Les 27 – Alma 30–31

“Alles duidt erop, dat er een God is”

1 – Korihor: actuele thema’s en een drama
2 – Wat verkondigde Korihor? Van agnosticisme tot permissiviteit
3 – Korihor’s testcase: godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting
4 – De confrontatie met Alma
5 – Nabeschouwing over percepties
6 – De Zoramieten
7 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
8 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

1 – Korihor: actuele thema’s en een drama

Alma 30 brengt het verhaal van Korihor, een dissident. Mormoonse kerkleiders en schrijvers verwijzen vaak naar Korihor als de voorloper van allerlei hedendaagse euvelen. De betrokken thema’s zijn dan ook actueel: wetenschap en geloof; evolutie van morele waarden; godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting; relatie tussen kerk en staat; literalisme en interpretatie van de Schrift, en meer. Vandaar ook mijn uitgebreide bijdrage voor deze les.

Het is nochtans een eenvoudig verhaal: een man gelooft niet in God en beschuldigt de priesters van misbruik. Om overtuigd te worden van het bestaan van God, eist hij een teken. Hij wordt met stomheid geslagen. Hij bekent zijn schuld: hij was misleid door de duivel. Hij wordt uitgeworpen. De les is duidelijk: God bestaat en wie tegen Hem ingaat wordt gestraft. Maar vele kerkleiders en commentatoren zien in het hoofdstuk allerlei aanknopingspunten voor wat onze huidige maatschappij diep beroert.

Om in gedachten te houden:

  • Korihor is een dissident, dus lezen we makkelijk met vooroordelen. Maar Schriftstudie vraagt aandacht voor wat er werkelijk geschreven staat. Zowel een milde als een kritische blik doen dan onvermoede nuances ontdekken.

  • Korihor’s verhaal blijft een menselijk drama: een man wordt met stomheid geslagen, moet gaan bedelen om te overleven en wordt uiteindelijk vertrapt.

 

2 – Wat verkondigde Korihor? Van agnosticisme tot permissiviteit

In de kerk is het traditie om in Korihor’s verkondigingen allerlei actuele thema’s en tendensen te onderkennen. Maar welke kun je echt vanuit de tekst verantwoorden? En omlijnen we de begrippen zorgvuldig?

[ Een enkel getal tussen haakjes verwijst naar het versnummer in Alma 30. ]

Agnosticisme
Antiklerikalisme en vandaar antigodsdienstigheid
Zelfdeterminisme
Permissiviteit?
Ten slotte, een waarschuwing

Agnosticisme

Korihor gebruikt argumenten eigen aan het agnosticisme: “… geen mens kan iets weten van hetgeen komen zal” en “gij kunt niet iets weten wat gij niet ziet” (13, 15). Dat blijkt ook uit zijn ondervraging door Alma. Elementen van die dialoog lopen woordelijk als volgt:
– Alma: Gelooft gij dat er een God is?
– Korihor: Neen.
– Alma: Wilt gij andermaal loochenen dat er een God is, en ook de Christus loochenen?
– Korihor: Ik loochen niet het bestaan van een God, ik geloof alleen niet dat er een God is. (37–39, 48)

In dit gesprek heeft Korihor inderdaad enkel gezegd dat hij niet gelooft dat er een God is, terwijl Alma dit herformuleert als het loochenen van God. Vandaar ook Korihor’s rechtzetting. Het is een onderscheid dat vele agnostici belangrijk vinden: zij zijn geen atheïsten die het bestaan van God loochenen, ze stellen enkel dat zij niet geloven dat er een God is. Anderzijds heeft Korihor in een vorig gesprek het bestaan van God wel een keer ontkend (28). De lijn tussen beide stellingen is soms dun, precies omdat “niet weten” meestal met twijfel kampt.

Als denkrichting bestaat het agnosticisme al sinds de Oudheid, net zoals het atheïsme.[1] De term is vanuit het Grieks samengesteld, met het prefix a (negatie) en gnosis (kennis). Een agnost of agnosticus meent dus dat er “geen kennis” kan zijn over het goddelijke: de mens kan niet met zekerheid weten of het bovennatuurlijke bestaat omdat het niet te bewijzen valt.

 

ProtagorasDe Griekse wijsgeer Protagoras (ca. 490–420 v.C.) wordt aanzien als een vroege agnost. Hij stelde: “Van de goden weet ik niets: niet dat ze bestaan en evenmin dat ze niet bestaan”.

 

Vele mensen, waaronder bekende filosofen, wetenschappers en schrijvers, zijn agnostici, maar met heel wat onderlinge nuances.[2] Sommige agnostici menen dat het bestaan van God zeer onwaarschijnlijk is, en kunnen dus niet geloven dat er een God is, zonder het echter volledig uit te sluiten. Zo lijkt Korihor het te formuleren. Vele anderen kunnen het bestaan van een transcendente macht wel aannemen, maar zonder te geloven dat die macht in ons leven ingrijpt: zij neigen naar deïsme. Nog anderen zien in het agnosticisme precies de basis voor geloof: omdat de mens geen absolute zekerheid over het goddelijke kan hebben, is geloof de enige weg om het goddelijke te aanvaarden. Zoals de filosoof Søren Kierkegaard het uitdrukte: “Als ik in staat ben om God objectief te benaderen, geloof ik niet, maar juist omdat ik dit niet kan, moet ik geloven.” Opmerkenswaard: die relatie tussen weten en geloven bespreekt Alma in dezelfde termen wanner hij wat later bij de Zoramieten zal prediken: “want indien een mens iets weet, heeft hij geen reden om te geloven, want hij wéét het” (32:18).Daarom is ook twijfel essentieel deel van geloof, hoewel sterke gelovigen dat niet willen toegeven en menen de twijfel te kunnen bezweren met een “ik weet dat God bestaat”.

Agnostici gaan er dus van uit dat bovennatuurlijke fenomenen niet te bewijzen zijn. Voor de vorderende wetenschap is de objectieve studie van deze fenomenen echter niet meer zo onmogelijk. We zien dit in de psychologie, onder meer in de analyses van bijna doodervaringen. In de godsdienstsociologie gaan stemmen op om meer rekening te houden met de “realiteit” van bovennatuurlijke ervaringen.[3] Vooral in de natuurkunde intrigeren de nog onbekende dimensies en krachten die men stap voor stap tracht te doorgronden. Voor het mormonisme is dit van bij de aanvang al de visie geweest: ook het zogenaamde bovennatuurlijke is natuurlijk — “alle geest is stof” —, alleen zijn vele wetmatigheden ervan nog onbekend.

Godsdienstsociologie bestudeert de evolutie van agnosticisme, in het bijzonder om regressie of progressie van geloof onder de jongere generaties te meten. Vooral jongeren en jongvolwassenen kampen immers met geloofsverlies. [4] Het heeft geen zin om Korihor’s agnostische argumenten misprijzend van tafel te vegen: net zoals in alle kerken kampen ook bij ons mensen, en vooral jongeren, met twijfel. Ook in de kerk is dit thema zeer actueel.[5] Sterke kerkleden, of die als zodanig willen doorgaan, voelen zich soms onwennig of worden defensief wanneer twijfel ter sprake komt. “Zekerheid” is immers in ons kerkelijk taalgebruik ingeburgerd door de stijl van getuigenis — “Ik weet zeker dat …” — en door toespraken en lessen die alles als vaste waarheden stellen. Maar twijfel een gezonde plaats kunnen geven als deel van het geloof is iets waartoe zowel Alma als Korihor ons uitdagen.

Wat met de houding van agnosten tegenover gelovigen? Een zuivere agnost beperkt zich tot de vaststelling van zijn onwetendheid en respecteert wie anders denkt. Zo ook de atheïst die voor zichzelf besluit dat God niet bestaat, maar het niet nodig acht anderen ervan te moeten overtuigen. Sommige van deze niet-gelovigen koppelen hun houding echter aan een uitgesproken afkeer van georganiseerde godsdienst. Die afkeer zelf is vaak de oorzaak van hun ongeloof. Dat brengt ons bij het volgende punt.

 

Antiklerikalisme en vandaar antigodsdienstigheid

Antiklerikalisme komt van anti en clerus, de Latijnse verzamelnaam voor geestelijkheid, van het Griekse klḗros, dat in de Septuagint de Levieten aanduidt. Het staat voor verzet tegen de macht en de misbruiken van priesters. De eerste woorden van Korihor tot het volk duiden al op een antiklerikale motivatie: “O, gij die aan banden zijt gelegd door een dwaze en ijdele hoop, waarom brengt gij uzelf door zulke dwaasheden onder het juk?” (13). Verderop verwoordt Korihor het nog brutaler: in godsdienst wordt het volk geleerd “zich te onderwerpen aan de dwaze verordeningen en riten die door priesters vanouds zijn vastgesteld om zich macht en gezag over hen aan te matigen, om hen onwetend te houden, zodat zij hun hoofd niet kunnen verheffen” (23). In een hevige diatribe beschuldigt Korihor de hogepriester Giddonah in het land Gideon:

“…en aldus leidt gij dit volk weg, de dwaze overleveringen van uw vaderen achterna, en wel volgens uw eigen verlangens; en gij onderdrukt hen, ja, gij houdt hen als het ware in knechtschap, zodat gij u kunt verzadigen aan de arbeid van hun handen, zodat zij niet vrijmoedig durven opkijken en hun rechten en voorrechten niet durven genieten. Ja, zij durven geen gebruik te maken van hetgeen hun eigendom is om hun priesters niet te ergeren, die hen naar hun verlangens onder het juk brengen en hen ertoe hebben gebracht — door hun overleveringen en hun dromen en hun bevliegingen en hun visioenen en hun voorgewende verborgenheden — te geloven dat zij, indien zij niet volgens hun woorden handelen, een of ander onbekend wezen zullen ergeren, dat volgens hun zeggen God is — een wezen dat nooit is gezien of gekend, dat er nooit is geweest noch er ooit zal zijn.” (27–28).

Hugh Nibley kan sympathie opbrengen voor Korihor’s verontwaardiging wanneer het gezag de mensen beperkt in hun rechten en voorrechten en hen belet van hun eigendom gebruik te maken.[6] Nibley vindt ook dat Korihor’s oordeel over dwaze riten in de oudheid, waar priesters hun macht mee uitoefenden, grotendeels terecht is.[7]

Wanneer Korihor uiteindelijk voor Alma in Zarahemla staat, laat hij zich opnieuw meeslepen door antiklerikalisme — wat dus een hoofdmotief van heel zijn optreden blijkt. Hij beschuldigt de priesters en leraars “dat zij het volk ertoe verleidden de dwaze overleveringen van hun vaderen te volgen, zodat zij zich konden verzadigen aan de arbeid van het volk” (31). Alma zal krachtig ontkennen dat hij voor zijn arbeid in de kerk ooit voordelen ontving, en “evenmin een van mijn broeders” (32–35).

Maar wat heeft Korihor meegemaakt of van anderen gehoord om zo gebeten te zijn? Onder priesters blijken misbruiken veelvuldig voor te komen. Reeds Nephi liet zich laatdunkend over priesters uit, conform de veroordelingen van priesters in het Oude Testament (zie de bespreking hier in les 19). Korihor leeft in een periode waar de priesters van Noach al decennialang sporen van misbruiken nalieten. Ook de verplichting voor een priester om “met eigen handen voor zijn onderhoud te werken” komt geregeld terug onder de aandacht, dus niet zonder reden (Mosiah 27:3–5). In zijn eigen kerk moest Alma optreden om wantoestanden recht te trekken (Alma 5; 7:5–6). Bij de Zoramieten, het verhaal dat meteen na dat van Korihor komt, blijken de priesters eerst ruim te hebben geprofiteerd van de arbeid van de gewone mensen, om die daarna uit te werpen wegens hun armoede (32:5).

In Korihor’s tijd volgden de mensen nauwgezet de verordeningen van de wet van Mozes, expliciet gemeld bij het begin van het hoofdstuk (3). Dat betekent tal van offers en dagelijkse reinigingsrituelen waar priesters in tussenbeide moesten komen. Deden ze het allemaal even liefdevol en kosteloos? Gaven ze de mensen geen obsessies over reine en onreine handelingen waarvoor hun tussenkomst telkens nog meer nodig was? Om aanstoot te nemen aan het gedrag van priesters en aan “dwaze verordeningen en riten” lagen de gelegenheden dus voor het grijpen. Korihor klinkt oprecht verontwaardigd.

 

Ook het Nieuwe Testament laat ons een kwalijk beeld van priesters, zoals in de parabel van de barmhartige Samaritaan. Het conflict met de priesterklasse zou escaleren. “Jezus voor de hogepriester en de Joodse Raad” door Jan Luyken (1649–1712).

 

Doorheen alle tijden hebben misbruiken door priesters afkeer opgewekt. Uit die afkeer ontstonden godsdiensthervormingen en nieuwe kerken, maar voor individuen ook de verwerping van georganiseerde religie en soms van religie als dusdanig. Mogelijk kwam Korihor tot dit laatste besluit in de bekende gevolgtrekking: als priesters godsdienst zo kunnen misbruiken, dan is ook godsdienst het aansprakelijk instrument. De volgende stap is dan wraak op godsdienst: gelovigen bevrijden van het religieuze juk. Samen met zijn afkeer van uitbuitende priesters, richt Korihor’s aanval richt zich inderdaad op de inhoud van het geloof — de overleveringen uit het verleden, de voorspellingen over de toekomst en de manier waarop priesters hun deel opeisen door te dreigen met Gods vergelding.

In onze Westerse maatschappij is antiklerikalisme eeuwenlang vooral op de katholieke clerus gericht geweest. Maar het fenomeen verbreedde makkelijk tot een meer algemene antigodsdienstigheid of minstens achterdocht jegens religie. Gebeurtenissen in de wereld houden dit onderwerp actueel, in het bijzonder het religieus fundamentalisme dat tot onverdraagzaamheid, wreedheid en zelfs terrorisme leidt. Bepaalde praktijken die religieuze tradities opleggen wekken afschuw, zoals kindhuwelijken, gedwongen huwelijken, genitale verminking en eremoorden. Ook dichter bij ons: onhoudbare discriminatie, zoals ten overstaan van homoseksuelen, die sommige kerken aan eigen leden maar ook aan anderen willen blijven opleggen. Een van de gevolgen is dat mensen verder afhaken uit georganiseerde religie. Zij die toch gelovig blijven worden de “nones”, van “no church”, gelovigen zonder kerk.[8]

Je kunt er niet omheen: op het onderwerp van uitbuiting door priesters laat Korihor een sterke indruk na. Daar heeft de kroniekschrijver misschien ongewild voor gezorgd door hem uitgebreid aan het woord te laten. Of laat hij Korihor precies zoveel over dit onderwerp aan het woord om een terechte boodschap met een waarschuwing mee te geven? Die boodschap is: misbruiken onder priesters doen mensen afhaken uit religie en verwoesten hun geloof in God. Dat kan dan weer tot normvervaging en zonde leiden. Korihor heeft een punt.

 

Zelfdeterminisme

“En hij zeide hun nog veel meer dergelijke dingen, en vertelde hun dat er geen verzoening voor de zonden van de mens kon worden gedaan, maar dat het ieder mens in dit leven verging naargelang de beheersing van het schepsel; dat het daarom ieder mens wel ging naargelang zijn vaardigheid, en dat ieder mens overwon naargelang zijn capaciteit” (17).

Het taalgebruik is hier zo merkwaardig dat de vertaling niet eenvoudig is. Is “beheersing van het schepsel” wel de juiste weergave van “management of the creature”? Stemt de frase “(dat het) ieder mens wel ging naargelang zijn vaardigheid” wel precies overeen met het Engels “every man prospered according to his genius”? In het Nederlands gaat wat verloren van die unieke zinnen die nergens anders in het Boek van Mormon voorkomen. De algemene betekenis lijkt vrij duidelijk: wat een mens wordt is afhankelijk van zijn kunnen. Het is echter niet duidelijk of het om onherroepelijk determinisme gaat, waar de mens niets aan kan doen, dan wel om het persoonlijk verwerkelijken van zijn potentieel. Waarschijnlijk dit laatste, dus eerder “zelfdeterminisme”. Maar Korihor’s taal op zich is neutraal, dus moeten we opletten er niet te veel in te willen lezen.

In kerktoespraken en artikelen wordt deze passage in vers 17 nochtans aangehaald om verschillende vormen van zelfzuchtig gedrag aan te klagen: hoogmoed, geldzucht, egoïsme, opsmuk en kleding.[9] BYU professor James Faulconer beschrijft de passage als de verheerlijking van het zelfbeeld, de boodschap dat “we alles kunnen bereiken waar we onze geest op richten — we hebben succes volgens onze mentale instelling; we overwinnen de obstakels in ons leven naar gelang van onze kracht”.[10] Faulconer ziet die boodschap van eigenliefde overal om ons heen. Ook in de kerk worden steeds betere prestaties aangemoedigd en stellen we hoge kwantitatieve doelen. Daarin schuilt het gevaar: denken dat we onszelf het hoogste kunnen toekennen, en dus geen genade en geen verzoening meer nodig hebben.

In 2011 verwees Julie Beck, toen algemeen presidente van de ZHV, naar deze passage als de boodschap die onze jeugd constant te horen krijgt: wees de beste, werk aan je toekomst, haal diploma’s, wees een winnaar. Maar dergelijke nadruk is niet zonder risico omdat het de jeugd kan afleiden van de essentie van het evangelie.[11] Als je Korihor dus zo interpreteert, prijst hij een cultuur van succes aan die niet verschilt van wat we ook vaak in de kerk en elders in de wereld horen. Dat moet doen nadenken.

 

Permissiviteit?

“… en dat wat een mens ook deed, het geen misdaad was. En aldus predikte hij tot hen, de harten van velen wegleidend, er de oorzaak van zijnde dat zij hun hart in hun slechtheid verhieven, ja, vele vrouwen, en ook mannen, wegleidend om hoererijen te bedrijven — hun vertellende dat wanneer een man dood was, dat ook het einde ervan was” (17–18)

Eerst een taalkundige opmerking: bovenstaande is mijn woordelijke vertaling uit het Engels. De huidige Nederlandse vertaling stelt dat Korihor zelf het hart van velen “verleidde” en dat hij zelf vrouwen en mannen “verleidde” om hoererij te bedrijven. Het toont hoe makkelijk tekst manipuleerbaar is om meer of minder schuld op iemand te schuiven. Korihor’s boodschap is één zaak. Zijn persoonlijk gedrag komt niet ter sprake. Dat mag opvallen, anders had de kroniekschrijver het zeker vermeld. In de confrontaties met twee hogepriesters, maakt geen van hen Korihor een verwijt van immoreel gedrag. Ook al is Korihor’s onheilzame boodschap “de oorzaak” van andermans gedrag, wat mensen met de boodschap doen is hun keuze en verantwoordelijkheid.

Het is een korte zin met een zware lading: “… en dat wat een mens ook deed, het geen misdaad was”. Het effect ervan was dat sommigen het begrepen als carte blanche voor slecht gedrag, tot en met “misdaad” — hoewel de Nephitische reikwijdte van die term mogelijk niet de onze was. Het enige aangehaalde voorbeeld is “hoererij” bij sommigen van Korihor’s volgelingen (18). Ook echtbreuk is, bij de aanvang van het hoofdstuk, een “misdaad” genoemd (10–11). In Schriftuurlijk taalgebruik lopen woorden als overtredingen, misdaden en zonden door elkaar, terwijl wij gewend zijn aan een juridisch onderscheid tussen strafbare feiten, zoals in Nederland tussen misdrijven en overtredingen, of in België tussen misdaden, wanbedrijven en overtredingen. Stelde Korihor werkelijk geen enkele morele grens aan wangedrag of misdaden? Dat klopt niet met zijn verontwaardiging over het profitarisme van priesters, want dat vond hij wél onaanvaardbaar. Hij had dus wel degelijk moreel besef. Ging het hem vooral om al de kleine regels en inzettingen van de wet van Mozes die hij als onzinnig veroordeelde omdat priesters die misbruikten? Volgens die religieuze regels was hij dan permissief door ze niet als zonden te beschouwen. De term permissiviteit zou dan zijn houding kunnen omschrijven. Een sterkere term zoals normloosheid past minder, omdat Korihor wel degelijk opkomt voor normen die de slachtoffers van priestermisbruik moeten beschermen. Wetteloosheid is evenmin een geschikte term, want dat veronderstelt ook politieke ondermijning, iets waarvan Korihor niet beschuldigd wordt.

Elder Dallin H. Oaks noemde Korihor’s visie moreel relativisme. Hij citeerde daarbij de definitie van Francis J. Beckwith en Gregory Koukl: “In het geval van morele kwesties zijn er geen algemene objectieve goede of foute antwoorden, geen gepaste of ongepaste oordelen, en geen redelijke of rationele manieren waarop men altijd, overal en voor iedereen een moreel onderscheid kan maken.” Elder Oaks ziet de toepassing ervan via populaire media en via sociale druk en verwoordt hun boodschap als volgt: “Vergeet die oude regels. Doe wat je goed lijkt. Afgezien van wat de landswetten en de publieke afkeuring opleggen aan wie worden betrapt, wordt er geen rekenschap geëist.”[12]

De waarschuwing tegen dergelijk normloos gedrag is uiteraard terecht. Hiervoor de term “moreel relativisme” gebruiken is echter ongelukkig, alsof moreel relativisme groen licht aan bandeloosheid geeft. In zijn standaardbetekenis is moreel relativisme het standpunt dat ethische normen en waarden afhangen van culturele tradities en conventies die met de tijd wijzigen. Dat betekent geenszins een normloze maatschappij, want het individueel geweten en het gemeenschappelijk goed blijven altijd richtinggevend. Koning Benjamin had daar vertrouwen in toen hij het volk vrijheid gaf: “Nu is het niet gebruikelijk dat de stem van het volk iets verlangt in strijd met wat goed is” (Mosiah 29:26). Maar ook de visies van een volk zijn historisch en cultureel bepaald en dus relatief. Zo was onder de wet van Mozes de doodstraf voor overtredingen als vals profeteren of vloeken vereist. Een maagd moest huwen met wie haar verkracht had. Een misvormde mocht niet komen offeren aan het altaar. Met de vooruitgang van de beschaving zijn een aantal van deze Schriftuurlijke normen en waarden vervallen, terwijl de meer universele aanvaard bleven. Christus zorgde voor grote wijzigingen met het Nieuwe Verbond, maar in de navolgende eeuwen zou het christendom daar nog veel in ingrijpen. In de jaren 1960 veranderden een aantal normen vrij drastisch in de Westerse maatschappij. De voorbije paar decennia is de houding ten overstaan van homoseksualiteit sterk geëvolueerd. De studie van moreel relativisme stelt die wijzigingen vast. Sommigen zullen een bepaalde verandering als verbetering aanzien, anderen als verloedering.

 

Onthoofding-Oldenbarnevelt-Jan-LuykenDe doodstraf dwingt tot een ethische vraagstelling waarbij normen veranderen. Wat vroeger bij ons kon, kan nu nog maar in bepaalde regimes. Hier: De terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt in 1619. Prent van Jan Luyken (1649–1712)

 

Ook in onze huidige wereld stellen zich voortdurend ethische vragen die niet zo eenvoudig door “universele normen van vroeger” of door een stem van de meerderheid op te lossen zijn. Het betreft vragen over vrouwenrechten, draagmoederschap, abortus, gentherapie, euthanasie, militair optreden, dierenwelzijn, privacy, en nog veel meer. De doodstraf is een typisch voorbeeld van dergelijke vraagstelling. Alle Westerse landen hebben de doodstraf als onethisch afgeschaft, behalve de Verenigde Staten. De rechts-christelijke Beckwith en Koukl, die Elder Oaks hierboven citeerde, zijn voorstanders van de doodstraf. Zij beschouwen het afschaffen ervan als een voorbeeld van moreel relativisme, dus als de opgave van een universele norm die niet zou mogen veranderen.[13] In die zin kunnen tegenstanders van moreel relativisme elke ethische correctie trachten te blokkeren.

Ook het mormonisme past moreel relativisme op ethische principes toe. Zo werd onder bepaalde voorwaarden abortus toegelaten, wat andere christelijke kerken onaanvaardbaar vinden. Voorbehoedsmiddelen mogen nu, waar het katholicisme dat absoluut blijft verbieden. In tegenstelling tot alle andere kerken, nam de mormoonse kerk een neutrale houding tegenover stamcelonderzoek aan. Ook inzake het medisch rekken van het leven van een terminaal zieke verschilt de mormoonse visie van de katholieke.[14] Inzake huwelijksmoraal stond de kerk een halve eeuw lang polygamie toe. Nu wordt een lid ervoor geëxcommuniceerd. Vroeger aanvaardde de kerk de doodstraf, nu is het officieel standpunt dat de kerk er voor noch tegen is.[15] Moreel (en doctrinaal) relativisme is precies deel van de kracht van een kerk die in levende openbaring gelooft: “Omdat verschillende tijden verschillende uitdagingen omvatten, ontvangen hedendaagse profeten openbaring volgens de dagelijkse omstandigheden. Daarenboven sluit de kerk toekomstige toevoegingen of wijzigingen in haar leer niet uit”.[16]

Laat er nochtans geen misverstand zijn: Korihor’s boodschap “dat wat een mens ook deed, het geen misdaad was” blijft uiteraard een ethisch onaanvaardbare uitspraak, omdat men die kan aangrijpen om elk gedrag goed te praten. De term “moreel relativisme” is er evenwel niet geschikt voor. Evenmin de nabije term “situationele ethiek”.[17]

 

Ten slotte, een waarschuwing

Ten slotte, aan het einde van dit overzicht van Korihor’s raaklijnen met hedendaagse tendensen, een waarschuwing: de “slechte” Korihor als voorloper of model beschouwen van allerlei “slechte” moderne denkers en denkrichtingen leidt tot geforceerde associaties. Zo maakten John W. Welch en J. Gregory Welch een lijstje van vijftien kleine frasen uit Korihor’s woorden en beschrijving, om die dan te koppelen als representatief voor vijftien “moderne” denkrichtingen en tendensen zoals empiricisme, positivisme, naturalisme, hedonisme, nihilisme, enzovoort.[18] Die ‑ismen vanuit zo’n kleine frasen voorstellen is karikaturisering. Het gaat meestal om complexe benaderingen met uiteenlopende aspecten en interpretaties. Van sommige onderschrijft het mormonisme er, soms verrassend, onderdelen van. Als sommige van deze denkers en denkrichtingen religie miszien, stemt dit vaak vanuit hun vaststelling van al het foute in “afvallige” religies.

Cole Durham noemt Korihor “de seculiere antichrist die door zijn gedachtengoed de grootmeesters van argwaan van de negentiende en twintigste eeuw prefigureert — Darwin, Marx, Nietzsche en Freud”.[19] Dat is zowel oneerlijk ten overstaan van Korihor als vervalsend voor deze veelzijdige denkers. Volgens LaMar Garrard werd Mormon door God geïnspireerd om Korihor’s verklaringen in het Boek van Mormon in te lassen: zo kan Hij ons nu waarschuwen voor de dwaling van de “filosofie van het naturalisme”, specifiek de visie van de Britse filosoof, mathematicus en Nobelprijswinnaar Bertrand Russell.[20] Brant Gardner omschrijft Korihor’s leer van “de beheersing van het schepsel” als “een vorm van sociaal Darwinisme”.[21]

We moeten dit soort simplistische veralgemeningen vermijden. Karikaturisering doet mensen fanatiek en bekrompen denken. Het mormonisme kan beter.

 

3 – Korihor’s testcase: godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting

Nog steeds een hoog actueel thema
Hoe ontwikkelden godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting zich onder de Nephieten?
Geen wet tegen iemands geloof, maar wel een grijze zone
Wie oordeelt er nu eigenlijk? De kruising van kerkelijke en rechterlijke bevoegdheden
Korihor van de ene hogepriester naar de andere

[ Een enkel getal tussen haakjes verwijst naar het versnummer in Alma 30. ]

Nog steeds een hoog actueel thema

Vragen over godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting golden al in de Nephitische maatschappij. Tot waar kan, mag of moet religie het leven van iedereen bepalen? Welke ruimte krijgen andersdenkenden en niet-gelovigen? Wat als een ideeëngoed de maatschappelijke orde kan bedreigen? Korihor kun je op die vragen een testcase noemen. Niet verwonderlijk dat kerkleiders en analisten zijn geval dus ook voor het heden relevant vinden.

Sinds een aantal jaar hameren enkele mormoonse kerkleiders op godsdienstvrijheid met de slagzin dat godsdienstvrijheid in gevaar is. Vanuit het Amerikaanse perspectief is hun doel vooral om de aanwezigheid en invloed van religie in het openbare leven te handhaven, wat in de Verenigde Staten nog sterk meespeelt. Het Amerikaanse tweepartijenstelsel maakt dat die twee partijen slechts een algemene richting aangeven, maar dat het vooral kerken, organisaties en drukkingsgroepen zijn die sociale, morele en ideologische eisen onder de aandacht brengen. Politiekers moeten op die eisen inspelen om kiezers te winnen. Voor kerken gaat het de voorbije jaren onder meer om het recht diensten aan derden te mogen weigeren uit religieuze overtuiging, zoals voor katholieke werkgevers het niet hoeven bij te dragen voor gezondheidszorg die ook voorbehoedsmiddelen verstrekt, of voor tegenstanders van het homohuwelijk het kunnen weigeren om als handelaar een taart, een bloemstuk of catering te leveren voor een homohuwelijk. Met andere woorden: het recht om ook tegenover derden je geweten te mogen volgen, zonder compromis. Critici noemen dit soort godsdienstvrijheid het recht om te discrimineren.

In de meeste Europese landen is zo’n rechtstreekse kerkelijke gedrevenheid niet meer gebruikelijk. Meerpartijenstelsels kanaliseren de uiteenlopende voorkeuren. Coalities verplichten om compromissen te sluiten. Pluralisme en tolerantie staan hoog op de agenda. Geen enkele vorm van discriminatie wordt nog aanvaard. Daar waar Amerikaanse kerkleiders de invloed van religie op het openbare leven willen handhaven of zelfs versterken, is in Europa de beweging eerder omgekeerd, vanuit een groeiende bezorgdheid dat een religie, in de naam van godsdienstvrijheid, Westerse waarden kan uithollen. Vandaar de wil om bepaalde religieuze praktijken niet toe te laten, zoals isolerend godsdienstonderwijs, voogdijrecht over vrouwen, polygamie of onverdoofd slachten. Met daar bovenop de vrees voor een radicalisering die tot nog erger leidt.[22] Tegelijkertijd leidt dit tot spanningen met eigen principes: tot waar kunnen pluralisme en tolerantie volgehouden worden?

Korihor tast die grenzen van godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting af. Hij bekritiseert het geloof van anderen, claimt het recht om niet te geloven, beschuldigt de priesters van misbruiken en ondergraaft gehoorzaamheid aan de wet. Zijn rationele argumenten tegen geloof vermengt hij met emotionele termen: “dwaze en ijdele hoop”, “dwaze overleveringen” en “de uitwerking van een uitzinnige geest” (13–16). In Zarahemla kan hij eerst vrij zijn ideeën verkondigen. Dat verandert wanneer hij zijn werkterrein verplaatst. Dan wordt zijn vrije meningsuiting aan banden gelegd. Terug in Zarahemla wordt hij letterlijk monddood gemaakt. Dat alles vraagt om een nauwkeuriger analyse in volgende onderdelen.

 

Hoe ontwikkelden godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting zich onder de Nephieten?

Korte terugblik: voor de eerste vijf eeuwen van de Nephitische samenleving hebben we maar enkele aanduidingen over hun mate van godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting. Al van het begin konden Laman en Lemuël hun kritische en afwijzende meningen verkondigen, hoewel Nephi er weinig begrip voor kon opbrengen. De predikingen van Nephi, Jakob en volgende profeten, met hun uitvoerige argumentatie en frequente bekeringsoproepen, tonen dat hun toehoorders vaak weinig volgzaam waren, maar dus ook de vrijheid hadden om anders te denken en te handelen. Een aanhoudende strekking was bijvoorbeeld het niet kunnen aanvaarden van Christus, hoewel het volk wel de wet van Mozes volgde.

Hoe strak werd die wet van Mozes toegepast, bijvoorbeeld inzake valse profetie, het leiden naar afvalligheid en het aanbidden van andere goden? Dat waren misdaden die de doodstraf vereisten (Deuteronomium 13). Onder koning Benjamin, in het midden van de tweede eeuw v.C., werd dit mogelijk toegepast: “…nadat er valse christussen waren geweest, en hun de mond was gesnoerd en zij overeenkomstig hun misdaden waren gestraft; en nadat er valse profeten en valse predikers en leraren onder het volk waren geweest en zij allen overeenkomstig hun misdaden waren gestraft…” (Woorden van Mormon 15–16). De term misdaden is veelzeggend voor wat mogelijk enkel afwijkende meningen waren.

Afvalligen van hun kant treden op tegen “goede” godsdienstprediking of -beleving, zoals de priesters van Noach ten overstaan van Abinadi (Mosiah 11–16) of zoals Amulon ten overstaan van Alma’s groep (Mosiah 24).

Onder koning Mosiah II en tijdens de eerste jaren van de regering der rechters heerst er godsdienstvrijheid en religieuze diversiteit onder de Nephieten. Alma de oudere krijgt van de koning toestemming om de “Kerk Gods” te vestigen. Maar naast hem blijven de priesters van de koning actief. Alma de jongere is in zijn jeugd een “afgodisch” man, wat op volksgeloof en bijgelovige praktijken wijst (Mosiah 27:8). Hij en de zonen van Mosiah mogen vrij optreden om “het hart van het volk weg te stelen” en onenigheid te veroorzaken (Mosiah 27:9). Nehor mag vrij optreden om te prediken en een kerk te stichten (Alma 1). Amlici mag vrij zijn mening verkondigen, een aanhang verwerven en als koning kandideren, wat “veel woordenstrijd en verbazingwekkende twistgesprekken” in het hele land veroorzaakte (Alma 2). De orde der Nehoren verspreidt zich verder. De Zoramieten kunnen ondertussen in een ander landsdeel een heel eigen godsdienstbeleving ontwikkelen (Alma 31). Korihor treedt dus op in een vrij open omgeving.

 

Geen wet tegen iemands geloof, maar wel een grijze zone

Tot welk punt kon Korihor zijn mening verkondigen?

Koning Mosiah had een principe van wederzijds respect ingesteld — “een streng gebod in alle kerken dat er geen vervolgingen onder hen mochten bestaan, dat er gelijkheid onder alle mensen moest zijn; dat zij hun vrede niet door hoogmoed of eigenwaan mochten laten verstoren” (Mosiah 27:3–4). Er is dus een wettelijke basis om tegen ordeverstoorders op te treden. Maar wanneer wordt vrije meningsuiting ordeverstoring? Wie moest dat bepalen?

In Alma 1, na Nehor’s veroordeling en doodstraf voor moord, leren we over hen die “valse leerstellingen” prediken:

“… want er waren er velen die de ijdelheden der wereld aanhingen, en zij gingen uit en predikten valse leerstellingen; en dat deden zij ter wille van rijkdom en eer. Evenwel durfden zij uit vrees voor de wet niet te liegen voor het geval het bekend raakte, want leugenaars werden gestraft; daarom gaven zij voor volgens hun geloof te prediken; en de wet nu had op niemand vat inzake zijn geloof.” (Alma 1:17)

De wet staat dus toe dat mensen afwijkende leerstellingen verkondigen zolang dit gebeurt uit geloof. Anders is het een strafbare leugen. Maar hoe vooreerst te bepalen wanneer iets een “valse leerstelling” is? De ene kerk beschuldigt immers de andere “valse leer” te verkondigen. Als ook de rechterlijke macht in handen is van één kerk, dan is het oordeel altijd in het voordeel van die kerk. Vervolgens, wie zal bepalen of iemand oprecht in zijn “valse” leer gelooft, dan wel geloof veinst en dus liegt? Hier dus ook een grijze zone van interpretatie.

Bij de aanvang van het verhaal over Korihor is het opmerkelijk hoeveel aandacht de kroniekschrijver schenkt aan godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting. Het onderwerp lag blijkbaar gevoelig, mogelijk als gevolg van de antecedenten met Nehor en met Amlici.

“Nu was er geen wet tegen iemands geloof, want het was lijnrecht in strijd met de geboden Gods dat er een wet zou zijn die de mensen op ongelijke voet bracht. Want aldus zegt de Schrift: Kiest dan heden, wie gij dienen zult. Welnu, indien iemand God wilde dienen, had hij het recht daartoe; of liever gezegd, indien hij in God geloofde, had hij het recht Hem te dienen; maar indien hij niet in Hem geloofde, was er geen wet om hem te straffen. Maar indien hij had gemoord, werd hij met de dood gestraft; en indien hij had geroofd, werd hij ook gestraft; en indien hij had gestolen, werd hij ook gestraft; en indien hij echtbreuk had gepleegd, werd hij ook gestraft; ja, voor al dat kwaad werden zij gestraft. Want er was een wet dat de mensen moesten worden berecht volgens hun misdaden. Er was evenwel geen wet tegen iemands geloof; daarom werd iemand alleen gestraft voor de misdaden die hij had gepleegd; daarom stonden alle mensen op gelijke voet.” (7–11)

Die inleiding is merkwaardig. Nathan Oman vestigt er de aandacht op als fundamenteel voor het constitutioneel recht: het onderscheid tussen geloof — wat iedereen vrijuit mag — en daden die de wet moet beoordelen.[23] De kroniekschrijver in het Boek van Mormon — Alma zelf hier? — herinnert bij de aanvang van Korihor’s verhaal uitgebreid aan die normen. Als lezer verwacht je ergens dat Korihor dan wel een misdaad zal plegen zodat hij kan veroordeeld worden, net zoals Nehor vijftien jaar eerder. Nehor werd immers niet veroordeeld voor zijn prediking, maar voor een moord. Volgens het verslag zal Korihor echter geen van de gemelde misdaden plegen — moord, roof, diefstal of echtbreuk (wat de wet toen als misdaad beschouwde). Zijn geval belandt dus hoogstens in de grijze zone, waar een rechter dan bijvoorbeeld over ordeverstoring of over het leugengehalte van zijn leer moet oordelen.

 

Wie oordeelt er nu eigenlijk? De kruising van kerkelijke en rechterlijke bevoegdheden

Wie moet Korihor beoordelen en eventueel veroordelen?

Net zoals in de Bijbel is bij de Nephieten de grens tussen het religieuze en het rechterlijke gezag wazig. De wetgeving is “van God”. Tot de tijd van Mosiah beheren priesters het rechtssysteem. Eeuwenlang was de koning ook de profeet. Hij was het ook die “priesters en leraars” aanstelde (zie hierover meer hier in les 19: Priesterschap bij de Nephieten tot Alma en Priesterschap in Alma’s ‘kerk van God’). Met de vestiging van Alma de oudere en zijn groep in Zarahemla, in 120 v.C., ontstaat een tweevoudig systeem — de kerk en de koning. De kerk heeft de bevoegdheid “om het volk van die kerk naar de geboden Gods te kunnen berechten” (Mosiah 26:28, 32–33). De koning oordeelt over de rest. Maar tot waar reikt de bevoegdheid van de kerk? Zie de bespreking in les 20: De kwestie van de overtreders en het juridisch systeem.

Omstreeks 91 v.C. eindigt het koninklijk rechtssysteem en begint de “regering der rechters”. Maar het tweevoudig systeem blijft in stand: enerzijds gekozen rechters die over overtredingen tegen de wet kunnen optreden; anderzijds de hogepriester en priesters die over overtredingen binnen de kerk kunnen optreden en als straf mensen enkel kunnen uitsluiten. Maar waar ligt de grens bij bepaalde overtredingen? Het geval Korihor legt er de ambiguïteit van bloot.

 

MvHeems_Samueen DavidOok in de Bijbel verstrengelen de profetische en de koninklijke macht. Hier: De profeet Samuel zalft David tot koning. Ets van de Nederlandse kunstenaar Maerten van Heemskerck (1498-1574).

 

Een scheiding tussen de twee systemen blijkt illusoir. Al vanaf de aanvang van de regering der rechters combineert Alma beide topfuncties: hij is zowel hogepriester van de kerk als opperrechter over het land. Die conjunctie van kerk en regering blijkt wanneer Alma het ambt van opperrechter afstoot en enkel nog dat van hogepriester behoudt: “hij koos een wijs man, die zich onder de ouderlingen der kerk bevond, en machtigde hem volgens de stem van het volk” (Alma 4:16). De kiesprocedure is ambigu: “hij koos” versus “machtigde hem volgens de stem van het volk”. Het doet denken aan ons huidig kerkelijk systeem waarbij een leider van hogerhand gekozen wordt en het volk wel een stem ter ondersteuning kan verlenen. De door Alma gekozen man was in ieder geval iemand van “de ouderlingen der kerk”. Het overwicht van de kerk (die van Alma, niet die van anderen) op het rechterlijk systeem blijft uitgesproken. Korihor zal het ervaren.

 

Korihor van de ene hogepriester naar de andere

In Zarahemla kon Korihor blijkbaar vrij optreden, conform het wettelijke kader dat vrije meningsuiting waarborgt (12–18). Dan trekt hij naar Jershon, waar het pacifistische volk van Ammon woont. “Maar zie, zij waren wijzer dan velen der Nephieten; want zij grepen hem en bonden hem vast en brachten hem voor Ammon, die de hogepriester over dat volk was” (20). Hier beschermt het wettelijk kader Korihor niet tegen een volkse reactie. Hij wordt ook niet voor een rechter gedaagd, maar voor de hogepriester. Er is geen verslag van de aanklacht noch van enig gesprek tussen Ammon en Korihor. Alleen de laconieke beslissing van Ammon: “En het geschiedde dat hij hem uit het land liet zetten” (21).

De volgende étappe is het land Gideon: zelfde scenario van grijpen en vastbinden, maar nu wordt Korihor “voor de hogepriester gebracht, en tevens voor de opperrechter van het land”. De hogepriester ondervraagt, niet de opperrechter. De ondervraging gaat enkel om religie: “Waarom gaat gij rond om de wegen des Heren te verdraaien? Waarom leert gij dit volk dat er geen Christus zal zijn, waarmee gij hun vreugde verstoort? Waarom spreekt gij tegen alle profetieën van de heilige profeten?” (22). Of Korihor binnen zijn recht op vrije meningsuiting heeft gehandeld komt niet ter sprake. Korihor antwoordt uitgebreid op de vragen van de hogepriester, met nadruk op de uitbuiting van het volk door priesters. De hogepriester en de lokale opperrechter weigeren op die aantijgingen in te gaan, “maar zij lieten hem vastbinden en gaven hem over in de handen van de gerechtsdienaren en zonden hem naar het land Zarahemla, zodat hij voor Alma kon worden gebracht, en voor de opperrechter die de regeerder over het gehele land was” (29). Ook hier geen vraag of Korihor enige wet had overtreden.

Het zijn de “gerechtsdienaren”, dus van de rechterlijke macht, die de geboeide Korihor overbrengen. Zij brengen hem voor de algemene hogepriester, Alma, en de algemene opperrechter. Het partnerschap van de kerkelijke en de rechterlijke machten loopt dus gewoon door. Net zoals in Gideon is het opnieuw de hogepriester die de ondervraging leidt en het gaat enkel over kerk en geloof. Ondenkbaar vanuit ons begrip van de rechtsstaat: een criticus van priesters en religie wordt door gerechtsdienaars voor de hoogste religieuze autoriteit gebracht om rekenschap te geven over zijn ideeën over kerk en religie. De opperrechter, destijds gekozen door diezelfde hogepriester, staat erbij en kijkt ernaar. De inleiding van het hoofdstuk, die de lezer moest overtuigen dat er “geen wet tegen iemands geloof” was en dat iemand “alleen gestraft werd voor de misdaden die hij had gepleegd” hangt hier nu in het ijle, of eerder als een aanklacht zelf tegen de gevolgde procedure.

We zitten dus nog volop in een leefwereld waar religie de feitelijke macht uitoefent. Zo was het ook nog deels in Christus’ tijd, waar de hogepriester uiteindelijk het lot van de Heiland bepaalde, ondanks het Romeinse rechtssysteem. Zo was het eeuwenlang in onze eigen contreien waar de overheersende kerk, in collusie met de machthebbers, het ideeëngoed controleerde via inquisitie, banvloeken en censuur. De machthebber nam de oordelen over en voerde de straf uit. Schokkend naar onze normen, maar volkomen authentiek in het kader van vorige periodes.

 

4 – De confrontatie met Alma

De confrontatie met Alma valt uiteen in twee onderwerpen. Het eerste behelst het vermeend profitarisme van priesters, wat Alma krachtig ontkent (31–36). Dit werd hiervoor besproken bij Korihor’s antiklerikalisme. Het tweede gaat over theologie: het bestaan van God.

Wetenschap, geloof, gemoed en geweten: de vraag van de godsbewijzen
Wat kon Korihor ten laste worden gelegd?
Korihor’s vraag om een teken en Alma’s reacties
Korihor’s bekentenis en zijn einde

[ Een enkel getal tussen haakjes verwijst naar het versnummer in Alma 30. ]

Wetenschap, geloof, gemoed en geweten: de vraag van de godsbewijzen

Korihor heeft een simpele stelling en ook de meest eenvoudige om te verdedigen: “Zie, gij kunt niet iets weten wat gij niet ziet.” De wetenschap van het weten. Vandaar ook zijn vraag om een teken — iets zintuiglijks dat het bovennatuurlijke bewijst. Alma heeft de moeilijke opdracht het tegendeel aan te tonen. Hij begint met zijn getuigenis: “… ik zeg u, ik weet dat er een God is, en ook dat Christus zal komen” (39).

Dan kaatst hij de bal over bewijsvoering terug: “En nu, welk bewijs hebt gij dat er geen God is, of dat Christus niet komt? Ik zeg u dat gij er geen hebt, dan alleen uw woord” (40). Daarmee bespeelt hij een klassiek tegenargument in de debatten over godsbewijzen: niet de gelovige moet het bestaan van God bewijzen, het is de niet-gelovige die het niet-bestaan van God moet bewijzen. Dat kan die laatste echter niet, want het niet-bestaan van iets kan nooit sluitend bewezen worden. Daarmee heeft de gelovige echter nog niet het bestaan van God bewezen, zodat hij, zo hij dit wenst, wel verplicht wordt het debat verder te voeren en godsbewijzen op tafel te leggen.

Alma’s volgende stap speelt echter in op het gemoed en het geweten van Korihor: “Maar zie, ik heb alle dingen als getuigenis dat die dingen waar zijn; en gij hebt ook alle dingen als getuigenis dat ze waar zijn; en wilt gij ze loochenen? Gelooft gij dat die dingen waar zijn? Zie, ik weet dat gij gelooft, maar gij zijt bezeten van een leugengeest en gij hebt de Geest Gods van u afgestoten, zodat die bij u geen plaats heeft; de duivel heeft echter macht over u, en hij sleept u mee en gebruikt listen om de kinderen van God te kunnen vernietigen” (41–42). Rationeel is het een zwak argument, maar het dwingt tot introspectie.

Korihor geeft daar geen antwoord op, maar wil een sterkere bevestiging: “Indien gij mij een teken wilt tonen, zodat ik ervan word overtuigd dat er een God is, ja, indien gij mij toont dat Hij macht bezit, dan zal ik overtuigd zijn van de waarheid van uw woorden” (43). Alma herinnert Korihor er dan aan dat hij al tekens genoeg heeft gehad: het getuigenis van anderen en de Schriften. En verder: “Alle dingen wijzen erop dat er een God is; ja, zelfs de aarde, en alle dingen op het oppervlak daarvan, ja, en haar beweging, ja, en ook alle planeten die zich bewegen in hun vaste orde, getuigen dat er een oppermachtige Schepper is” (44).

Critici beweren soms dat het Boek van Mormon hier het kosmologisch godsbewijs aanhaalt dat in Joseph Smith’s tijd gebruikelijk was. Dat “bewijs” was inderdaad in omloop, maar was gekend sinds de Oudheid. De Sumerische en Babylonische astronomie hadden al lang voor Lehi’s vertrek uit Jeruzalem de grote wetten van de bewegingen van hemellichamen bestudeerd. De observatoria waren aan tempels verbonden en de wetmatigheden werden aan goddelijke kracht toegeschreven.

 

Sumerische astronomieSumerische astronomie: de bepaling van de planeten (Rollsiegel VA 243, Pergamonmuseum Berlijn)

 

Ook in het Oude Testament werd de beweging van hemellichamen als beheerst door God ervaren — “Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die U hun plaats gegeven hebt…” (Psalmen 8:4). Vermeldenswaard is dat het Boek van Mormon zich aan dat vrij primitieve, antieke godsbewijs houdt, en niet verwijst naar meer gesofistikeerde godsbewijzen die in Joseph Smith’s tijd populair waren, zoals de theorie van de Eerste Beweger of de ontologie van de volmaaktheid. Die waren gekend door debatten op de vele religieuze oplevingsbijeenkomsten of via de populaire kranten en tijdschriften. Moest het Boek van Mormon een negentiende-eeuws product zijn, dan hadden sporen van die godsbewijzen allicht hun weg in de tekst gevonden.

 

Wat kon Korihor ten laste worden gelegd?

Een formele klacht in een formeel proces ontbreekt. Aanduidingen hier en daar helpen om een beeld te vormen. Op zijn geloof, of liever zijn ongeloof, was het moeilijk om hem wettelijk te pakken. Dat wordt nog eens extra benadrukt bij het begin van het hoofdstuk: “Nu was er geen wet tegen iemands geloof”. Welke wetten heeft Korihor mogelijk wel overtreden?

Rustverstoring. Mosiah’s wet voorzag dat mensen “hun vrede niet door hoogmoed of eigenwaan mochten laten verstoren” (Mosiah 27:4). Wanneer Korihor voor Giddonah, de hogepriester in Gideon moet verschijnen, vraagt deze hem: “Waarom leert gij dit volk dat er geen Christus zal zijn, waarmee gij hun vreugde verstoort?” (22). Ook Alma alludeert op dit aspect: “Welnu, gelooft gij dat wij dit volk misleiden en dat dát die grote vreugde in hun hart veroorzaakt?” (35). Gelet op Korihor’s stoere stellingen en emotioneel taalgebruik, soms “met woorden die steeds luider klonken” (31), was hij waarschijnlijk een irriterende rustverstoorder. Voor kerkleiders die zoveel tijd en energie steken in de vredevolle uitbouw van hun gemeenten, kan een bezoeker als Korihor rampzalig zijn. Als hij daarenboven mensen weglokt naar ongeloof, mogelijk gezinnen uit elkaar trekt en anderen, gewild of ongewild, op de weg van zonde zet, wordt het nog erger. In dat opzicht doet hij denken aan anti-mormonen, soms voormalige leden, die op alle mogelijke manieren het geloof van kerkleden willen ondergraven. Mosiah’s wet voorzag een grens op deze storingen.

Anderzijds moeten we misschien ook rekening houden met het waarom van Korihor’s verontwaardiging: wat heeft hij meegemaakt, wat weet hij van misbruiken en corruptie waaraan priesters zich schuldig maken? Het thema dat komt telkens in zijn woorden terug. Dan is zijn optreden eerder idealistisch en wil hij mensen bevrijden van een juk, zoals hij het zelf verwoordt. Maar ook in die context zal hij rust verstoren.

Leugens. Predikers moeten opletten voor de grijze zone: “Evenwel durfden zij uit vrees voor de wet niet te liegen voor het geval het bekend raakte, want leugenaars werden gestraft; daarom gaven zij voor volgens hun geloof te prediken; en de wet nu had op niemand vat inzake zijn geloof” (Alma 1:17). Giddonah, de hogepriester in Gideon, vraagt aan Korihor: “Waarom gaat gij rond om de wegen des Heren te verdraaien?” (22). Een gelovige kan dat “verdraaien” als leugens aanzien. Alma is explicieter: “… gij zijt bezeten van een leugengeest” (42) “door uw gelieg en door uw vleiende woorden” (47). Het is echter wel opnieuw een gelovige die oordeelt over wat waarheid en wat leugen is. Wel specifiek onwaar lijkt Korihor’s beschuldiging dat Alma financieel profiteert van zijn kerkwerk, tenzij Korihor het in algemene zin op priesters bedoelde. Alma ontkent het alleen voor zichzelf en zijn naaste medewerkers. Dat is eerder een welles-nietes gesprek over iets persoonlijks.

Godslastering. God beschimpen is een ernstige aanklacht. Godslastering, het “kwaadspreken over God”, is een begrip dat al sinds de verste oudheid bestaat. Volgens de wet van Mozes staat op godslastering de doodstraf door steniging en zo wordt het ook uitgevoerd (Leviticus 24:10–16). Viel Korihor onder die wet? “Toen nu de hogepriester en de opperrechter de verstoktheid van zijn hart zagen, ja, toen zij zagen dat hij zelfs God beschimpte, weigerden zij zijn woorden te beantwoorden” (29). De zinnen die Korihor voor de hogepriester en de opperrechter uitsprak bevatten echter geen godslastering, tenzij we ervan uitgaan dat de kroniekschrijver die niet wilde noteren. Korihor had wel gezegd dat hij God beschouwt als “een wezen dat nooit is gezien of gekend, dat er nooit is geweest noch er ooit zal zijn” (28). Is het ontkennen van het bestaan van God godslastering? Het is moeilijk iemand te belasteren als je niet in zijn bestaan gelooft. Wanneer Korihor voor Alma verschijnt, meldt het verslag: “… hij ging ermee door God te lasteren” (30). Ook hier ontbreken de concrete zinnen van Korihor die deze aanklacht ondersteunen. Alma zelf, in zijn incriminerende analyse van Korihor’s gedrag (39–47), vermeldt nergens godslastering, maar het speelde allicht mee aangezien het verslag er tweemaal naar verwijst.

Gevaar voor anderen. Alma besluit hiermee de confrontatie, in een soort verdict: “Maar zie, het is beter dat uw ziel verloren gaat, dan dat gij het middel zoudt zijn waardoor vele zielen tot vernietiging worden gevoerd” (47). Dat sluit aan bij Korihor’s permissiviteit: “… en dat wat een mens ook deed, het geen misdaad was.” Alma’s argument is moeilijk te beoordelen omdat we niet weten hoeveel kwaad Korihor al heeft gesticht en hoe verantwoordelijk hij is voor de daden van anderen. Tegenover het recht op godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting, verkiest Alma blijkbaar iemand preventief de mond te snoeren. In evangelisch perspectief lijkt Alma’s voorstel dicht bij Satans plan te komen: neem de verleiding weg zodat mensen niet kunnen zondigen. Maar dan zou Alma logischerwijze alle dissidenten van het toneel moeten verwijderen. Zijn houding zit wel in de Oudtestamentische logica, waarbij God opdracht geeft om al wat zijn volk kan bezoedelen uit te roeien.

Alma’s uitspraak lijkt ook een echo van het oordeel over Laban, waarnaar trouwens de voetnootreferentie in het Boek van Mormon verwijst: “Het is beter dat één mens omkomt dan dat een natie in ongeloof verkommert en verloren gaat” (1 Nephi 4:13). De context is echter anders: bij Laban ging het om het verkrijgen van de Schriften. Hier gaat om een man die van zijn recht gebruik maakt om een mening te verkondigen, en waarbij de rechterlijke macht moet oordelen of het toelaatbaar is. Alma neemt echter de beoordeling over, met een radicaal verdict: Korihor wordt beter monddood gemaakt om zo anderen te beschermen.

 

Korihor’s vraag om een teken en Alma’s reacties

Er zit iets onbehaaglijks in de houding van Alma tegenover Korihor. Wat Alma tijdens zijn jeugdjaren heeft gedaan is identiek aan Korihor’s optreden: overal rondgaan om het geloof van de mensen te ondergraven. Hij maakte daarbij volop gebruik van vrije meningsuiting. Zo werd de jonge Alma “een grote belemmering voor de bloei van de kerk van God door het hart van het volk weg te stelen, veel onenigheid onder het volk te veroorzaken en de vijand van God de kans te geven zijn macht over hen uit te oefenen” (Mosiah 27:9). Toen verscheen hem “een engel des Heren; en hij daalde als het ware in een wolk neer; en hij sprak als het ware met de stem des donders …” Alma kreeg meer dan zomaar een teken, het was een volledige openbaring. Hij had het daarenboven te danken aan de gebeden van zijn vader (Mosiah 27:11). Het redde en veranderde zijn leven.

Maar nu Korihor om een teken vraagt, lijkt het niet dat Alma aan zijn eigen verleden denkt. Hij daagt Korihor eerder uit: “En nu, welk bewijs hebt gij dat er geen God is, of dat Christus niet komt? Ik zeg u dat gij er geen hebt, dan alleen uw woord. Maar zie, ik heb alle dingen als getuigenis dat die dingen waar zijn” (41). Alma heeft makkelijk praten: hij heeft meer dan eens een engel op bezoek gehad.

Korihor vraagt tot driemaal toe om een teken. We weten niet of hij het oprecht, dreigend of spottend vroeg, maar in de zinsvorming klinkt hij redelijk: “Indien gij mij een teken wilt tonen, zodat ik ervan word overtuigd dat er een God is, ja, indien gij mij toont dat Hij macht bezit, dan zal ik overtuigd zijn van de waarheid van uw woorden” (43). Alma weigert er op in te gaan. Korihor vraagt het een tweede keer (45). Alma weigert opnieuw, nu dreigend: “Daarom, indien gij het wederom loochent, zie, dan zal God u slaan, zodat gij stom wordt, zodat gij uw mond nooit meer zult opendoen, zodat gij dit volk nooit meer zult misleiden” (47). Het moment is dramatisch en het antwoord van Korihor wordt behoedzaam. Zijn laatste frasen — de laatste die hij ooit zal kunnen zeggen — luiden als volgt: “Ik loochen niet het bestaan van een God, ik geloof alleen niet dat er een God is; en ik zeg tevens dat gij niet weet dat er een God is; en tenzij gij mij een teken toont, zal ik niet geloven” (48). Korihor is tegemoet gekomen aan de voorwaarde van Alma “indien gij het wederom loochent”: hij bevestigt dat hij het bestaan van God niet loochent. Desondanks is Alma’s antwoord: “Dit zal ik u ten teken geven, dat gij met stomheid zult worden geslagen, volgens mijn woorden; en in de naam van God zeg ik dat gij met stomheid zult worden geslagen, zodat gij niet meer kunt spreken” (49). En zo geschiedde.

Op welke manier gebeurde het? Een goddelijke interventie die een fysiek defect teweegbrengt kennen we uit de Bijbel, zoals Zacharias’ mutisme in de tempel of Paulus’ blindheid op de weg naar Damascus. Hugh Nibley koppelt het aan de toestand waarin Korihor zich bevond: “Was het een beroerte? Was hij dusdanig opgewonden? Was dit het gevolg van zich zo te hebben opgedraaid? We zien dat hij angstig was geworden, en dit brak hem”.[24] Ook de vergelijking met Sherem is herhaaldelijk gemaakt: die vroeg ook om een teken en viel ter aarde in een heftige confrontatie met Jakob. Ook hij bekende achteraf misleid te zijn geweest door de duivel (Jakob 7:13–18).

 

Korihor’s bekentenis en zijn einde

Het is als een soort coup de théâtre: de acteur van het eerste bedrijf blijkt een heel ander personage in het tweede bedrijf. Volgens zijn eigen schriftelijke bekentenis is Korihor een agent van Satan. In alles tot nu toe speelde hij een rol die Satan hem had aangeleerd. Maar wat Korihor opschrijft is erg inconsistent. Hij begint met te bekennen dat hij altijd geweten heeft dat er een God was. Als verklaring voor zijn antigodsdienstig optreden schuift hij de schuld op Satan die hem “in de gedaante van een engel” was verschenen. De duivel zou aan Korihor gevraagd hebben om het volk terug te winnen “want zij zijn allen afgedwaald, een onbekende God achterna”. Maar Korihor kreeg van Satan geen opdracht het volk voor een andere God te winnen want, volgens Satan: “… er is geen God”. Dat moet Korihor gaan onderwijzen: “hij leerde mij wat ik moest zeggen … zodat ik waarlijk geloofde dat ze waar waren”. Toch had Korihor net ervoor gesteld dat hij altijd geweten heeft dat er een God was. Tijdens zijn prediking verkondigde hij met overtuiging dat er geen bovennatuurlijke fenomenen zijn, maar, beweert hij nu, hij deed dat wel op basis van het bezoek van een engel. Bij Alma eiste hij met aandrang een teken, terwijl hij zelf al met de duivel samenwerkte.

 

Antoine Wiertz, Satan_S“Satan als engel” van de Belgische schilder Antoine Wiertz (1806–1865)

 

Korihor’s chaotische bekentenis contrasteert scherp met wat hij zo duidelijk en overtuigend in zijn interventies bracht. Zeker, het is best mogelijk dat zijn bekentenis een precieze weergave is van wat hij met Satan heeft meegemaakt. Maar aangezien hij, volgens Alma, een “leugengeest” heeft, kan hij evengoed hier staan liegen. Zijn inconsistentie zou je dan ook kunnen verklaren vanuit een wanhopige, verwarde reactie: Korihor is bereid gelijk wat te vertellen, en de schuld op Satan te steken, in de hoop genezen te worden. Hij smeekt er om: “Welnu, toen hij dat had gezegd, smeekte hij of Alma tot God wilde bidden dat de vervloeking van hem zou worden weggenomen” (54). Alma gelooft echter niets van Korihor’s oprechtheid en dus mogelijk ook niets van zijn fantastisch verhaal: “Indien deze vervloeking van u wordt weggenomen, zult gij het hart van dit volk opnieuw misleiden; daarom zal het u vergaan zoals de Heer het wil” (55). Korihor krijgt geen tweede kans.

Er volgt geen wettelijke uitspraak of straf. Er is ook geen juridische procedure geweest, enkel een gesprek tijdens hetwelk Korihor zich met zijn eisen om een teken klemreed. Pas na de confrontatie en de vervloeking komt de opperrechter tussen met een aantal vragen. Die hebben niets te maken met een wettelijke evaluatie of met vermeende misdaden van Korihor, maar enkel met het religieuze twistpunt. Ze verraden een vleugje voldaanheid: “Zijt gij overtuigd van de kracht Gods? In wie hadt gij gewild dat Alma zijn teken toonde? Hadt gij gewild dat hij anderen zou treffen om u een teken te tonen? Zie, hij heeft u een teken getoond; en wilt gij nu nog verder redetwisten?” (51).

Daarna wordt Korihor aan zijn lot overgelaten, moet gaan bedelen, belandt bij de Zoramieten en sterft er vertrapt. De huidige Nederlandse vertaling maakt van dit laatste: “terwijl hij onder hen uitging, werd hij omvergelopen en vertrapt, ja, totdat hij dood was” (59). Een ongeluk? Het Engels origineel leest: “… he was run upon and trodden down, even until he was dead”. Wijzen deze termen niet eerder op een gewilde actie om hem te doden?[25] Ik kom hier op terug bij de bespreking van de Zoramieten.

De overheid maakt van de gelegenheid gebruik om orde op zaken te stellen: “… de opperrechter liet aan alle mensen in het land de oproep uitgaan waarin hun die geloof hadden gehecht aan de woorden van Korihor werd gezegd dat zij zich met spoed moesten bekeren, opdat hen niet dezelfde oordelen zouden treffen” (57). Zelfs “geloof hechten aan Korihor’s woorden” is al voldoende om hetzelfde lot te mogen verwachten — in tegenspraak met de wet op vrijheid van geloof. De dreiging van de opperrechter had effect: “En het geschiedde dat zij allen overtuigd raakten van de goddeloosheid van Korihor; daarom werden zij allen wederom tot de Heer bekeerd; en dat maakte een eind aan de ongerechtigheid naar de wijze van Korihor” (58). Allicht zette de maatregel van de opperrechter ook een domper op de vrije meningsuiting. Maar de actie ligt in de lijn van de logica: zowel de religieuze als de rechterlijke macht willen de Nephieten beschermen vanuit een oprechte bezorgdheid om hun eeuwig welzijn. Ook dat blijft actueel: sommige kerkleiders kunnen moeilijk om met onafhankelijke of kritische stemmen en vragen zich af hoe die aan banden te leggen. De jacht op “onorthodoxen” is van alle tijden.

 

5 – Nabeschouwing over percepties

Nehor en Korihor: dissidente tegenpolen
Het “proces van Korihor”: was er wel een proces?
Historisch verslag, uitgebouwde vertelling of parabel?

Nehor en Korihor: dissidente tegenpolen

Soms worden Nehor en Korihor in één adem vermeld als de goddeloze vijanden van Alma en als voorbeelden van eenzelfde type kwaaddoener. Het verschil tussen hen beiden is echter aanzienlijk, zelfs zo contrasterend dat het tegenbeelden zijn.

Nehor (zie Alma 1) verkondigt “wat hij het woord Gods noemde”, dus met religieuze inhoud. Hij begint een kerk te stichten. Priesters moeten zich geliefd maken en door het volk onderhouden worden. Zelf draagt hij “zeer kostbare kleding”. Hij getuigt dat alle mensen ten laatste dage behouden zullen worden en het eeuwige leven zullen ontvangen. Hij stond bekend om zijn grote kracht. Hij vermoordt de oude Gideon. Die misdaad bekoopt hij met de doodstraf. Zijn invloed en zijn aanhang zijn aanzienlijk en zullen zich blijven uitbreiden in de “orde” en de “leer” der Nehoren, tot onder de Lamanieten.

Korihor verkondigt geen godsdienst, maar antigodsdienstigheid. Hij kraakt de religieuze overleveringen en de voorspellingen af. Hij gelooft niet in God. Zijn houding lijkt vooral uit verontwaardiging over de misbruiken van priesters te spruiten. Precies dat maakt hem blijkbaar zo antigodsdienstig. Hij gelooft dat met de dood alles eindigt. Hij laat zich gewillig grijpen en vastbinden. Een misdaad wordt hem niet ten laste gelegd. Zijn vraag om een teken bekoopt hij met stemverlies. Allicht had hij geen eigen bezit want hij moet gaan bedelen om te overleven en wordt uiteindelijk vertrapt. De aanhang die hij mogelijk had wordt onder bedreiging van dezelfde straf in de kiem gesmoord. Korihor’s naam komt verder niet meer voor in het Boek van Mormon.

Door het samen vermelden van Nehor en Korihor straalt het laakbare van Nehor — een ijdeltuit, een religieuze zakkenvuller en uiteindelijk een moordenaar — ook op Korihor af. Terwijl Korihor precies zijn gramschap op dit soort profiterende priesters en hun misbruik van religie richt. Je kunt je zelfs afvragen of Korihor’s antiklerikale verbetenheid niet vooral door de Nehoren gevoed werd, die zich al jaren doorheen Zarahemla verspreid hadden.

 

Het “proces van Korihor”: was er wel een proces?

Als rechtskundige analyseerde John W. Welch “het proces van Korihor”, met verwijzing naar tal van bronnen in het Oud-Hebreeuwse strafrecht en in antieke juridische tradities.[26] Hij beschrijft het proces als een meesterlijk juridisch optreden van Alma om Korihor geen kans te geven aan zijn straf te ontlopen. Hij suggereert dat Korihor met de orde van Nehor geassocieerd was — met verwijzing naar het gelijke einde van hun namen, -hor. Dat is een malle suggestie, als je merkt hoezeer Nehor en Korihor tegenpolen zijn (zie hier net voor). Veder prijst Welch de ondervragingsstrategie van Alma, de opbouw van zijn argumenten, de verwijzing naar getuigen, en de minutieuze toepassing van Bijbelse jurisprudentie. Als jurist geniet hij van wat volgens hem een prima gevoerd proces is. De straf van stomheid vindt Welch “precies het soort teken van handicap dat mensen in de antieke wereld verwachtten van een god in een juridisch kader”.[27] Zelfs de tragische dood van Korihor vindt Welch een logisch gevolg van Gods oordeel en een bewijs naar het volk toe van Korihor’s schuld.

Wat zou echter een advocaat voor de beklaagde gezegd hebben? Korihor kreeg geen verdediging gedurende heel zijn “proces”. Er werden geen getuigen in zijn voordeel opgeroepen. In feite was er geen proces, enkel korte confrontaties over geloof met hogepriesters die geen juridische autoriteit hadden. De laatste confrontatie eindigde, mogelijk op minder dan een half uur, met de straf die Korihor trof. Of Korihor enige sympathie voor zijn daden verdiende is niet de vraag. Of hij juridisch correct behandeld werd wel. Opnieuw: dit praat geen enkele foutieve daad van Korihor goed. Maar een nauwkeurige lectuur onthult dat we onze conclusies niet van vooroordelen mogen laten afhangen.

 

Historisch verslag, uitgebouwde vertelling of parabel?

De volgende bedenking ligt soms gevoelig omdat literalisten geen ruimte aan contextueel lezen geven. Dit onderscheid tussen een literalistische en een contextuele benadering van de Schrift speelt al eeuwen in de debatten over Schriftuur.[28] Literalisme neemt elk woord van de Schrift in zijn woordelijke betekenis. De schepping in zes dagen betekent literalistisch een schepping in 144 uur. Literalisme veroordeelde Galileo Galilei toen hij beweerde dat de aarde rond de zon draaide, want in de Schrift staat woordelijk: “De Vader laat de zon opgaan.” Literalisme maakte van “Dit is Mijn lichaam, dit is Mijn bloed” de katholieke leer van de transsubstantiatie. Literalisme is vaak fundamentalistisch.

De contextuele benadering daarentegen zoekt te achterhalen wat de schrijver werkelijk bedoelde, hoe en waarom hij zoveel eeuwen geleden zijn tekst schreef. Dat is wat Joseph Smith’s geïnspireerde vertaling van de Bijbel en vele van zijn andere teksten beoogden. Joseph Smith kon creatief met de Schriften omgaan omdat hij zich in de wereld van vroegere profeten kon inleven. Het is opvallend hoe die contextuele benadering, met zijn openheid voor brede verbanden en zijn creatief zoeken, het mormonisme vroeger intenser kenmerkte. Contextueel lezen vraagt om studie en verkenning. Het is een verrijkende oefening. De tekst als zodanig blijft authentiek — het Boek van Mormon is een verslag van een volk in het Oude Amerika —, maar daarbinnen vraagt de contextuele benadering wat elke profeet of kroniekschrijver met een bepaalde tekst vanuit zijn visie en ervaring bedoelde: gaat het om een nauwkeurig verslag, een geloofsvolle interpretatie, een commentaar, een directe openbaring, een ingeving, een parabel, een metafoor, een mythische overlevering… ? Natuurlijk, in een aantal gevallen moeten literalistisch en contextueel lezen overeenstemmen wanneer de tekst cruciaal voor de godsdienst is, zoals bij de vaststelling van Jezus’ geboorte, zijn kruisdood en zijn opstanding.

Wat kan dit betekenen voor het verhaal van Korihor?

“Maar het geschiedde, tegen het einde van het zeventiende jaar, dat er een man in het land Zarahemla kwam, en hij was een antichrist, want hij begon tot het volk te prediken tegen de profetieën die door de profeten waren uitgesproken aangaande de komst van Christus.” (6)

Het verhaal begint als een parabel — “Er kwam een man …”. De oorsprong van de man blijft algemeen zoals in traditionele parabels. Normaal gesproken introduceren kroniekschrijvers in het Boek van Mormon werkelijke personen ofwel met hun afstamming (Nephiet, Lamaniet, afstammeling van…), ofwel vanuit hun aanhang (Amliciet, orde van Nehor…). Hier komt de man echter als uit het niets, zoals Sherem, een haast identiek geval (Jakob 7).De enige omschrijving voor Korihor is dat hij “een antichrist” was — in het Engels “he was Anti-Christ”, wat als een archetype overkomt. Ondanks het feit dat hij uit het onbekende komt, is hij perfect op de hoogte van het geloof en de overleveringen van de Nephieten en van wantoestanden onder priesters. Volgens zijn slotgetuigenis trad hij op in opdracht van de duivel in de gedaante van een engel, wat zijn persoon een faustiaanse en dus literaire dimensie geeft. Ten slotte wordt Korihor uit de geschiedenis gewist: gedoemd tot de bedelstaf en uiteindelijk vertrapt door een afgelegen volk. Nooit zou er nog iets over hem of mogelijke volgelingen gehoord worden. Dat alles pleit in het voordeel van de parabel.

Daar staat tegenover dat het verhaal zich historisch concretiseert in het verloop zelf. De man heeft een naam, Korihor, hij begeeft zich naar bekende plaatsen, en werkelijke personen confronteren hem. De details van die confrontatie en het verder lot van Korihor worden als een historisch verslag verteld. Dat maakt het contextueel lezen als parabel moeilijker.

 

WilliamBlake_Satan stort zijn plagen over Job uitSatan in interactie met de mens hoort tot de Bijbelse literatuur, zoals in het boek Job. “Satan stort zijn plagen over Job uit” door William Blake (1757–1827). Tate Gallery, London.

 

Toch zou het kunnen dat dit verhaal, zelfs met zijn concrete gegevens, tot een specifieke vertelvorm hoort om mensen te waarschuwen en hun geloof te versterken. Matthew Bowman spreekt in dit verband, voor de verhalen van Sherem en Korihor, van “normatieve veralgemeningen”.[29] De kern van het verhaal kan een specifiek incident met iemand geweest zijn, met lokale confrontaties, maar waarrond de kroniekschrijver dan een meer uitgebreide vertelling met meer doctrinale inhoud heeft gebouwd. De dialogen, met woord en tegenwoord, verlopen inderdaad berekend om bekende opwerpingen en kritiek woordelijk te citeren en die dan te weerleggen. Telkens heeft Gods visie het laatste woord. In alle religies vinden we dergelijke didactische literatuur. Ook de Bijbel telt deze verhalen, met gecalculeerde dialogen, zoals die in de boeken Job en Jona. De opvatting dat deze verhalen wijsheids- of waarschuwingsgeschriften zijn, eerder dan historische verslagen, doet niets af van hun intrinsieke waarde als goddelijke boodschap. Dit soort contextueel lezen geeft sommigen van onze eigen kerkleden ook meer geloofsruimte. Door een verhaal deels als vertelling te kaderen kan men meer onwaarschijnlijke aspecten van de geschiedenis makkelijker aanvaarden. Literalisten geven die ruimte niet: het woord is wat het zegt.

Die verschillende visies op Korihor’s verhaal kunnen naast elkaar bestaan, waarbij het voor elkeen, volgens zijn graad van geloof en met wederzijds respect, in de eerste plaats om de boodschap en niet om de vorm moet gaan.

 

6 – De Zoramieten

Het onderwerp bestrijkt vier hoofdstukken, van Alma 31 tot 35. Het eerste en het laatste vormen een historische omkadering. In Alma 31 gaat het over het vertrek van de zendelingenploeg naar Antionum, wat zij daar vaststellen en hoe zij zich geestelijk voorbereiden om het zendingswerk aan te vatten. In het laatste hoofdstuk, Alma 35, gaat het om de gevolgen en de afsluiting van het zendingswerk, met de zoveelste oorlog die uitbreekt. Daartussen brengen hoofdstukken 32, 33 en 34 leringen. Deze les betreft enkel hoofdstuk 31.

Wie zijn deze Zoramieten?
Wat met Korihor en de Zoramieten?
Religie onder de Zoramieten
Het gebed van Alma

Wie zijn deze Zoramieten?

“Nu waren de Zoramieten afgescheidenen van de Nephieten” (31:8). Er lijken drie mogelijkheden te zijn voor hun identificatie:

  • Mensen uit diverse hoeken, die zich vanuit een los verband rond een leider hebben geschaard, zoals ook gebeurde bij Nehor en bij Amlici. Die leider heet Zoram (30:59; 31:1) en dus worden ze Zoramieten, zoals destijds Amlici zijn naam aan de Amlicieten gaf. Daar zou het woord “afgescheidenen van de Nephieten” op kunnen wijzen. Voor Gerald Lund zijn de Zoramieten “een groep afvalligen die de Nephitische godsdienst verlaten hadden en hun eigen kerk waren gestart”.[30]
  • Mensen die familiaal nog een zekere connectie met de stamvader “Zoram” voelen. Zoram is inderdaad ook een historische naam: de dienstknecht van Laban, die vijfhonderd jaar daarvoor met de oudste dochter van Ishmaël huwde en die de stamvader van een van de zeven macro-lijnen werd, namelijk Zoramieten (zie hiervoor dit onderdeel in les 20). De naam van de huidige leider, Zoram, lijkt alvast te wijzen op die connectie: we mogen vermoeden dat namen van stamvaders later alleen gevoerd worden door nakomelingen van die stamvader, als eerbetoon en als bevestiging van afkomst. In deze interpretatie waren de mensen die hij rond zich verzamelt ingeburgerde Nephieten in de brede betekenis, maar wat hen kan verenigen is het oude stambewustzijn. In die zin “scheiden ze zich af”.
  • De reeds lang bestaande stamgroep van de oorspronkelijke Zoramieten, of een groot deel ervan, die zich dan al eeuwen als zodanig identificeren. Zij bestaan naast de eigenlijke Nephieten, Jakobieten en Jozefieten, de drie andere groepen die samen met de Zoramieten de grotere eenheid der Nephieten uitmaken (Jakob 1:13). In diezelfde verhouding staan de Lamanieten, Lemuëlieten en Ishmaëlieten, die samen de grotere eenheid van de Lamanieten uitmaken (zie hiervoor dit onderdeel in les 25). In deze interpretatie klopt de omschrijving “afgescheidenen” niet helemaal, tenzij we ervan uitgaan dat sinds koning Mosiah II die oude stambegrippen vervaagd waren, aangezien toen alle inwoners van Zarahemla Nephieten worden genoemd (Mosiah 25:13).

Echt uitsluitsel over de drie mogelijkheden geeft de tekst niet. Volgens het verslag vertonen de Zoramieten wel een grote religieuze en politieke cohesie vertonen, inclusief een uitgesproken klassenmaatschappij, zoals dit hier en in volgende hoofdstukken tot uiting komt. Die cohesie moet al geruime tijd bestaan hebben aangezien ze in hun nieuw land, Antionum, synagogen hebben gebouwd met eigen rituelen. Daarenboven gaat het op dit punt in de geschiedenis al om een talrijk volk met een “opperheerser” en verder lokale “heersers” in locaties gespreid over het land (35:4–8). Hun aantal moet voldoende groot geweest zijn om er een ernstig politiek probleem in te zien: “Nu vreesden de Nephieten ten zeerste dat de Zoramieten betrekkingen zouden aanknopen met de Lamanieten” (31:4).

Sherrie Mills Johnson suggereert dat de Zoramieten, als “stam”, altijd wat misprezen zijn geweest onder de Nephieten. In tegenstelling tot de “zuivere” en gehoorzame nakomelingen van Lehi, namelijk Nephieten, Jozefieten en Jakobieten, waren de Zoramieten immers “maar” de afstammelingen van een dienstknecht die met een dochter van Ishmaël was getrouwd. Die sociale discriminatie kan hen tot verdere afzondering gedreven hebben.[31] Het is zeker een feit dat “zuivere” Nephieten hun afstamming meer dan eens met een zekere trots bevestigen (Alma 10:2–3; 3 Nephi 5:20; Mormon 1:5; 8:13). Opvallend is dan ook het wederwoord van Ammoron, later in het Boek van Mormon: “Ik ben Ammoron, en een afstammeling van Zoram die uw vaderen onder dwang uit Jeruzalem hebben weggevoerd” (Alma 54:2). Hier zien we opnieuw hoe etnische identiteit zich voedt met rancunes van eeuwen geleden. Als Ammaron dit hier vermeldt, meer dan vijfhonderd jaar na het vertrek uit Jeruzalem, dan gaat het om een hardnekkige overlevering die dus al die jaren op de achtergrond van de relatie tussen Nephieten en Zoramieten heeft gespeeld.

Het verhaal van de Zoramieten toont hoe divers en hoe uitdeinend de brede Nephitische maatschappij zich kon ontwikkelen. Zowel geografisch, cultureel als religieus kon een grote volksgroep zich apart vestigen en apart gedijen.

 

Wat met Korihor en de Zoramieten?

In de eerste editie van het Boek van Mormon waren de hoofdstukken over Korihor (Alma 30) en de Zoramieten (Alma 31–35) niet gescheiden. Joseph Smith en Oliver Cowdery hadden het hele boek Alma in 30 hoofdstukken ingedeeld (in plaats van de huidige 63 hoofdstukken, conform de indeling van Orson Pratt in 1879). Die grotere onderdelen duiden beter aan hoe Joseph Smith de tekst aanvoelde, maar voor verwijzingen zijn de kleinere hoofdstukken met versnummers handiger. Chapter XVI in de editie van 1830 begint met het verhaal Korihor en loopt ononderbroken door tot het punt wanneer Alma en zijn medewerkers van hun zending onder de Zoramieten terugkeren naar Zarahemla, dus in onze editie van hoofdstukken 30 tot 35.

Dat blok van zes hoofdstukken bespeelt inderdaad hetzelfde thema van de dissidentie. Korihor vertegenwoordigt de individuele dissident, de rijke Zoramieten de groepsdissidentie. Beiden verwerpen Christus en “dwaze overleveringen”. Maar Korihor ging veel verder en verwierp ook alle religie. Dat doen de Zoramieten geenszins, dus is het niet juist te beweren dat “de Zoramieten in de grond navolgers van Korihor waren die beleefden en geloofden wat hij had onderwezen”.[32] Daarenboven zijn Korihor en de rijke Zoramieten elkaars tegenpolen op het thema van sociale wantoestanden. De rijke Zoramieten buiten de armen uit voor de bouw van hun synagogen en sluiten ze nadien uit. Korihor verfoeit religie die gelovigen uitbuit, priesters die zich “verzadigen aan de arbeid van hun handen”, zodat de leden van de lagere sociale klasse “niet vrijmoedig durven opkijken en hun rechten en voorrechten niet durven genieten” (30:27). Dat is precies de toestand bij de Zoramieten: zelfzuchtige rijken tegenover ootmoedige armen. Het is wat ironisch dat Alma bij de Zoramieten het ergerlijke ontdekt waarover Korihor hem in de eerste plaats had aangesproken (30:31).

 

Lazarus_Rila KloosterJezus’ sociale boodschap stelt meer dan eens de zelfzuchtige rijken tegenover ootmoedige armen. Het verhaal van Lazarus tekent het uiteindelijk lot voor beiden wanneer Abraham Lazarus in zijn schoot ontvangt en de rijke, vanuit de hel, om hulp smeekt. Fresco in het Rila klooster (Bulgarije)

 

En dan is er het merkwaardig feit dat Korihor zijn tragisch einde bij de Zoramieten vindt — vertrapt. Waarom was hij na de vervloeking naar dat afgelegen land getrokken? Kwam hij misschien oorspronkelijk van Antionum en verklaart dat zijn verontwaardiging over de uitbuiting door priesters? Stond hij er al bekend als een fervent aanklager van de Zoramitische levensstijl en werd hij daarom, na zijn terugkeer, vertrapt? Persoonlijk hou ik niet van speculeren, maar de verbanden intrigeren. John Welch besluit ook in die zin: “Korihor’s politieke visies tegen het establishment zouden zeker niet welkom geweest zijn bij de erg oppressieve oligarchie in Antionum die de armen genadeloos nekte. Bijgevolg “werd hij omvergelopen en vertrapt, ja, totdat hij dood was”.[33] Maar als bedelaar zonder stem zou Korihor niets hebben kunnen prediken. Hij moest dus al op voorhand berucht geweest zijn of zijn kwalijke reputatie ging met hem mee. Dit alles in de veronderstelling dat zijn dood geen ongeluk was, maar een beraden straf. Hoe dan ook, zijn einde blijft tragisch.

 

Religie onder de Zoramieten

Concentreren we ons soms te snel op de afwijkingen in de godsdienstbeleving van de Zoramieten? Een goede zendingsbenadering is eerst te kijken naar overeenkomsten en mensen daarvoor te waarderen. We zijn wel afhankelijk van een Nephitische kroniekschrijver die duidelijk niets van deze mensen moet hebben. Wat kunnen we desondanks afleiden uit hoofdstuk 31? Zoramieten geloven in God. Ze hebben gebedshuizen gebouwd die de bezoekende zendelingen “synagogen” noemen. Ze vergaderen er “op één dag van de week, welke dag zij de dag des Heren noemden”. Bezoekers zijn welkom. De Zoramieten hebben een individueel ritueel waarin ze God danken en prijzen op hun manier. Volgens het verslag in Alma 31 keren zij daarna terug naar huis en spreken niet over God tot de volgende bijeenkomst. Hoe de verslaggever dat kan weten is niet gemeld.

Volgens de tekst waren ze “tot grote dwalingen vervallen, want zij wilden de geboden van God en zijn inzettingen volgens de wet van Mozes niet nauwgezet onderhouden. Evenmin wilden zij zich houden aan de gebruiken van de kerk om dagelijks te volharden in bidden en smeken tot God, opdat zij niet in verzoeking zouden komen” (31:9–10). De beoordeling meet de “grote dwalingen” dus als gebrek aan nauwgezetheid en aan intense dagelijkse inzet. De tekst zegt niet dat ze geen geboden en inzettingen onderhielden — alleen niet perfect genoeg.

Het verwerpen van een Christus die nog moest komen is een constante onder de Nephieten, ook onder de Zoramieten. Nephi en Jakob hadden al de grootste moeite om het concept in hun groep ingang te doen vinden. Voor christenen heden ten dage is het aanvaarden van Christus een evidentie, omdat ze kunnen terugvallen op alle concrete details van het Nieuwe Testament. De naam “Jezus Christus” roept meteen een hele wereld van beelden en verhalen op. Maar in pre-christelijke tijden moet het concept, zonder enige biografie van de Heiland, erg vaag geklonken hebben. Spreken van “Gods Zoon” materialiseerde niet alleen de onzichtbare en geestelijke God tot een onbegrijpelijke lichamelijke verwekker, maar bracht ook een tweede god in omloop. Dat botste op het strak en stabiel monotheïsme onder de wet van Mozes. Een begrip als de wet als “afspiegeling” voor het komende “Lam Gods” klonk ongetwijfeld moeilijk. Bekeerde Nephieten neigden er bovendien naar zich van andersdenkenden af te scheiden.

Met de tijd was dan ook onder veel niet-christelijke Nephieten een antichristen houding en leer gegroeid. Sherem, de tegenstander van Jakob, noemde het verkondigen van Christus een “verdraaien van de rechte weg van God” en van de wet van Mozes: deze gelovigen “veranderen de wet van Mozes in de aanbidding van een wezen dat, volgens u, over vele honderden jaren zal komen. En nu, zie, ik, Sherem, zeg u dat dat godslastering is” (Jakob 7:7). De priesters van Noach brachten Abinadi ter dood omwille van zijn lering dat God “het beeld van de mens zou aannemen … en dat God onder de mensenkinderen zou neerdalen en vlees en bloed zou aannemen” (Mosiah 7:27). De leer van Nehor gaat uit van dezelfde verwerping (Alma 21:5–10). Bij de Zoramieten weerklinkt het expliciet in hun gebed. Vooreerst de plechtige bevestiging dat God een geest is — “dat Gij een geest waart, en dat Gij een geest zijt, en dat Gij voor eeuwig een geest zult zijn”. Vervolgens dat hij onveranderlijk is — “Gij zijt dezelfde gisteren, heden en voor eeuwig”. Ten slotte uiten ze dankbaarheid dat zij niet werden weggeleid, “de dwaze overleveringen van onze broeders achterna, die hen kluisteren aan een geloof in Christus, waardoor hun hart ertoe wordt gebracht ver van U, onze God, af te dwalen” (31:15, 17).

Deel van het Zoramitische geloof is het gevoel van uitverkorenheid. Ze pakken er expliciet mee uit (31:16–17). Het betekent daarom niet dat ze geen concept van verzoening en bekering zouden hebben, maar wel dat ze er zeker van zijn dat zo’n verzoening ten volle op hen toepasselijk is.[34] Als bedenking zou je eraan kunnen toevoegen dat sommige diepgelovige mensen van een gelijkaardig elitisme overtuigd zijn en veroordelend naar de rest van de wereld kijken. Alleen verwoorden ze het niet altijd zo expliciet als de Zoramieten. David Paxman vraagt kerkleden op hun hoede te zijn: “De ervaring van de Zoramieten moet ons doen afvragen hoe God in ons eigen verhaal verschijnt. Het is prachtig om uitverkozen en speciaal te voelen, maar het verhaal [van de Zoramieten] waarschuwt ons voor bepaalde soorten gevoelens.”[35]

Het is vooral in hun asociale houding dat de Zoramieten religieus grondig falen. Daarover meer in de volgende les.

 

Het gebed van Alma

Verzen 26 tot 35 brengen Alma’s tegenhanger van het gebed van de Zoramieten. Tegenover het steriele, zelfzuchtige gebed bovenop de Rameümpton, stelt Alma een persoonlijke kreet van verbolgenheid, verdriet en opwekking tot zendingswerk.

De aanroepingen van God lopen als een rode draad door beide gebeden.

  • Bij de Zoramieten overheersen “o God” en “heilige God”, elk tweemaal vermeld, maar ook nog elfmaal “Gij” in de bevestigingen van wat God allemaal voor zijn uitverkorenen gedaan heeft en nog doet. Het doel van hun gebed is de huidige toestand te bestendigen.
  • Alma gebruikt eveneens elfmaal “Gij”, negenmaal “o Heer”, driemaal “o God”, eenmaal “o mijn God” en “O Here God”. Bij hem ligt de nadruk volledig op wat er moet veranderen en daartoe smeekt hij om kracht en wijsheid voor hem en zijn medezendelingen.

Alma zou Alma niet zijn als hij in dit gebed zijn retorisch talent voor hebraïsmen ongebruikt zou laten. Zoals al vroeger gemeld doorbreekt de huidige Nederlandse vertaling de woordenkeuze en de volgorde van frasen, hoewel een accurater vertalen in veel gevallen had gekund. In de passages die ik hieronder aanhaal is de coherentie, conform het Engels, hersteld. Aanbevolen is om de passages doorvoeld te lezen, met een lichte pauze op het einde van elke regel en met een zeker muzikaliteit: je zult merken dat de tekst als het ware ademt.

L27_1

L27_2

L27_3

Voor projectie in klasgebruik: klik op het schema.

 

7 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

Alma 30:3 – “nauwgezet in het naleven van de wet van Mozes”
Alma 30:12 – “En deze antichrist, wiens naam Korihor was”
Alma 30:30 – “… hij ging ermee door God te lasteren” – Noot over godslastering
Alma 30:33 – “nooit zelfs maar zoveel als één senine voor mijn arbeid ontvangen”
Alma 30:51 – Werd Korihor ook doof?
Alma 31:3 – Antionum, het land van het goud?
Alma 31:12 – “… dat de Zoramieten synagogen hadden gebouwd”
Alma 31:14 – De handen naar de hemel strekken
Alma 31:21 – “Rameümptom, hetgeen betekent: de heilige staanplaats”
Alma 31:25 – “hij zag dat zij een goddeloos en verkeerd volk waren”
Alma 31:36 – Hoe legde Alma zijn handen op de zendelingen?

 

Alma 30:3 – “nauwgezet in het naleven van de wet van Mozes”

“Ja, en het volk onderhield de geboden des Heren naarstig; en zij waren nauwgezet in het naleven van de verordeningen Gods volgens de wet van Mozes; want hun werd geleerd de wet van Mozes te bewaren totdat zij zou worden vervuld.”

De implicaties van deze vaststelling zijn groot, vooral door het woord “verordeningen”, bevestiging van de Hebreeuwse cultuursfeer onder de gelovige Nephieten. De wet van Mozes vroeg om talrijke specifieke handelingen. Het ging niet alleen om de complexe en gedetailleerde wetten die offers, offergaven en giften reguleren, maar om ook talrijke riten en ceremonies in de persoonlijke levensstijl. Dit omvat vele reinigingen om verontreinigingen ongedaan te maken, zoals de aanraking van een menstruerende vrouw, van een onwillekeurige zaadlozing, van een dood lichaam of van een melaatse. De wet van Mozes vermeldt zo’n zeventig oorzaken van ceremoniële verontreiniging en van fysieke onreinheid waar riten tegenover staan. Het Boek van Mormon gaat er nergens dieper op in, maar dit vers in Alma 30, met de woorden “naarstig” en “nauwgezet”, herinnert ons aan die dagelijkse realiteit.

 

Cornelis de Vos_Jezus voorgesteld in de tempel_SDe wet van Mozes vereiste talrijke handelingen, zoals een eerste zoon toewijden aan de Heer, met een offer van tortelduiven (Leviticus 12:8) Zo gebeurde het met Jezus, waarbij Simeon het kind in zijn armen nam (Lukas 2:22–35). Schilderij van Cornelis de Vos (1584-1651).

 

Het volgen van de wet van Mozes had Nephi van bij de aanvang bevestigd: “En hoewel wij in Christus geloven, bewaren wij de wet van Mozes en zien standvastig naar Christus uit, totdat de wet zal zijn vervuld … En, voor zoverre het noodzakelijk is, moet gij de riten en de verordeningen van God nakomen totdat de wet is vervuld die aan Mozes werd gegeven” (2 Nephi 25: 24, 30). De tempel die Nephi bouwde paste in dat kader. Slechts een enkele maal krijgen we een verwijzing naar de tempelceremonies, namelijk bij de grote bijeenkomst aan de tempel onder koning Benjamin: “En zij namen ook van de eerstelingen van hun kudden mee om offeranden en brandoffers te offeren volgens de wet van Mozes” (Mosiah 2:3). Ook de besnijdenis bleef vereist tot de komst van Christus (2 Nephi 8:24; Moroni 8:8).

Net zoals in Palestina heft Christus de wet van Mozes op: “En gij zult Mij geen bloedvergieten meer offeren; ja, uw offeranden en uw brandoffers moeten worden afgeschaft” (3 Nephi 9:19). Pas dan wijzigt de cultuursfeer grondig: “En zij wandelden niet meer volgens de riten en verordeningen van de wet van Mozes; maar zij wandelden volgens de geboden die zij hadden ontvangen van hun Heer en hun God, en zij gingen door met vasten en gebed en bleven dikwijls samenkomen om zowel te bidden als het woord des Heren te horen” (4 Nephi 1:12).

 

Alma 30:12 – “En deze antichrist, wiens naam Korihor was”

Er zijn verschillende mogelijkheden voor de origine van zijn naam voorgesteld. John Sorenson verwijst naar een Jareditische connectie in het boek Ether, waar sprake is van Corihor (Ether 7:3).[36] Hugh Nibley meldt dat Korihor een afleiding kan zijn van het Egyptische ḥeriḥor (ḥurḥor, enz.), de naam van een hogepriester van Amon die troon van Thebe besteeg omstreeks 1085 v.C.[37]

 

Alma 30:30 – “… hij ging ermee door God te lasteren” – Noot over godslastering

Terzijde: ook dit thema is hoog actueel door de reacties van fundamentalistische groepen op hun perceptie van godslastering of blasfemie (uit het Grieks βλασφημία, kwetsend spreken). Het is geregeld wereldnieuws sinds de verschijning van Salman Rushdie’s The Satanic Verses in 1988. Het blijft in het nieuws door bedreigingen, aanslagen en moorden als vergelding op wat als godslastering gepercipieerd wordt. In vele landen is godslastering nog opgenomen in het gewone strafrecht omdat het wordt aanzien als diep beledigend voor gelovigen of als bedreigend voor de moraal.[38] Bij uitbreiding is godslastering ook kwaadspreken over mensen en zaken in verband met God.

De voorbije decennia hebben steeds meer Westerse landen het uit het strafwetboek gehaald omdat het in tegenspraak met vrije meningsuiting staat. In Nederland werd het pas in 2013 uit het strafwetboek gehaald. De reden van opheffing was niet zozeer de afschaffing van het verbod op godslastering dan wel het subjectieve karakter van de wet: wanneer wordt kritiek op godsdienst godslastering? Waar eindigt het recht op vrije meningsuiting of op artistieke vormgeving wanneer die mening of die vormgeving bepaalde gelovigen kwetst? Het Belgisch strafwetboek heeft nooit een regel voor godslastering gehad, maar meldt wel enkele “religiedelicten” zoals het verstoren van erediensten of het bespotten van voorwerpen voor de eredienst.

De grens tussen kritiek op een godsdienst en godslastering leidt al jaren tot grondige meningsverschillen en juridische strijd. Zowel het Europese Hof voor de Rechten van de Mens als de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties moeten deze problematiek geregeld behandelen.

Het mag gezegd worden dat de mormoonse kerk een wijze houding aanneemt tegenover hen die het mormonisme belasteren. Haar reactie beperkt zich tot beleefde rechtzettingen en tot uitnodigingen om meer over de kerk te leren. De voorbije jaren bleek dat in het bijzonder bij de opvoeringen van de satirische musical The Book of Mormon. De kerk protesteerde niet, maar greep de gelegenheid aan om het mormonisme meer bekendheid te geven, tot en met publiciteit in het programmaboekje van de musical.

 

Alma 30:33 – “nooit zelfs maar zoveel als één senine voor mijn arbeid ontvangen”

Senine: het gaat niet om een geldstuk, maar om een gewicht, namelijk de laagste waarde in goud. Zie hiervoor dit onderdeel in les 23.

 

Alma 30:51 – Werd Korihor ook doof?

“En toen nu de opperrechter dat zag, strekte hij zijn hand uit en schreef voor Korihor, zeggende: Zijt gij overtuigd van de kracht Gods?”

Sommigen leiden eruit af dat Korihor ook doof werd aangezien de opperrechter zich schriftelijk tot hem richt. Anderen wijzen erop dat Alma even later gewoon mondeling het woord tot Korihor richt: “Alma zeide echter tot hem …” (55). Er kunnen twee redenen zijn waarom de opperrechter schriftelijk optreedt. Vooreerst toont hij op die manier dat schriftelijke communicatie mogelijk is, ondanks Korihor’s mutisme. Vervolgens zou het kunnen dat hij een legaal document opstelt. Hij stelt een aantal vragen waaronder Korihor zijn bekentenis kan schrijven. Dit laatste is de mening van analiste Peggy Feagins.[39]

 

Alma 31:3 – Antionum, het land van het goud?

De Zoramieten hebben van weelde hun kenmerk gemaakt. Sommige analisten suggereren daarom dat zij hun land Antionum noemden als afleiding van de antion, een goudeenheid in het Nephitische waardensysteem.[40] Voor een bespreking van het rekensysteem bij de Nephieten, zie dit onderdeel in les 23.

 

Alma 31:12 – “… dat de Zoramieten synagogen hadden gebouwd”

We weten niet welk oorspronkelijk woord voor synagogen op de platen voorkwam, want syn-agoge is een oud-Grieks woord, als specifieke Oudtestamentische vertaling van het Hebreeuwse (beth) keneseth, “huis van vergadering”. Die term verwees naar joodse “gemeenschapshuizen”, culturele en religieuze vergaderplaatsen, waarvan de oorsprong mogelijk tot de Mozaïsche tijd in Egypte teruggaat. De vertaling synagoog drukt dus allicht perfect uit wat het oorspronkelijk woord op de platen was. Mogelijk was dat keneseth, of een vervorming ervan, of een oud-Egyptisch equivalent.

Bij de Zoramieten vervult deze vergaderplaats een essentieel religieuze functie om te bidden en te getuigen volgens een standaardformule. Of er nog andere rituele plaatsvonden is niet gemeld. De kroniekschrijver heeft ons laten weten dat de Zoramieten “de geboden van God en zijn inzettingen volgens de wet van Mozes niet nauwgezet onderhouden” (31:9). “Niet nauwgezet” betekent geen volledige afwijzing, dus mogelijk bleven sommige Mozaïsche wetstoepassingen nog levendig.

 

Alma 31:14 – De handen naar de hemel strekken

“Welnu, wie aanbidden wilde, moest zich naar voren begeven en erop gaan staan, en zijn handen naar de hemel uitstrekken en met luide stem roepen.”

 

Daniel in de leeuwenkuil“Daniel in de leeuwenkuil, biddend tot God”. Ivoren kistje, Egyptisch, 5de eeuw n.C. (British Museum)

 

Het uitstrekken van de handen naar de hemel is een gebruikelijke gebedshouding in de Oudheid, afgebeeld in verschillende culturen. De godheid wordt verondersteld in de hemel te wonen, vandaar de uitgestrekte armen en handen om de richting van de boodschap van het gebed te symboliseren. David Calabro meldt dat de gewone Hebreeuwse frase hiervoor pāraś kappayim is — “strek de handen”. Typisch bij die beweging is ook de aanroeping, zoals in het Zoramitische gebed: “Heilige, heilige God”.[41]

hallelHugh Nibley legt het verband met het “hallel” of “halleluja” gebaar, dat we in antieke pictogrammen terugvinden als een man met opgeheven armen. Het is gerelateerd aan de Hebreeuwse letter hey. Het verbeeldt het zich openstellen voor de Geest Gods, terwijl men Hem tegelijkertijd prijst. [42]

 

Alma 31:21 – “Rameümptom, hetgeen betekent: de heilige staanplaats”

Het feit dat de kroniekschrijver zelf de betekenis van het woord verklaart, namelijk als “heilige standplaats”, betekent dat het ook voor hem ongewoon was.

Voor de mogelijke etymologie van dit woord verwijzen analisten vooreerst naar het Hebreeuwse rām (hoog staan) en rāmâ (hoge plaats). We vinden die woordstam ook in een Bijbelse locatie als Rama, “in het bergland van Efraïm” (Richteren 4:5). Het tweede deel, -umptom kan gerelateerd zijn aan het Hebreeuwse ʿōmed (plaats, locatie).[43] Hugh Nibley verwijst, in een wat duistere passage, naar een verband met een bocht of kronkeling, waarbij de staanplaats bereikt werd door een kronkeltrap. Hij zegt er zelf wel bij dat hij vrij aan het raden is.[44]

 

Alma 31:25 – “hij zag dat zij een goddeloos en verkeerd volk waren”

De Nederlandse versie van het Boek van Mormon vertaalt de Engelse termen wicked en wickedness systematisch door goddeloos en goddeloosheid. De Engelse tekst voor dit vers geeft: “…he saw that they were a wicked and a perverse people”. Wicked betekent dat ze slecht zijn, maar daarom niet goddeloos. Heel het ritueel van de Zoramieten is immers op God gericht.

Ik herneem hier een stukje commentaar bij Alma 2:4 in les 21:

We zagen dit reeds bij Alma de jongere, die de Nederlandse tekst goddeloos en afgodisch noemt, wat contradictorisch is. Ook bij Amlici is het oneigenlijk om hem goddeloos te noemen. Hij behoort tot de orde van Nehor, een beweging met religieuze inslag.

Wicked heeft oorspronkelijk een religieuze betekenis, als adjectief afgeleid van het Oud-Engelse wicca,magiër, tovenaar, astroloog (wat ook wizzard  gaf), en waarvan de vrouwelijke vorm  wicce is, wat witch werd, heks. Oorspronkelijk werden ze geëerd als wijze mensen, die de krachten in de natuur bestudeerden en ten goede gebruikten. Daarna evolueerde de betekenis negatief, onder druk van de christelijke prediking die het bijgeloof wilde uitroeien. Tovenaars en heksen werden vervolgd, niet omdat ze goddeloos waren, maar omdat ze in andere, occulte zaken geloofden. Ze werden dus “slecht”, vandaar de huidige betekenis van wicked. De literatuur heeft de goede waarden van de wizzard wel behouden, van Merlijn tot Harry Potter.

 

Alma 31:36 – Hoe legde Alma zijn handen op de zendelingen?

“Nu geschiedde het, toen Alma die woorden had gezegd, dat hij zijn handen op allen legde die bij hem waren. En zie, zodra hij zijn handen op hen legde, werden zij vervuld met de Heilige Geest.”

De Engelse tekst luidt echter: “… he clapped his hands upon all them who were with him. And behold, as he clapped his hands upon them, they were filled with the Holy Spirit.” Het werkwoord to clap heeft dezelfde connotaties als klappen in het Nederlands —iets met een snelle beweging aanraken, wat ook geluid veroorzaakt. Sommigen proberen het idee van een gewone handoplegging te bewaren door te stellen dat Alma zijn handen stevig op het hoofd van elke aanwezige legde.[45] Hiervoor suggereert Hugh Nibley een verband tussen clap en woorden als grab, grope en gripe, zodat to clap toch een soort stevig vastgrijpen zou kunnen betekenen. Daar is echter geen grond voor omdat er geen etymologisch verband is. Clap komt van het Oud-Engels clæppan (kloppen, slaan), dat als onomatopee of klanknabootsing het geluid van een klap weergeeft. We vinden het zelfde woord met diezelfde betekenis in het Oud-Fries klapa, Oud-Noord klappa, Oud-Hoogduits klaffōn, Oud-Saksisch klapunga, enzovoort, en die betekenis bleef doorheen de eeuwen. In het Nederlands vinden we het al sinds de dertiende eeuw als klappen, met als variante kloppen. De woorden klapperen en klappertanden zijn er afleidingen van, steeds in verband met hevige bewegingen die geluid maken. Stevig vastgrijpen is iets anders. Het enige ander gebruik van to clap in het Boek van Mormon verwijst naar een hevige beweging met geluid, namelijk in de handen klappen — “they clapped their hands for joy” (Mosiah 18:11).

Het kan dus dat Alma hier een ander, kort ritueel gebruikte dan het individueel handen opleggen om hen met de Heilige Geest te vervullen, namelijk een klap in de handen boven hun hoofden of een klap met de handpalm op hun voorhoofd. Noteer ook “he clapped his hands upon all them” —hij klapte zijn handen over hen allen, wat dus niet noodzakelijk een handeling voor elke persoon apart veronderstelt. Anders had er eerder gestaan: “Hij legde zijn handen op elk van hen”. Daarbij mogen we veronderstellen dat elk van de aanwezigen reeds de gave van de Heilige Geest ontvangen had, dus om die verordening gaat het niet. In de kerk onder de Nephieten gebeurden bepaalde zaken allicht anders als nu, zeker omdat ze ook nog de wet van Mozes onderhielden. De kracht van de Geest oproepen kon dus mogelijk met een symbolische klap. In het Nieuwe Testament ontvingen de apostelen de Heilige Geest bij “een geweldige windvlaag” en “aan hen werden tongen als van vuur gezien, die zich verdeelden, en het zat op ieder van hen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest” (Handelingen 2:2–4). Niet alles gebeurde vroeger zoals het Handboek het nu voorschrijft.

 

8 – Gestructureerd lezen

Alma 30 – Het conflict met Korihor

1-5  Geschiedkundige situering

Nadat …

  • het volk van Ammon in het land Jershon gevestigd was
  • de Lamanieten uit het land waren verdreven…
  • zij hun doden hadden begraven…

  • begon er onafgebroken vrede te heersen.
  • Het volk onderhield de geboden des Heren.
  • Vrede in het 16e en 17e jaar van de regering der Rechters.

6-12  Aankondiging van het probleem en uitweiding over de toepassing van de wet.

  • Het probleem: een man predikt tegen de komst van Christus.
  • Er was geen wet tegen iemands geloof: allen hebben gelijke rechten.

13-18  Argumenten van Korihor. Samengevat:

  • Niemand kan iets van toekomende dingen weten.
  • Gij kunt niet iets weten, dat gij niet ziet.
  • Geloofspunten zijn dwaze overleveringen van uw vaderen.
  • In dit leven is alles bepaald “naargelang de beheersing van het schepsel”
  • Wat een mens ook doet, het kan geen misdaad zijn.
  • Met de dood van de mens is alles gedaan.

Gevolg: in Zarahemla verheffen mensen hun hart in goddeloosheid en worden verleid tot hoererij.

In het land Jershon:
19-20  Poging van Korihor in het land Jershon mislukt. De hogepriester Ammon laat hem uitwerpen.

In het land Gideon:
21-28  Poging van Korihor in het land Gideon:

  • confrontatie met de hogepriester Giddonah.
  • Korihor legt zijn visie uit: priesters onderdrukken het volk.
  • De hogepriester en opperrechter zenden hem geboeid naar Zarahemla

Terug in Zarahemla:
29-30  Korihor wordt voor de hogepriester Alma en voor de hoofdrechter gedaagd.

31  Korihor herhaalt zijn aantijgingen tegen priesters die zich “verzadigen aan de arbeid van het volk”

32-35  Alma weerlegt eerst de aantijgingen dat hij profiteert van anderen

37-48  Discussie over het godsbestaan.

39-40  Alma daagt Korihor uit te bewijzen dat er geen God is.

41-42  Alma beroept zich op zijn getuigenis en beschuldigt Korihor ervan te liegen.

43  Korihor vraagt een teken.

44-45  Alma haalt-het getuigenis van de gelovigen en de profeten, het bestaan van de aarde, al het wezenlijke, de beweging van de aarde, het heelal

45  Korihor vraagt nogmaals een teken.

46-47  Alma is bedroefd en besluit dat het beter is dat Korihor’s ziel verloren gaat

48  Korihor vraagt nogmaals een teken als bewijs.

49-53  Korihor wordt met stomheid geslagen. Hij bekent schriftelijk dat hij door de duivel was verleid.

54-56  Korihor moet gaan bedelen om te overleven.

57-58  Het volk wordt gewaarschuwd zich te bekeren.

59-60  Het einde van Korihor: hij wordt bij de Zoramieten vertrapt.

 

Alma 31  Bij de Zoramieten: hoe zij bidden, hoe Alma bidt

1-4  Geschiedkundige situering

  • de Zoramieten hebben zich van de Nephieten afgescheiden onder leiding van Zoram.
  • zij wonen in het land Antionum, niet ver van de wildernis waar ook de Lamanieten wonen.

5  Om het volk te bewegen rechtvaardig te handelen, blijkt het woord Gods het beste te zijn.

6-7  De zendelingengroep bestaat uit acht personen: Alma zelf, vijf ervaren zendelingen en twee van zijn zonen.

8-11  Beschrijving van de toestand bij de Zoramieten: zij hadden de wegen des Heren verdraaid.

12-18  Beschrijving van de wijze van aanbidding onder de Zoramieten. Kenmerken zijn:

  • God is een onveranderlijke Geest
  • Zij zijn uitverkoren ten overstaan van anderen
  • Er is geen Christus

19-25  Herhaling van de beschrijving hoe Zoramieten bidden en conclusie over hun levensstijl

26-35  Het gebed van Alma.  Zie hierboven.

36-38  Alma roept de Heilige Geest over de zendelingen en vervolgens gaan ze aan het werk.

 

Voetnoten

 

[1]    Jan N. Bremmer, “Atheism in Antiquity,” The Cambridge Companion to Atheism 7 (2007): 11-26; Gábor Bolonyai, “Protagoras the Atheist,” Rhizai: A Journal for Ancient Philosophy and Science 2 (2007): 247–269.

[2]    De variaties zijn talrijk en evolueren met de maatschappij. Zie onder meer Elaine Howard Ecklund and Kristen Schultz Lee, “Atheists and Agnostics Negotiate Religion and Family,” Journal for the Scientific Study of Religion 50, no. 4 (2011): 728–743; Gary Gutting, “Religious Agnosticism,” Midwest Studies In Philosophy 37, no. 1 (2013): 51–67; Darren E. Sherkat, “Beyond Belief: Atheism, Agnosticism, and Theistic Certainty in the United States,’ Sociological Spectrum 28, no. 5 (2008): 438–459.

[3]    Douglas V. Porpora, “Methodological Atheism, Methodological Agnosticism and Religious Experience,” Journal for the Theory of Social Behaviour 36, no. 1 (2006): 57–75.

[4]    Nicola Madge, Peter Hemming, and Kevin Stenson. Youth on Religion: The Development, Negotiation and Impact of Faith and Non-Faith Identity (New York: Routledge, 2014); Phil Zuckerman, Faith no more: Why People Reject Religion (New York: Oxford University Press, 2015).

[5]    Twijfel en geloofsverlies zijn van alle tijden, maar kritische informatie die leden thans via het internet tegenkomen zorgt voor een grotere uitdaging. De kerk is daarom op haar site een reeks diepgaander essays gestart. Ook vele recente mormoonse en boeken en artikelen trachten een antwoord te bieden op twijfel. Zie onder meer in kerkelijke tijdschriften: “Is it OK to have doubts about the gospel?” The New Era (August 2013); Adam Kotter, “Als er twijfels en vragen rijzen,” Liahona (maart 2015); Dieter F. Uchtdorf, “Kom, voeg u bij ons,” Liahona (oktober 2013). Verder steeds meer boeken, bijvoorbeeld Terryl Givens and Fiona Givens, The Crucible of Doubt: Reflections on the Quest for Faith (Salt Lake City: Deseret Book, 2014); Laura Harris Hales, ed., A Reason for Faith: Navigating LDS Doctrine and Church History (Provo: BYU Religious Study Center, 2016). Daarnaast talrijke apologetische sites.

[6]    Hugh W. Nibley, “Leaders and Managers”, Commencement Address (19 August 1983), BYU Speeches, (Provo: Brigham Young University, 1983). https://speeches.byu.edu/talks/hugh-nibley_leaders-managers/

[7]    Hugh W. Nibley, Teachings of the Book of Mormon —Transcripts of Lectures Presented to an Honors Book of Mormon Class at Brigham Young University, Semester 2: 1988–1990 (Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 1993), 363.

[8]    Talrijke studies gaan over dit fenomeen. Voor Nederland, zie bv. Jos Becker en Joep de Hart, Godsdienstige veranderingen in Nederland: verschuivingen in de binding met de kerken en de christelijke traditie (Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, 2006; Joep de Hart, Geloven binnen en buiten verband: godsdienstige ontwikkelingen in Nederland (Den Haag Sociaal en Cultureel Planbureau, 2014). Voor Vlaanderen: Jaak Billiet, Koen Abts en Marc Swyngedouw, De evolutie van de kerkelijke betrokkenheid in Vlaanderen tijdens de voorbije twee decennia en het verlies van vertrouwen in de Kerk in het bijzonder tussen 2009 en 2011 (Leuven: Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ispo), KULeuven, 2013). Voor de V.S.: Elizabeth Drescher, Choosing Our Religion: The Spiritual Lives of America’s Nones (Oxford: Oxford University Press, 2016).

[9]    D. Todd Christofferson, “The Divine Gift of Repentance,” Ensign (November 2011); Durrel A. Woolsey, “An Eternal Key,” Ensign (November 1990); Anon., “Happily Living within Our Means,” Ensign (January 2008); Victoria Webb Rutherford, “The Gift of Our Physical Bodies,” Ensign (July 2014).

[10]  James E. Faulconer, “Self-image, Self-love, and Salvation,” Latter-day Digest 2 (1993): 7–26.

[11]  Julie B. Beck, “Teaching the Doctrine of the Family,” Seminaries and Institutes of Religion Satellite Broadcast, August 4, 2009, Ensign (March 2011): 32–37.

[12]  Dallin H. Oaks, “Als getuige van God optreden,” Liahona (maart 2015).

[13]  Francis J. Beckwith, “Aren’t Pro-Lifers Inconsistent If They Support Capital Punishment?”, Adapted from a series in Christian Research Journal (Spring 1991); Greg Koukl, “Capital Punishment: Is Man a Machine or a Moral Agent?”, Stand to Reason (28 February 2013).

[14]  Over deze topics — abortus, voorbehoedsmiddelen, stamcelonderzoek, euthanasie — in de vergelijking tussen mormonisme en katholicisme, zie mijn bijdrage: Wilfried Decoo, “’As Our Two Faiths Have Worked Together’—Catholicism and Mormonism on Human Life Ethics and Same-Sex Marriage,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 46, no. 3 (2013): 1–44. PDF downloadable via Dialogue.

[15]  http://www.mormonnewsroom.org/official-statement/capital-punishment. Zie ook Martin R. Gardner, “Mormonism and Capital Punishment: A Doctrinal Perspective, Past and Present,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 12, no. 1 (1979): 9–25.

[16]  Newsroom, “Approaching Mormon Doctrine,” 4 May 2007, http://mormonnewsroom.org/article/approaching-mormon-doctrine.

[17]  Bij zijn bespreking van Korihor’s stelling, verwijst Gerald Lund naar “situational ethics”, wat deels met moreel relativisme overeenstemt. Lund veroordeelt het, met kritiek op Joseph Fletcher’s boek Situation Ethics. Deze christelijke theoloog verdedigt het principe van de liefde als norm voor ethiek. Zo vindt hij bv. dat “ongehuwde liefde” soms moreler kan zijn dan “gehuwde onliefde”, denkend aan de wijze waarop sommige koppels leven. Lund kan zoiets niet aanvaarden want sex buiten het huwelijk is principieel verkeerd. Zie Gerald N. Lund, “An Anti-Christ in the Book of Mormon — The Face May Be Strange, but the Voice Is Familiar,” in The Book of Mormon: Alma, the Testimony of the Word, ed. Monte S. Nyman and Charles D. Tate Jr. (Provo, UT: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1992), 107–128.

[18]  John W. Welch and J. Gregory Welch, Charting the Book of Mormon: Visual Aids for Personal Study and Teaching (Provo: F.A.R.M.S., 1999), chart 78.

[19]  W. Cole Durham, Jr., “The Doctrine of Religious Freedom”, Brigham Young University Speeches, 3 April 2001.

[20]  LaMar Garrard, “Korihor the Anti-Christ,” in Studies in Scripture, Vol. 8, Alma 30 to Moroni, ed. Kent P. Jackson (Salt Lake City: Deseret Book, 1988), 1–15.

[21]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 4b – Alma – 28-63 (Kindle Location 598). Greg Kofford Books. Kindle Edition. Daniel Peterson bespeelt hetzelfde thema voor Korihor in een artikel in Deseret News. Ook Marx en Freud worden erbij betrokken.

[22]  Complex en uitdagend thema. Zie onder meer Rex Ahdar and Ian Leigh, Religious Freedom in the Liberal State, 2d ed. (New York: Oxford University Press, 2013); Fred Dallmayr, “Whither Democracy? Religion, Politics and Islam,” Philosophy and Social Criticism 37, no. 4 (2011): 437–48; Francois Facchini, “Religion, Law and Development: Islam and Christianity—Why Is It in Occident and not in the Orient That Man Invented the Institutions of Freedom?” European Journal of Law and Economics 29, no. 1 (2010): 103–29; Brian J. Grim and Roger Finke, The Price of Freedom Denied: Religious Persecution and Conflict in the 21st Century (Cambridge: Cambridge University Press, 2011); Pippa Norris and Ronald Inglehar, Sacred and Secular: Religion and Politics Worldwide, 2d ed. (Cambridge, England: Cambridge University Press, 2011); Samuel James Rascoff, “Establishing Official Islam? The Law and Strategy of Counter-Radicalization,” Stanford Law Review 64, no. 1 (2012): 125–90; Timothy Samuel Shah, Alfred Stepan, and Monica Duffy Toft, eds., Rethinking Religion and World Affairs (New York: Oxford University Press, 2012); John Witte Jr. and Nina-Louisa Arold, “Lift High the Cross: Contrasting the New European and American Cases on Religious Symbols on Government Property,” Emory International Law Review 25, no. 5 (2011): 5–55.

[23]  Nathan Oman, “Korihor and the United States Reports”, Times and Seasons (1 July 2008). Oman bestudeert het in het kader van de praktijk van de polygamie. Voor de mormonen was het in de jaren 1880 een uiting van geloof, dus binnen hun rechten. De overheid oordeelde het als een ontoelaatbare daad onder de wet.

[24]  Nibley, Teachings, 338.

[25]  Vertrappen is de Bijbel nagenoeg steeds een gewilde strafactie, bv. 2 Koningen 7:17–20; 9:33; Psalmen 44:6; 60:14). Webster van 1828 vermeldt to run upon als een opzettelijke actie: “To press with numerous demands of payment; as, to run upon a bank”. De passieve constructie “he was run upon” veronderstelt een actie van het onuitgesproken handelend voorwerp, hier vermoedelijk een massa volk. Anderzijds kan men zich ook het beeld van een zittende bedelaar voorstellen, die door een massa volk omvergelopen wordt.

[26]  John W. Welch, “The Trial of Korihor”, in The Legal Cases in the Book of Mormon (Provo: Brigham Young University Press, Neal A. Maxwell Institute for Religious Scholarship, 2008).

[27]  In “The Trial of Korihor”. Zie ook John W. Welch, “Cursing a Litigant with Speechlessness,” Insights 18, no. 10 (1998): 2.

[28]  Ik gebruik de term literalistisch eerder dan letterlijk omdat sommige exegeten die twee termen nu tegenover elkaar stellen en aan letterlijk de betekenis contextueel toekennen. Letterlijk lezen betekent dan ontdekken wat de schrijver letterlijk, dus werkelijk in zijn tijd bedoelde. Het contrast tussen literalistisch en letterlijk heeft het voordeel dat voorstanders van een meer historisch-analytische en contextuele benadering van de Schriften zich wat indekken. Zij twijfelen immers niet aan de authenticiteit van de Schrift en benaderen die dus letterlijk vanuit de realiteit van de Bijbelse schrijver, maar niet litteralistisch vanuit hedendaagse woordbetekenissen. Het contrasteren van die twee termen is redelijk recent (jaren 1990) en vooral te vinden in de Europese literatuur. In de Engelstalige literatuur beschouwt men literal and literalist nog veelal identiek en stelt men literalist versus non-literalist of contextual. Zie Camille Focant, “L’interprétation de la Bible dans l’Église. Note de la Commission biblique pontificale,” Revue théologique de Louvain 25, no. 3 (1994): 348–354; Willem Ouweneel, De schepping van God (Vaassen: Medema, 2008). Voor een grondiger studie van termen en visies, zie François Recanati, Literal Meaning (Cambridge: Cambridge University Press, 2004). Ook aanbevolen: John Bartkowski, “Beyond Biblical Literalism and Inerrancy: Conservative Protestants and the Hermeneutic Interpretation of Scripture,” Sociology of Religion 57, no. 3 (1996): 259-272; Aaron B. Franzen and Jenna Griebel, “Understanding a Cultural Identity: The Confluence of Education, Politics and Religion within the American Concept of Biblical Literalism,” Sociology of Religion 74, no. 4 (2013):521–543.

[29]  Matthew Bowman, “Toward a Theology of Dissent: An Ecclesiological Interpretation,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 42, no. 3 (2009), 21–36.

[30]  Gerald N. Lund, “An Anti-Christ in the Book of Mormon—The Face May Be Strange, but the Voice Is Familiar,” in The Book of Mormon: Alma, the Testimony of the Word, ed. Monte S. Nyman and Charles D. Tate Jr. (Provo: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1992), 107–128.

[31]  Sherrie Mills Johnson, “The Zoramite Separation: A Sociological Perspective,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 14, no. 1 (2005): 74–85.

[32]  Robert A. Rees, “Irony in the Book of Mormon,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 12, no. 2 (2003): 20–31.

[33]  John W. Welch, “The Trial of Korihor”.

[34]  John L. Clark besluit dit m.i. zonder grond — “the Zoramites did not equate salvation with redemptive sacrifice. For them salvation was exclusively a product of election”. Zie John L. Clark, “Painting Out the Messiah: The Theologies of Dissidents,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 11, no. 1 (2002): 16–27 (27).

[35]  David B. Paxman, “Zoram and I: Getting Our Stories Straight,” Brigham Young University 2010–2011 Speeches (Provo: Brigham Young University, 2011).

[36]  John L. Sorenson, An Ancient American Setting for the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book; Provo: FARMS, 1985), 207.

[37]  Hugh Nibley, Lehi in the Desert; The World of the Jaredites; There Were Jaredites, vol. 5 in the Collected Works of Hugh Nibley, eds. John W. Welch, Darrell L. Matthews, and Stephen R. Callister (Salt Lake City: Deseret Book, 1988), 20–21, 27.

[38]  Ina Veeckman, Literatuurstudie: Vrijheid van expressie en godslastering in Europa. Analyse in een Europeesrechtelijk kader (Universiteit Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2014).

[39]  Peggy Feagins, “He Put Forth His Hand and Wrote,” The Witness 103 (March 2002): 7.

[40]  Sherrie Mills Johnson, “The Zoramite Separation: A Sociological Perspective,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 14, no. 1 (2005): 74–85 (77); Gordon C. Thomasson, “What’s in a Name? Book of Mormon Language, Names, and [Metonymic] Naming,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 3, no. 1 (1994): 1-27 (16).

[41]  David Calabro, “’Stretch Forth Thy Hand and Prophesy’: Hand Gestures in the Book of Mormon,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 21, no. 1 (2013): 46–59 (50).

[42]  Nibley, Teachings, 342.

[43]  Book of Mormon Onomasticon. https://onoma.lib.byu.edu/index.php/RAMEUMPTOM

[44]  Nibley, Teachings, 342.

[45]  Bijvoorbeeld George M. Peacock, Unlocking the Idioms: An LDS Perspective on Understanding Scriptural Idioms (Cedar Fort, 2009), 163–164.

Om terug te keren

1 – Korihor: actuele thema’s en een drama
2 – Wat verkondigde Korihor? Van agnosticisme tot permissiviteit
3 – Korihor’s testcase: godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting
4 – De confrontatie met Alma
5 – Nabeschouwing over percepties
6 – De Zoramieten
7 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
8 – Gestructureerd lezen