Les 34 – Helaman 6–12

“Hoe hebt gij uw God kunnen vergeten?”

1 – De cyclus van voor- en tegenspoed: verdiepende vragen
2 – De wereld van de “geheime combinaties”
3 – Nephi, zoon van Helaman: buitenwerkelijk subliem
4 – Helaman 12: een voorbeeld van wijsheidsliteratuur
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
6 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

De structuur en de verschillende auteurs in het boek Helaman als geheel zijn hier in vorige les besproken. Die informatie blijft nuttig voor de hoofdstukken voor deze les. In deze hoofdstukken wisselen immers compacte samenvattingen af met gedetailleerde verhalen. Tussen de beschrijvingen en directe aanhalingen, voegt Mormon er bedenkingen van enkele eeuwen later aan toe. Het helpt om die stemmen te onderscheiden. Het onderdeel gestructureerd lezen onderaan kan daarbij helpen.

Tenzij anders aangeduid verwijzen referenties naar het boek Helaman.

 

1 – De cyclus van voor- en tegenspoed: verdiepende vragen

Het onderwerp van “de cyclus van voor- en tegenspoed”, dat het lesmateriaal voor deze les centraal stelt, biedt de kans voor verdiepende vragen. De erkenning van die vragen, zelfs zonder afdoend antwoord, is ook deel van een gezond geloof.

“Terugkeer van de verloren zoon” (detail)
door
Rembrandt van Rijn (1606–1669)

 

Aan de ene kant kun je de “cyclus van voor- en tegenspoed”, ook wel “cyclus van de hoogmoed” genoemd, als een eenvoudig mechanisme voorstellen: God beloont rechtschapenheid met voorspoed, maar voorspoed maakt mensen hoogmoedig en slecht. God straft hen dan met verwoesting en lijden, wat de mensen tot nederigheid en bekering brengt. Zo worden ze opnieuw rechtschapen. God zegent hen dan met voorspoed, en de cyclus herbegint. De Bijbel benadrukt het als de Vader die zijn kinderen het beste wil geven, maar telkens lopen ze door wangedrag verkeerd. Daarom straft hij ze tot ze zich bekeren. De boodschap is een simpele wetmatigheid: wees rechtschapen en je zult voorspoedig zijn; breek de geboden en je eindigt in ellende. Vanuit die ellende komt de mens terug tot God. De parabel van de verloren zoon illustreert de cyclus: de jongeman vertrekt vanuit een voorspoedige situatie, verknoeit zijn kansen en verzeilt in ellende, komt tot inkeer en vindt de weg terug naar zijn vader die hem in zijn voorspoed herstelt.

Aan de andere kant is de realiteit complexer.

 

Werkt Gods belofte van voorspoed feilloos?

De Schriften, zowel de Bijbel als het Boek van Mormon, beschrijven voorspoed vooral als rijkdom en overvloed: “… wanneer Hij zijn volk voorspoedig maakt, ja, door de opbrengst van hun velden en van hun kleinvee en runderen, en door goud en door zilver en door allerlei kostbaarheden…” (12:2).[1] Maar wordt rechtschapenheid altijd met dergelijke voorspoed beloond? Er zijn tal van rechtschapen mensen die het leven niet spaart. Het lijden van rechtvaardigen is evenzeer een Schriftuurlijk thema. Men moet dus voorzichtig zijn met de veralgemening dat rechtschapenheid nu al op aarde materiële voorspoed garandeert. In ons onderwijs kan die simplistische stelling bij kinderen een verkeerd beeld van God inprenten, alsof Hij klaar staat om gehoorzaamheid meteen hier op aarde gul te belonen. Hoe zou je voorspoed dus beter kunnen omschrijven, zonder meteen te denken aan de uiteindelijke beloning in het hiernamaals?

 

Wat met de onschuldigen die ook getroffen worden?

In een familiale context, zoals in de gelijkenis van de verloren zoon, kun je de cyclus van voor- en tegenspoed goed vatten. Maar de Schrift past de cyclus toe op hele volken die God met voorspoed zegent of met rampen straft. Een volk bestaat echter uit duizenden individuen die niet allemaal samen goed of slecht zijn. Zoals in Helaman verteld, de bron van het kwaad ligt bij enkelen, bij afgescheidenen en hoogmoedigen. Vervolgens breidt het kwaad uit tot “een deel” van het volk, tot “velen” of zelfs tot “het merendeel” (6:1, 2, 18, 21, 31…). Dan volgt “Gods toorn” in de vorm van oorlog, aardbeving, pestilentie of hongersnood. De ellende treft echter iedereen. Moeten de onschuldigen dan mee lijden?

Met die vraag confronteren de media ons dagelijks. Een groot deel van de wereldbevolking, waaronder talloze onschuldige kinderen, zitten in uitzichtloze armoede, honger, sociale wantoestanden en oorlog. Zeker, in veel gevallen kun je de oorzaak van al die ellende bij “slechten” leggen — uitbuiters, dictators en krijgsheren. Maar de omvang van het lijden van miljoenen kun je moeilijk als straf van God tegen die slechten aanzien, temeer omdat die slechten vaak buiten schot blijven. De Schrift geeft als antwoord dat God dat onrecht toelaat “opdat de oordelen die Hij in zijn verbolgenheid over hen [de slechten] zal uitspreken, rechtvaardig zullen zijn; en het bloed der onschuldigen zal staan als een getuigenis tegen hen” (Alma 14:11).[2] Met die troost moet de mens het stellen: de belofte van een ver eindoordeel over de schuldige. Maar soms, wanneer ellende treft, is er geen evidente schuldige, zoals bij natuurrampen of bij ziektes waarbij mensen, ook kinderen, vroegtijdig sterven. De vraag blijft onontkoombaar: waarom laat God dit lijden toe? Ook de antieke wereld worstelde met die vraag. Dat brengt ons bij het volgende punt.

 

Hoe lijden en rampen verklaren?

Houdt God zich echt bezig met het uitstorten van rampspoed als straf en als middel om mensen terug te winnen? Volgens Mormon, in zijn mijmering in het boek Helaman, is het inderdaad het enige middel:

“En aldus zien wij dat, tenzij de Heer zijn volk met vele benauwingen kastijdt, ja, tenzij Hij hen met de dood en met verschrikking en met hongersnood en met allerlei pestilentie bezoekt, zij niet aan Hem denken” (12:2).

Daarmee verwoordt Mormon de voorstellingswijze van antieke culturen om rampen te verklaren: ze zijn de uiting van goddelijke woede omdat mensen wetten overtreden hebben of goddelijk eerbetoon vergeten zijn. In die visie lokken mensen dus door eigen schuld Gods woede uit.[3] De goddelijke toorn zorgt voor vergelding in de vorm van ongelukken, ziekten en natuurrampen. De oudtestamentische retoriek volgt dit patroon en dus ook het Boek van Mormon — een teken van authenticiteit. Om de rampspoed te beëindigen en de goddelijke goedgunstigheid terug te verdienen moeten mensen dan voor genoegdoening zorgen. Als die er is, bijvoorbeeld door offers en bekering, zorgt God voor de omdraai. De Schriften bevestigen het mechanisme met tal van verhalen. De hoofdstukken voor deze les in Helaman illustreren het heel concreet. Volgens het verhaal krijgt Nephi er zelfs volmacht voor:

“Zie, Ik verkondig u in het bijzijn van mijn engelen, dat gij macht over dit volk zult hebben en de aarde zult slaan met hongersnood en met pestilentie en vernietiging, naargelang de goddeloosheid van dit volk.” (10:6)

En Nephi, volgens het verhaal, maakt er gebruik van.

Uiteraard kan een gelovige dit alles literalistisch aannemen, namelijk dat God persoonlijk voor rampspoed zorgt. Men kan het echter ook als een voorstellingswijze zien om geloof en rechtschapenheid te stimuleren. Het onderscheid tussen literalistisch en contextueel lezen besprak ik in dit onderdeel in les 27. Ongetwijfeld heeft Nephi de gebeurtenissen van oorlog en hongersnood daadwerkelijk meegemaakt, maar in welke mate hij oorzaak en gevolg juist inschatte weten we niet. Zoals Jesaja en Jeremia ervaarde hij gebeurtenissen in een gelovig perspectief. Voor het uiteindelijk verhaal, zoals we het nu lezen, zijn we ook afhankelijk van hagiografische [= heiligmakende] kroniekschrijvers van vele eeuwen geleden. Literalistisch zo gebeurd of interpretatief zo ervaren, het is geen kwestie van wie hierin gelijk heeft, maar van respect voor elkaars interpretatie. Hoe men de gebeurtenissen ook verklaart, het doet niets af aan de essentiële boodschap: rechtschapenheid is beter voor iedereen; moeilijkheden helpen mensen zich te bezinnen en zich tot God te keren. Want daarin ligt het feitelijk historisch resultaat: wanneer ze zich in uitzichtloze omstandigheden bevinden, keren mensen vaak tot geloof en doen ze beloften van een beter leven als pasmunt voor hulp en redding.

Heden ten dage blijven sommige fundamentalistische gelovigen ramp-literalisme aanhangen: ze beweren dat met elke aardbeving, tsunami, tornado of vulkaanuitbarsting God de getroffen bewoners om de een of andere reden straft — voor echtscheidingen, voorbehoedsmiddelen, abortus, homoseksualiteit, steun aan Israël of gebrek aan steun, enzovoort.[4] Zo zijn voor hen orkaan Katrina, de tsunami van 2005, de aardbeving in Chili van 2010, de Ebola-epidemie of het Zika-virus, retributies waar God zich mee bezighoudt.[5] Wie zo’n zienswijze voor het heden ongeloofwaardig acht, kan een gelijkaardige houding in het verleden makkelijker erkennen als een voorstellingswijze om mensen tot bekering te roepen. Authenticiteit van het verhaal is daarom nog niet historiciteit van het verhaalde.

 

Profeten hebben eigen perspectieven. Welk perspectief biedt het beste antwoord?

De ene profeet is de andere niet om ons inzicht in deze problematiek van lijden en rampen te verschaffen. Nephi, zoon van Helaman, speelt kort op de bal in de hoofdstukken die we voor deze les lezen. Hij staat voor dringende uitdagingen. Hij een begeesterd man. De omstandigheden dienen hem: hij kan voorspoed meteen als beloning verklaren, en tegenspoed meteen als straf, in een relatief korte tijdspanne van enkele jaren. Oorlog en vrede, droogte en regen volgen elkaar op. Hij koppelt die aan opeenvolgende periodes van ongerechtigheid en van bekering. Hij kan de hongersnood, die hij zelf heeft opgeroepen, zelfs selectief voorstellen om de ellende billijker te verdelen — “zodat zij werden geslagen en in de meer goddeloze delen van het land bij duizenden omkwamen” (11:6). Als kroniekschrijver noteert Nephi oorzaak en gevolg volgens de wetten van de cyclus: het is de slechtheid die ellende veroorzaakt, het is ellende die bekering veroorzaakt. Een historicus zal daarin gekunstelde accentuering vermoeden, maar precies die voorstellingswijze illustreert de authenticiteit van de kroniek — net zoals in de Bijbel.[6] Hier wordt een verhaal ter overtuiging geschreven.

Wanneer echter een profeet als Alma de jongere, althans op rijpe leeftijd, het aardse leven beschouwt, dan ontstijgt hij specifieke gebeurtenissen. Hij plaatst het sterfelijk bestaan in een veel breder perspectief — de proeftijd gedurende dewelke alle mensen “zowel stoffelijk als geestelijk van de tegenwoordigheid des Heren werden afgesneden” (Alma 42:7). In die “gevallen staat” is de mensheid overgeleverd aan heil en onheil. De vrije wil van wie zich “vleselijk, zinnelijk en duivels” gedraagt zal ook anderen treffen. Het grote “verlossingsplan” belooft geen onmiddellijke voorspoed bij bekering. Goddelijke gerechtigheid zorgt niet voor onmiddellijke straf bij overtredingen. Alma spreekt eveneens over wetmatigheden, maar van een orde die pas na dit leven oorzaak en gevolg aan elkaar koppelt:

“En aldus verwezenlijkt God zijn grote en eeuwige doeleinden, die sedert de grondlegging der wereld waren bereid. En aldus komen de redding en de verlossing der mensen tot stand, en tevens hun vernietiging en ellende. Daarom, o mijn zoon, wie ook wil komen, mag komen en om niet nemen van de wateren des levens; en wie niet wil komen, wordt niet gedwongen te komen; maar ten laatsten dage zal alles tot hem worden hersteld naar zijn werken” (Alma 42:26–27).

Dat grotere perspectief vermijdt misverstanden. Het verheft boven nog onbeantwoorde vragen.

 

2 – De wereld van de “geheime combinaties”

Vertaling van “secret combinations”
Ten tijde van de Nephieten
Origine in de verste oudheid
Geheime combinaties doorheen de geschiedenis
Waar zijn de geheime combinaties nu?

Vertaling van “secret combinations”

Nederlandse vertalingen van de Engelse frase “secret combinations” hebben er wat last mee. In 1890, voor de eerste Nederlandse vertaling van het Boek van Mormon, opteerde John Volker voor “geheime verenigingen”. Latere edities wijzigden dat in “geheime moordbenden”. De huidige vertaling opteert opnieuw voor “verenigingen”. De betekenis van combination is nochtans niet wat wij doorgaans onder vereniging verstaan. Secret combinations roept een duistere wereld van wisselende afspraken en allianties op, niet de wereld van formele “verenigingen”.[7]

Eigenlijk kunnen we gewoon letterlijk vertalen: combinaties — een correct Nederlands woord met precies dezelfde betekenis. Net zoals in het Engels komt het via het Frans uit het Latijn combinatio, van com + bini, letterlijk “met twee samenbrengen”, vaag genoeg om allerlei mogelijkheden van verbindingen tussen mensen te suggereren. Combineren vinden we in het Nederlands sinds de 14e eeuw en combinatie sinds de 18e eeuw. In de hiernavolgende aanhalingen van Schriftteksten gebruik ik dan ook combinatie voor het Engels combination. De term komt 27 keer voor in het Boek van Mormon.

Nog een reden om combination niet door vereniging te vertalen is het later gebruik van secret society in het Boek van Mormon (3 Nephi 3:9). Daar gaat het om een georganiseerde structuur, met een “regeerder” (governor) en grote middelen. In dat geval is vereniging wel geschikt en maakt aldus ook het onderscheid met combinations.

 

Ten tijde van de Nephieten

We zijn in het 40e jaar van de regering der rechters (51 v.C.). Een zekere Kishkumen vermoordt opperrechter Pahoran en slaat op de vlucht:

“En hij ging naar hen toe die hem hadden gezonden, en zij gingen allen een verbond aan, ja, zij zwoeren bij hun eeuwige Maker niemand te vertellen dat Kishkumen Pahoran had vermoord.” (1:11)

Kishkumen was dus in opdracht opgetreden. De groep achter de opdracht verbindt zich tot geheimhouding. Merkwaardig: “zij zwoeren bij hun eeuwige Maker”. Zelfs voor het kwade blijft religieuze retoriek gelden, met de goddelijke wraak als waarborg. Dat is nu eenmaal deel van de antieke verbondscultuur (zie dit onderdeel in les 32).

Twee jaar later krijgt Kishkumen een nieuwe moordopdracht, op de persoon van opperrechter Helaman. Op dat moment leren we de naam van de nieuwe leider van de bende, Gadianton, en zijn doel — “om het geheime werk van moord en roof uit te voeren” (2:3). De aanslag van Kishkumen mislukt, hij wordt zelf gedood, waarna Gadianton en zijn bende het land uitvluchten (2:5–11). Mormon, de kroniekschrijver die het allemaal vertelt, waarschuwt meteen de lezer: “aan het eind van dit boek zult gij zien dat die Gadianton de oorzaak bleek te zijn van de val, ja, van bijna de algehele vernietiging van het volk van Nephi” (2:13). Hoofdstukken van deze les zijn deels aan die ontwikkeling gewijd.

Het duurt zesentwintig jaar voor we opnieuw over de bende van Gadianton horen, in het 66e jaar (25 v.C.) . Aanleiding zijn twee opeenvolgende moordaanslagen op de persoon van de opperrechter waarvoor de bende verantwoordelijk is (6:15, 19). Volgens Victor Ludlow was de oorspronkelijke bende uitgestorven in de wildernis waarnaar ze gevlucht waren en was er een nieuwe bende gestart.[8] Dat lijkt niet zo want de nu vermelde “moordenaars en plunderaars vormden een bende, die door Kishkumen en Gadianton was opgericht” en zij handelen “volgens de wetten van hun goddeloosheid die door Gadianton en Kishkumen waren gegeven” — dus er blijkt continuïteit (6:18, 24). Dat blijkt ook uit feit dat de bende zich al ruim zowel onder Nephieten als Lamanieten had verspreid: “En nu geschiedde het dat velen tot Gadiantons bende behoorden, zelfs onder de Nephieten. Doch zie, zij waren talrijker onder het goddelooste deel van de Lamanieten” (6:18).

Leden van de bende maken verder snel opgang in de Nephitische hiërarchie en tegen het 69e jaar hebben zij “zich de macht en het gezag in het land toegeëigend” (7:4). Een periode van zware beproevingen en de erop volgende terugkeer naar rechtschapenheid zorgen ervoor dat in het 75e jaar de bende werd “weggevaagd, zodat zij niet meer bestaat, en zij hebben de geheime plannen daarvan in de aarde verborgen (11:10). Vijf jaar later herrijst de bende in de vorm van afgescheiden Nephieten en Lamanieten die, in plaats van intern in de maatschappij te sijpelen, nu “in de bergen en in de wildernis en op geheime plekken” meutes van rovers vormen en snel in aantal toenemen (11:24–32):

“…en zij deden op het gehele oppervlak van het land grote vrees over het volk komen. Ja, want zij bezochten vele delen van het land en richtten grote vernietiging onder hen aan; ja, zij doodden er velen, en voerden anderen gevankelijk weg de wildernis in, ja, en voornamelijk hun vrouwen en hun kinderen” (11:32–33).

De volgende dertig jaar, dus tot in de eerste decennia van onze tijdrekening, staan in het teken van die strijd met de ontelbare rovers van Gadianton die het land in wetteloosheid storten. Het verandert zelfs de demografie: Nephieten en Lamanieten vormen een alliantie en slagen er uiteindelijk in om de rovermacht te verslaan (3 Nephi 1–5). In de jaren voor het bezoek van Christus aan het westelijk halfrond ontstaat echter een nieuwe geheime combinatie. Die streeft nu weer binnen de maatschappelijke kanalen naar macht (3 Nephi 7). Hun opgang wordt weggevaagd door de komst van Christus (3 Nephi 8).

Daarna zal het tot in de derde eeuw n.C. duren vooraleer er opnieuw sprake is van de bende van Gadianton onder de Nephieten (4 Nephi 1:44). Hun hernieuwde verspreiding over het hele land draagt direct bij tot het einde van de Nephitische maatschappij een eeuw later.

 

Origine in de verste oudheid

In Helaman 6 besteedt de kroniekschrijver, vermoedelijk samenvatter Mormon, een hele passage aan de oorsprong van geheime combinaties. Het is deel van de geschiedenis van de mensheid zelf. Vanuit hun ervaring in de tempel weten mormonen hoe heilige verbonden tussen God en mens, en tussen mensen onderling, het beginpunt van de menselijke geschiedenis vormen. Verbonden om God te dienen en verbonden om elkaar als mensen te steunen doen een “Zion-cultuur” ontstaan, zoals Hugh Nibley de beschavingsbron voor andere culturen omschrijft.[9]

 

Rubens_Kain en Abel“Kaïn doodt Abel” van Peter Paul Rubens (1577-1640)

 

Van bij de aanvang bootst het kwade het goede na. Satan sluit dus ook verbonden, in het geheim, om het tegengestelde van het goede te bereiken. Het goede is leven, het kwade is dood. In die tegenstelling betreft de eerste samenzwering dan ook een moord. Abel is daar het slachtoffer van. Het boek Mozes, als openbaring aan Joseph Smith, verschaft hier de meeste informatie, breder en zinvoller dan wat de Bijbel alleen vertelt. Satan leert Kaïn te moorden “om gewin”, met name om de kudden van zijn broer Abel in handen te krijgen. Kaïn roemt erin: “Waarlijk, ik ben Mahan, de meester van dit grote geheim, dat ik kan moorden en gewin behalen” (Mozes 5:31). Mahan is de occulte naam van de persoon die het geheim beheert.[10] Volgens psychoanalytici typeert Kaïn de mens in de zelfrechtvaardiging van destructief gedrag.[11] Kaïn wilde daarbij niet alleen staan: er moest een geheime afspraak zijn waarin hij zich gedekt meende: “En Satan zeide tot Kaïn: Zweer mij bij uw keel, en indien gij het bekendmaakt, zult gij sterven; en laat uw broeders zweren bij hun hoofd en bij de levende God, dat zij het niet bekend zullen maken” (Mozes 5:29). De kern is geplant: “Want sedert de dagen van Kaïn bestond er een geheime combinatie, en hun werken waren in de duisternis, en ieder van hen kende zijn broeder” (Mozes 5:51). Nephi, in het kader van de val, beschrijft Satan als “dat wezen dat onze eerste ouders heeft verleid, dat zich welhaast in een engel des lichts verandert en de mensenkinderen ophitst tot geheime combinaties om te moorden en tot allerlei geheime werken van duisternis (2 Nephi 9:9).

 

Jan Sadeleer_Lamech“Lamech en zijn gezin” door Jan Sadeler (1550-1600)

Lamech, nakomeling van Kaïn, vertelt zijn twee vrouwen, Ada en Zilla, dat hij gemoord heeft. Rechts in de gravure zie je de ontdekking van de moord. Er zijn vier kleine kinderen in de tekening die elk wat uitvoeren. Een is een meisje. Het waarom vind je in Genesis 4:19-24.

 

De Schriften melden de knooppunten waarlangs de geheime kennis volgende generaties bereikt of hoe Satan een nieuwe aanzet geeft. Een volgende sleutelfiguur wordt Kaïns nakomeling Lamech, die Albert Borowitz de “prototypische belichaming van geërfde criminaliteit” noemt.[12] Ook hier verschaft het boek Mozes bijkomende informatie, bovenop wat Genesis 4 vermeldt: “want Lamech had een verbond gesloten met Satan, naar de wijze van Kaïn, waardoor hij Meester Mahan werd, meester van dat grote geheim dat aan Kaïn was bediend door Satan” (Mozes 5:49).

In Helaman 6 meldt de kroniekschrijver Satans invloed in de bouw van de “hoge toren”. Vandaar loopt de connectie naar het westelijk halfrond: “En het was datzelfde wezen dat de mensen die vanaf die toren in dit land kwamen, misleidde; dat de werken van duisternis en van gruwelen over het gehele oppervlak van het land verspreidde (6:28). Dat brengt ons bij de Jaredieten, van wie de geschiedenis in het boek Ether verhaald wordt. Die beschikken over “een verslag over de ouden, dat zij door hun geheime plannen koninkrijken en grote roem verkregen” (Ether 8:9). Een groep past de kennis toe:

En Akish nam hun de eden af, die gegeven waren door de ouden die ook naar macht hadden gestreefd, en die waren doorgegeven van Kaïn  af, die vanaf het begin een moordenaar was. En ze werden door de macht van de duivel in stand gehouden om de mensen die eden af te nemen, om hen in de duisternis te houden, om hen die naar macht streefden te helpen bij het verkrijgen van macht, en om te moorden en om te plunderen en om te liegen en om allerlei goddeloosheid en hoererijen te bedrijven. (Ether 8:15-16)

Zo geschiedde het “dat zij een geheime combinatie oprichtten, zoals de ouden, welke combinatie boven alles goddeloos en gruwelijk is in de ogen Gods” (Ether 8:18). Vanaf dat punt blijven geheime combinaties het lot van de Jaredieten ten kwade verstoren tot hun ultieme vernietiging.

Brant Gardner en anderen zijn ervan overtuigd dat het “grote geheim”, met de geheime woorden en tekens, werkelijk van persoon tot persoon sinds Kaïn werd doorgegeven. Zo zouden Nephieten het via Mulekieten hebben geleerd die het zelf van de Jaredieten kregen, aangezien de laatste Jaredieten nog contact met Mulekieten hadden.[13] Zo’n geheime doorgave versterkt het idee van samenzwering van de ene generatie naar de andere, wat een bepaalde fantasy-literatuur graag bespeelt, maar de Schriften ondersteunen die theorie van hand-tot-hand doorheen de eeuwen niet. Wel wordt Satan als de directe initiator van nagenoeg elke nieuwe fase vermeld. Dat is alvast het geval bij Gadianton:

“Nu zie, die geheime eden en verbonden waren niet tot Gadianton gekomen uit de kronieken die aan Helaman waren overgedragen; maar zie, zij waren Gadianton in het hart gegeven door datzelfde wezen dat onze eerste ouders ertoe verlokte om van de verboden vrucht te nemen” (6:26).

 

Geheime combinaties doorheen de geschiedenis

Heimelijke en half-heimelijke netwerken van mensen hebben altijd bestaan. Niet alle hebben slechte bedoelingen. In de eerste eeuwen van het christendom moesten de eerste christenen vaak voor hun veiligheid als een ondergronds netwerk fungeren, met bijvoorbeeld het teken van de vis als herkenningssignaal. In tijden van oorlog organiseert het verzet zich als een “geheime combinatie”. Ook in onze tijd, in sommige landen, moeten gelovigen van bepaalde religies zich beschermen door clandestien contact te houden en in het geheim te vergaderen.

Verborgen netwerken voor kwaad opzet vormen de andere zijde. Vanuit de criteria die het Boek van Mormon aanreikt, beschrijft Hugh Nibley hoe die geheime combinaties vanaf de oudheid floreerden, soms begonnen als een lofwaardige beroepsgilde, maar langzaamaan ontaard met enkel gewin als doel.[14] Merkwaardig is zeker dat vele vanuit een religieuze achtergrond ontstonden — sektes die godsdienst als lokmiddel en als drukkingsmiddel gebruiken, maar uiteindelijk misdadig zijn in het uitbuiten van mensen. Samenzweringen met het oog op politieke omwenteling zijn eveneens van alle tijden en markeren de geschiedenis als geen ander fenomeen.[15]

 

Waar zijn de geheime combinaties nu?

In zijn visioen van de toekomst profeteert Nephi “over de laatste dagen; over de dagen dat de Here God deze dingen onder de mensenkinderen tevoorschijn zal brengen”, doelend op de tijd dat het Boek van Mormon zal verschijnen (2 Nephi 26:14). In die tijd ziet hij, naast kerken “die afgunst en strijd en kwaadwilligheid veroorzaken”, “ook geheime combinaties, zoals in de dagen van weleer, naar de combinaties van de duivel” (2 Nephi 26:22). Ook Moroni, zoon van Mormon en de laatste schrijver in het Boek van Mormon, waarschuwt voor de geheime combinaties die “onder alle volken” bestaan “om macht en gewin te verkrijgen” (Ether 8:20, 23). Moroni ziet het als een toekomstig wereldprobleem: “Want het zal geschieden dat wie haar [de geheime combinatie] opbouwen, ernaar streven de vrijheid van alle landen, natiën en volken omver te werpen; en ze brengt de vernietiging van alle volken teweeg, want ze is opgebouwd door de duivel, die de vader van alle leugen is” (Ether 8:25).

Die voorspellingen nodigen de vraag uit: waar zijn de geheime combinaties nu? Een aantal kerkleden hebben zich in de loop der jaren beziggehouden met de Schriftuurlijke criteria voor een “geheime combinatie” om dan de vermoede hedendaagse manifestaties ervan aan te duiden. Zo zagen veel Amerikaanse kerkleden, voor en vooral na de Tweede Wereldoorlog, in het communisme de evidente uiting van een grote “geheime combinatie” die vrijheid aan banden legde en naar wereldheerschappij streefde.[16] Kerkleider Ezra Taft Benson was er de meest prominente mormoonse stem voor.[17] Voor veel Amerikanen is “socialisme” zowat hetzelfde als communisme, dus ook dat werd verdacht. In de jaren 1950 en 60 zag kerkleider Bruce R. McConkie de aanwezigheid van geheime combinaties “bij gangsters, als deel van de regeringen van communistische landen, in sommige vakbonden, en zelfs in sommige religieuze groeperingen”.[18] Maar niet alle kerkleiders vonden dit soort politieke en religieuze insinuaties verstandig, precies in een periode waarin de kerk sterk begon te internationaliseren. Vooral president David O. McKay probeerde zijn naaste mede-leiders te temperen.[19]

Toen hij kerkpresident was, verklaarde Ezra Taft Benson op de oktober-conferentie van 1988: “Een geheime combinatie die de vrijheid van alle landen, naties en staten tracht omver te werpen is haar kwade invloed en haar controle over Amerika en de hele wereld aan het uitbreiden”.[20] Men vroeg zich toen af of hij nog steeds het communisme bedoelde (wat toen aan de Sovjet-zijde op instorten stond), dan wel de verborgen macht van het geld en de controle over de media. Het leidt tot speculaties als een groeiende dreiging wordt aangekondigd, maar niet geïdentificeerd.

Een meer recente bepaling van geheime combinaties vinden we bij apostel M. Russell Ballard, die ze omschreef als “gangs, drug kartels en georganiseerde misdaadfamilies”.[21] Opmerkelijk typerend was kerkpresident Gordon B. Hinckley die, op de algemene conferentie  van oktober 2001, vlak na 9/11, de “terroristische organisaties” vergeleek met de rovers van Gadianton en hun geheime eden “om het kwade en vernietiging te veroorzaken”.[22] Die definitie blijft hoog actueel.

In de marge leven nog samenzweringstheorieën bij een aantal extreem-denkende Amerikaanse mormonen, vooral in landelijke streken en kleinere steden in Utah en Idaho, namelijk de overtuiging dat de leiders van een sterke centrale regering samenspannen om hun vrijheden af te nemen. Zo’n regering, geleid vanuit de gevreesde “geheime combinaties”, is dan de Amerikaanse federale regering of een “wereldregering” zoals de Verenigde Naties. Voor deze ultraconservatieven vertegenwoordigen centrale regeringen het “plan van Satan” dat mensen in één systeem wil dwingen. Daarom hangt volgens hen de Amerikaanse Constitutie, die vrijheid garandeert, “aan een zijden draadje”. Daarom is persoonlijk wapenbezit voor hen zo belangrijk. Een van de meest succesvolle verspreiders van dit gedachtengoed in de jaren 1960 en 70 was de mormoon W. Cleon Skousen.[23] Zijn gedachtengoed werd opnieuw gepopulariseerd door de mormoonse bekeerling Glenn Beck die vooral vanaf 2006 als rechtse mediafiguur en “samenzweringsexpert” een grote aanhang onder Amerikaanse kerkleden verwierf.

Samenzweringstheorieën horen bij de Amerikaanse cultuur.[24] In tijden van angst en onzekerheid trachten mensen via zo’n theorieën de onzichtbare vijand te ontmaskeren. Ook nu blijven sommige kerkleden via websites, artikelen en boeken de “geheime combinaties”, zoals voorspeld door Nephi en Moroni, oplijsten en aanklagen. Ze zien samenzweringen in de politieke en financiële elites, in “globalisme” of in een “nieuwe wereldorde”, maar soms ook in seksuele opvoeding op school en in verplichte ziekteverzekering.[25] Seth R. Payne wijst erop dat deze idealisten, hoe vreemd sommige van hun obsessies ook zijn, diep moreel en religieus gemotiveerd zijn en een betere wereld nastreven. Alleen maken simplistisch denken en veralgemeningen hen makkelijk ongeloofwaardig.[26] Het wordt soms wat zorgwekkend wanneer kerkleden in andere landen, die zo’n ultraconservatieve mormoonse vrienden in de V.S. hebben, met die ideeën besmet worden en die als deel van het mormonisme gaan beschouwen.

Laten we niet vergeten dat mensen samenzweringstheorieën ook afschuwelijk kunnen misbruiken. Oorlogen en genocides worden voorbereid door het “andere volk” te verdenken van geheime overname- of vernietigingsplannen. Zo werd de holocaust mogelijk gemaakt door “das Weltjudentum” als een internationaal netwerk van “geheime combinaties” voor te stellen dat wereldheerschappij op het oog had. Vele duizenden geloofden het.

 

3 – Nephi, zoon van Helaman: buitenwerkelijk subliem

Tot de bekende “groten” van het boek van Mormon horen Nephi (zoon van Lehi), Alma de oudere, koning Benjamin, koning Mosiah II, Alma de jongere, Ammon, opperbevelhebber Moroni, en, naar het einde van het boek, Mormon en zijn zoon Moroni. Maar Nephi, zoon van Helaman, is niet direct de naam waar de meeste lezers meteen aan denken. Nochtans is heel wat tekst aan hem gewijd en horen zijn prestaties tot de meest gevarieerde en wonderlijke van het Boek van Mormon. Soms lijkt hij zelfs wat buiten de werkelijkheid te staan.

Als regeerder
Als profeet onder de Lamanieten: te midden van Bijbelse wonderen
Als profeet onder de Nephieten: treurzang en tekens van zijn  profetische gave
Als ontvanger van openbaring: “Zie, gij zijt Nephi, en Ik ben God.”
Als onvatbaar gezant en uitvoerder van Gods macht

 

Als regeerder

Hij begon zijn carrière als regeerder over het volk van Nephi. De opvolging gebeurde blijkbaar soepel: “Helaman stierf en zijn oudste zoon, Nephi, begon in zijn plaats begon te regeren”. We schrijven het 53e jaar (38 v.C.). Nephi doet zijn werk dat “in rechtvaardigheid en billijkheid” (3:37). In welke mate Nephi ook de kerk als hogepriester leidt is niet duidelijk. Als opvolger van Helaman is Nephi wel verantwoordelijk voor de kronieken, wat zowel bij aanvang als op het einde van het boek Helaman bevestigd wordt, en bij de volgende stap van overdracht (3 Nephi 1:2). Dat is niet onbelangrijk, want wat we in de hoofdstukken over hem zullen lezen is dus oorspronkelijk door Nephi zelf ingebracht.

Als regeerder kan Nephi niet beletten dat de tien jaar onder zijn bewind catastrofaal zijn. Het begint met een driejarige interne strijd, “veel bloedvergieten” en het executeren of uitwijzen van weerspannigen (4:1–2). Dan volgt een zesjarige oorlog met de Lamanieten met nog nooit geziene gevolgen: de Nephieten moet hun land Zarahemla ontruimen en toevlucht zoeken in het land Overvloed. De oorzaak van de ellende ligt bij de “slechtheid en gruwelen” van de Nephieten, “ook onder hen die beweerden tot de kerk van God te behoren” (4:11). Wanneer prediking tot enige bekering leidt, keert ook het lot enigszins: tijdens de laatste twee jaren van de oorlog kan opperbevelhebber Moronihah een deel van het land Zarahemla herwinnen (4:14–16). Maar het volk heeft aan de wetten zitten tornen en die waren “verdorven geworden”. Daarenboven verkommert de kerk (4:22–23; 5:2).

Nephi ziet het niet meer zitten: “En het geschiedde dat Nephi wegens hun ongerechtigheid vermoeid was geworden”. In het 62e jaar (29 v.C.) neemt hij een besluit dat mogelijk al langer rijpte: de functie van opperrechter afstoten en zich nog maar enkel aan prediking wijden (5:4). Daarmee doet hij precies zoals zijn overgrootvader Alma in het 9e jaar (82 v.C.) gedaan had, en om dezelfde reden (Alma 4:15–20). Het is echter niet duidelijk of Nephi, ook al is hij de behoeder van de kronieken en de heilige voorwerpen, ook de hoogste leiding van de kerk waarneemt.

 

Als profeet onder de Lamanieten: te midden van Bijbelse wonderen

Samen met zijn jongere broer Lehi vangt Nephi nu alleen nog maar prediking aan. Heel toepasselijk wordt dit voorafgegaan door de woorden van hun vader Helaman. De passage lijkt de functie van een zegen voor de zending te hebben, hoewel Helaman al jaren geleden overleden is. Het is een doordringende tekst met als Leitwort het dertienmaal herhaalde herinner u (als we de tekst coherent vertalen). Het plaatst Nephi en Lehi expliciet in de lijn van illustere voorgangers: de stichters en eerste profeten Lehi en Nephi, koning Benjamin en Amulek. Bijzondere aandacht gaat naar Christus.

De zendingsreis van Nephi en Lehi brengt hen van stad tot stad, van het noorden in het land Overvloed steeds verder zuidwaarts. Het land Zarahemla is nog deels bezet door Lamanieten, maar daar boeken ze hun eerste succes. Vermeten trekken ze verder tot in het land Nephi, waar ze uiteindelijk op vijandelijke reactie stuiten en in de gevangenis geworpen worden (5:14–22). De volgende gebeurtenissen horen tot de sfeer van de Bijbelse wonderen. Vuur dat hen omringt en niet deert herinnert aan de ervaring van Shadrach, Meshach en Abed-nego, de drie gelovige Joden die Nebukadnezar in een brandende over liet werpen, er door een engel beschermd werden en er ongedeerd uitkwamen (Daniël 3:19–28). Daarop volgt een aardbeving die de muren van de gevangenis doet wankelen, tot viermaal toe. Het roept de ervaring van Paulus in Filippi op (Handelingen 16:26) en ook de ervaring van Alma en Amulek in de gevangenis van Ammonihah (Alma 14:28).

shad-mech-abed-fire“Shadrach, Meshach en Abed-nego” door  Gustave Doré (1832-1883)

De opeenvolging van wonderen houdt niet op: een wolk van duisternis omhult de omstaanders en er weerklinkt “een stem als het ware van boven de wolk”. Het doet denken aan de verheerlijking op de berg, wanneer een wolk de apostelen overschaduwt en er een goddelijke stem uit weerklinkt (Markus 9:7). Opvallend is de dramatisering in het contrast tussen de aardbevingsschokken en de poëtische omschrijving van een “zachte stem van een volmaakte mildheid, als een fluistering, en toch drong zij door tot in het diepste der ziel” (5:30). Maar ook daar houdt het niet op: Lehi en Nephi stralen licht uit en “spreken met de engelen Gods”. Ook bij de verheerlijking straalde Jezus’ gezicht als de zon en spreekt hij met hemelse boodschappers (Mattheüs 17:2–3). Het volk, dat God begint aan te roepen, wordt in het momentum opgenomen, de wolk van duisternis verdwijnt en ook zij worden door vuur omringd. Hier ervaren zij Pinksteren: “de Heilige Geest Gods daalde uit de hemel neer en doordrong hun hart, en zij werden als het ware met vuur vervuld, en zij konden wonderbare woorden spreken” (5:42–45). Nogmaals weerklinkt de stem van God en als hoogtepunt “zagen zij de hemelen geopend; en engelen daalden uit de hemel neer en dienden hen”. Neerdalende en dienende engelen horen tot de ervaring van Jezus zelf, na de veertig dagen in de woestijn en de verzoeking van Satan (Mattheüs 4:11). Hier wordt het ongeveer driehonderd mensen meteen aangeboden, na slechts de Heer te hebben aangeroepen.

Het is het beginpunt van nog veel meer bekeringen onder de Lamanieten, in die mate dat in een periode van een jaar of twee “het merendeel der Lamanieten een zo rechtvaardig volk was geworden, dat hun rechtvaardigheid die van de Nephieten overtrof, dankzij hun onwrikbaarheid en hun standvastigheid in het geloof” (6:1). Het is evenwel niet duidelijk of de verwijzing naar Lamanieten op een beperkt gebied betrekking heeft, namelijk een brede strook die bijvoorbeeld zuidelijk Zarahemla en noordelijk Nephi bestrijkt, dan wel op alle Lamanieten zonder uitzondering tot in de verste hoeken. Vermoedelijk het eerste. In ieder geval starten nu, dank zij die unieke zendingsijver van Nephi en Lehi, en geholpen door een cumul van wonderen, enkele jaren van vrede en samenwerking tussen Nephieten en Lamanieten — iets wat nimmer in die mate was gebeurd. Op zich nochtans niet zo verwonderlijk: al jaren is er meer vredige interactie tussen afgescheiden Nephieten en Lamanieten, maar vooral is er geen “ophitsing” tot oorlog geweest. We hebben vroeger al gemerkt dat Lamanieten “van nature” niet zo happig op oorlog zijn en dat nagenoeg steeds externe oorzaken conflict doen ontbranden.

 

Als profeet onder de Nephieten: treurzang en tekens van zijn profetische gave

Na jaren van vrede loopt het weer mis. Nephi was teruggekeerd naar het “land noordwaarts”, dus hoofdzakelijk onder Nephieten, om er te prediken. Hij wordt er verworpen. In het 69e jaar (22 v.C.) besluit hij terug te keren naar zijn “geboorteland”, Zarahemla. Daar ontdekt hij hoe “geheime combinaties” het regeringsapparaat ontwricht hebben en hoe “gewin en de eer van de wereld” tot immoraliteit hebben geleid (7:4–6). Nu pas krijgen we voor het eerst de stem van Nephi zelf te horen, in een klaagzang. Het blijkt een lyrische stem te zijn die op het ritme van de emotie drijft. Daarenboven krijgen we, uitzonderlijk, ook een beschrijving van de plaats waar hij treurt, zodat het een sterk visueel tafereel wordt: hij spreekt vanop een verhoog, “een toren”, in zijn tuin, aan een muur langs een grote weg naar de hoofdmarkt. En nog een bijkomende aanwijzing voor de toon: “zijn hart was in zijn binnenste opgezwollen van droefheid”.

De nostalgische klaagzang is allicht nadien meer literair opgetekend. Hij drijft op herhalingen, met als basiswoord dagen (A in het schema hieronder). De B-zinnen gaan telkens om moraliteit. De eerste groep B-zinnen wordt gedragen door vier adjectieven over het volk van toen (in een opsomming). De tweede groep B-zinnen keert het perspectief naar zichzelf: mijn ziel, met daar een dubbele tegenstelling: vreugde-droefenis en gerechtigheid-slechtheid. Het geheel vormt een contrast tussen het ingebeeld vreugdevol verleden en het droeve heden. De Nederlandse versie hieronder is geconformeerd op het Engels.

34T2

De authentieke klank van de stem is onmiskenbaar, maar Nephi’s nostalgie verkleurt wel de realiteit, want van bij de aankomst in het beloofde land had “vader Nephi” overwegend moeilijkheden en uitdagingen gekend.

Dan volgen de uitgebreide toespraken tot de menigte (7:13–27; 8:11–28) en tot de rechters (9:21–36). Een gedetailleerde analyse zou ons hier te ver leiden, vandaar aandacht voor slechts enkele punten.

In het eerste deel van zijn toespraak tot de menigte (7:13–27) zit Nephi meteen in de stijl van Oudtestamentische doemprofeten:

  • Vijfmaal weerklinkt de uitroep wee in Nephi’s toespraak (Engels wo). Het is een uitroep van pijn en verdriet die in veel talen voorkomt en vandaar wellicht tot een Indo-Europese origine teruggaat. Vermoedelijk is het woord klanknabootsend ontstaan, als verwoording van het wenen van een kind. Het werkwoord wenen is er trouwens op gebaseerd, alsmede wee, weeën als in barensweeën. De uitdrukking wee u roept pijn en verdriet af op de toehoorders.
  • De lyrische kracht van wee wordt nog eens versterkt door de uitroep O, … in “O, bekeert u, bekeert u!”, “O, hoe hebt gij uw God kunnen vergeten…”.
  • Geïrriteerde vragen en retorische vragen ondersteunen de kracht van de rechtstreekse aanspreking: “Zie, waarom zijt gij tezamen gekomen? Opdat ik u over uw ongerechtigheden zal vertellen?” … “Waarom heeft Hij u verlaten?”
  • Volgens John Welch richt Nephi zich tot het bijeen gestroomde volk in een toespraak die past voor een klaagzang bij een begrafenis.[27] Het thema van de dood is inderdaad in de tekst verweven: “Waarom wilt gij sterven?” (7:17) en “nadat gij volkomen vernietigd zult zijn” (7:24). Toch lijkt me de inhoud overwegend verwijtend.

In het tweede deel van de toespraak tot de menigte (8:11–28) benadert Nephi de omstaanders op een andere manier, “toen hij zag dat hij bij sommigen bijval had geoogst”.

  • De aanhef is rustiger: “Zie, mijn broeders, hebt gij niet gelezen … ?
  • De benadering is nu beredeneerd. Vanuit de geschiedenis toont Nephi twee zaken aan: profeten treden op om mensen te waarschuwen dat vernietiging dreigt; profeten hebben de komst van Gods Zoon voorspeld.
  • De conclusie leidt logisch tot een veroordeling van het volk.
  • Nephi eindigt met een teken, de inslaande mededeling dat de opperrechter door zijn broer is vermoord.

In de toespraak tot de rechters (9:21–36) herneemt Nephi de sterk emotionele toon van de doemprofeet.

  • De aanspreking en uitroep zijn zelfs agressief: “O dwazen, o onbesnedenen van hart, o verblind en halsstarrig volk…” en “O, gij moest gaan kermen en treuren wegens de grote vernietiging die u op dit moment te wachten staat…”
  • Het tweede teken, de precieze beschrijving van de komende dialoog met Seantum, moet als definitief bewijs van Nephi’s profetische gave dienen. Het fenomeen van de voorspelde handeling vinden we ook in de Bijbel, zoals in het visioen van Cornelius (Handelingen 10:1–8), maar hier is de voorspelling uitzonderlijk uitgebreid.

Nephi’s voorspelling blijkt waar en maakt zo’n indruk dat sommigen hem zelfs als een god beschouwen (9:41).

 

Als ontvanger van openbaring: “Zie, gij zijt Nephi, en Ik ben God.”

Een nieuwe fase breekt aan die Nephi als spil in de geschiedenis zal plaatsen.

“Zeer terneergeslagen wegens de goddeloosheid van het volk der Nephieten, hun geheime werken van duisternis en hun moorden en hun plunderingen en allerlei ongerechtigheden” (10:3), ontvangt Nephi een openbaring terwijl hij op weg naar huis is. Het gegeven is interessant om het mechanisme van openbaring en van de notatie achteraf op te merken. “Een stem kwam tot hem zeggende…”. Kerkpresident Spencer W. Kimball verduidelijkte dat openbaring soms een hoorbare stem kan zijn, “maar meestal communiceert de stille, zachte stem van God met onze geest, ons innerlijk”.[28] President Gordon B. Hinckley sprak over openbaring tot het Eerste Presidium en de Twaalf als “de influisteringen van een stille kleine stem”.[29] Daarna moet de ontvanger de ingevingen in mensentaal omzetten (zie hiertoe de bespreking in les 22). Die omzetting kan dan een meer literaire vorm aannemen, met Hebreeuwse stijlfiguren en in het plechtig ritme van goddelijk spreken. Dat is zeker het geval in de openbaring die Nephi pas later moet genoteerd hebben aangezien hij de openbaring al wandelend op weg naar huis ontving: “Nu geschiedde het, toen de Heer die woorden tot Nephi had gesproken, dat deze bleef staan en niet naar zijn huis ging, maar terugkeerde naar de menigten die over het oppervlak van het land verspreid waren, en hun het woord des Heren begon te verkondigen” (10:12).

De tekst van de openbaring opent met een chiasme. In het midden ervan een tegenstelling.

34T1

In het centrum van de openbaring weerklinkt een plechtige identificatie van de ontvanger en van de spreker, in een sterke tegenstelling: “Zie, gij zijt Nephi, en Ik ben God.”

Dan volgt een reeks parallelstructuren (7–10).

H10_2

De afronding is dan de opdracht, waarbij het directe woord van God overgebracht moet worden: “En nu zie, Ik gebied u heen te gaan en dit volk te verkondigen dat de Here God, die de Almachtige is, aldus spreekt: Tenzij gij u bekeert, zult gij worden geslagen, tot vernietiging toe.”

 

Als onvatbaar gezant en uitvoerder van Gods macht

Na het ontvangen van de openbaring begint Nephi dus prompt tot de menigten “over de oppervlakten van het land” te prediken. Mensen trachten hem te grijpen en in de gevangenis te werpen. Maar de wonderen die Nephi’s optreden kenmerken zetten zich voort:

“Maar zie, de kracht Gods was met hem, en zij konden hem niet grijpen om hem in de gevangenis te werpen, want hij werd door de Geest opgenomen en uit hun midden weggevoerd. En het geschiedde dat hij aldus in de Geest uitging, van menigte tot menigte, en het woord Gods verkondigde, ja, totdat hij het aan hen allen had verkondigd, ofwel het onder het gehele volk had uitgezonden.” (10:16–17).

Het is niet duidelijk wat we ons bij dit “opnemen door de Geest”, het “wegvoeren” en het “in de Geest uitgaan van menigte tot menigte” moeten voorstellen. Nephi’s optreden is buitenwerkelijk.

Ondanks zijn predikingen kan Nephi niet verhinderen dan interne moeilijkheden toenemen, vooral door “die geheime bende rovers die dat werk van vernietiging en goddeloosheid voortzette” (11:2). Het hele landt lijdt onder twisten en oorlogen. In het 73e jaar (18 v.C.) gebruikt Nephi zijn voorspraak bij God om een hongersnood te laten heersen, in de hoop dat dit het “werk der vernietiging” zou doen ophouden. Het korte gebed is een lyrische aanroep, gedragen door een dubbele “O Heer” (11:4). De hongersnood slaat toe. Na twee jaar lijden begint het volk zich te bekeren en richt zich tot Nephi voor hulp. Hij bidt om de hongersnood te doen ophouden, wat nadien gebeurt. Daarmee handelt hij in de traditie van Mozes die de plagen over Egypte afroept en die ook weer kan doen ophouden.

Chagall_Moses“Mozes roept de plagen over Egypte af” door  Marc Chagall (1887-1985)

Nephi’s gebed om de hongersnood te doen ophouden is opnieuw een lyrische aanroep, ditmaal gedragen door achtmaal “O Heer” (11:10–16). Het is een intense tekst, vol met termen eigen aan doemprofeten, redundant en literair gezocht:

“Welnu, o Heer, wilt Gij uw toorn wegens hun ootmoed afwenden en uw toorn bevredigd laten zijn door de vernietiging van die goddelozen die Gij reeds vernietigd hebt. O Heer, wilt Gij uw toorn afwenden, ja, uw brandende toorn…”.

Nephi’s eigen woordenschat blijkt uit een aantal unieke woordafdrukken, zoals “haar graan in het graanseizoen” en “de pestilentie van het zwaard”.

Vrede en voorspoed worden hersteld, maar de geschiedenis herhaalt zich in de bekende cyclus van voor- en tegenspoed. Vanaf het 80e jaar (11 v.C.) herneemt de fase van slechtheid en oorlog. Daarin situeert zich het optreden van Samuël de Lamaniet (hoofdstukken 13–15). Wanneer, door Samuëls prediking, vele Nephieten zich bekeren, gaan ze op zoek naar Nephi om zich te laten dopen. Ook daar worden we herinnerd aan Nephi’s wonderlijke krachten:

“Want zie, Nephi doopte en profeteerde en predikte en riep het volk bekering toe, terwijl hij tekenen en wonderen toonde en onder het volk wonderdaden verrichtte, opdat zij zouden weten dat de Christus binnenkort moest komen.” (16:4).

Zo bereiken we het bijzondere 91e jaar, “zeshonderd jaar vanaf het tijdstip waarop Lehi Jeruzalem had verlaten”, aan de vooravond van Jezus’ geboorte. Gelet op al het wonderlijke in Nephi’s leven, moest ook zijn afscheid buitenwerkelijk zijn. Net zoals Mozes en Alma, “verliet hij het land, en niemand weet waarheen hij is gegaan” (3 Nephi 1:3).

 

4 – Helaman 12: een voorbeeld van wijsheidsliteratuur

Hugh Nibley vermeldt Helaman 12 als typerend voor Hebreeuwse wijsheidsliteratuur, een genre waartoe ook Psalmen, Prediker en Klaagliederen horen. Het is deel van een bredere “klaagliteratuur” [lamentation literature] die ook in Egypte en Babylonië gebruikelijk was. De teksten drukken zowel wanhoop over de dwaasheid van de mensen uit als het besef van hun nietigheid op aarde.[30]

In het vorige hoofdstuk had Mormon de geschiedenis van zes jaar, van het 80e tot het 85e jaar erg gebald samengevat. Het waren jaren van oorlog en goddeloosheid. Op het einde, een ontmoedigde conclusie: “en aldus werden zij wederom rijp voor vernietiging” (11:37). Die “wederom” zet de toon: er komt geen einde aan de cyclus waarbij mensen zich telkens opnieuw in het ongeluk storten. Die vaststelling doet de klaagzang opwellen die nu hoofdstuk 12 uitmaakt.

Merk vooreerst het stijlmerk van Mormons nabeschouwingen op: “Aldus zien wij…”, “En ziet…”, “Want ziet…”. De tekst volgt fasen van redenering:

  • 1–3 – Vaststelling: wij zien dat als de Heer Zijn volk zegent, zij hun hart verstokken; als de Heer Zijn volk kastijdt, zij Hem niet indachtig zijn.
  • 4–6 – Bedenking als reactie op de vaststelling: hoe dwaas, ijdel, boosaardig… zijn de mensen toch.
  • 7–17 – Vaststelling: de nietigheid van de mens in vergelijking met de aarde; God beheerst de elementen.
  • 18–21 – Doortrekking: God beheerst ook de mens en zal bij ongerechtigheid optreden.
  • 22 – Gevolg: wee wie ongerechtigheid bedrijft, maar bekering is mogelijk.
  • 23–26 – Besluit, wens en waarschuwing: gezegend wie zich bekeert; moge allen gered worden; het laatste oordeel zal de mensen scheiden.

Stijlstudie. Mormons ankerzin is de besluitende terugblik:  aldus zien wij of aldus kunnen wij zien. Daarop bouwt hij bijvoeglijke bijzinnen met interne herhalingen en opsommingen. In onderstaand voorbeeld somt het eerste A-deel alles op wat de Heer voor zijn volk doet, tot de climax met “alles doet”. Dan volgt in het tweede B-deel de anticlimax.

H12


(andere stijlschema’s volgen nog)

 

5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

Helaman 6:6 – Naar het land noordwaarts
Helaman 6:13 – Fijn getweernd linnen
Helaman 6:22 – Verband met vrijmetselarij?
Helaman 7:10 – Een toren in de tuin aan de grote weg naar de hoofdmarkt...
Helaman 8:14 – De koperen slang in de woestijn
Helaman 8:19–20 – Zenos, Zenock, Ezias
Helaman 9:4–5 – Zij vielen ter aarde
Helaman 12:14–15 – Kosmologie bij de Nephieten?

 

Maps2-page-001Helaman 6:6 – Naar het land noordwaarts

“En het geschiedde dat vele Lamanieten naar het land noordwaarts gingen; en ook Nephi en Lehi gingen naar het land noordwaarts om tot het volk te prediken”.

De Nederlandse vertaling maakt geen onderscheid tussen land north en land northward en vertaalt ze beide met noordelijke land. Het onderscheid is nochtans geopolitiek belangrijk om de bewegingen goed te vatten. Het land noord is Zarahemla. Het land noordwaarts is het gebied boven de kleine landengte en ligt dus noordelijker dan het land noord. Zie ook de bespreking  bij les 33.

Dat Lamanieten nu mee naar het land noordwaarts trekken is normaal: in deze periode heerst vrede en mengen veel bekeerde Lamanieten zich onder de Nephieten (6:4–5).

De volksbeweging naar het land noordwaarts was al begonnen in het 46e jaar (45 v.C.) en was toen al erg intensief (3:3–11). Ook “velen van het volk van Ammon, die van geboorte Lamaniet waren”, waren deel van die beweging (3:12). We zijn nu zeventien jaar later, in het 63e jaar (28 v.C.), dus de demografische ontwikkeling moet al vrij groot geweest zijn.

 

Helaman 6:13 – Fijn getweernd linnen

Van fijn getweernd linnen was reeds sprake in 1 Nephi 13:7 en in Alma 1:29. De huidige Nederlandse vertaling getweernd fijn linnen, is een onjuiste vertaling van het Engelse fine-twined linnen. Het moet fijn getweernd linnen zijn, zoals in Exodus 28:15, omdat het tweernen fijn, dus met bijzondere zorg, gebeurde. De vroegere Nederlandse edities van het Boek van Mormon gaven dit wel correct weer.

Voor ons is linnen een weefsel van vlas, een plant waarvan de vezels al duizenden jaren gebruikt worden om mee te weven. Vlas als zodanig was niet bekend in het Oude Amerika, maar de vezels van planten als de ixtle (maguey of agave) of de yucca werden voor hetzelfde doel gebruikt.[31]

Tweernen komt van het getal twee: het is het stevig ineendraaien van twee of meer garens of vezels tot één streng. Die streng is een tweern of twijn, dus gedubbeld garen.

 

Helaman 6:22 – Verband met vrijmetselarij?

“En het geschiedde dat zij hun tekens hadden, ja, hun geheime tekens en hun geheime woorden; en wel om een broeder die het verbond had aangegaan te kunnen onderscheiden…”

Vanuit de overtuiging dat het Boek van Mormon een negentiende-eeuws product is, hebben enkele critici beweerd dat de passages over geheime verbonden, eden, tekens en woorden eigenlijk de Amerikaanse campagne tegen de vrijmetselarij in het begin van de negentiende eeuw werspiegelen. Dat argument is onder meer weerlegd door de vaststelling van de verschillende sfeer waarin de Amerikaanse anti-vrijmetselarij opereerde, namelijk louter seculier, en de religieuze context van het Boek van Mormon.[32] Ook het toepassingsveld van “secret combinations” in de Amerikaanse samenleving reikte verder dan maçonisme alleen.[33]

 

Helaman 7:10 – Een toren in de tuin aan de grote weg naar de hoofdmarkt…

“En zie, nu geschiedde het dat dit plaatsvond op een toren, die in de tuin van Nephi stond, die lag aan de grote weg die voerde naar de hoofdmarkt, die zich in de stad Zarahemla bevond; welnu, Nephi had zich neergebogen op de toren die in zijn tuin stond, welke toren tevens dicht bij de tuinpoort stond waar de weg langs liep.”

Merkwaardige en zeldzame details over urbanisatie bij de Nephieten. Ik citeer de passage uit de Nederlandse editie van 1974, want de huidige Nederlandse tekst vertaalt highway gewoon door weg in plaats van grote weg of hoofdweg of zelfs hogeweg, en chief market door grote markt in plaats van hoofdmarkt. Nochtans zijn die precieze termen van groot belang voor analisten omdat ze uit de hiërarchie van wegen en marktplaatsen conclusies kunnen voorstellen over de materiële en sociale structuur van een Nephitische stadsmaatschappij. De term highways impliceert bestuurlijke zorg voor strategische mobiliteit tussen hoofdplaatsen, zoals de Romeinen die “heerwegen” (heirbanen) in diezelfde periode in onze contreien aanleggen. Net zoals bij de Romeinen moeten die Nephitische hoofdwegen met stenen zijn aangelegd, aangezien ze later “opgebroken” worden, en waren ze ook wat hoger in het midden (vandaar highway) en licht afhellend naar de zijkanten in tegenstelling tot de level roads — vlakke wegen (zie 3 Nephi 8:13). Highways worden daarom ook opgeworpen — cast up (3 Nephi 6:8).

Romeinse kaart (Tabula Peutingeriana) van onze contreien. De drie rivieren zijn (Oude) Rijn, Maas en Seine. De rode lijnen zijn de heerwegen. Lugdunum Batavorum is Brittenburg bij Katwijk aan Zee, Praetorium Agrippinae is Valkenburg (Zuid-Holland), Matilone is Leiden-Roomburg, Albaniana is Alphen aan den Rijn, enzovoort. Met heerwegen die snelle communicatie en verplaatsingen van legers mogelijk maken beheers je makkelijker een land. Vandaar ook hoofdwegen bij de Nephieten. Klik op de kaart voor vergrote weergave.

 

Verder is Helaman 7:10 de enige plaats in het Boek van Mormon waar sprake is van een markt. Chief market vertalen door grote markt is onzuiver vertaald, want dat kan beduiden dat het de enige markt van de stad is, wat dan op centralisatie en controle wijst. Voor analist Wallace Hunt bewijst de term chief market dat er ook kleinere markten waren, wat op economische diversifiëring in kleinere wijken duidt.[34] Dat bevordert versnippering, dus meer kansen voor ondergrondse krachten om de bevolking te beïnvloeden, wat in deze periode inderdaad gebeurt. Antropoloog John L. Sorenson wijdde een studie aan de plaats van hoofdmarkten en kleine markten in precolumbiaanse Meso-Amerikaanse steden — boeiend voor wie die connecties interessant vindt.[35]

Vervolgens zijn de tuin, de toren en de tuinpoort (Engels: garden gate) merkwaardige elementen. Samen met de grote weg en de hoofdmarkt krijgen we hier het beeld van een stad met kleine percelen, althans voor de middenklasse. De tuin, deel langs de weg gelegen, heeft een eigen tuinpoort, mogelijk voor dienstknechten.

De “toren” kan niet hoog geweest zijn, want de mensen die langs de weg passeren horen de klaagzang van Nephi. De functie ervan kan specifiek voor gebed of meditatie bedoeld zijn, een verhoog waardoor iemand fysisch dichter bij God komt. Dit past in de antieke en Bijbelse religieuze cultuur. Contact met God gebeurt doorgaans op een berg — de broeder van Jared op de berg Sherem (Ether 3:1), Mozes op de berg Sinaï, Nephi op zijn berg (1 Nephi 17:7; 18:3), Jezus op de berg der verheerlijking. Als er geen berg is, bidt Petrus op het dak van zijn huis (Handelingen 10:9). De Zoramieten spraken hun standaard gebed vanop een verhoog uit (Alma 31:12–13).

 

Helaman 8:14 – De koperen slang in de woestijn

“Ja, heeft hij niet getuigd dat de Zoon Gods zou komen? En gelijk hij de koperen slang in de woestijn heeft verhoogd, zo ook zal Hij die komen zal, worden verhoogd.”

Verwijzing naar het Oudtestamentisch verhaal in Leviticus 21:6–9. Tijdens hun tocht door de woestijn kregen de Israëlieten geregeld met uitdagingen te maken die voor hen een leerschool waren. Zo werden ze, als gevolg van opstandigheid, geplaagd door gifslangen — “die beten het volk, en er stierf veel volk uit Israël”. Het volk bekent zijn zonden. “En de Heere zei tegen Mozes: Maak u een gifslang en zet hem op een staak. Het zal gebeuren dat ieder die gebeten is, in leven zal blijven, als hij daarnaar kijkt. Toen maakte Mozes een koperen slang en zette hem op de staak. En het gebeurde als de slang iemand beet dat hij naar de koperen slang keek en in leven bleef.”

Antoon van Dyck_Mozes verheft de slang_L“Mozes verheft de koperen slang” door Antoon van Dyck (1599–1641)

Het beeld symboliseert Christus, zoals Johannes het in het Nieuwe Testament stelt: “En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden” (Johannes 3:14). Het beeld is ook de Nephieten goed vertrouwd:

“En zowaar de Here God leeft, die Israël uit het land Egypte leidde en Mozes macht gaf om de natiën te genezen toen zij door de giftige slangen waren gebeten — indien zij wilden opblikken naar de slang die hij voor hun ogen verhief…” (2 Nephi 25:20).

 

Helaman 8:19–20 – Zenos, Zenock, Ezias

“…ja, zie, de profeet Zenos heeft onverschrokken getuigd, waarvoor hij werd gedood. En zie, ook Zenock, en ook Ezias, en ook Jesaja, en Jeremia.”

Zenos en Zenock zijn twee profeten die niet in het Oude Testament voorkomen, maar waarvan de woorden vermoedelijk op de koperen platen genoteerd stonden. In Alma 33 haalt Alma ze beiden aan: zie hier het onderdeel in les 28 met een analyse van hun unieke stemmen.

Ezias is tot nog toe niet voorgekomen. Hij kan van dezelfde origine als Zenos en Zenock zijn. Brant Gardner meent dat de naam mogelijk op een schrijfvergissing berust en eigenlijk naar Jesaja verwijst omdat Esaias de Griekse schrijfwijze van Jesaja in het Nieuwe Testament is.[36] Dit lijkt onwaarschijnlijk omdat Jesaja nog na Ezias in hetzelfde vers van Helaman vermeld wordt.

 

Helaman 9:4–5 – Zij vielen ter aarde

Het gaat om de vijf mannen die naar de plaats van de rechterstoel snellen, overtuigd dat Nephi gelogen heeft over de moord op de opperrechter. Zij ontdekken hem, liggend “in zijn eigen bloed”.

“En nu zie, toen zij dat zagen, waren zij buitengewoon verbaasd, zodat zij ter aarde vielen; want zij hadden geen geloof gehecht aan de woorden die Nephi had gesproken aangaande de opperrechter. Maar nu, toen zij het zagen, geloofden zij, en de vrees beving hen dat alle oordelen die door Nephi waren uitgesproken, het volk zouden treffen; daarom beefden zij en waren ter aarde gevallen.”

Wanneer het volk, gealarmeerd door dienstknechten, toestroomt, is hun conclusie: “Deze mannen zijn het die de rechter hebben vermoord; en God heeft hen geslagen, zodat zij niet voor ons konden wegvluchten.” De mannen worden gebonden en opgesloten.

Het fenomeen van het “ter aarde vallen” of prosternatie komt meermaals voor in de Schriften. Indien dit uren of zelfs meerdere dagen duurt, en gepaard gaat met een visioen, wordt soms de relatie met BDE, bijna-doodervaring, gelegd. Zie hiervoor dit onderdeel in les 20.

 

Helaman 12:14–15 – Kosmologie bij de Nephieten

“Ja, als Hij tot de aarde zegt: Ga terug, zodat de dag met vele uren wordt verlengd, dan gebeurt het; en aldus, volgens zijn woord, gaat de aarde terug, en schijnt het de mens toe dat de zon stilstaat; ja, en zie, zo is het; want voorzeker is het de aarde die beweegt en niet de zon.”

Het “verlengen van de dag met vele uren” is allicht een verwijzing naar het Bijbelse verhaal van de slag bij Gibeon, waar Jozua de zon gebiedt stil te staan zodat zijn leger de tijd krijgt om de vijand te verslaan (Jozua 10:12–14). Literalisten beschouwen dit als feitelijk gebeurd, anderen zien het als een contextueel te begrijpen verhaal.

De passage in Helaman 12:14–15 met de bewegende aarde intrigeert analisten. Welke kosmologische kennis hadden de Nephieten? We moeten voorzichtig zijn met in het vers meer te lezen dan Mormon bedoelde. Vooreerst zit de passage in een retorische opsomming die de macht van God wil aantonen: als God zo kan ingrijpen in de beweging en de vorm van de aarde, hoeveel te meer kan hij ingrijpen in de bestemming van de mens. Als dit inderdaad alleen maar retorisch bedoeld is vanuit een antieke visie op de aarde en op goddelijk ingrijpen, dan hoeven we er ook niet meer in te zoeken.

Maar Mormons vaststelling dat “de aarde beweegt en niet de zon” is intrigerend, omdat algemeen wordt aangenomen dat de heliocentrische visie van Copernicus — de zon als centrum van het planetenstelsel — pas van de zestiende eeuw dateert en pas in de zeventiende gemeengoed werd. Bij oppervlakkige lectuur lijkt Mormon, in de vierde eeuw n.C., die visie ook al te hebben, namelijk dat “de aarde beweegt” en “niet de zon”.

De geocentrische visie — de aarde als middelpunt van het heelal — hield stand tot in de zestiende eeuw. Hier de voorstelling in The Cosmographicall Glasse van William Cunningham (London 1559).

Sommige verdedigers van het Boek van Mormon hebben trachten aan te tonen dat bepaalde Hebreeuwse teksten of Meso-Amerikaanse inscripties reeds een heliocentrisch begrip vertonen en dus dat Mormons inzicht best mogelijk was. BYU professor David Grandy wijst erop dat dit soort verdediging zowel de kosmologische kennis van de oudheid als de uitspraak van Mormon geweld aan doet. Er is geen enkele overtuigende aanwijzing dat iemand in de oudheid al een heliocentrische visie had. Al sinds de verste oudheid was geocentrisme de enige visie. Maar nog belangrijker voor ons geval: Mormon beweert helemaal niet dat de aarde rond de zon draait. Hij wil enkel, in de lijn van zijn argumentatie, Gods macht in het doen bewegen van al het aardse benadrukken. In de vorige verzen heeft Mormon het over Gods macht om stof te splijten, te doen sidderen, in stukken te breken, te doen beven en te doen wankelen. “Ja, en als Hij tot de aarde zegt: Beweeg u, dan wordt zij bewogen.” In vers 15 doet hij niet anders dan dat nogmaals bevestigen. In de gelovige visie van Mormon kan een “beweging” van de aarde (want daar gaat het om in de boodschap) de positie tegenover de stilstaande zon doen verschillen en dus een tijdverschil maken. Meer is er niet aan.[37]

 

6 – Gestructureerd lezen

Rood: tussenlassingen en bedenkingen van Mormon, 400 jaar later.

Helaman 6

Van het 63e tot het 66e jaar van de regering der rechters (28–25 v.C.)

Bekeerde Lamanieten bekeren Nephieten

  • 1–6 – Het “merendeel der Lamanieten” is rechtvaardig geworden. Het bekeringswerk onder de Lamanieten in het land Nephi is zo succesvol dat Lamanieten naar het noorden, in Zarahemla, komen om tot de Nephieten te prediken.

Vrede, vrij verkeer en economische bloei

  • 7–9 – Vrij handelsverkeer tussen noord en zuid wat tot beider welstand leidt.
  • 10 – Alternatieve benaming van “het land zuid” (Nephi) en “het land noord” (Zarahemla) met de namen van wie er oorspronkelijk landde, namelijk Lehi in het zuiden en Mulek in het noorden.
  • 11–14 – Succesvolle mijnbouw, metaalbewerking, landbouw, veeteelt, textiel, dit laatste specifiek als vrouwelijke activiteit gemeld.
  • 15 – Moord op twee opeenvolgende opperrechters, vader en zoon.

Van het 67e en 68e jaar van de regering der rechters (24–23 v.C.)

Kentering: de Nephieten vervallen in slechtheid, de Lamanieten blijven voor het goede kiezen

  • 16–17 – Toename van slechtheid bij de Nephieten, maar veel verbetering bij de Lamanieten.
  • 18–21 – Gadiantons rovers en moordenaars: winnen terrein bij de Nephieten, terwijl de Lamanieten hen trachten te vernietigen.

Beschouwing over aard en oorsprong van geheime eden en verbonden.

  • 22–25 – Aard van de geheime werken: tekens en woorden om immoreel te kunnen handelen.
  • 26–31 – Oorsprong van de geheime werken: Satan vanaf de samenspanning met Kaïn.

Vervolg van de geschiedenis, vermengd met bedenkingen

  • 32–33 – Samenvatting van het 67e en 68e jaar.
  • 34–36 – “En aldus zien wij…”: samenvattende bedenkingen
  • 37–41 – Beschrijving Gadiantons bende beheerst de Nephieten, terwijl ze bij de Lamanieten worden uitgeroeid. Vers 40: nog een “Aldus zien wij…”

 

Preambule voor hoofdstuk 7

De preambule voor hoofdstuk 7 hoort tot de originele tekst (door Nephi zelf of door Mormon geschreven) en kondigt het vervolg aan, nagenoeg tot het einde van het boek Helaman. De hoofdstukken kun je als volgt groeperen:

  • Hoofdstukken 7–11 – verslag van het geestelijk werk van Nephi, zoon van Helaman (van 23 v.C. tot 7 v.C.).
  • Hoofdstuk 12 – tussenhoofdstuk: bedenkingen van Mormon, die alles aan het samenvatten is.
  • Hoofdstukken 13–15 – verslag van het geestelijk werk van Samuël de Lamaniet (6 v.C.).
  • Hoofdstuk 16 – de laatste jaren voor de geboorte van Christus (van 5 v.C. tot 1 v.C.).

 

Helaman 7

Van het 69e tot het 71e jaar van de regering der rechters (22–20 v.C.)

Terugkeer van Nephi in Zarahemla, zijn gebed en zijn prediking

  • 1–3 – Nephi was in “het land noordwaarts” gaan prediken [= boven de landengte waarheen veel Nephieten getrokken waren], werd er verworpen en keert nu terug naar het zuidelijk gelegen Zarahemla, zijn geboorteland.
  • 4–5 – Nephi stelt de “vreselijke slechtheid” onder de Nephieten in Zarahemla vast: corruptie en immoraliteit.
  • 6–9 – Gebed van Nephi op een toren aan zijn tuinpoort. Zie hierboven voor het stijlschema.
  • 10–12 – Het volk loopt tezamen.
  • 13–29 – Toespraak van Nephi: oproep tot bekering en dreiging van komend wee.

 

Helaman 8

Nog steeds van het 69e tot het 71e jaar van de regering der rechters (22–20 v.C.)

Reactie van de toehoorders

  • 1–6 – De “slechten”, mannen van Gadianton, reageren toornig op Nephi: hij beschimpt ons volk en onze wet.
  • 7–10 – Anderen erkennen de waarheid in Nephi’s woorden.

Vervolg van de toespraak van Nephi

  • 11–20 – Nephi verwijst naar het getuigenis van vroegere profeten en vermeldt er zeven uit het oude Israël, waarvan drie die niet in de Bijbel voorkomen, twee die al vroeger vermeld zijn (Zenos en Zenock) en één nog nooit vermelde: Ezias.
  • 21–22 – Verwijzing naar de eigen geschiedenis: Mulek, Lehi, Nephi.
  • 23–26 – Krachtige terechtwijzing, dreiging van oordeel en oproep tot bekering

Het begin van een moordzaak

  • 27–28 – Nephi maakt een moord bekend: de opperrechter vermoord door zijn broer.

 

Helaman 9

Nog steeds van het 69e tot het 71e jaar van de regering der rechters (22–20 v.C.)

Onderzoek naar de moordzaak

  • 1–5 – Vijf mannen snellen naar de rechterstoel en stellen de moord vast. Zij vallen ter aarde neer.
  • 6–15 – Net daarvoor waren de dienstknechten met luid geschreeuw de moord aan het volk gaan melden. Het volk stroomt toe, denkt dat de vijf mannen de moordenaars zijn. Die worden in de gevangenis geworpen.
  • 16–15 – De volgende dag wordt duidelijk dat de vijf de moord niet konden begaan.
  • 16–20 – De rechters menen dat Nephi met iemand heeft samengespannen om de rechter te doden.
  • 21–24 – Nephi veroordeelt de “dwazen”: zijn melding van de moord was een bewijs dat hij wist van goddeloosheid en gruwelen.

Nephi geeft een tweede teken

  • 25–36 – Nephi geeft nog een teken van zijn zending: hij geeft details over hoe Seantum, broer van de opperrechter en de eigenlijke moordenaar, zal reageren wanneer hij ondervraagd zal worden.
  • 37–41 – Wat Nephi zei blijkt waar. De mensen erkennen hem als profeet, zelfs als een god.

 

Helaman 10

Nog steeds van het 69e tot het 71e jaar van de regering der rechters (22–20 v.C.)

  • 1–3 – Nephi blijft alleen en mijmert over de slechtheid van het volk der Nephieten.

Een openbaring van de Heer tot Nephi

  • 4–5 – De Heer prijst Nephi voor zijn trouw.
  • 6–10 – De Heer geeft Nephi macht om wonderlijke dingen te doen.
  • 11 – De Heer gebiedt Nephi om terug uit te gaan en tot het volk te prediken.

Hernieuwde prediking van Nephi

  • 12–19 – Nephi begint opnieuw tot het volk te prediken. De mensen verwerpen hem en trachten hem te grijpen, maar “door de Geest opgenomen en weggevoerd”, kan hij “van menigte tot menigte” prediken.

 

Helaman 11

Dit hoofdstuk is opnieuw een sterk samenvattend hoofdstuk: het bestrijkt tien jaar geschiedenis, van 19 tot 6 v.C. Mormon noteert de chronologie jaar na jaar, maar in twee compacte groepen: de periode van het 76e tot het 80e jaar (11:21–24) en die van het 81e tot het 85e jaar (11:35–37).

Van het 72e tot het 75e jaar van de regering der rechters (19–16 v.C.)

Burgeroorlog, hongersnood op verzoek van Nephi, gevolgd door bekering

1–2 – Er heersen twist en burgeroorlog in het land.

3–4 – Nephi vraagt de Heer om een hongersnood te laten heersen, in de hoop dat dit het “werk der vernietiging” zou doen ophouden.

5–9 – Na twee jaar lijden begint het volk aan God te denken en richt zich tot Nephi voor hulp.

10–16 – Gebed van Nephi om de hongersnood te doen ophouden.

Van het 76e tot het 79e jaar van de regering der rechters (15–12 v.C.)

Vrede en voorspoed hersteld

17–21 – Regen zorgt voor gewassen, voorspoed komt weer, de kerk verbreidt zich opnieuw.

22–23 – Toch ontstaan er op het einde van die periode “twisten over de punten van de leer”.

Het 80e en 81e jaar van de regering der rechters (11–10 v.C.)

De rovers van Gadianton

24–32 – Een aantal afgescheiden Nephieten hitsen Lamanieten op beginnen een verdoken strijd met plundertochten en terugtrekking in de bergen volgens “de geheime plannen van Gadianton”. De legers van de regering slagen er niet in het probleem te bedwingen.

33 – De situatie moedigt het volk aan “de Heer indachtig te zijn”.

Van het 82e tot het 85e jaar van de regering der rechters (9–6 v.C.)

Het volk hervalt in ongerechtigheid

34–38 – In een periode van vier jaar vergeten ze opnieuw de Heer en neemt ongerechtigheid toe: “en aldus werden zij wederom rijp voor vernietiging”.

 

Helaman 12

Van het 86e tot het 90e jaar van de regering der rechters (5–1 v.C.)

Tussenhoofdstuk: bedenkingen van Mormon, die alles aan het samenvatten is.

Zie de bespreking hierboven.

 

Voetnoten

[1]    Zie ook Genesis 39:1-5 waar de Heer Jozef voorspoedig maakt; het boek Job dat rijkdom als Gods gave voorstelt en armoede en ellende als het werk van Satan; verder 2 Nephi 5:11; Alma 62:48–49; Helaman 6:7–13.

[2]    Zie ook Alma 60:12–13.

[3]    Goddelijke woede door de schuld van mensen is een bekend thema bij Hittieten, Babyloniërs en Egyptenaren, en ook frequent vermeld in het Oude Testament. Zie Jan Assmann and Bill Templer, “Guilt and Remembrance: On the Theologization of History in the Ancient Near East,” History and Memory 2, no. 1 (1990): 5–33; Angelika Berlejung, “Sin and Punishment: The Ethics of Divine Justice and Retribution in Ancient Near Eastern and Old Testament Texts,” Interpretation 69, no. 3 (2015): 272–287; Susan E. McGarry, Divine Wrath: Its Rhetorical Use by the Contemporary Writers of Isaiah, Jeremiah, and Ezekiel for Social Control in the Aftermath of Jerusalem’s Destruction 5ProQuest, 2009); John Gwyn Griffiths, The Divine Verdict: A Study of Divine Judgement in the Ancient Religions (Leiden: Brill, 1991).

[4]    Zie analyses van David K. Chester and Angus M. Duncan, “Responding to Disasters within the Christian Tradition, with Reference to Volcanic Eruptions and Earthquakes,” Religion 40, no. 2 (2010): 85–95; David K. Chester and Angus M. Duncan, “The Bible, Theodicy and Christian Responses to Historic and Contemporary Earthquakes and Volcanic Eruptions,” Environmental Hazards 8, no. 4 (2009): 304–332.

[5]    Jamie D. Aten, et al., “God Images Following Hurricane Katrina in South Mississippi: An Exploratory Study,” Journal of Psychology & Theology 36, no. 4 (2008), 249–257; Beauty Chiedza Davies, Douglas Bowley, and Katrina Roper, “Response to the Ebola crisis in Sierra Leone,” Nursing Standard 29, no. 26 (2015): 37–41; Claudia Merli, “Context-Bound Islamic Theodicies: The Tsunami as Supernatural Retribution vs. Natural Catastrophe in Southern Thailand,” Religion 40, no. 2 (2010): 104–111; Nicole M. Stephens, Stephanie A. Fryberg, Hazel Rose Markus, and MarYam G. Hamedani, “Who Explains Hurricane Katrina and the Chilean Earthquake as an Act of God? The Experience of Extreme Hardship Predicts Religious Meaning-Making,” Journal of Cross-Cultural Psychology 44, no. 4 (2013): 606–619; Brian Victoria, “Religious Responses to Natural Disasters: From Hurricane Katrina to the Great East Japan Earthquake,” in Natural Disaster and Reconstruction in Asian Economies (Palgrave Macmillan US, 2013), 51-66; Jefferson Walker, “God, Gays, and Voodoo: Voicing Blame after Katrina,” Communication and Theater Association of Minnesota Journal 41, no. 1 (2015): art. 4.

[6]    Amos Nur and Dawn Burgess, Apocalypse: Earthquakes, Archaeology, and the Wrath of God (Princeton: Princeton University Press, 2008).

[7]    Zie voor een bespreking van de term Daniel C. Peterson, “Notes and Communications: ‘Secret Combinations’ Revisited,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 1, no. 1 (1992): 184–188.

[8]    Victor L. Ludlow, “Secret Covenant Teachings of Men and the Devil in Helaman Through 3 Nephi 8,” in The Book of Mormon: Helaman Through 3 Nephi 8, According To Thy Word, eds. Monte S. Nyman and Charles D. Tate, Jr. (Provo, Utah: BYU Religious Studies Center, 1992), 265–282.

[9]    Hugh Nibley, “Comments”, in Mormonism: A Faith for All Cultures, F. LaMond Tullis, ed. (Provo, Utah: Brigham Young University Press, 1978), 22–28. Hernomen in “Some Notes on Cultural Diversity in the Universal Church”, in Temple and Cosmos, Collected Works of Hugh Nibley, Vol. 12, Don E. Norton, ed. (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1992), 541–549.

[10]  Volgens Hugh Nibley kan er een verband zijn met het Arabisch Mustirr (houder van een geheim) en met het Sanskriet maha (groot): Hugh Nibley, Ancient Documents and the Pearl of Great Price, p. 12. Matthew B. Brown suggereert een verband met het Hebreeuws maha (vernietigen): Matthew B. Brown, “Girded About with a Lambskin”, Journal of Book of Mormon Studies 6, no. 2, 124–151.

[11]  Onderzocht door BYU-professoren. Stephen L. Brower, “Testing Theories of Behavior with Scripture,” Issues in Religion and Psychotherapy 8, no. 2 (1982): 32–35, met verwijzing naar C. Terry Warner, “Feelings, Self-Deception, and Change,” Issues in Religion and Psychotherapy 8, no. 2 (1982): 21­–31.

[12]  Albert Borowitz, “Lamech, the Second Biblical Killer: A Song with Variations,” Legal Studies Forum 31 (2007): 747-764 (748).

[13]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5a – Helaman through Third Nephi 7 (Kindle Locations 1145-1159). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[14]  Hugh W. Nibley, Teachings of the Book of Mormon —Transcripts of Lectures Presented to an Honors Book of Mormon Class at Brigham Young University, Semester 3: 1988–1990 (Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 2004), 249–260.

[15]  Er bestaan talrijke boeken over de occulte bewegingen en verenigingen. Bv. John Michael Greer, The Element Encyclopedia of Secret Societies and Hidden History: The Ultimate AZ of Ancient Mysteries, Lost Civilizations and Forgotten Wisdom (London: HarperCollins UK, 2006).

[16]  In het kerkelijk tijdschrift Improvement Era van augustus 1936 (Volume 39, Number 8) verscheen een scherp verwoorde waarschuwing van het Eerste Presidium tegen communisme. Maar het zou, merkwaardig genoeg, tot aan de oorlog duren alvorens kerkleiders het nazisme als gevaarlijk beschouwden.

[17]  In vele teksten en toespraken, ook binnen de kerk, veroordeelde Benson de “socialistic-communist conspiracy” als wereldbedreigend. Zo in meerdere algemene conferentie toespraken, bv. in “The American Heritage of Freedom—A Plan of God,” Conference, October 1961.

[18]  Bruce R. McConkie, Mormon Doctrine (Salt Lake City: Deseret Book, 1966), 489.

[19]  Hoewel kerkpresident David O. McKay ook tegen het communisme was, probeerde hij mensen zoals Erza Taft Benson en Bruce R. McConkie in toom te houden. Zie Gregory A., Prince and William Robert Wright, David O. McKay and the Rise of Modern Mormonism (Salt Lake City: University of Utah Press, 2005).

[20]  Ezra Taft Benson, “I Testify,” Conference (October 1988). https://www.lds.org/general-conference/1988/10/i-testify?lang=eng

[21]  M. Russell Ballard, “Standing for Truth and Right,” Ensign (November 1997), met verwijzing naar Helaman 6:23.

[22]  Gordon B. Hinckley, “The Times in Which We Live”, Ensign (November 2001).

[23]  Tot zijn bekendste werken behoren The Naked Communist en The 5,000 Year Leap. Zie https://en.wikipedia.org/wiki/W._Cleon_Skousen

[24]  Michael Butter, Plots, Designs, and Schemes: American Conspiracy Theories from the Puritans to the Present (Berlin: Walter de Gruyter, 2014); Mark Fenster, Conspiracy Theories: Secrecy and Power in American Culture (University of Minnesota Press, 1999); Joseph E. Uscinski and Joseph M. Parent, American Conspiracy Theories (Oxford: Oxford University Press, 2014).

[25]  Als voorbeelden: Robert E. Hales, Secret Combinations Today: A Voice of Warning (Bountiful: Horizon Publishers, 1996); Jack Monnett, Awakening to Our Awful Situation: Warnings from the Nephite Prophets (Spring City, Utah: Nauvoo House Publishing, 2011). Google met “secret combinations” + LDS of + Mormon voor websites.

[26]  Seth R. Payne, “Satan’s Plan: The Book of Mormon, Glenn Beck and Modern Conspiracy,” Presented at a Regional Meeting of the American Academy of Religion, on May 10, 2014, in Calgary, Ontario.

[27]  John W. Welch, “The Case of an Unobserved Murder,” in Reexploring the Book of Mormon, ed. John W. Welch (Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 1992), 240–241.

[28]  Leringen van Kerkpresidenten: Spencer W. Kimball (Salt Lake City: De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, 2006), 259.

[29]  Interview met President Gordon B. Hinckley, 9 november 1997, ABCTV, http://www.abc.net.au/compass/intervs/hinckley.htm

[30]  Hugh W. Nibley, Teachings of the Book of Mormon —Transcripts of Lectures Presented to an Honors Book of Mormon Class at Brigham Young University, Semester 3: 1988–1990 (Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 2004), 280–282.

[31]  John L. Sorenson, “Possible ‘Silk’ and ‘Linen’ in the Book of Mormon,” in Reexploring the Book of Mormon, ed. John W. Welch (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1992), 162.

[32]  Zie Richard L. Bushman, Believing History, ed. Reid L. Neilson & Jed Woodworth (New York: Columbia University Press, 2004), Section 2; ook D. Michael Quinn, Early Mormonism and the Magic World View (Salt Lake City: Signature Books, 1987), Chapter 6.

[33]  Daniel C. Peterson, “Notes on ‘Gadianton Masonry’,” in Warfare in the Book of Mormon, eds. Stephen D. Ricks and William J. Hamblin (Salt Lake City: Deseret Book and F.A.R.M.S., 1990), 174–224.

[34]  Wallace E. Hunt Jr., “Notes and Communications: The Marketplace,” Journal of Book of Mormon Studies 4, no. 2 (1995): 140.

[35]  John L. Sorenson, “Nephi’s Garden and Chief Market,” in Reexploring the Book of Mormon, ed. John W. Welch (Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 1992), 237.

[36]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 5a – Helaman through Third Nephi 7 (Kindle Locations 3536-3541). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[37]  David Grandy, “Why Things Move: A New Look at Helaman 12: 15,” BYU Studies Quarterly 51, no. 2 (2012): 99–128.

Om terug te keren

1 – De cyclus van voor- en tegenspoed: verdiepende vragen
2 – De wereld van de “geheime combinaties”
3 – Nephi, zoon van Helaman: buitenwerkelijk subliem
4 – Helaman 12: een voorbeeld van wijsheidsliteratuur
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
6 – Gestructureerd lezen