Les 35 – Helaman 13–16

“U bekeren en terugkeren tot de Here”

1 – Wie was Samuël de Lamaniet?
2 – Samuël als kenmerkende doemprofeet
3 – Samuëls stijl: harmonische literatuur vanop de muur
4 – Tekstkritische nota’s bij Samuëls prediking
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
6 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

Deze vier hoofdstukken sluiten het boek Helaman af. Nephieten en Lamanieten beleven de laatste jaren voor Jezus’ geboorte. Centraal in deze hoofdstukken staat Samuël de Lamaniet. Alleen in de slotverzen van hoofdstuk 16 vat Mormon nog de vier laatste jaren samen, van het 87e tot het 90e jaar van de regering der rechters (van 4 tot 1 v.C.).

Tenzij anders aangeduid verwijzen referenties naar het boek Helaman.

 

1 – Wie was Samuël de Lamaniet?

Hier, omstreeks 6 v.C., komt hij uit het niets. Geen enkele informatie over zijn herkomst. Toch kunnen we een vermoedelijke achtergrond afleiden uit zijn optreden. Wat voor een man blijkt Samuël te zijn wanneer hij in de stad Zarahemla de Nephieten tot bekering roept?

Ervaren, gezagsvol, welsprekend en heilig
Een Ammoniet, een van de tweeduizend?
Historische context
Had Samuël het priesterschap?

 

Ervaren, gezagsvol, welsprekend en heilig

Hij blijkt een ervaren prediker te zijn, met mogelijk heel wat dienstjaren. Hij komt naar het land Zarahemla en predikt eerst “vele dagen lang bekering tot het volk”. In Schriftuurlijk taalgebruik kan “vele dagen lang” maanden of zelfs jaren betekenen, zoals ook Nephi in deze periode jaar in jaar uit op zending is. Zarahemla is een grote stad, dus mondeling prediken vereist van plaats tot plaats te gaan. Samuël wordt uiteindelijk uitgeworpen, maar komt terug. Zijn woorden in hoofdstukken 13 tot 15, die toch al beduidend wat tekst uitmaken, zijn lang niet alles wat hij predikte: “En nu geschiedde het dat Samuël de Lamaniet nog veel meer dingen profeteerde die niet kunnen worden opgeschreven”.

Sargent_HoseaNog een profeet waar we weinig over weten: “Hosea”
door John Singer Sargent (1856–1925)

 

Samuël predikt met gezag, als een volwaardig profeet, tot wie “de stem des Heren” komt met opdrachten voor zijn werk (13:3). Hij predikt vanuit een ruime kennis en in een rijke taal. Zelfs als de teksten van zijn prediking later, bij de optekening ervan, literair werden bijgewerkt, dan nog moet de basis bedreven Hebreeuwse retorica zijn geweest (zie verder). Die welsprekendheid verwerf je niet zomaar, maar vanuit een geschikte omgeving bij onderwijsbewuste ouders of bij een vaardige leermeester, zoals ook Nephi, zoon van Lehi, en Alma de jongere hun rijke stijl hebben leren ontwikkelen.

Samuël stelt dat zijn voorspellingen hem door een engel zijn onderwezen (13:7; 14:9, 26, 28). Dat betekent dat hij al in een bijzondere positie verkeerde, overeenkomstig de verklaring van Alma over de gebeurtenissen voor de komst van Christus: “En het zal aan rechtvaardige en heilige mannen worden bekendgemaakt bij monde van engelen tegen de tijd van zijn komst” (Alma 13:26). Zo’n status van “heilige man” heeft Samuël mogelijk pas met de jaren bereikt. Hij doet een beetje denken aan de oude Zacharias die in deze periode voor Jezus’ geboorte ook instructies van een engel ontvangt (Lukas 1:11–19).

Kortom, op het moment van zijn optreden in Zarahemla, is Samuël hoogstwaarschijnlijk al een wat oudere man, in de zestig, tegen de zeventig, met een indringende persoonlijkheid en een indrukwekkende retorische en geestelijke bagage. Maar hoe kon een Lamaniet die status bereiken?

 

Een Ammoniet, een van de tweeduizend?

Zijn naam kan zijn achtergrond en zijn huidige status verklaren: Samuël — zoals de beroemde rechter en profeet van Israël. Maar bij de Lamanieten bestond geen traditie om kinderen namen van oudtestamentische helden te geven. Dat kwam alleen bij Nephieten voor — zoals Aäron, Amos, Benjamin, Jakob of Jozef. Als we er dus van uitgaan dat Samuël zijn originele geboortenaam is, dan moet dit kind al in een bekeerd Lamanitisch gezin geboren zijn. Zijn ouders kozen er bewust voor de jongen een oude Bijbelse naam te geven, als een statement van hun geloof en als een identiteitstempel op de jongen.

Als Samuel in 6 v.C. al een oudere man van tegen de zeventig is, dan is hij geboren omstreeks 76 v.C. Wie waren toen bekeerde Lamanieten met dergelijke diepe overtuiging dat ze hun zoon een oudtestamentische heldennaam zouden geven? We komen als vanzelf terecht bij de Anti-Nephi-Lehieten, of het volk van Ammon, waarvan de eerste bekeerlingen teruggaan tot de beginjaren van de regering der rechters, in de jaren 80 v.C. (zie dit onderdeel in les 31). Als Samuël daar een kind van is, dan is hij in de meest gelovige en plichtsgetrouwe groep Lamanieten geboren en opgegroeid. De keuze van zijn naam is dan vanuit het besef van het Bijbelse verhaal gevallen: een kind dat zijn ouders van bij de aanvang aan de dienst van God wilden toewijden, zoals Hanna deed met haar zoontje Samuël (1 Samuel 1).

Eeckhout_Anna_Samuël_Eli“Hanna stelt de kleine Samuël voor aan de priester Eli”
door
Gerbrand van den Eeckhout (1621–1674)

 

In de veronderstelling van dit tijdschema, hoorde Samuël dan hoogstwaarschijnlijk tot de tweeduizend jonge zonen van Ammon, die omstreeks 63 v.C., met een mogelijke leeftijd van veertien à achttien jaar, ten strijde trokken (voor deze leeftijd, zie dit onderdeel in les 32). De jaartallen stemmen overeen. Dan is Samuël deel van die uitzonderlijke generatie jongemannen

“die te allen tijde getrouw waren in alle dingen die hun werden toevertrouwd. Ja, het waren mannen van waarheid en ernst, want hun was geleerd de geboden Gods te onderhouden en in oprechtheid voor zijn aangezicht te wandelen” (Alma 53:20–21).

Zo is het begrijpelijk dat Samuël, verder opgegroeid in een Nephitische educatieve omgeving, net zoals de Bijbelse Samuël onder de hoede van Eli, ook Hebreeuwse welsprekendheid leerde. En dan is Samuël nu, bij zijn krachtig optreden in Zarahemla omstreeks 6 v.C., inderdaad tegen de zeventig jaar oud. Het is voor een stuk speculatie, maar het verklaart zijn naam, zijn karakter — “een man van waarheid en ernst” —, zijn leerstellige kennis, zijn taalbeheersing en zijn onwrikbaar geloof.

Deze voorstelling sluit uiteraard geen andere mogelijkheden uit. Samuël kan ook later in een gelovig Lamanitisch gezin geboren zijn, of tot een meer recente generatie bekeerlingen behoren. Ook een jonger iemand kan immers openbaring ontvangen, door een engel onderwezen worden en tot opmerkelijke prestaties in staat zijn. Maar het spoor van het volk van Ammon en het toebehoren tot “de tweeduizend” is een piste die sommigen met reden aantrekkelijk kunnen vinden. Ook omdat er dan met zekerheid een moeder achter Samuëls persoonlijkheid staat (Alma 56:47-48).

 

Historische context

Verwonderlijk is het optreden van een Lamaniet als prediker tot de Nephieten niet. Al enkele decennia is die beweging bezig. Een aanduiding lezen we in het 62e jaar (29 v.C.) met de wonderbaarlijke bekering van een driehonderd Lamanieten, die evenveel vurige zendelingen worden (5:20–52). Van het 63e tot het 68e jaar (28–23 v.C.) maken we de grote kentering mee waarbij duizenden Lamanieten zich bekeren. Al vanaf die periode prediken Lamanieten tot de Nephieten (6:1–6). Het vrij handelsverkeer tussen noord en zuid in die periode verzekert ook mobiliteit van predikers.

Ondergronds vergiftigt echter de bende van Gadianton de maatschappij. Naarmate de Nephieten daaraan toegeven, groeien de Lamanieten in gerechtigheid. De geschiedschrijving van de volgende twintig jaar, van het 69e tot het 89e jaar, staat nagenoeg volledig in het teken van de bovenmatige slechtheid van de Nephieten. Op een korte periode van bekering en vrede na, van het 76e tot het 78e jaar, markeren twisten en oorlogen de hele periode. Een klein deel Lamanieten, voor de zoveelste keer opgehitst door afgescheiden Nephieten, trekt nog wel een keer ten oorlog (11:24), maar die lui vormen zich vervolgens om tot roversbenden. Zowel Nephieten als Lamanieten ondergaan dan de ellende van deze rovers van Gadianton (11:26–32). Na een korte oprisping van bekering in het 81e jaar, verglijden de Nephieten opnieuw in algehele slechtheid. Niet zo van de kant van de Lamanieten:

“En nu geschiedde het in het zesentachtigste jaar dat de Nephieten nog steeds in goddeloosheid verbleven, ja, in grote goddeloosheid, terwijl de Lamanieten nauwgezet de geboden Gods onderhielden volgens de wet van Mozes.” (13:1).

Het is in die context dat Samuël de Lamaniet in de stad Zarahemla komt prediken.

 

Had Samuël het priesterschap?

Samuël ontving openbaring, werd onderwezen door een engel, predikte met Gods Geest, dus moet hij wel het priesterschap gehad hebben. Jezus verwijst later naar Samuël als “mijn dienstknecht” (3 Nephi 23:9). Dus, ja, hoogstwaarschijnlijk had hij het priesterschap, maar het wordt nergens bevestigd.[1] Over het algemeen hechten de kroniekschrijvers weinig aandacht aan de formele overdracht van het priesterschap. Dat komt deels door een nog altijd geldende traditie dat God zelf rechtstreeks zijn macht kan toekennen aan profeten die bekering tot het volk prediken. Samuël hoort mogelijk tot die categorie (zie dit onderdeel in les 19).

Samuël kan zijn priesterschap ook via het kerkelijk kanaal ontvangen hebben, zeker indien hij, zoals hiervoor gesuggereerd, in een georganiseerd religieus milieu is opgegroeid. Tijdens de prediking aan de Lamanieten door de zonen van koning Mosiah, in de jaren 80 en 70 v.C., lezen we “dat Aäron en zijn broeders van stad tot stad uitgingen, en van het ene bedehuis tot het andere, en in het gehele land kerken vestigden en priesters en leraren onder de Lamanieten wijdden om het woord Gods onder hen te prediken en te leren” (Alma 23:4). Later, in de periode van de massale bekering van Lamanieten in de jaren 30 v.C., wanneer de Nephieten in slechtheid vervallen, meldt de kroniekschrijver: “Niettemin was het volk der kerk zeer verheugd over de bekering der Lamanieten, ja, over de kerk van God die onder hen gevestigd was” (5:3). Een vestiging van de kerk veronderstelt dezelfde aanstelling van priesters en leraren.

Het gaat steeds om het Melchizedeks priesterschap (zie dit onderdeel in les 19).

Hoe echter de kerkelijke hiërarchie in Samuëls tijd precies functioneerde is onduidelijk. Lehi en Nephi, zonen van Helaman, houden de kronieken bij, maar of een van hen ook “hogepriester” van de hele kerk is, blijft in het ongewisse. Nephi blijft wel de persoon naar wie de bekeerde Lamanieten zich richten om gedoopt te worden (16:1–5). Dit kan echter het gevolg zijn van het feit dat Samuël ondertussen het land verlaten had.

 

2 – Samuël als kenmerkende doemprofeet

Een sombere invalshoek
Woorden en frasen van doemprofeten

Doem is een oeroud woord met de betekenis vonnis, oordeel. Zijn Indo-Europese oorsprong gaf vertakkingen in tal van oude talen, waaronder het Oudgrieks themis en het Oudindisch dhāman, die beiden wet betekenen. De christelijke semantiek koppelde pas in de late middeleeuwen het woord doem aan het laatste oordeel. Profeten die dreigend over de toorn Gods, komende ellende en het laatste oordeel spreken, in de hoop mensen zo tot bekering te brengen, zijn dus doemprofeten. De meeste Bijbelse profeten zijn doemprofeten.

 

De profeten Zefanja, Joël, Obadja en Hosea
door John Singer Sargent (1856–1925)

 

Een sombere invalshoek

In zijn prediking komt Samuël als een erg somber man over. We komen geen enkele maal de woorden liefde, hoop, vreugde, blijdschap of verheugen tegen. Het thema ontbreekt gewoon. Zelfs in de aankondiging van Jezus’ geboorte vinden we geen uitdrukking van blijdschap, maar enkel een vermelding van de tekenen en wonderen aan de hemel “zodat gij ter aarde zult vallen” (14:7). Zelfs in de aankondiging van Jezus’ opstanding gaat alle aandacht naar de rampen die de drie voorafgaande dagen van duisternis zullen kenmerken. Over het glorievol moment van de opstanding zelf, of over het bezoek van de Heiland aan het westelijke halfrond, zegt Samuël niets. Allesoverheersend in heel zijn prediking zijn waarschuwingen en veroordelingen, vanaf het eerste vers dat “het zwaard der gerechtigheid boven hun hoofd hangt” (13:5) tot het laatste vers: “En nu zie, zegt de Heer aangaande het volk der Nephieten: Indien zij weigeren zich te bekeren en mijn wil te doen, zal Ik hen volkomen vernietigen” (16:17).

Een enkel vers vermeldt liefhebben, maar in het verleden. Daarenboven wordt liefhebben er gekoppeld aan kastijden: “Hij heeft het volk van Nephi liefgehad, en Hij heeft hen ook gekastijd; ja, in de dagen van hun ongerechtigheden heeft Hij hen gekastijd omdat Hij hen liefheeft.” (15:3).

Natuurlijk, deze prediking was Samuëls zoveelste in een lange reeks tot hetzelfde publiek. We lezen dat hij al “vele dagen lang bekering tot het volk” had gepredikt. De stad had hem uitgeworpen en hij “stond op het punt om naar zijn eigen land terug te keren” (13:3). Maar de Heer zond hem terug. Bitterheid over de voorgaande pogingen weegt door: toen had hij namens de engel “blijde tijdingen” verkondigd, “maar zie, gij weigerde mij aan te nemen” (13:7). Samuël heeft dus reden om somber te zijn. Die somberheid zelf is uiteraard een uiting van zijn liefde voor de mensen die hij verloren ziet gaan: hij is zich bewust van wat er in de komende jaren gaat gebeuren, maar ook vierhonderd jaar later bij de uiteindelijke vernietiging. Hij predikt dus al vanuit dat perspectief, wetende dat het allemaal onafwendbaar is. Er is iets onnoemelijk tragisch aan een profeet die bekering moet prediken met de toch al zekere doembeelden als eindpunt.

 

Woorden en frasen van doemprofeten

Doemprofeten hebben een eigen taalgebruik. De frequentieanalyse voor alle woorden van Samuël (3 460) geeft als meest frequente betekenisvolle woorden (inclusief derivaties en flecties): Heer, bekeren, ongerechtigheid, vernietigen, vloek, dood. Ook opvallend zijn de frequentste frasen met meerdere woorden: “zegt de Heer”, “goddeloosheid en gruwelen” en “donderslagen en bliksemen”. Ronald Anderson identificeerde als Leitworter van Helaman 13: “zegt de Heer”, “vervloeking”, “rijkdommen” en “uw vernietiging is verzekerd”.[2]

Donald Parry lijstte de frasen op die profetisch taalgebruik typeren en paste de selectie op Samuëls prediking toe:[3]

  • Een doemprofeet gebruikt veelvuldig de boodschappersformule: hij spreekt namens de Heer. De basisvorm “Daarom, aldus zegt de Heer” komt tweemaal voor bij Samuël (13:8, 11), maar de verkorte vorm “zegt de Heer” nog vijftien keer, dus hoog frequent. Telkens herbevestigt de frase de autoriteit waarmee de profeet spreekt.
  • De proclamatieformule “Luister naar het woord des Heren…” vinden we eveneens bij Samuël: “Zie, o volk van deze grote stad, en luistert naar mijn woorden; ja, luistert naar de woorden die de Heer zegt” (13:21).
  • De eedformule betrekt de Heer in het getuigenis omdat zijn bestaan de waarheid van het gesprokene verzekert. Bij Samuël lezen we het twee keer in de uitdrukking “zowaar de Heer leeft” (13:26; 15:17).
  • Het wee-orakel verwoordt een veroordeling. De uitroep met wee, dat in vele talen voorkomt, roept pijn en verdriet af op de toehoorders als voorsmaak van wat het laatste oordeel zal brengen. Samuël gebruikt het negenmaal (13:11–12, 14–17, 24; 15:2–3).

 

Sargent_Micah, Haggai, Malacchi, ZechariahDe profeten Micha, Haggaï, Maleachi en Zacharia
door John Singer Sargent (1856–1925)

 

Wayne Shute en Wayne Brickey vestigen de aandacht op een verwant aspect van het taalgebruik van de doemprofeet: de perplexiteit of uiterste verbazing die hij met zijn woorden uitlokt.[4] Hoe zouden wij inderdaad reageren als midden in een winkelstraat een man staat te roepen over Gods brandende toorn die eerlang de bevolking zal treffen, over de komende vervloeking van het land, en over nabije natuurrampen die bergen zullen verlagen en dalen verheffen? (13:10; 17; 14:21–23). Het is een man die ons aanspreekt met “O verdorven en verkeerd geslacht; o verstokt en halsstarrig volk, hoe lang denkt gij dat de Heer u zal verdragen?” (13:29). Omstaanders zouden perplex staan en mogelijk snel verder lopen. Ongetwijfeld waren Nephieten oproepen tot bekering gewoon, maar precies daarom moesten doemprofeten een nog heftiger taalregister openzetten. Niet verwonderlijk dat zij perplexiteit, en uiteindelijk soms ook agressiviteit bij de “halstarrige” toehoorders uitlokten.

De weeklacht, maar nu uitgedrukt in de mond van de onbekeerde zondaar, hoort eveneens tot het retorisch arsenaal van de doemprofeet. Kent S. Brown analyseert twee passages in Samuëls prediking die stilistisch overeenstemmen met de Hebreeuwse poëzie van de weeklacht zoals verwoord door de zondaar.[5] Het gaat eerst om de korte passage in 13:32-33 die letterlijk als volgt loopt, hier vertaald met gebruik van de oude aanvoegende wijs:

En dan zult gij weeklagen en zeggen:
O, dat ik mij bekeerd hadde,
en niet gedood hadde
de profeten,
en hen gestenigd,
en hen uitgeworpen.

Het is een kort, maar typerend voorbeeld van de Bijbelse klaagfrase met slechts een naamwoord in het centrum, en waar de actie-werkwoorden een omgekeerde tijdlijn volgen: doden, stenigen, uitwerpen (uit de stad).

Het tweede voorbeeld sluit daar meteen op aan: de langere passage in Helaman 13:33-37. Brown verdeelt die weeklacht in vijf poëtische strofen van nagenoeg gelijke lengte:

En dan zult gij weeklagen en zeggen:

    • O, had ik mij maar bekeerd …
    • Zie, hier leggen wij een stuk gereedschap neer …
    • O, hadden wij ons maar bekeerd in de tijd dat …
    • Zie, wij zijn door demonen omgeven …
    • Zie, onze ongerechtigheden zijn groot …

De passage houdt echter nog meer stilistische rijkdom in. Ik bespreek dit als deel van het volgende punt.

 

3 – Samuëls stijl: harmonische literatuur vanop de muur

Een wonderlijke contradictie
De klassieke patronen
Basismelodieën verrijkt met harmonische afwijkingen

Een wonderlijke contradictie

Het lijkt een wonderlijke contradictie in deze profetische teksten: enerzijds een wilde schreeuw van onmacht en woede tegen het zondige volk, anderzijds kunstvol gekneed in literaire schoonheid. Maar die esthetische vastlegging was gebruikelijk in het besef van de historische betekenis van een tekst en mogelijk met het oog op rituele voorlezing, conform de Hebreeuwse traditie.[6] Daarenboven, begeleid en gevoed door Gods Geest, kan elke kreet van wanhoop of verdriet ook sporen met literaire inspiratie en esthetische schepping. Joseph Smith’s gebed in de gevangenis van Liberty is daar een overtuigend voorbeeld van (Leer en Verbonden 121).

Gustave Dore_jeremiaJeremia’s harde oordeelsorakels zijn tegelijk aangrijpende literatuur.
“Jeremia” door  Gustave Doré (1832-1883).

 

Hoe kwam Samuëls geschreven tekst tot stand? De profeet predikt vanop de muur, maar zijn prediking werd pas later opgetekend. De opdracht van de Heer was “alles te profeteren wat er in zijn hart opkwam” (13:4). Gelet op de omstandigheden kunnen we ons moeilijk voorstellen dat een scribent naast hem of onderaan de muur zijn woorden in snelschrift noteerde. Ofwel tekende Samuël zijn predicatie later zelf op, ofwel was het een van de kroniekschrijvers die naar de prediking geluisterd had of aan wie Samuël het later vertelde. Hoe woordelijk het opgetekende overeenstemt met het mondelinge weten we niet, maar de schriftelijke neerslag is een verzorgde literaire verwoording door iemand vertrouwd met Hebreeuwse stijlfiguren. We mogen vermoeden dat Samuëls oorspronkelijke zinsconstructies al van een behoorlijk retorisch niveau waren.

Hebreeuwse stijlfiguren betekenen niet dat Samuëls tekst in een zuiver Hebreeuws idioom opgetekend werd, wel dat de schrijftrant hebraïsche structuren vormelijk toepaste. De taal als zodanig was immers over de eeuwen geëvolueerd, wat Mormon zelf later bevestigde: “ook het Hebreeuws is door ons veranderd” (Mormon 9:33). De vormregels bleven.

Voor de stilistische analyse van hebraïsche stijlfiguren in het Boek van Mormon is de huidige Nederlandse vertaling jammer genoeg onvoldoende conform de Engelse tekst, vooral wanneer de vertaling dezelfde Engelse woorden, die vitaal zijn voor chiasmen en parallelstructuren, verschillend omzet. Mogelijk zocht de vertaler naar lexicale variatie. Maar zo verlies je de oorspronkelijke parallellismen. De Engelse vertaling verliest al iets van de originele rijkdom, dus mogen we het niet erger maken. Ook de toevoeging of weglating van lidwoorden in de huidige Nederlandse vertaling werkt storend en is soms zelfs doctrinaal afwijkend.

De voorbeelden hieronder volgens de Engelse tekst nauwgezet.

 

De klassieke patronen

Samuëls teksten zijn merkwaardig rijk en gevarieerd. Aan de ene kant ontmoet je de klassieke, vrij eenvoudige patronen zoals in onderstaande voorbeelden.

De tweedelige chiasmen komen geregeld, maar niet bovenmatig voor. Enkele voorbeelden:

[Klik op een schema voor projectie in de klas.]

1_L35_H13-20

Rijkere klassieke chiasmen verschijnen eveneens in Samuëls prediking.

2_L35_H13-24

Tot de klassiekers behoort de parallelopbouw, soms gebruikt om naar een climax te leiden.

3_L35_H13-14

Opsommingen horen standaard tot het repertoire van een krachtige prediking. De opsomming geeft een groeiende opwinding weer. In de mondelinge voordracht moet het naar een crescendo leiden. Deze stijlfiguur heet een polysyndeton, van het Grieks poly (veel) en sundeo (aaneenschakelen).

4_L35_H13-29

Een aandachtige lezer zal nog meer voorbeelden van de klassieke stijlfiguren vinden.

 

Basismelodieën verrijkt met harmonische afwijkingen

Maar in veel gevallen gaan Samuëls teksten verder. De klassieke chiasmen en parallelstructuren vormen er meestal de basis van, maar een aantal vertonen een stilistische eigenheid die je niet snel bij andere auteurs vindt. Vrij uniek bij Samuël is de vervlechting van een basisstijlfiguur met bijkomende effecten. Als je het muzikaal zou uitdrukken verweven zo’n passages de basismelodie met harmonische afwijkingen. Het geheel blijft steeds stabiel, maar de extra’s genereren een dynamiek die de originele puls uitrekt met bijpassende tonen. Het zou best kunnen dat in de originele taal deze passages bij latere voordracht met een snaarinstrument begeleid werden als deel van een geroemde klaagliteratuur, net zoals de Klaagliederen in de Bijbel. Aanbevolen is dan ook om ze met de gepaste afwisseling in intonatie en met een gepaste pauze op het einde van elke lijn te lezen.

In onderstaand voorbeeld is de basispuls de drievoudige voorwaardelijke bijzin, met daarin een vervlechting van chiasmen, gevolgd door een heel korte hoofdzin als anticlimax.

5-L35_H13-27

In onderstaand voorbeeld bestaat elk A-deel van het chiasme uit twee onderdelen, a en b, waarbij het b-deel in contrast komt te staan.

6-L35_H13-11

Het volgend voorbeeld, Helaman 13:32–37, is een weeklacht binnen de weeklacht die de hele prediking uitmaakt. Samuël verwoordt namelijk de toekomstige klacht van de zondaars die terugblikken naar het verleden. De wenszinnen O, had ik maar…, O, hadden wij maar… gebruiken de syntax van de verkorte conditionele zin in de voltooid verleden tijd (plusquamperfectum), en zijn typerend voor de Hebreeuwse klaagliteratuur — “ach waren wij maar in Egypte gestorven” (Numeri 14:2).[7]

Ik vermeldde hiervoor Kent Browns analyse van de poëtische indeling in strofen voor deze passage. Maar er valt meer te ontdekken. In deze geprojecteerde weeklacht wordt de afwijking van de klassieke stijlfiguren nog groter, en toch vormt het geheel een vloeiende harmonie door het spel van de ankerwoorden en de ritmiek van de zinnen:

7_L35_H13-32

In het volgende voorbeeld daalt de densiteit van het chiasme, dat evenwel vrij herkenbaar blijft. Het criterium van densiteit meet de mate waarin dezelfde woorden en structuren in spiegelvorm terugkomen, rekening houdend met het aantal bijkomende woorden en structuren die niet een tweede keer terugkomen. Met veel bijkomende elementen in een chiastische frase, daalt de densiteit van het chiasme en vermindert de kracht ervan. Maar hier, in deze passage, slaagt de tekst erin om de harmonie te behouden door de frasen met het woord teken als steunpunten aan te reiken.

8_L35_H14-2

In het volgende, laatste voorbeeld is de passage opgebouwd rond het uitgangspunt van Christus’ noodzakelijk sterven (a). Die noodzaak geldt voor drie doelen die aan elkaar gehecht zijn: (A) de opstanding teweegbrengen, (B) het gehele mensdom verlossen, en (C) hen in de tegenwoordigheid des Heren brengen. In de eerste groep zinnen worden in b² die drie elementen vermeld. In de tweede en derde groep zinnen volgt de uitleg met parafrase. Die volgen hetzelfde patroon: A-B-B-C in de logische volgorde: opstanding, verlossing, tegenwoordigheid des Heren, met B-B als een intern chiasme.

9_L35_H14-15

Natuurlijk, naast de stijl, is de eigenlijke inhoud de boodschap. Toch vonden deze schrijvers ook de vorm belangrijk, mogelijk als een getuigenis van de heiligheid van hun opdracht.

 

4 – Tekstkritische nota’s bij Samuëls prediking

Wat is tekstkritiek?
Stond de profetie van Samuël oorspronkelijk in het boek Helaman?
Andere tekstkritische opmerkingen

Wat is tekstkritiek?

Tekstkritiek (niet te verwarren met kritiek op een tekst) is de wetenschap die de oorspronkelijke, volledige tekst van antieke geschriften tracht te achterhalen. We beschikken bijvoorbeeld niet over de originele teksten die Jesaja, Jeremia en andere oudtestamentische profeten geschreven hebben, maar enkel over kopieën, die zelf de kopieën zijn van oudere teksten. De ontdekking van de Dode-Zeerollen was in dat verband zo bijzonder omdat die de wetenschappers oudere kopieën opleverde dan waarover men tot dan beschikte. Kopiëren houdt risico’s in: woorden worden verkeerd gekopieerd, of per vergissing overgeslagen of zelfs toegevoegd. Soms is de ingreep doelbewust — “want zie, zij hebben uit het evangelie van het Lam vele delen weggenomen die duidelijk en uitermate waardevol zijn” (1 Nephi 13:26). Joseph Smith’s herziening van de Bijbel was een vorm van tekstkritiek, maar dan vanuit inzicht en inspiratie. De plaats van apocriefe teksten, of die historisch al dan niet tot de canon van de Schriften horen, is ook een tekstkritisch onderwerp.

Wat kunnen we over Samuëls prediking vanuit tekstkritisch oogpunt melden?

 

Stond de profetie van Samuël oorspronkelijk in het boek Helaman?

Voor wie verfijnd de Schriften wil begrijpen is dat een typisch tekstkritische vraag. Sommige commentatoren zijn van mening dat het verslag van de prediking van Samuël oorspronkelijk niet in het boek Helaman was opgenomen, maar er op aanwijzing van Jezus werd aan toegevoegd.[8] Ze baseren zich daarvoor op deze passage in 3 Nephi, wanneer Jezus onder de Nephieten is verschenen:

“En het geschiedde dat Hij tot Nephi zeide: Breng de kroniek die gij hebt bijgehouden. En toen Nephi de kronieken had gebracht en ze Hem had voorgelegd, bekeek Hij ze en zeide: Voorwaar, Ik zeg u, Ik had mijn dienstknecht, Samuël de Lamaniet, geboden tot dit volk te getuigen dat er, ten dage dat de Vader zijn naam in Mij zou verheerlijken, vele heiligen uit de doden zouden opstaan en aan velen verschijnen en hen dienen. En Hij zeide tot hen: Is het niet zo gegaan?

En zijn discipelen antwoordden Hem en zeiden: Ja, Heer, Samuël heeft volgens uw woorden geprofeteerd en ze zijn alle vervuld. En Jezus zeide tot hen: Hoe komt het dat gij dat niet hebt opgeschreven, dat vele heiligen zijn opgestaan en aan velen verschenen en hen hebben gediend? En het geschiedde dat Nephi zich herinnerde dat het niet was opgeschreven. En het geschiedde dat Jezus gebood het op te schrijven; daarom werd het volgens zijn gebod opgeschreven.” (3 Nephi 23:8–13).

Jezus merkte dus een lacune in de kronieken op. Maar die lacune betreft niet de profetie van Samuël omstreeks 6 v.C., maar wel één aspect van de vervulling van de profetie. Die heeft betrekking op het moment van Jezus’ eigen opstanding in 33 n.C.: “Hoe komt het dat gij dat niet hebt opgeschreven, dat vele heiligen zijn opgestaan en aan velen verschenen en hen hebben gediend?” Dat betreft dus heel recente geschiedenis. Trouwens, Jezus vroeg Nephi de kroniek te brengen “die gij hebt bijgehouden”. Dit is een verzoek aan Nephi, zoon van Nephi, de “lopende” kroniekschrijver die zijn werk na de periode van het boek Helaman aanvatte. Niet verwonderlijk dat deze Nephi de meest recente gebeurtenissen nog niet genoteerd had. Zo begrijpt onder meer Elder Jeffrey R. Holland de passage.[9]

Wat daarna wel opvalt is dat de correctie die Jezus vroeg, uiteindelijk niet bij 3 Nephi 10:9–10 staat opgetekend, de plaats waar het voorval thuishoort, namelijk de vermelding van Jezus’ opstanding. Commentatoren halen die lacune als “bewijs” aan dat Jezus het dus over het hele verslag van Samuël had. Ik zie de logica van het “bewijs” niet in. Ook hoofdstuk 3 Nephi 10 is een “inkorting” door Mormon, dus het feit “dat vele heiligen zijn opgestaan” kan in de volledige versie van de kroniek van Nephi zijn toegevoegd, maar niet in de ingekorte versie, te meer daar de vermelding van die opstanding van vele heiligen nu ook expliciet in 3 Nephi 23 staat, in het gesprek tussen Jezus en de discipelen.

Kortom, de expliciete aanwijzing van Jezus dat het om de vervulling van de profetie ging en het feit dat het om de lopende kroniek van Nephi ging, zijn moeilijk anders interpreteerbaar.

 

BoM1830_V

Andere tekstkritische opmerkingen

In de originele editie van 1830 hadden Joseph Smith en Oliver Cowdery de prediking van Samuël als één hoofdstuk genummerd, namelijk Chapter V van het boek Helaman, dat dan doorliep tot het einde van het boek Helaman. In de edities sinds 1879 maakt die prediking nu hoofdstukken 13 tot 15 uit en hoofdstuk 16 is de afronding van de periode. (Voor de samenstelling van de hoofdstukken, zie dit onderdeel in les 14). Elke vorm van indeling is een ingreep in de originele tekst en beïnvloedt de lectuur. Soms moet je de hele tekst opnieuw lineair in een document plaatsen, zonder hoofdstuk- of versnummers, om andere logische vormen van tekstverdeling te vinden.

De preambule die hoofdstuk 13 voorafgaat, “De profetie van Samuël de Lamaniet aan de Nephieten” was deel van de informatie op de platen. Mogelijk had de originele kroniekschrijver, Nephi of Lehi (zonen van Helaman), dat alzo reeds genoteerd. Anders is het van de hand van Mormon bij het samenstellen van de definitieve bundel. Deze preambule vormt ontegensprekelijk een pendant van de identieke preambule die Helaman 7 voorafgaat —“De profetie van Nephi, de zoon van Helaman”. Toch zijn beide profetieën van een wel erg verschillende aard. Die van Nephi behelst een lokaal voorval, namelijk zijn helderziendheid in verband met een moordzaak tussen twee broers. De manier waarop dit voorval verteld wordt, met zelfs de beschrijving van de toekomende dialoog tussen de onderzoekers en moordenaar Seantum, laat de tekst op een bijna triviaal niveau hangen. De profetie van Samuël daarentegen is van een historisch en kosmisch niveau: in gezwollen taal gaat het om de wereldgebeurtenissen van Jezus’ geboorte, dood en opstanding en om immense omwentelingen die de bevolking te wachten staan. Dat alles onder een algemeen halo van profetische waarschuwingen en veroordelingen. Beide profetieën een gelijkwaardige preambule geven illustreert hoe de kroniekschrijvers zelf soms hun eigen geschriften subjectief beoordeelden en samenstelden. Ook dat is deel van de authenticiteit van de teksten.

 

5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

Helaman 13:4 – “daarom klom hij boven op de muur”
Helaman 13:4 – Hij strekte zijn hand uit.
Helaman 13:31 – Van glibberige rijkdommen

 

Helaman 13:4 – “daarom klom hij boven op de muur”

“En het geschiedde dat zij hem niet wilden toestaan de stad binnen te gaan; daarom klom hij boven op de muur en strekte zijn hand uit en riep met luide stem en profeteerde het volk alles wat de Heer in zijn hart legde.”

samuel-the-lamanite-39661-gallery_LDS.ORGVeel kerkleden denken daarbij aan de bekende illustratie waarbij Samuël als een kleine figuur op een zeer hoge muur van een machtig Azteeks-aandoende stadsomwalling staat te preken en geharnaste soldaten hem vanuit alle hoeken met pijlen beschieten. De illustratie is deel van de reeks scènes uit het Boek van Mormon die Arnold Friberg begin jaren 1950 schilderde voor The Friend, het tijdschrift voor het Jeugdwerk.

Het was precies de periode waarin Friberg ook de Hollywoodiaanse promotieschilderijen maakte voor Cecil B. DeMille’s superproductie The Ten Commandments (Google Arnold Friberg + Ten Commandments). Voor liefhebbers  van spektakel mocht het zo grandioos mogelijk zijn.Friberg - The Ten Commandments

Ook Samuël in zo’n verbluffend decor plaatsen  moest tot dezelfde verbeelding spreken. Alleen bestonden dit soort machtige bouwwerken niet in Samuëls tijd in het Oude Amerika. Goed bedoelde illustraties drukken op onze beeldvorming van de Nephitische en Lamanitische maatschappij. In werkelijkheid zal er in 6 v.C. nog niet veel veranderd zijn sinds de tijd dat opperbevelhebber Moroni de nederzettingen liet beschermen met “wallen van aarde” en “muren van steen”, met “muren van stammen tot op manshoogte” of “met een sterke muur van stammen en aarde” (Alma 48:8; 50:2; 53:4). Het was een primitieve cirkel van bescherming en verdediging (zie voor een andere beeldvorming de illustratie in dit onderdeel in les 32). Het moet niet zo moeilijk geweest zijn om op zo’n wal “op manshoogte” te klauteren en er bovenop te gaan staan — zeker als er geen verdedigers het beletten. Samuël mocht de stad niet meer binnen via de gewone ingang, dus koos hij een plek langs de wal, klom erop en begon te prediken — “want met die bedoeling ben ik op de muur van deze stad geklommen” (14:11). Het was dus allicht ook niet moeilijk om er af te springen, zoals Samuël deed wanneer het volk stenen naar hem begon te gooien en pijlen af te schieten: “En zie, toen zij aankwamen om hun handen aan hem te slaan, sprong hij van de muur af en vluchtte weg” (16:7). Hoe intens de aanval met stenen en pijlen was weten we niet. We weten wel dat geschiedschrijving de prestaties en ervaringen van de helden nooit minimaliseert. En kunstenaars die het visualiseren zeker niet.

 

Helaman 13:4 – Hij strekte zijn hand uit.

Ik herneem een uitleg reeds gegeven bij Mosiah 16:1.

Vaak vermelden de Schriften hand- en armgebaren bij bepaalde handelingen. Een ervan is die van het uitstrekken van de hand of handen bij belangrijke communicatie. De geste heeft minstens twee betekenissen:[10]

  • Het intensifieert de communicatie alsof de uitgestrekte hand de woorden als het ware aan de toehoorder fysisch aanbiedt.
  • In het geval van profetie beduidt het dat de rol van de spreker verandert. Hij spreekt niet meer in eigen naam, maar in naam van de Heer. De uitdrukking “strek uw hand uit” wordt dan nagenoeg steeds gevolgd door de opdracht te profeteren of met kracht te spreken in naam van God.

Voor andere voorbeelden en voor Schriftuurlijke hand- en armgebaren in het algemeen, zie dit onderdeel in les 18.

 

Helaman 13:31 – Van glibberige rijkdommen

“En zie, de tijd komt dat Hij uw rijkdommen vervloekt, zodat ze glibberig worden, zodat gij ze niet kunt vasthouden; en in de dagen van uw armoede kunt gij ze niet behouden.”

Het woord glibberig in de context van rijkdommen is een typische woordafdruk van Samuël. Hij gebruikt het woord driemaal in hoofdstuk 13 (verzen 31, 33, 36). Het thema was al vroeger in het hoofdstuk aangekondigd, in de lange passage over rijkdommen (verzen 17–23). Daar is sprake van het verbergen van schatten in de aarde, met als omstandigheid “wanneer zij voor hun vijanden vluchten”.

Sommige critici van het Boek van Mormon hebben geopperd dat dit ongebruikelijk beeld van “glibberige rijkdommen” die in de grond verborgen zitten een Amerikaans denkbeeld uit de tijd van Joseph Smith is, toen mensen veel naar schatten groeven en dachten dat magische krachten die tevoorschijn konden laten komen of laten verdwijnen. Dit denkbeeld was echter al deel van de antieke wereld en heeft altijd tot de verbeelding gesproken.[11]

De vloek van sociale ongelijkheid door rijkdom is een weerkerend thema in het Boek van Mormon. Rijkdom mag, zolang de rijken delen met diegenen die minder hebben. Eenmaal hebzucht zijn intrede doet, raakt de maatschappij weer in de negatieve cyclus en volgt de neergang. Gewoonlijk zorgen oorlog of roversbenden voor de straffen die rijken treffen. Hier brengt Samuël een andere vorm van teloorgang aan: het niet kunnen vasthouden van de rijkdom door zijn glibberigheid.

Vers 18 meldt nochtans een belangrijk onderscheid:

“En het zal geschieden, zegt de Heer der heerscharen, ja, onze grote en ware God, dat wie schatten in de aarde verbergt, ze niet meer zal terugvinden wegens de grote vervloeking op het land, tenzij hij een rechtvaardig man is en hij ze in de hoede des Heren verbergt.”

Dit laatste kan een allusie zijn op het later verbergen van de kronieken. Zo lezen we dat Ammaron in het begin van de vierde eeuw n.C. al de heilige kronieken nam en “hij verborg ze in de hoede des Heren” (4 Nephi 49). Wanneer Mormon de zorg voor de kronieken overneemt, beseft hij: “ze moeten in de hoede des Heren worden verborgen, zodat ze in de door Hem bestemde tijd tevoorschijn kunnen komen” (Mormon 5:12). Daar zal Moroni voor zorgen.

Maar bij Samuël gaat het essentieel om diegenen die uit angst voor het verlies van hun rijkdom schatten in de aarde verbergen. Het zintuiglijk beeld van de glibberigheid is sterk en wordt telkens verduidelijkt als “het niet kunnen vasthouden”. Het kan fysisch in verband gebracht worden met overstromingen en aardverschuivingen, waarbij kostbare voorwerpen in goud of zilver, die mensen op een plek verborgen hebben, zijn weggezonken of met de modder meegevoerd.

In onze tijd spreekt het beeld van de glibberigheid aan als uitdrukking van verlies op de financiële markten.

Alleen Mormon zal het woord nog een keer in eenzelfde context hernemen, en brengt het ook in verband met het verbergen van schatten in de aarde:

“En die rovers van Gadianton, die zich onder de Lamanieten bevonden, maakten het land onveilig, zodat de inwoners ervan hun schatten begonnen te verbergen in de aarde; en ze werden glibberig omdat de Heer het land had vervloekt, zodat zij ze niet konden vasthouden, noch wederom behouden” (Mormon 1:18).

 

6 – Gestructureerd lezen

De prediking van Samuël bevat, tussen vele andere gegevens in, drie specifieke voorspellingen:

  • De vernietiging van “dit volk” binnen vierhonderd jaar: “en er zullen geen vierhonderd jaar verstrijken alvorens het zwaard der gerechtigheid op dit volk valt” (13:5).
  • De geboorte van de Zoon Gods over vijf jaar, met een nacht zonder duisternis, een nieuwe ster en “vele tekenen en wonderen aan de hemel” (14:2–6).
  • De dood en de opstanding van Christus (14:20–27).

 

Helaman 13

In het 86e jaar van de regering der rechters (6 v.C.)

  • 1–4 – Situering in context, tijd en plaats: slechte Nephieten, goede Lamanieten, 86e jaar, Zarahemla. Samuël wordt geboden te prediken.
  • 5–10 – De waarschuwing en de dreiging: de Nephieten zullen volledig verdelgd worden over amper 400 jaar.
  • 11–16– Samuël roept “wee” over een aantal steden. Hij heeft echter tot nu de stad Zarahemla gespaard “ter wille van hen die rechtvaardig zijn”.
  • 17–23 – Passage over rijkdommen en de vervloeking over het land.
  • 24–30 – Passage over het aanvaarden of verwerpen van profeten. De mensen verwerpen de goede profeten maar eren de valse profeten.
  • 31–39 – Toekomst en terugblik naar de gemiste kans: “de dagen van uw proeftijd zijn voorbij”.

 

Helaman 14

Nog steeds in het 86e jaar van de regering der rechters (6 v.C.)

  • 1–8 – Voorspelling van de geboorte van Christus over vijf jaar, gepaard gaande met tekenen en wonderen.
  • 9–13 – Bedoeling van het werk van Samuël: de mensen tot bekering roepen.
  • 14–19 – Uitweiding over de leerstellige betekenis van de dood van Christus: de val, de geestelijke en stoffelijke afsnijding van God, de opstanding, de bekering, de verlossing en de terugkeer tot God.
  • 20–27 – Voorspelling van de dood van Christus en de tekenen die er mee gepaard gaan, waaronder drie dagen duisternis.
  • 28–31 – Doel van het al het vorige: geen ongelovigen meer; maar het is de eigen verantwoordelijkheid die uiteindelijk kiest tussen goed en kwaad.

 

Helaman 15

Nog steeds in het 86e jaar van de regering der rechters (6 v.C.)

  • 1–3 – Waarschuwingen aan het adres van de Nephieten indien zij zich niet bekeren.
  • 4–10 – Hulde aan de Lamanieten die zich bekeerd hebben.
  • 11–16 – Voorspelling over de Lamanieten in de laatste dagen. Zelfs indien zij in ongeloof vervallen, en ondanks alle beproevingen die hen te wachten staan, zal de Heer zorgen dat zij “tot Mij zullen terugkeren”.
  • 17 – Laatste waarschuwing aan het adres van de Nephieten indien zij zich niet bekeren.

 

Helaman 16

Nog steeds in het 86e jaar van de regering der rechters (6 v.C.)

Reactie op de woorden van Samuël – Twist en ongeloof

  • 1–8 – Sommigen geloven Samuël en keren zich naar Nephi om gedoopt te worden. De meerderheid verwerpt hem. Samuël verkiest te vluchten.

Van 87e tot het 89e jaar van de regering der rechters (5–2 v.C.)

  • 9–12 – De laatste jaren voor de geboorte van Christus gaan voorbij, met een groeiende meerderheid die volharden in slechtheid.

In het 90e jaar van de regering der rechters (1 v.C.)

  • 13–14 – Grote tekenen en wonderen worden gegeven; engelen verschijnen.
  • 15–21 – Velen vertrouwen echter op hun eigen kracht en wijsheid. Twijfel over de waarachtigheid van de voorspellingen.
  • 22–23 – Satan hitst de mensen op.
  • 24–25 – Einde “van het boek Helaman, volgens de kroniek van Helaman en zijn zonen”.

Voetnoten

[1]    Dan Peterson merkt op dat het ook niet ontkend wordt. Daniel C. Peterson, “Authority in the Book of Mosiah,” The FARMS Review 18, no. 1 (2014): 149–185 (162).

[2]    Ronald D. Anderson, “Leitworter in Helaman and 3 Nephi,” in The Book of Mormon: Helaman Through 3 Nephi 8, According To Thy Word, ed. Monte S. Nyman and Charles D. Tate, Jr. (Provo, Utah: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1992) 241–250.

[3]    Donald W. Parry, “Notes and Communications: ‘Thus Saith the Lord’: Prophetic Language in Samuel’s Speech,” Journal of Book of Mormon Studies 1, no. 1 (1992): 181–183.

[4]    R. Wayne Shute and Wayne E. Brickey, “Prophets and Perplexity: The Book of Helaman as a Case Study,” in The Book of Mormon: Helaman Through 3 Nephi 8, According To Thy Word, ed. Monte S. Nyman and Charles D. Tate, Jr. (Provo, Utah: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1992) 177–190.

[5]    S. Kent Brown, “The Prophetic Laments of Samuel the Lamanite,” Journal of Book of Mormon Studies 1, no. 1 (1992): 163–180.

[6]    Voor studie van oude Hebreeuwse literatuur, zie Susan Niditch, Oral World and Written Word: Ancient Israelite Literature (Westminster: John Knox Press, 1996); John H. Walton, Ancient Israelite Literature in Its Cultural Context: A Survey of Parallels between Biblical and Ancient Near Eastern Texts (Zondervan, 1994).

[7]    Jan P. Lettinga, Grammatica van het Bijbels Hebreeuws (Brill Archive, 1976), 189.

[8]    Zo onder meer Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5a – Helaman through Third Nephi 7 (Kindle Locations 4563-4572). Greg Kofford Books. Kindle Edition; Thomas W. MacKay, “Mormon’s Philosophy of History: Helaman 12 in the Perspective of Mormon’s Editing Procedure,” in The Book of Mormon: Helaman Through 3 Nephi 8, According To Thy Word, ed. Monte S. Nyman and Charles D. Tate, Jr. (Provo, Utah: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1992), 129–146 (131).

[9]    Jeffrey R. Holland, Christ and the New Covenant: The Messianic Message of the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book, 1997), 292–293.

[10] David Calabro, “’Stretch Forth Thy Hand and Prophesy’: Hand Gestures in the Book of Mormon,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 21, no. 1 (2013): 46–59.

[11]  Kevin L. Barney, “‘Slippery Treasures’ in the Book of Mormon: A Concept from the Ancient World,” Insights 20, no. 6 (2000): 2; Paul Beekman Taylor, “The Traditional Language of Treasure in Beowulf,” The Journal of English and Germanic Philology 85, no. 2 (1986): 191–205; M. Delpastre, “Des trésors et des mythes: Mythes, croyances et dévotions,” Ethnologia 87-90 (1999): 9-42; Francesco Orlando, Obsolete Objects in the Literary Imagination: Ruins, Relics, Rarities, Rubbish, Uninhabited Places, and Hidden Treasures (Yale: Yale University Press, 2008).

Om terug te keren

1 – Wie was Samuël de Lamaniet?
2 – Samuël als kenmerkende doemprofeet
3 – Samuëls stijl: harmonische literatuur vanop de muur
4 – Tekstkritische nota’s bij Samuëls prediking
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
6 – Gestructureerd lezen