant Gardner, doen dat en geven telkens aan hoe een Nephitisch maanjaar zich omzet in onze jaartelling v.C. Dat mag gerust, maar dan moet je ook eerst de vertrekdatum van Lehi en de geboortedatum van Jezus bepalen, terwijl geen van beide absoluut vaststaat. Zo’n omzetting kan evenmin rekening houden met mogelijke bijsturingen in de jaartelling tijdens de Nephitische geschiedenis, want die zijn ons onbekend.

Huidige edities van het Boek van Mormon behouden nog steeds de verwijzingen naar jaartallen volgens onze tijdrekening, zoals ze in de negentiende eeuw begrepen werden toen men ervan uitging dat Nephitische jaren overeenstemmen met onze zonnejaren. Vandaar het vertrek van Lehi “omstreeks 600 v.C.” en Jezus’ geboorte in het jaar 1 v.C. Dat is voor praktische redenen een duidelijke en eenvoudige optie. Ook voor de commentaar bij de lessen volg ik die optie. Maar de uitleg van de maan-kalender geeft een helpende verklaring voor een korter tijdvak dan de “zeshonderd jaar” wanneer iemand daar vanuit historische verdieping vragen over stelt.

 

2 – “Deze nacht wordt het teken gegeven”

Dimensies van aanvaarding van bovennatuurlijke verschijnselen
De ster van Bethlehem: hoe werd het geloofd en verklaard doorheen de geschiedenis?
Hoe geloven en verklaren kerkleden Samuëls tekenen bij Jezus’ geboorte?

 

Dimensies van aanvaarding van bovennatuurlijke verschijnselen

In het 86e jaar van de regering der rechters (5 v.C.) had Samuël de Lamaniet het in deze termen voorspeld:

Zie, ik geef u een teken; want er komen nog vijf jaar, en zie, dan komt de Zoon Gods om allen te verlossen die in zijn naam zullen geloven. En zie, dit zal ik u tot teken geven ten tijde van zijn komst; want zie, er zullen grote lichten aan de hemel zijn, zodat er in de nacht voor zijn komst geen duisternis zal zijn, zodat het de mensen zal toeschijnen dat het dag is … En het zal de nacht zijn vóór Hij geboren wordt. En zie, er zal een nieuwe ster verrijzen, zoals gij er nog nooit een hebt gezien.” (Helaman 14:2–6).

De ster is bekend vanuit het evangelie van Mattheüs (2:1–10):

“Toen nu Jezus geboren was in Bethlehem, in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het oosten kwamen in Jeruzalem aan, en zeiden: Waar is de pasgeboren Koning van de Joden? Want wij hebben Zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem te aanbidden … En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat hij boven de plaats kwam te staan waar het Kind was. Toen zij de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.”

Vijf jaar voor Jezus’ geboorte voorspelde Samuël de Lamaniet dus nog indrukwekkender tekenen voor de Nephieten op het westelijk halfrond: naast de nieuwe ster, ook “grote lichten aan de hemel” en een nacht zonder duisternis.

Kern van het onderwerp is uiteraard de geboorte van de Heiland. De “tekenen” geven er een bijzondere dimensie aan die echter ook een ander aspect oproept: hoe beschouwen mensen het verhaal van die tekenen? In breder opzicht gaat het om de psychologie van het al dan niet kunnen aanvaarden van bovennatuurlijke verschijnselen, maar ook om de psychologie van tussenvormen van aanvaarding. Ziet een gelovig mens de ster van Bethlehem als een onverklaarbaar wonder, als een goddelijk ingrijpen in de kosmos, als een door God uitgelokt maar verklaarbaar natuurverschijnsel, als een natuurlijk gebeuren dat God voorzien had of als een figuurlijke voorstelling?[15] Hoe de Nephieten in 3 Nephi op de “tekenen en wonderen” uiteenlopend reageren illustreert de relevantie van deze vragen.

 

De ster van Bethlehem: hoe werd het geloofd en verklaard doorheen de geschiedenis?

Hoe hebben mensen door de eeuwen heen het fenomeen van de ster van Bethlehem begrepen en trachten te verklaren? Als gebeurtenis vermeld in de Bijbel heeft “de ster van Bethlehem” inderdaad een massa studies, commentaren en controverses bevrucht.[16] We kunnen er mogelijk lessen uit trekken voor het begrijpen van de fenomenen die Samuël aankondigde en waarvan 3 Nephi 1 de verwerkelijking vertelt.

Al vanaf de derde eeuw van het christendom werd over de ster van Bethlehem geschreven. Kerkvaders-theologen zoals Origenes en Augustinus waren er zeker van dat bij Jezus’ geboorte een hemels lichaam was verschenen, maar ze stelden uitdrukkelijk dat het een mirakel was, een door God verwekte manifestatie, en geen natuurlijk te verklaren fenomeen zoals een komeet of een conjunctie van planeten (wanneer planeten vlak bij elkaar komen te staan). Deze vroege verdedigers van het christendom benadrukten dat de ster de wijzen op hun reis “voorging” en dan letterlijk boven de geboorteplaats “bleef staan”, dus dat het onmogelijk een hemellichaam met een vaste baan kon zijn. Daarmee gingen ze in tegen de heidense astrologie die aan sterren en planeten allerlei machten toeschreef. Ze ontkrachtten daarmee ook elke poging om wonderen als iets natuurlijk te verklaren, want dat deden agnostische filosofen uit de oudheid.

 

drie-wijzen_-bramerDe interpretatie van “de wijzen voorgaan” en “boven de plaats blijven staan” gaf ook aanleiding tot andere manieren van voorstellen, zoals licht dragende engelen. Hier “De tocht van de drie wijzen naar Bethlehem” van de Nederlandse schilder Leonard Bramer (1596–1674).

 

Pas vanaf de twaalfde eeuw groeide een omgekeerde invalshoek: mensen zochten naar een bevestiging dat het “echt gebeurd was”. Een natuurlijk, bewezen hemels verschijnsel ten tijde van Christus zou aan een rationele behoefte voldoen en zo geloofversterkend zijn: het onbekende en onverklaarbare connecteren met iets bekend en verklaarbaar. Astrologische berekeningen van Joodse en Islamitische astrologen begonnen christenen te boeien. Conjuncties van planeten konden immers tot honderden en duizenden jaren terug berekend worden. Die conjuncties werden al lang aanzien als tekenen van bijzondere gebeurtenissen. Was de ster van Bethlehem zo’n conjunctie? Maar die benadering om te bewijzen dat het “echt gebeurd was” en ook nog kosmologisch verklaarbaar had ook keerzijden: als Gods handelen afhangt van de stand van planeten die al ontelbare eeuwen daarvoor onafwendbaar voorzien zijn, waar blijft dan zijn vrije wil? En als de ster een natuurlijk fenomeen was, waar blijft dan het mirakel? In 1277 veroordeelde de katholieke kerk daarom dit soort deterministische astrologie. Voor de kerk bleef de ster van Bethlehem een wonder buiten elke rationele verklaring. Dat bleef eeuwenlang de algemene houding ten overstaan van mirakelen. In de zestiende eeuw deelden ook Luther en Calvijn die mening.

 

keplerJohannes Kepler (1571–1630) wordt aanzien als de grondlegger van de moderne astronomie. Schilderij uit 1610 in het Benediktijnerklooster in Krems

 

Het kon wetenschappers er niet van weerhouden om verder te rekenen. Er is iets diep fascinerend aan de mysteries van het heelal. Naast de astrologie, die aan de bewegingen van hemellichamen ook extra betekenissen via horoscopen gaf, ontwikkelde zich een meer neutrale astronomie, de wereld van de zuiver mathematische berekeningen. Begin zeventiende eeuw verfijnde Johannes Kepler de wetmatigheden van de hemelmechanica in de Wetten van Kepler. Teruggaand naar het verleden kwam hij uit op een belangrijke planetenconjunctie in 5 v.C., wat hij als gelovige in verband bracht met Jezus’ geboorte. Maar naast die conjunctie beschouwde hij de ster van Bethlehem als een werkelijk nieuwe ster, wat hij dan wel als miraculeus bestempelde. In 1604 had hij zelf het ontstaan van zo’n nieuwe ster vastgesteld: het was een supernova (exploderende ster met tijdelijk hoge luminositeit, maar dat wist Kepler toen nog niet). De combinatie van een berekenbare planetenconjunctie met een onverwachte supernova verzoenden rationele behoefte en geloof: voor Kepler was het fenomeen van Bethlehem een samenspel tussen natuurwetten en goddelijk ingrijpen.

In de achttiende eeuw bereikte de strijd tussen geloof en anti-kerkelijke Verlichting een hoogtepunt. Agnostische wetenschappers trachtten religie en mirakelen rationeel te verklaren, maar nu om het geloof te ondergraven. Voor hen viel ook de ster van Bethlehem in de categorie van te ontmantelen wonderen: het was gewoon een planetenconjunctie of een meteoor. Wat voorheen diende als rationele ondersteuning voor het geloof omdat het “echt gebeurd was”, werd nu een wapen tegen het geloof “omdat het geen mirakel was”. De kerken reageerden furieus en, net zoals de kerkvaders van de eerste eeuwen, benadrukten ze het uitzonderlijke van het wonder dat geen verband met een natuurlijk fenomeen kon hebben.

De negentiende eeuw bracht weer een koerswijziging. Binnen enkele protestantse kerken ontwikkelde zich de historisch-kritische exegese die de Schriften als historische teksten erkent en daarom ook grondig bestudeert, maar die bovennatuurlijke fenomenen niet als letterlijk gebeurd aanziet. Die beweging veroorzaakte veel controverse, maar vond ingang in progressieve kringen. Zij legde de basis voor een moderne theologie die in de twintigste eeuw ook het katholicisme doordrong. In die theologie bestaat geen behoefte om wonderen als “echt gebeurd” te verdedigen: belangrijker is het de geestelijke en opwekkende boodschap van de verhaalde wonderen te vatten, of, met andere woorden, de inhoudelijke essentie in de oude, tijdsgebonden inkleding te onderscheiden. Zo wordt bijvoorbeeld de ster van Bethlehem het symbool van een richtingaanwijzer in ons zoeken naar God. Die “demythologiserende” benadering nam de wind uit de zeilen van de agnostische wetenschappers: er was geen behoefte voor controverse meer want christelijke denkers hadden de manier gevonden om het geloof te redden zonder bovennatuurlijke fenomenen te moeten verdedigen. Toch dwingt die modern-christelijke benadering soms tot koorddansen: zelfs als je sommige mirakelen aanvaardbaar kunt herformuleren, andere, zoals de opstanding, zijn te fundamenteel om als symbolisch weer te geven.

Conservatieve gelovigen volgden dat progressief spoor niet. Zo ontstond in vele kerken een breuk met een progressief denkende vleugel. Het katholicisme kent die interne strijd sinds het Tweede Vaticaans concilie in de jaren 1960. Het is telkens weer uitkijken welke richting een nieuwe paus zal aangeven. Andere christelijke kerken, voornamelijk in de Verenigde Staten, kozen resoluut voor sterk conservatisme. Dat gaat samen met een literalistisch geloof in de Bijbel. Voor hen blijft de ster van Bethlehem dus een werkelijk wonder dat boven de natuurwetten staat.

planetarium-poster-2015-christmas-starTegelijkertijd zien we hoe veel van deze gelovigen, maar ook het publiek in het algemeen, nog steeds ontvankelijk zijn voor een historische bevestiging van bovennatuurlijke fenomenen. Net zoals in de middeleeuwen kennen veel gelovigen een rationele behoefte: men wil graag een aanwijzing dat het “echt gebeurd is” en ook dat het miraculeuze ergens verklaarbaar is. Vandaar het succes van populaire wetenschapsliteratuur die dit soort uitleg aanbiedt. Vanaf de jaren 1950 zien we bijgevolg een groeiend aanbod van boeken en artikelen die mysteries in oude beschavingen bestuderen en verklaren. Het enorme succes van Werner Kellers The Bible as History (vertaald als “De Bijbel heeft toch gelijk”) illustreert het. Daar hoort ook het “mysterie” van de ster van Bethlehem bij. Astronomen en medewerkers van planetaria zorgen al jaren voor publicaties en presentaties over de astronomische mogelijkheden voor de ster van Bethlehem. Er zijn telkens wel nieuwe vondsten te melden, zoals oude annalen uit China of Korea die over een supernova ten tijde van Jezus’ geboorte spreken. Een december-voorstelling in een planetarium, onder de hemelnacht met de stand van de planeten ten tijde van Jezus’ geboorte, trekt altijd veel volk.

Zo hebben populariserende wetenschappers en gelovigen elkaar in de realiteit van wonderen gevonden. De ironie is wel dat progressieve theologen en exegeten, die precies aan wetenschappelijke rigueur wilden tegemoet komen, daar nu buiten staan.

 

Hoe geloven en verklaren kerkleden Samuëls tekenen bij Jezus’ geboorte?

In de mormoonse kerk is het geloof in de letterlijkheid van het bovennatuurlijke een fundamenteel punt, maar niet als ingaand tegen natuurwetten, wel als toepassing van hogere wetten vanuit een hogere kennis — “hogernatuurlijk” in plaats van “bovennatuurlijk”. De kerk heeft bijgevolg altijd open gestaan voor wetenschap en verklaart het onverklaarbare als “nog-niet-verklaard”. Brigham Young stelde het zo:

“Wat ik zal zeggen over mirakelen, zoiets bestaat niet, behalve voor de naïeveling. Nooit was er een resultaat dat God of een van zijn schepsels tot stand bracht zonder dat er ook een oorzaak voor was. Er kunnen resultaten zijn waarvan we de oorzaak niet kennen of begrijpen; wat wij mirakelen noemen is niet meer dan dat — zij zijn het resultaat van oorzaken die ons begrip nog niet kent.”[17]

Als wetenschapper verklaarde apostel James Talmage:

“Mirakelen worden algemeen beschouwd als tegengesteld aan de natuurwetten. Zo’n visie is volkomen fout, want de wetten van de natuur zijn onschendbaar. Maar omdat onze menselijke kennis van die wetten nog onvolmaakt is, kunnen gebeurtenissen die strikt aan de natuurlijke wet beantwoorden er toch in tegenspraak mee lijken.”[18]

 

birth-of-jesus_geertgen-tot-sint“Geboorte van Jezus” door de vijftiende-eeuwse Nederlandse schilder Geertgen tot Sint Jans (ongeveer 1460–1490)

 

Mormonen staan dus eigenlijk in een spanningsveld als het over “onverklaarde” gebeurtenissen gaat: het zijn geen mirakelen, want ze zijn per definitie verklaarbaar, alleen missen we alsnog de relevante informatie. Moeten we dan zelf al proberen die onbekende wetmatigheden te vinden of er voorstellen voor doen? Hoe bijvoorbeeld, voortgaande op Samuëls profetie en op wat er vijf jaar later ook effectief gebeurde, de nieuwe ster, de nacht zonder duisternis en de “grote lichten aan de hemel” verklaren? We zien verschillende richtingen in benadering en die weerspiegelen de manieren waarop gelovigen tegen wonderen aankijken.

  • De meest eenvoudige weg is gewoon de fenomenen te aanvaarden als verschijnselen waarvan we ooit wel de verklaring zullen leren. Het vraagt een gelovig vertrouwen, soms ook ingegeven door het besef dat met onze huidige kennis geen enkele verklaring kan voldoen.
  • Een schuchtere maar veilige interpretatie is de nacht zonder duisternis als een uitstraling van Gods glorie te zien. Shirley R. Heater suggereert die.[19] Ze baseert zich daartoe op een gelijkaardige omschrijving in Bethlehem wanneer “de heerlijkheid van de Heere” de herders omscheen (Lukas 2:9). Gods heerlijkheid is licht en ongetwijfeld kan hij die gelijk waar op de wereld, over gelijk wie en gedurende gelijk welke periode doen schijnen. Ook de “grote lichten aan de hemel” kunnen daar volgens Heater mee overeenstemmen.
  • Net zoals bij andere christenen, staan veel mormonen ook open voor suggesties die de rationele behoefte aan begrip kunnen voldoen. Zo verwijst Hugh Nibley naar meteoren als de “grote lichten” en, naar een supernova als “waarschijnlijke” verklaring voor de nacht zonder duisternis.[20] Hij deed dit op latere leeftijd in een mondeling college waarvan de opname werd uitgeschreven en gepubliceerd, dus niet in zijn gebruikelijke context van gedocumenteerd onderzoek. Als men niet verder nadenkt kan dergelijke uitleg een snel en aantrekkelijk antwoord bieden. De logica van supernova en meteoren is echter moeilijk vol te houden omdat die fenomenen dagen- en wekenlang over de hele wereld zichtbaar zijn, en dus niet beperkt tot één nacht zonder duisternis op een gebied in het westelijk halfrond. Het licht van een exploderende supernova bereikt de aarde ook pas na tienduizenden zoniet honderdduizenden jaren. Dit soort uitleg roept dus soms meer vragen dan antwoorden op.
  • Een ander deels rationeel voorstel komt van Ammon O’Brien, die teruggrijpt naar Meso-Amerikaanse legenden rond Quetzalcoatl. Volgens hem is het mogelijk dat de nachtelijke duisternis door een uiterst lichtende volle maan werd verdreven. Die volle maan zou de helderheid van de nieuwe ster, die wél miraculeus is, weerspiegelen.[21]
  • Volledig rationeel met een concrete verklaring is de uitleg van Brant Gardner die de nacht zonder duisternis en de “grote lichten aan de hemel” toeschrijft aan een vulkaanuitbarsting.[22] Dit is het soort benadering die het “echt gebeurde” ook nog meteen natuurlijk verklaarbaar wil maken. Gardner doet het vanuit een gelovige hoek — God zorgde hiervoor —, maar in feite reikt hij precies het argument van de ongelovige aan. De ongelovige, net zoals de agnostische filosoof in de oudheid en de anti-kerkelijke wetenschapper van de Verlichting, ziet in zo’n rationele verklaring de reden om het mirakel niet te geloven. Het Boek van Mormon drukt het zo uit, meteen na de nacht zonder duisternis: “En het geschiedde dat Satan vanaf dat tijdstip leugens onder de mensen uitzond om hun hart te verstokken, opdat zij niet zouden geloven in de tekenen en wonderen die zij hadden gezien” (3 Nephi 1:22). De verklaring kan dan inderdaad zo luiden: “Maar nee, die nacht zonder duisternis en die lichten waren geen wonder, dat was gewoon een vulkaanuitbarsting”. Een “helpende” verklaring voor een wonder is dus soms een tweesnijdend zwaard.

Reacties van mensen ten overstaan van een bovennatuurlijke gebeurtenis kunnen dus verschillende richtingen uitgaan, bepaald door de graad van geloof, van rationele behoefte, van achtergrondkennis, van scepticisme en kritische instelling. Om zijn geloof te beschermen moet een gelovige zich hierin comfortabel kunnen positioneren, welke houding hij ook kiest.  Daartoe wordt in ons religieus onderwijs echter weinig hulp geboden zodat er snel twee kampen ontstaan: eenzijdige gelovigen versus eenzijdige ongelovigen, zoals in 3 Nephi.

 

3 – Over vier Nephis en de schrijvers van boek naar boek

Vier Nephis
Nummering van de Nephi-boeken
Kroniekschrijvers, periodes en overgangen van boek naar boek

 

Wie goed met het Boek van Mormon vertrouwd is, kent onderstaande informatie. Toch kan een overzichtelijke rappel al eens nuttig zijn. Het Boek van Mormon is immers erg complex. Bij de overgang naar een nieuw boek, zoals nu met 3 Nephi, kan een samenvattend zicht helpen.

 

Vier Nephis

Onder de kroniekschrijvers kunnen we er vier met de naam Nephi onderscheiden. Om ze makkelijk uit elkaar te houden voeg ik na de naam de voorletter van hun vader toe.

  • Nephi–L — Nephi, zoon van Lehi, is als profeet de hoofdauteur van de boeken 1 Nephi en 2 Nephi. Hij leefde in de zesde eeuw voor Christus. Hij gaf zijn naam aan de Nephieten. Hij werd tevens de eerste koning van de Nephieten werd. Zijn opvolgers werden Nephi de Tweede, Nephi de Derde enzovoort, genoemd (Jakob 1:11). Die traditie werd evenwel niet volgehouden, aangezien we een goede drie eeuwen later met de koningen Mosiah I, Benjamin en Mosiah II verdergaan.
  • Nephi–H — Nephi, zoon van Helaman, is een regeerder en profeet van de eerste eeuw v.C., werkzaam vanaf het 53e jaar van de regering der rechters (38 v.C.). Zijn bijdrage zit volledig in het boek Helaman, vanaf het moment dat hij zijn vader Helaman opvolgde (Helaman 3:37). Na eerst negen jaar als opperrechter te hebben gediend, koos hij ervoor zijn verder leven aan zendingswerk te wijden.
  • Nephi–N — Deze Nephi, zoon van de vorige, is de profeet die de zorg voor de kronieken van zijn vader Nephi-H overneemt omstreeks 1 v.C., dus kort voor de geboorte van Jezus. Zijn verslag, eeuwen later ingekort door Mormon, staat in het boek 3 Nephi. Deze Nephi wordt één van de twaalf discipelen, wat we kunnen afleiden uit de preambule van het volgende boek, 4 Nephi, geschreven door “de zoon van Nephi — een van de discipelen van Jezus Christus”.
  • Nephi–NN — Als zoon in een volgende generatie, is deze Nephi de zoon van Nephi-N, en dus kleinzoon van Nephi-H. Hij is de kroniekschrijver van het boek 4 Nephi. Toch bestaat ook een mening dat Nephi-N en Nephi-NN dezelfde persoon zijn. Dat bespreken we wanneer we in een volgende les aan het boek 4 Nephi komen.

 

Nummering van de Nephi-boeken

Dat het boek “3 Nephi” heet vinden we normaal, want in het begin van het Boek van Mormon zijn er een “1 Nephi” en een “2 Nephi”. Maar oorspronkelijk, in de eerste editie van 1830, was 3 Nephi gewoon “The Book of Nephi” getiteld, zonder nummering, zoals het op de platen stond aangezien Joseph Smith het daar letterlijk van overnam. Die originele titel vinden we ook nu nog, “Het boek Nephi”, onder de later toegevoegde titel “Drie Nephi”. Waarom droeg de originele titel van het boek 3 Nephi geen nummering op de platen? Het lijkt onlogisch omdat 1 en 2 Nephi wél een nummering op de platen hadden. Vanaf de eerste editie in 1830 heetten ze “First Book of Nephi” en “Second Book of Nephi”. Dat stond namelijk op de platen vermeld, zo bedoeld als onderscheid tussen twee aparte sets van platen, geschiedkundig verdeeld door de dood van Lehi. Dan zou je toch verwachten dat Mormon, bij de samenstelling van het geheel, een volgend Nephi-boek “Third Book of Nephi” op de platen zou hebben genoemd? Toch niet.

De boeken 1 Nephi en 2 Nephi dateren van zeshonderd jaar daarvoor. Ze zijn beiden door Nephi-L geschreven en waren deel van de kleine platen die Mormon pas na de afronding van heel zijn editeerwerk toevoegde aan zijn verslag. Het huidige boek “3 Nephi” was een apart staand boek met een eigen auteur in de bundel grote platen. Daar heette het dus logischerwijs “The Book of Nephi”. Het was dus het eerste boek met die naam in de bundel grote platen. (Het begindeel van de grote platen, en waarvan Martin Harris het manuscript verloor, heette “The Book of Lehi”.[23]) Daarenboven werden boeken van verschillende auteurs met dezelfde naam niet genummerd, wat blijkt uit het feit dat 4 Nephi, dat meteen op 3 Nephi volgt, ook in het origineel opnieuw “The Book of Nephi” werd genoemd.

De nummering 3 en 4 Nephi werd pas in de editie van 1879 ingelast, toen het hele Boek van Mormon in hoofdstukken en verzen werd verdeeld. Die doorlopende nummering van de Nephi-boeken maakte het makkelijker om naar Schriftteksten te verwijzen.

 

Kroniekschrijvers, periodes en overgangen van boek naar boek

Interne boeken in het Boek van Mormon zijn zelden volledig geschreven door de persoon wiens naam aan het boek gegeven is. Het volgende overzicht kan een nuttige rappel vormen. Het betreft boeken die deel zijn van de “grote platen van Nephi”. Bedenk daarbij dat elk van onderstaande boeken tot ons is gekomen als een “inkorting” door Mormon, waarbij hij originele stukken behield, andere delen samenvatte en ook nog zijn eigen commentaren er hier en daar tussenschoot. Het overzicht is ook interessant voor jaartallen (die tot 9 n.C. in het Boek van Mormon als jaartal “van de regering der rechters” worden uitgedrukt) en voor de periodes van kroniekschrijven per persoon — allemaal indicaties voor de complexe interne logica van het Boek van Mormon, en dus ter ondersteuning van zijn authenticiteit.

  • HET BOEK ALMA werd begonnen door Alma de jongere, zoon van Alma de oudere, bij de aanvang van de regering der rechters in 91 v.C. Na zeventien jaar, in 74 v.C., draagt Alma de jongere het bijhouden van de kroniek over zijn zoon, Helaman de oudere (Alma 37). Maar de woorden van Alma blijven nog verschillende hoofdstukken doorlopen, tot Helaman zelf “de kroniek van Helaman” in het boek Alma begint (Alma 45). In 55 v.C., dus na negentien jaar, draagt Helaman de oudere het kroniekschrijven aan zijn broer Shiblon over, die het drie jaar later aan de zoon van Helaman toevertrouwt, Helaman de jongere (Alma 63:1, 11).
  • HET BOEK HELAMAN werd begonnen door Helaman de jongere in 51 v.C. Hij sterft in 38 v.C., dus hield hij de kroniek dertien jaar bij, waarna zijn zoon Nephi (Nephi-H) overneemt (Helaman 3:37). Volgens de preambule van het boek Helaman droeg ook Helamans andere zoon, Lehi, tot de kroniek bij. Het boek Helaman loopt tot 1 v.C., dus Nephi en Lehi hebben de kroniek zo’n achtendertig jaar bijgehouden.
  • HET BOEK NEPHI (3 Nephi) werd begonnen door Nephi (Nephi-N), zoon van Nephi (Nephi-H), zoals de ondertitel vermeldt — “de zoon van Nephi, die de zoon van Helaman was”. Hij neemt over in 1 v.C. Hier hebben we een boek dat blijkbaar alleen door deze Nephi werd bijgehouden, vierendertig jaar lang (3 Nephi 1:3). Wat we echter lezen zijn essentieel overnames, inkortingen en samenvattingen door Mormon, zodat we weinig Nephi’s stem zelf horen, maar hem wel leren kennen in zijn optreden. Een groot deel van het boek is gewijd aan de leringen van Jezus bij zijn bezoek aan de Nephieten.
  • HET BOEK NEPHI (4 Nephi) begint na het bezoek van de Heiland aan de Nephieten, in 34 n.C. Hoewel een kort boek, bestrijkt het 285 jaar geschiedenis. Het is genoemd naar Nephi (Nephi-NN), maar een aantal kroniekschrijvers volgen hem dan op. Zijn zoon Amos kreeg de opdracht in 110 n.C., op zeer jonge leeftijd, aangezien hij gedurende 84 jaar hoeder van de kronieken bleef, alvorens te overlijden in 194 n.C. (4 Nephi 20–21). Daarna volgde zijn zoon Amos. De geschiedenis vordert dan met grote sprongen, zodat Mormon bij het samenvatten mogelijk een of meer kroniekschrijvers niet vermeld heeft. We komen opnieuw bij een Amos uit, die bij overlijden in 305 n.C. de zorg voor de kroniek aan zijn broer Ammaron overdraagt. We komen hierop terug bij de bespreking van 4 Nephi.

 

4 – Het fenomeen van de transitoire afsluitingen

Dit onderdeeltje gaat specifiek over de passage in 3 Nephi 5:8–26.

Naar het einde van het Boek van Mormon komen passages voor die, hoewel ze nog niet het eind van het verhaal vormen en soms ook nog het vervolg aankondigen, tegelijkertijd toch de toon en de inhoud van een afsluiting hebben — alsof de auteur op dit punt het boek afsluit en afscheid neemt, soms met een krachtig “Amen” als laatste woord. Maar daarna herneemt het verhaal, tot de volgende passage die opnieuw een indruk van afsluiting en afscheid geeft. Ze zijn een paar keer van de hand van Mormon, maar we vinden ze vooral bij zijn zoon Moroni, die we later meer gedetailleerd zullen bestuderen. Je kunt elk van deze passages als een spontane mijmering tussendoor beschouwen, maar het kan ook om een feitelijke afronding van de tekst gaan, omdat de schrijver niet zeker is dat hij er daarna nog kan aan voortwerken. Vandaar de term transitoire afsluiting, een werkelijke afsluiting, maar die nadien transitoir wordt als de schrijver toch weer de griffel opneemt.

Zo’n transitoire afsluiting is te verklaren vanuit de omstandigheden waarin Mormon, en na hem Moroni, met het bewerken en samenstellen van de kronieken bezig waren. Die omstandigheden waren uitermate onzeker. Als legeraanvoerder was Mormon betrokken in herhaalde veldslagen en verre verplaatsingen. Als eenzame achterblijver zou Moroni nog vele jaren overleven, maar nooit met de zekerheid dat hij het einde van de dag zou zien. We kunnen ons voorstellen dat ze leefden met de beklemming iets onafgewerkt achter te laten. Mormon en Moroni leefden met het intense besef dat de dood telkens nabij kon zijn. Dus, bij elke risicovolle onderbreking van hun schrijfwerk, was een vorm van afsluiting geschikt.

De passage in 3 Nephi 5:8–26 beantwoordt aan de criteria voor een transitoire afsluiting. Ze komt op het moment dat Mormon de inkorting van de kroniek op het 25e jaar n.C. heeft afgerond. Maar zelf schrijft hij dit alles zo’n 350 jaar later, te midden van zijn eigen moeilijkheden. Hij herhaalt eerst de ontmoedigde vaststelling dat hij “zelfs geen honderdste deel” van de gebeurtenissen in die 25 jaar heeft kunnen vertellen. Dan verruimt hij zijn blik tot het maken van de hele kroniek van Nephi, inclusief het “eigenhandig” maken van de platen. Hij stelt zichzelf voor, “zie, ik heet Mormon”, en bevestigt zijn positie als “een discipel van Jezus Christus” en zijn werk om de kronieken samen te stellen. Het leidt tenslotte tot een lofrede voor Gods handelen ten behoeve van het nageslacht van Jozef. Zijn laatste woorden openen het zicht op de verre toekomst, wanneer al diegenen die over de aarde verstrooid zijn hun Verlosser zullen leren kennen. De passage eindigt met een forse slotzin — “ja, zowaar de Heer leeft, aldus zal het zijn. Amen.”

Het slot is bovendien literair verzorgd als chiasme (Nederlands conform Engels origineel):

3ne5-24

Het klinkt alsof dit het einde van het Boek van Mormon had kunnen zijn. Mogelijk zijn vroegere passages van de hand van Mormon ook transitoire afsluitingen, zoals hoofdstuk 12 van Helaman, dat ook alle kenmerken van een eindpunt draagt. Het latere hoofdstuk 7 van het interne boek “Boek van Mormon” is de laatst genoteerde afsluiting van Mormon, gewoon omdat er geen andere meer achter komt. Na dat hoofdstuk neemt Moroni over. Zijn tekst, zoals we zullen zien, telt verscheidene transitoire afsluitingen.

 

5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

Hoe verder we in het Boek van Mormon vorderen, hoe meer we items tegenkomen die al eens in vorige lessen zijn voorgekomen. Het leek me nuttig daar telkens naar te verwijzen, als mogelijk nieuw voor wie niet alle voorgaande informatie gelezen heeft, of als rappel. De verwijzingen brengen u meteen naar het betrokken onderdeel.

 

3 Nephi 1:2 – “voor al de dingen die heilig waren gehouden
3 Nephi 1:14 – “van de Vader wegens Mijzelf, en van de Zoon wegens mijn vlees”
3 Nephi 1:17 – “op het oppervlak der gehele aarde … zowel in het land noord als in het land zuid”
3 Nephi 2:14-16 – “hun vervloeking werd van hen weggenomen, en hun huid werd blank”
3 Nephi 3:1 – Lachoneus, een Griekse naam
3 Nephi 3:2–10 – De brief van Giddianhi aan Lachoneus
3 Nephi 3:22 – Paarden en wagens
3 Nephi 3:23–24 – “verzamelen in het land zuidwaarts”
3 Nephi 6:8 – Wegenbouw: opgeworpen hoofdwegen versus aangelegde wegen
3 Nephi 7:2-3 – “zij scheidden zich van elkaar af in stammen”

 

3 Nephi 1:2 – “voor al de dingen die heilig waren gehouden”

“En Nephi, de zoon van Helaman, was uit het land Zarahemla vertrokken en had zijn zoon Nephi, die zijn oudste zoon was, belast met de zorg voor de platen van koper, en voor alle kronieken die waren bijgehouden, en voor al die dingen die heilig waren gehouden sedert het vertrek van Lehi uit Jeruzalem.”

Voor een overzicht van wat deze overdracht van het Nephitisch archief inhield, zie dit onderdeel in les 29.

 

3 Nephi 1:14 – “van de Vader wegens Mijzelf, en van de Zoon wegens mijn vlees.”

“Zie, Ik kom tot de mijnen om alle dingen te vervullen die Ik de mensenkinderen sedert de grondlegging der wereld heb bekendgemaakt, en om de wil te doen zowel van de Vader als van de Zoon — van de Vader wegens Mijzelf, en van de Zoon wegens mijn vlees.”

Deze passage is niet eenvoudig omdat de formulering zeer compact is, in het bijzonder het laatste deel. De spreker is duidelijk Christus die aankondigt dat Hij nu in de wereld gaat komen. Hij kan over zichzelf vanuit twee perspectieven spreken: enerzijds als de Vader van deze aarde en van de mensheid, aangezien hij verwijst naar zijn voorsterfelijk werk voor de mensenkinderen “sedert de grondlegging der wereld”; anderzijds als de Zoon van zijn eigen hemelse Vader want de term Zoon verwijst alleen naar die relatie. In het tweede deel van de passage gaat het om “de wil te doen van”, dus een perspectief van een lagere ten overstaan van een hogere. De wil van de Vader te doen “wegens Mijzelf” duidt allicht op Christus’ vrijwillige onderwerping aan de wil van zijn eigen hemelse Vader om het noodzakelijk eindoffer te brengen. De wil van de Zoon te doen “wegens mijn vlees” kan duiden op de vrijwillige onderwerping van Christus zelf aan het sterfelijk bestaan. De moeilijkheid van de interpretatie spruit ook voort uit het feit dat Christus zelf op dit moment op een scharnierpunt staat: “morgen kom Ik de wereld” (3 Nephi 1:13).

 

3 Nephi 1:17 – “op het oppervlak der gehele aarde … zowel in het land noord als in het land zuid”

“En zij begonnen te beseffen dat de Zoon van God weldra moest verschijnen; ja, kortom, alle mensen op het oppervlak der gehele aarde, van het westen tot het oosten, zowel in het land noord als in het land zuid, waren zo buitengewoon verbaasd dat zij ter aarde vielen.”

“Op het oppervlak der gehele aarde” verwijst naar de oppervlakte die zij kennen en die in de verduidelijking erachter wordt begrensd: het land noord en het land zuid, dus het algemene land Zarahemla en het algemene land Nephi. In het Engels is het inderdaad: “in the land north and in the land south”. Zie ook de opmerking en het kaartje hieronder bij 3 Nephi 3:23–24.

 

3 Nephi 2:14-16 – “hun vervloeking werd van hen weggenomen, en hun huid werd blank”

“En het geschiedde dat die Lamanieten die zich met de Nephieten hadden verenigd, onder de Nephieten werden gerekend; en hun vervloeking werd van hen weggenomen, en hun huid werd blank, zoals die der Nephieten; En hun jongemannen en hun dochters werden buitengewoon mooi, en zij werden gerekend onder de Nephieten, en werden Nephieten genoemd.”

Dit is een van die passages die een indruk van racisme en simplisme geeft: een donkere huid als vervloeking en de mogelijkheid dat God die huidskleur kan wijzigen. Dit onderwerp besprak ik, met ook aanhaling van deze Schrifttekst, in dit onderdeel van les 7.

Kort samengevat is de basisverklaring voor het onderscheid tussen donker en blank een esthetisch criterium dat nagenoeg alle antieke volkeren deelden: enerzijds de bruingebrande buitenwerkers en de vuile zwervers, anderzijds de sedentaire inwoners van steden en dorpen, voor wie een blekere huid een teken van sociale standing en van aantrekkelijkheid was. Het Boek van Mormon associeert de verkregen donkere huid dan ook systematisch met een “vuile” levenswijze, niet met een ras. Ook in het Oude Testament is die visie gangbaar.

In deze passage in 3 Nephi 2 versterkt de frase “hun jongemannen en hun dochters werden buitengewoon mooi” het idee dat het inderdaad om een cultureel-esthetische “make-over” ging. Op zich is het natuurlijk nog altijd het opleggen van een externe culturele norm, maar niet verschillend van het opleggen van hedendaagse mormoonse normen inzake lengte van kleedjes, kleur van overhemden, aantal oorringen of tatoeages.

Wel opvallend is dat bij de massale bekeringen van Lamanieten gedurende de hele eerste eeuw voor Christus er nooit sprake is van het verkrijgen van een blanke huid als beloning. Enkel eenmaal is er een onopvallende “de vervloeking Gods volgde hen niet meer” (Alma 23:18). Maar van de duizenden Lamanieten die onder Nephi, zoon van Helaman, bekeerd werden, geen woord over het wegnemen van een vervloeking. Het zou best kunnen dat die Lamanieten ten tijde van hun bekering al verstedelijkt waren en dat een opmerking over hun uiterlijk dus niet meer relevant was.

Ik herneem het slotstuk van de bespreking in les 7:

Ook al kunnen we nu de passages over huidskleur in het Boek van Mormon beter cultureel en taalkundig plaatsen, toch is het onmiskenbaar dat vroegere interpretaties van die passages vormen van racisme onder kerkleden hebben gevoed. Het idee dat God een waardeoordeel aan huidskleur hechtte, specifiek voor zwarten, vond ingang ten tijde van Brigham Young in het midden van de negentiende eeuw. Het was deel van een wijd verbreid racisme in de Verenigde Staten. Meer dan honderd jaar lang zou het de beperking op het priesterschap aan zwarten bepalen. Het is een beschamend deel van onze kerkgeschiedenis.

“Heden ten dage verwerpt de kerk de theorieën die in het verleden vooruitgeschoven werden, namelijk dat een zwarte huid een teken van goddelijke afkeuring of vloek is, of dat het onrechtvaardige handelingen in een voorsterfelijk leven weerspiegelt; dat gemengde huwelijken een zonde zijn; of dat zwarten of mensen van gelijk welk ras of etniciteit op enige wijze minderwaardig ten overstaan van gelijk wie zijn. De kerkleiders veroordelen ondubbelzinnig alle racisme, verleden of hedendaags, in gelijk welke vorm.”[24]

 

3 Nephi 3:1 – Lachoneus, een Griekse naam

De naam kwam al even bij de aanvang van 3 Nephi voor, maar in dit hoofdstuk krijgt de opperrechter Lachoneus een grote rol in het verhaal. De naam is nagenoeg zeker van Griekse oorsprong (de huidige Nederlandse vertaling voegt ten onrechte een trema op de u toe; -eus [ois] is een Griekse eindlettergreep). De connectie is evident met Laconië, een gebied in het uiterste zuiden van het Griekse vasteland, beroemd om zijn oude hoofdstad Sparta. Dat een Griekse naam tot het gamma Nephitische namen kon behoren is niet verwonderlijk. In Palestina ten tijde van Lehi leefden de Hebreeën in een multiculturele omgeving. Al van minstens de vijftiende eeuw v.C. ontwikkelden zich handelsrelaties tussen de toenmalige Achaeërs in Griekenland en de landen van het Midden-Oosten. In de loop van volgende eeuwen zouden ook veel Griekse huursoldaten in dienst van Egypte en van andere wisselende machthebbers strijden. De connectie van Lehi met Egypte is bekend. De invloed van Athene, dat zich in de zevende eeuw v.C. tot een grote zeemogendheid ontwikkelde, zorgde voor culturele verspreiding, ook in Israël, zoals archeologisch onderzoek uitwijst.[25]

Amfora uit Laconië met gorgoneion, kraanvogels en sfinxen, ca. 540-530 v.C. London, British Museum

In de zesde eeuw v.C. was Laconia beroemd voor zijn aardewerk, met de zwartfigurige stijl. Deze amfora’s werden tot in Jeruzalem geëxporteerd. De naam Laconiërs was er dus bekend (en ze waren ook berucht  om hun snedige korte antwoorden, vandaar nu nog de term “laconiek”).

 

De kans is groot dat de naam Lachoneus niet via Lehi’s groep, maar via de groep van Mulek naar het westelijk halfrond kwam, gelet op Muleks koninklijke achtergrond als zoon van Sedekia. In zijn omgeving circuleerden allicht vertrouwelingen, ambachtslui en dienstknechten van diverse origines, waarvan een aantal met de groep meekwamen. Volgens John Sorenson kon het met Mulek inderdaad gaan om een rijke kolonie die met een Fenicisch schip en bemanning de reis aanvatte.[26] Voor mogelijk aanwezige Grieken verwijst Sorenson ook naar Hugh Nibley.[27] Die grote diversiteit in Muleks groep kan ook verklaren waarom zo’n vierhonderd jaar later een verbasterde taal en een verminkt geloof hen kenmerken (Omni 17).

 

3 Nephi 3:2–10 – De brief van Giddianhi aan Lachoneus

“Lachoneus, hoogst edele opperregeerder van het land, zie, ik schrijf u deze brief en betuig u buitengewoon grote lof wegens uw onwrikbaarheid, en ook de onwrikbaarheid van uw volk…”

Mormons werk is een “inkorting” van kronieken, maar brieven neemt hij doorgaans volledig op. Mogelijk waren die zodanig gearchiveerd dat het makkelijker was ze integraal in de kroniek in te schuiven dan ze samen te vatten. Dat levert ons hier een kostbare “directe bron” op.

De inhoud en de stijl van de brief zijn tekenend voor de wijzigingen die de maatschappij doormaakt. Giddianhi is geen ordinaire roverhoofdman. Hij schrijft als een gecultiveerd man, in diplomatieke taal. Al jaren is de maatschappij immers aan het kenteren en hebben ook ontwikkelde mensen zich bij de “oppositie” aangesloten. Uit de brief blijkt trouwens dat Giddianhi vanuit een oude politieke strijd schrijft “mijn volk — dat zich van u heeft afgescheiden wegens uw slechtheid toen gij het zijn bestuursrecht onthield” (3:10). Hij wil zijn dat het volk “zijn rechten en bestuur zal terugkrijgen”.

Giddianhi noemt zichzelf ook “de regeerder van deze de geheime vereniging van Gadianton” [the governor of this the secret society of Gadianton] (vers 9), met een plechtstatige emfase. Ditmaal gaat het niet meer om een “geheime combinatie”. Hier moet dus inderdaad het onderscheid tussen het Engels combination en society gemaakt worden (zie dit onderdeel in les 34).

Deze vereniging is een werkelijke organisatie waarvan Giddianhi de bestuurder of regeerder (governor) is. De huidige Nederlandse vertaling respecteert deze nuances niet. Al vanaf vers 1 vervalst de vertaling onze perceptie van beide mannen door het woord governor, dat in het Engels zowel voor Lachoneus als voor Giddianhi gebruikt wordt, verschillend te vertalen, namelijk regeerder voor opperrechter Lachoneus, en hoofd van de rovers voor Giddianhi. Hetzelfde gebeurt dus nog een keer in vers 9. Het feit dat de kroniek ook Giddianhi een “governor” noemt wijst op een zekere erkenning uit het verleden of op het georganiseerd niveau dat de rovers hebben bereikt. Vertalingen mogen zich niet laten leiden door subjectieve perceptie, maar dienen elk significant woord, zeker in eenzelfde context, coherent door hetzelfde woord te vertalen.

 

3 Nephi 3:22 – Paarden en wagens

En het geschiedde in het zeventiende jaar, tegen het eind van het jaar, dat het bevelschrift van Lachoneus over het gehele oppervlak van het land was uitgegaan, en zij hadden hun paarden en hun wagens en hun vee en al hun kleinvee en hun runderen en hun graan en al hun bezit bijeengebracht, en bij duizenden en bij tienduizenden trokken zij op, totdat zij zich allen hadden begeven naar de plaats waar zij zich volgens de aanwijzing zouden verzamelen om zich tegen hun vijanden te verdedigen.

Zie hiervoor dit onderdeel in les 25.

 

3 Nephi 3:23–24 – “verzamelen in het land zuidwaarts”

Maps2-page-001

“En het land dat was aangewezen, was het land Zarahemla, en het land dat tussen het land Zarahemla en het land Overvloed lag, ja, tot aan de grens die tussen het land Overvloed en het land Woestenij liep. En er waren vele duizenden mensen die Nephieten werden genoemd, die zich in dat land verzamelden. Nu liet Lachoneus hen zich verzamelen in het land zuidwaarts wegens de grote vervloeking die op het land noordwaarts rustte.” (Engels: … should gather themselves together in the land southward, because of the great curse which was upon the land northward.]

Hier zien we hoe belangrijk de termen zijn. De huidige Nederlandse vertaling houdt daar geen rekening mee en vertaalt in bovenstaande passage de onderlijnde woorden met “zuidelijke land” en “noordelijke land”, net zoals het met diezelfde woorden ook “land noord” en “land zuid” vertaalt. Met zo’n ambigue aanduiding zouden de Nephieten midden tussen de rovers “in het land zuid” kunnen terechtkomen, terwijl ze zich op de bovengrens van het “land zuidwaarts” in veiligheid moeten stellen.

“Het land Zarahemla” kan zowel het algemeen gebied, zoals op de kaart aangeduid, betekenen, maar ook een kleiner gebied binnen die grotere eenheid. Het algemene land Zarahemla, als hoogste bestuurseenheid, bestaat immers uit een aantal kleinere “landen” die we in de loop van de geschiedenis zijn tegengekomen. Noteer op dat vlak de precisering in vers 23: “het land dat tussen het land Zarahemla en het land Overvloed lag”. De kaart beperkt zich tot het algemeen gebied. Voorstellen voor interne verdelingen van het land Zarahemla vindt men makkelijk online (Google Book of Mormon maps).

In 3 Nephi 4:23 dient het vers zo gelezen te worden, conform het Engels:

En het geschiedde dat Zemnarihah zijn volk bevel gaf zich van de belegering terug te trekken en naar de verste delen van het land noordwaarts te marcheren.

En 3 Nephi 6:2 als volgt:

… zij keerden terug naar hun eigen landen en hun bezittingen, zowel in het noorden als in het zuiden, zowel in het land noordwaarts als in het land zuidwaarts.

 

3 Nephi 6:8 – Wegenbouw: opgeworpen hoofdwegen versus aangelegde wegen

En er werden vele hoofdwegen [hoogwegen] opgeworpen, en vele wegen aangelegd, die van stad naar stad voerden, en van land naar land en van plaats naar plaats.

De huidige Nederlandse vertaling spreekt van “wegen” en “paden”, maar dat is niet conform de Engelse tekt: “There were many highways cast up, and many roads made”.

Het gegeven is belangrijk voor een goed begrip van de wegenbouw  en de mobiliteit bij de Nephieten. Die lopen parallel met de Romeinse wegenbouw in onze contreien in precies dezelfde periode. Een “hogeweg” is inderdaad een opgehoogde weg, met stenen als basis en aflopend naar de zijkanten. Zie hiervoor ook dit onderdeel in les 34.

 

3 Nephi 7:2-3 – “zij scheidden zich van elkaar af in stammen”

“En het volk was verdeeld, de een tegen de ander; en zij scheidden zich van elkaar af in stammen, iedere man met zijn gezin en zijn verwanten en vrienden; en aldus wierpen zij de regering van het land omver. En iedere stam stelde een hoofd of leider voor zich aan; en aldus werden zij stammen en leiders van stammen.”

Het snel uiteenvallen van een gecentraliseerde maatschappij in stammen is goed vergelijkbaar met wat in onze contreien in de vierde eeuw n.C. gebeurde. Vanaf het einde van de eerste eeuw n.C. had de Romeinse overheersing voor een 200 jaar voor vrede en ontwikkeling gezorgd. De provincie Germania inferior omvatte Nederland ten zuiden van de Rijn, het midden en oosten van België en het deel van Duitsland ten westen van de Rijn. De hele bevolking wordt geschat op een 200 000 mensen, verspreid over een aantal grotere centra in de buurt van Romeinse forten en verder dorpen en gehuchten met nog grote streken onontgonnen gebied.germanic-tribes_teutonic

Populaire educatieve voorstelling van een Frankisch stamhoofd met gezin in onze contreien, in de vierde eeuw n.C.

Het gecentraliseerd bestuur raakte snel in verval toen interne machtsstrijd in Rome tot burgeroorlog en wisselende keizers leidde. Romeinse legioenen werden weggetrokken om elders te strijden. De Rijngrens werd minder bewaakt. Net zoals de Nephieten met de roverbendes van Gadianton, kregen onze voorouders steeds meer te maken met rovende bendes “barbaren”, Franken die de Rijn overstaken. Toen in de vierde eeuw de Romeinen het gebied aan hun lot overlieten, hadden invallers en lokale stammen vrij spel en verbrokkelde de maatschappij tot stammen zonder centraal gezag. De tekst in 3 Nephi interpreteert de beweging bij de Nephieten als “en aldus wierpen zij de regering van het land omver”. In feite gaat het om een wisselwerking: de zwakte van de regering gaf de stammen ruimte om hun lokaal gezag te versterken.  Net zoals bij de Nephieten, gaan in onze contreien de vele lokale stammen wel verbonden aan “zodat zij in enige mate vrede in het land hadden” (3 Nephi 7:14).

 

6 – Gestructureerd lezen

3 Nephi 1 – Het teken van de geboorte van Christus – De eerste jaren van onze tijdrekening

91e jaar van de regering der rechters (1 v.C.)

  • 1–3 – Politieke en godsdienstige situatie: de bestuurder van het land is Lachoneus; Nephi, zoon van Helaman, was weggetrokken; zijn zoon Nephi krijgt alle kronieken onder zijn hoede.

92e jaar van de regering der rechters (1 n.C.)

  • 4–8 – Verdeeldheid onder het volk over het nakende teken: de ongelovigen beweren dat de tijd verstreken was; anderen kijken uit naar het teken van de geboorte van Christus (een nacht zonder duisternis).
  • 9 – De ongelovigen besluiten dat gelovigen gedood zullen worden.
  • 10–14 – Het gebed van Nephi en het antwoord van de Here: “Deze nacht wordt het teken gegeven”.
  • 15–21 – Beschrijving van het teken en reactie van de bevolking.
  • 22–23 – Positieve ontwikkeling: het merendeel van het volk wordt tot de Here bekeerd, maar Satan zendt ook leugens uit “opdat zij niet zouden geloven in de tekenen en wonderen die zij hadden gezien”
  • 24–25 – Toch een twistprobleem over het onderhouden van de wet van Mozes.

93e en 94e jaar van de regering der rechters (2–3 n.C.)

  • 26–30 – Oude problemen steken weer de kop op: de roverbende van Gadianton maakt het land onveilig; opgroeiende kinderen bij de Lamanieten haken af.

 

3 Nephi 2 – Politieke ontwikkelingen: Nephieten en Lamanieten versus de rovers van Gadianton

Van het 95e tot het 100e jaar van de regering der rechters (4–9 n.C.)

  • 1–7 – Groeiende slechtheid: de mensen vergeten wat zij hadden gehoord en gezien.
  • 8 – Wijziging in de manier van tijdrekenen: nu “vanaf het tijdstip waarop het teken werd gegeven”.

Van het 10e tot het 15e jaar vanaf het teken (10–15 n.C.)

  • 9–10 – Het 10e en 11e jaar zien groeiende ongerechtigheid.
  • 11–13 – Oorlogen en grote verwoestingen door de rovers van Gadianton die het land overspoelen.
  • 14–16 – De bekeerde Lamanieten sluiten zich aan bij de Nephieten.
  • 17–19 – Wisselende kansen ten overstaan van de rovers, maar uiteindelijk waren de Nephieten “op het punt te worden neergeveld”

 

3 Nephi 3 – Een ultimatum van de rovers – Reactie en maatregelen van Lachoneus

16e en 17e jaar vanaf het teken (16–17 n.C.)

  • 1–10 – Een brief van Giddianhi, de bestuurder van de rovers van Gadianton, aan Lachoneus, de bestuurder van het land. Giddianhi eist volledige overgave.
  • 11–18 – Reactie en maatregelen van Lachoneus: hij schenkt negeert de brief van Giddianhi, laat het hele volk, met al hun vee en bezittingen, op één plaats bijeenkomen, vraagt hen zich te bekeren en stelt en Gidgiddoni aan als opperbevelhebber van de Nephitische legers.
  • 19–26 – Strategie van Gidgiddoni: algemene terugtrekking naar het noorden, met grote voorraden.

 

3 Nephi  4 – De grote strijd met de rovers

Van het 18e tot het 21e jaar vanaf het teken (18–21 n.C.)

  • 1–4 – De legers van de rovers vallen aan maar vinden alleen maar woest gelaten landerijen  wat bevoorradingproblemen geeft.
  • 5–14 – Een verschrikkelijke veldslag in het 19e jaar, waarbij de Nephieten winnen en Giddianhi wordt gedood.
  • 15–21 – De rovers, onder leiding van Zemnarihah, zetten een strategie van beleg aan alle kanten in. De Nephieten lijden daar niet onder dank zij hun voorraden, maar de rovers hebben te weinig voedsel en worden ook geplaagd door de uitvallen van Nephieten.
  • 22–28 – De rovers trekken zich terug maar worden tijdens hun terugtocht omsingeld. Zemnarihah wordt gevangen genomen en opgehangen.
  • 29–33 – Vreugde om de overwinning.

 

3 Nephi  5 – Vrede dank zij bekering  – Bedenkingen van Mormon

Van het 22e tot het 25e jaar vanaf het teken (22–25 n.C.)

  • 1–3 – Samenvatting van de geestelijke toestand onder de Nephieten: hun zekerheid – “zij wisten” (driemaal)
  • 4–6 – De Nephieten geven de gevangen rovers de keuze: wie zich bekeert wordt vrijgelaten.
  • 7 – Melding van de tijdsvooruitgang: van het 22e tot het 25e jaar.
  • 8–9 – “Verontschuldiging” van Mormon dat hij in het vorige vers alles zo snel samenvatte: hij verwijst naar de andere.

Bedenkingen van Mormon

  • 10–19 – Informatie over de kroniek
  • 20–26 – Bedenkingen bij de diepe zin van de geschiedenis: het verbond met het huis van Israël.

 

3 Nephi 6 – Van voorspoed, op enkele jaren terug naar slechtheid

Van het 26e tot het 30e jaar vanaf het teken (26–30 n.C.)

  • 1–9 – Vrede en voorspoed; de Nephieten keren terug naar hun eigen landen. Heropbouw.
  • 10–18 – Er ontstaan geschillen onder het volk. Het gaat vooral om sociale ongelijkheid: standenverschil wegens de rijkdommen van sommigen. Het leidt tot steeds grotere ongerechtigheid.
  • 19–20 – Lachoneus, zoon van Lachoneus, is opperrechter. Geïnspireerde mannen komen prediken.
  • 21–30 – Beschrijving van een situatie die uit de hand loopt: rechters misbruiken hun macht om getuigen van Christus te veroordelen, een netwerk van corruptie beschermt hen

 

3 Nephi 7 – De afscheiding in stammen – Koning Jakob – Het werk van Nephi

Van het 30e tot het 33e jaar vanaf het teken (30–32 n.C.)

  • 1–8 – De opperrechter wordt vermoord. De toestand ontaardt, de maatschappij desintegreert in stammen.
  • 9–13 – De geheime vereniging stelt Jakob aan als koning over hun groep. De stammen zijn echter talrijker en verzetten zich eendrachtig tegen de geheime vereniging. Koning Jakob vlucht met zijn mensen naar het uiterste noorden van het land.
  • 14 – Ondanks de verdeling in stammen, hadden zij in zekere mate vrede onder elkaar.
  • 15–26 – Het werk van Nephi onder het volk: hij predikt stoutmoedig en verricht wonderen, maar slechts weinigen bekeren zich.

 

Voetnoten

[1]    Orson Pratt, “Discourse”, 10 April 1870, in Journal of Discourses, vol. 13 (Liverpool: F. D. Richards, 1871), 127. Hij herhaalde het in een “Discourse” op 29 december 1872 (vol. 15:256–257).

[2]    James E. Talmage, Jesus the Christ (Salt Lake City: Deseret Book, 1915), 104.

[3]    Een gedetailleerd overzicht van voorstellen van mormonen voor Jezus’ levensdata geeft Monte F. Shelley, When Was Jesus Born, Baptized, and Buried? A Review of LDS and Non-LDS Educated Guesses (Orem, Utah: Summit View Publishing, 2009). Autoriteiten die naar 6 april van 1 v.C. voor de geboortedatum verwijzen zijn Spencer W. Kimball in Ensign (July 1973:2 en May 1980: 54); N. Eldon Tanner: “Members of the Church also believe that Christ was born on April 6 in the year 1 BC”, in Ensign (April 1971:2); Richard G. Scott: “It is April 6th. Modern scripture records that Jesus Christ was born on this day” in Ensign (May 1997:53); Gordon B. Hinckley: “While we now know through revelation the time of the Savior’s birth [April 6], we observe the 25th of December with the rest of the Christian world” in  “First Presidency Christmas Devotional” (7 December 1997), in “News of the Church”, Ensign (February 1998:74); Bruce D. Porter in “A Child is Born”, BYU Speeches (9 December 2008).

[4]    J. Reuben Clark, Our Lord of the Gospels (Salt Lake City: Deseret Book, 1954), 31–33, 162–168.

[5]    Bruce R. McConkie, The Mortal Messiah, vol. 1 (Salt Lake City: Deseret Book, 1979), 349. Noteer dat in vroegere publicaties, toen hij de materie nog niet zo grondig had bestudeerd, McConkie wel 6 april 1 v.C. aannam. Zie Mormon Doctrine onder de entry Christmas.

[6]    Georges Declercq, “Dionysius Exiguus and the introduction of the Christian Era,” Sacris Erudiri 41 (2002): 165–246; Gustav Teres, “Time Computations and Dionysius Exiguus,” Journal for the History of Astronomy 15 (1984): 177–188.

[7]    Voor mormoonse analisten, onder meer: Jeffrey R. Chadwick, “Dating the Birth of Jesus Christ,” BYU Studies 49, no. 4 (2010): 5–38; Thomas A. Wayment, “The Birth and Death Dates of Jesus Christ,” in The Life and Teachings of Jesus Christ, Vol. 1, ed. Richard Neitzel Holzapfel and Thomas A. Wayment (Salt Lake City: Deseret Book, 2005), 383–394.

[8]    Zie onder meer Knud Tage Andersen, “Die Chronologie der Könige von Israel und Juda,” Studia Theologica 23, no. 1 (1969): 69–114; Elias Auerbach, “Der Wechsel des Jahres-Anfangs in Juda im Lichte der Neugefundenen Babylonischen Chronik,” Vetus Testamentum 9, no. 2 (1959): 113–121; Ormond Edwards, “The Year of Jerusalem’s Destruction. 2 Addaru 597 BC Reinterpreted,” Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft 104, no. 1 (1992): 101–106; Abraham Malamat, “The Last Kings of Judah and the Fall of Jerusalem: An Historical—Chronological Study,” Israel Exploration Journal 18, no. 3 (1968): 137–156; Kenneth A. Strand, “Thiele’s Biblical Chronology as a Corrective for Extrabiblical Dates,” Andrews University Seminary Studies 34, no. 2 (1996): 295–317.

[9]    Gershon Galil, “The Babylonian Calendar and the Chronology of the Last Kings of Judah,” Biblica 72, no. 3 (1991): 367-378; Steven J. Robinson, “The Chronology of Israel Re-examined: The First Millennium BC,” The Journal of the Ancient Chronology Forum 5, no. 5 (1992): 89–98.

[10]  Randall P. Spackman, “Review of A Detailed Chronology of the Book of Mormon (1995), by Thomas O. Moore,” The FARMS Review 10, no. 1 (1998): 1–11.

[11]  John C. Lefgren, April Sixth (Salt Lake City: Deseret Book, 1980). Omdat Deseret Book dit publiceert menen sommige kerkleden dat dit dan officiële kerkliteratuur is. Dat is niet zo. Zie ook John P. Pratt, “Yet Another Eclipse for Herod,” The Planetarian 19 (December 1990): 8–14. John Pratt kon zijn visie ook een keer argumenteren in de Ensign van januari 1994 (“Passover — Was it Symbolic of His Coming?”. Goed bedoeld didactisch materiaal gaat ook uit van een mooi afgelijnde periode van 600 jaar vanaf het vertrek van Lehi tot de geboorte van Jezus. zie bijvoorbeeld Thomas O. Moore, A Detailed Chronology of the Book of Mormon (wall chart) (Lindon, Utah: Power Graphics, 1995). Op zich is daar geen probleem mee, maar de minste verdere studie stoot op de discrepantie. Dan is het goed het aspect van de maanjaren te kunnen uitleggen.

[12]  S. Kent Brown, C. Wilfred Griggs, and H. Kimball Hansen,”Review of April Sixth, by John C. Lefgren,” Brigham Young University Studies 22, no. 3 (1982): 375–383.

[13]  Randall P. Spackman, “The Jewish/Nephite Lunar Calendar,” Journal of Book of Mormon Studies 7, no. 1 (1998): 48–59, 71.

[14]  Zie onder meer Roger T. Beckwith, Calendar and Chronology, Jewish and Christian: Biblical, Intertestamental and Patristic Studies (Leiden: Brill, 2001); Edward M. Reingold and Nachum Dershowitz, Calendrical Calculations: The Millennium Edition (Cambridge: Cambridge University Press, (2001); Sacha Stern, Calendar and Community: A History of the Jewish Calendar, 2nd Century bce to 10th Century ce (Oxford: Oxford University Press, 2001); J. B. Segal, “Intercalation and the Hebrew calendar,” Vetus Testamentum 7, no. 3 (1957): 250–307; James C. VanderKam, Calendars in the Dead Sea Scrolls: Measuring Time (London: Routledge, 2002).

[15]  Dit is breed onderwerp met tal van studies. Goede overzichten bieden onder mee volgende werken. Michael Argyle and Benjamin Beit-Hallahmi, The Psychology of Religious Behaviour, Belief and Experience (New York: Routledge, 2014); J. Harold Ellens, ed., Miracles: God, Science, and Psychology in the Paranormal, 3 vols. (Westport: Greenwood Press, 2008).

[16]  In de hiernavolgende samenvatting van visies baseer ik mij gedeeltelijk op het state-of-the art artikel van Aaron Adair, “The Star of Christ in the Light of Astronomy,” Zygon: Journal of Religion and Science 47, no. 1 (2012): 7–29.

[17]  Brigham Young, “Discourse, 11 July 1869,” Journal of Discourses, vol. 13 (Liverpool: Horace S. Eldredge, 1871):140.

[18]  James E. Talmage, The Articles of Faith (Salt Lake City: Deseret Book, 1899, rpt. 1966), 220.

[19]  Shirley R. Heater, “Signs and Wonders of His Birth,” http://www.bmaf.org/articles/signs_wonders_of_his_birth__heater, geraadpleegd op 5 september 2016.

[20]  Hugh W. Nibley, Teachings of the Book of Mormon —Transcripts of Lectures Presented to an Honors Book of Mormon Class at Brigham Young University, Semester 3: 1988–1990 (Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 2004), 291–292.

[21]  Ammon O’Brien, Seeing beyond Today with Ancient America (Cumorah Hill Publishing, 1995), 271, 263–264.

[22]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5a – Helaman through Third Nephi 7 (Kindle Locations 5122-5128).

[23]  “The Book of Lehi”. Joseph Smith legt het verlies ervan uit in de “Preface” in de eerste druk van het Boek van Mormon in 1830, p. 1. Zie ook dit onderdeel in les 14.

[24]  https://www.lds.org/topics/race-and-the-priesthood

[25]  Specifiek over archeologie: Jane C. Waldbaum, “Seventh Century BC Greek Pottery from Ashkelon, Israel: An Entrepot in the Southern Levant,” in Pont-Euxin et commerce: La genèse de la ‘Route de la Soie’ , eds. Murielle Faudot, Arlette Fraysse et Évelyne Geny (Paris: Presses Universitaires du Franc-Comté, 2002), 57–75. ; Jane C. Waldbaum, “Early Greek Contacts with the Southern Levant, ca. 1000-600 BC: The Eastern Perspective,” Bulletin of the American Schools of Oriental Research 293 (1994): 53–66.
Algemener: John Joseph Collins and Gregory E. Sterling, eds. Hellenism in the Land of Israel (University of Notre Dame Press, 2001); Robin Osborne, Greece in the Making 1200–479 BC (New York: Routledge, 2009). 

[26]  John L. Sorenson, “The Mulekites,” Brigham Young University Studies 30, no. 3 (1990): 6–22.

[27]  Zie Hugh Nibley, An Approach to the Book of Mormon, vol. 6 of the Collected Works of Hugh Nibley (Salt Lake City: Deseret Book / Provo: FARMS, 1987), 290.

Om terug te keren

1 – Vragen (en antwoorden) bij de tijdrekening
2 – “Deze nacht wordt het teken gegeven”
3 – Over vier Nephis en de schrijvers van boek naar boek
4 – Het fenomeen van de transitoire afsluitingen
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
6 – Gestructureerd lezen