Les 26 – Alma 23–29

“Tot de Heer bekeerd”

1 – Verloop en stijl van de hoofdstukken
2 – De Anti-Nephi-Lehieten: pacifisten in een cultuur van oorlogen
3 – Ammon’s roemrede: lyriek op geleende frasen
4 – Alma’s nabeschouwing: parels van hebraïsche retoriek
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
6 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

1 – Verloop en stijl van de hoofdstukken

Voor wie opnieuw wil oriënteren: hoofdstukken 17 tot 27 van Alma vormen een geheel, namelijk het zendingswerk van de zonen van Mosiah onder de Lamanieten, vanaf hun vertrek uit Zarahemla tot hun terugkeer. Het verloop van die hoofdstukken, alsook een bespreking van stijl en auteurschap, vindt u hier in de vorige les.

De hoofdstukken die het curriculum voor deze les voorziet, 23 tot 29, dekken dus de laatste fasen van het zendingswerk van de zonen van Mosiah (23 tot 27) en het vervolg na hun thuiskomst (28 en 29). Ik herneem daarom deels informatie van vorige les, aangevuld met de nieuwe onderdelen.

  • De vier broers in meer landen. In hoofdstuk 23 breidt de bekering onder de Lamanieten zich uit, nu beschreven vanuit het gezamenlijk werk van de vier broers. De bekeerde Lamanieten noemen zichzelf Anti-Nephi-Lehieten. Hoofdstukken 24 en 25 verhalen de groeiende strijd tussen hen en onbekeerde Lamanieten, aangevuurd door sinds lang overgelopen Nephieten, namelijk Amalekieten en Amulonieten. Uiteindelijk blijkt die strijd de kerk te verstevigen. Hoofdstuk 26 bevat een roemrede van Ammon over het verrichtte zendingswerk.
  • Terugkeer naar Zarahemla. Hoofdstuk 27 vertelt de herhaalde pogingen van de Lamanieten om de pacifistische Anti-Nephi-Lehieten te vernietigen. Daarop voert Ammon de Anti-Nephi-Lehieten naar Zarahemla, waar zij als “volk van Ammon” het land Jershon mogen bezitten. Hun kenmerk is absoluut pacifisme, zelfs niet uit zelfverdediging.
  • Een “verschrikkelijke strijd” tussen Lamanieten en Nephieten. Het begin van hoofdstuk 28, tot vers 6, verhaalt een bloedige confrontatie tussen Lamanieten en Nephieten, dit als gevolg van de vlucht van de Anti-Nephi-Lehieten en hun vestiging in Jershon.
  • Afronding van vijftien jaar geschiedenis vanuit twee verslagen. Midden in hoofdstuk 28 vormen verzen 7 tot 9 een korte afronding voor de eerste vijftien jaar van de regering der rechters.
  • Emotionele nabeschouwing van Alma. Vanaf vers 10 van hoofdstuk 28 tot het einde van hoofdstuk 29 verwoordt Alma een emotionele nabeschouwing over de voorbije vijftien jaar, sinds het eerste jaar der rechters.

Qua stijl blijft de samenvattingsmode overwegen die al van hoofdstuk 23 aanhoudt. Er is dus een grote stijlbreuk met de lange narratieve passages in vorige hoofdstukken 17 tot 22, die het optreden van Ammon en Aäron gedetailleerd en soms onbeholpen vertellen. Vermoedelijk zijn de zendelingen zelf de auteurs van die teksten of wie hun ooggetuigenverslag noteerde. Vanaf hoofdstuk 23 is echter een samenvattende schrijver aan het woord, allicht Alma als auteur van het boek dat zijn naam draagt. Dat blijkt ook uit de nabeschouwing die van zijn hand is. Typerend voor een samenvattingsmode die individuele stemmen respecteert is wel de berekende inlassing van twee toespraken:
–   die van koning Anti-Nephi-Lehi over pacifisme (24:7–16)
–   een roemrede van Ammon (heel hoofdstuk 26).

De emotionele nabeschouwing van Alma is, zoals we konden verwachten, weer een meesterwerkje van retoriek met hebraïsmen. Zie verder.

 

2 – De Anti-Nephi-Lehieten: pacifisten in een cultuur van oorlogen

Etymologie van Anti-Nephi-Lehi
De waarde en de gevaren van sociale afzondering
Oorlog in het geheel van het Boek van Mormon
Het pacifisme van de Anti-Nephi-Lehieten: nuances en ethische dilemma’s
Spreken over “gerechtvaardigde oorlogen”: gesprekstips

Ter inleiding, hun verhaal in een notendop: de lokale Lamanitische koning Lamoni werd bekeerd, alsook zijn vader, die koning over het gehele land is. De Nephitische zendelingen krijgen toestemming om overal te prediken, met succes. De bekeerlingen besluiten zich een eigen naam te geven, Anti-Nephi-Lehieten, en kiezen voor absoluut pacifisme. Aangevallen door niet-bekeerde Lamanieten trekken ze naar Zarahemla waar de bevolking hun het land Jershon toekent.

Het verhaal van de Anti-Nephi-Lehieten zit precies in het midden van het Boek van Mormon. Men kan het toeval noemen, maar het is merkwaardig dat een boek dat overwegend over oorlogen gaat met als eindpunt de vernietiging van volken door oorlogen, in zijn middelpunt een verhaal van pacifisme brengt. De Anti-Nephi-Lehieten bieden heel wat stof om over na te denken.

 

Etymologie van Anti-Nephi-Lehi

“En nu geschiedde het dat de koning en zij die bekeerd waren, ernaar verlangden een naam te hebben waardoor zij van hun broeders konden worden onderscheiden; daarom overlegde de koning met Aäron en velen van hun priesters omtrent de naam die zij zouden aannemen om te kunnen worden onderscheiden. En het geschiedde dat zij zich Anti-Nephi-Lehieten noemden; en bij die naam werden zij genoemd en zij werden niet meer Lamanieten genoemd. ” (Alma 23:16–17)

Er zijn verschillende verklaringen voor de oorsprong van de naam.

Voor het deel “Nephi-Lehieten” liggen de interpretaties voor de hand, aangezien deze Lamanieten kiezen voor de zijde van de Nephieten. Er zijn twee mogelijkheden waarnaar de naam kan verwijzen:

  • Lehi en Nephi als personen, waarbij Lehi, als stamvader van zowel Nephieten als Lamanieten, de connectie met Lamanieten vasthoudt; Nephi vertegenwoordigt de “juiste” zijde.
  • Lehi en Nephi als landsnamen: het land Nephi, het oorspronkelijk centrum waar Nephi zich vestigde, wordt ook deels Lehi-Nephi genoemd (Mosiah 7:1, 21; 9:6). De opperkoning van de Lamanieten heeft hier zijn zetel.

Het prefix anti is minder evident.

Gordon Thomasson aanvaardt anti als zodanig , dus zoals het ook in onze talen nog gebruikt wordt, met de betekenis “tegen iets zijn”. Daarmee zouden de Anti-Nephi-Lehieten de afkeer van hun vroegere levenswijze willen aanduiden.[1] Andere analisten gaan ook van anti als zodanig uit, maar met de oorspronkelijke, bredere betekenis tegenbeeld, spiegelbeeld. Webster van 1828 vermeldt ook die betekenis in de tijd van Joseph Smith.[2] In die interpretatie spiegelen de Anti-Nephi-Lehieten zich aan het beeld van Lehi en Nephi. Ook de Antichrist kan die betekenis hebben, niet “tegen Christus”, maar zijn (vals) spiegelbeeld.

Om nog wat uit de diepen voor taalliefhebbers: anti is een oeroud woord vanuit een Indo-Europese stam (in taalkunde is een stam de woordvorm die de basis is voor andere woorden). De Indo-Europese taalbasis, die zes- à negenduizend jaar oud is, vinden we in enkele honderden oude en hedendaagse talen en in tal van vormen terug. Het partikel anti komt van zo’n stam (*h₂enti). In het Sanskriet gaf het ánti “in aanwezigheid van; voor”. In het Grieks evolueerde het naar “tegenover, tegengesteld”, maar niet noodzakelijk negatief, zoals in “tegenbeeld, evenbeeld”. In het Latijn gaf het de vorm ante met de betekenis “ervoor (in plaats of tijd)”. In oud-Germaanse talen vinden we het partikel terug in verwante vormen, zoals ant-, int-, ent-, ond-, ont-, met de betekenis “nabij, naar, langs”. Antwerpen is er een relict van, waarbij de betekenis kan zijn “aan, langs de kant van de werf” of “aan de kant van het water, met de opgeworpen (werpen) grond”. Ook Den Andel in Nederland gaat terug op Antlida (“tegenover, langs de waterloop”). Gelet op de ouderdom van een Indo-Europese stam, kan die dus ook in Nephitisch taalgebruik sporen hebben nagelaten. Anderzijds hoort Hebreeuws tot de Semitische talenfamilie en Egyptisch tot de Afro-Aziatische, zodat het minder waarschijnlijk is dat anti als zodanig op de platen stond. Dan kan anti nog altijd de Engelse omzetting zijn van een Nephitisch woord met dezelfde waarde.

Egypt_Hieroglyphe4BYU professor Stephen D. Ricks suggereert een andere piste voor anti.[3] Het zou kunnen komen van het Egyptische nty met de betekenis “diegene van”, “hij die toebehoort tot”. Anti-Nephi-Lehieten zijn dan diegenen die toebehoren tot de erfenis van Lehi en Nephi. In die zin zou de naam van het dorp Ani-Anti “diegenen van Ani” kunnen betekenen (Alma 21:11). Anti komt trouwens nog in andere namen in het Boek van Mormon voor, zoals Antionum, Antipas en Antiparah, en ook in de goudwaarde antion, wat wijst op een ingeburgerde lettercombinatie.

Uiteindelijk zal de naam Anti-Nephi-Lehieten niet lang stand houden. Eenmaal de groep in het land Jershon is aanbeland, noemen de Nephieten hen het volk van Ammon (27:26).

 

De waarde en de gevaren van sociale afzondering

“… de naam die zij zouden aannemen om te kunnen worden onderscheiden. En het geschiedde dat zij zich Anti-Nephi-Lehieten noemden; en bij die naam werden zij genoemd en zij werden niet meer Lamanieten genoemd. ” (Alma 23:17)

Een groepsnaam geeft sociale identiteit. Door die naam overtreft het belang van de gemeenschap dat van elk individu. Sinds de verste oudheid zorgt sociale identiteit voor de aftekening van verschillende volken. Zie hier in les 20 een bespreking van de functies van groepsnamen in het Boek van Mormon. Maar zo’n demarcatie heeft ook negatieve gevolgen omdat het niet alleen eigenheid markeert, maar ook het verschil met “de andere”. Een groepsnaam, ook al is hij goed bedoeld, sluit de andere uit en kan daardoor vijandschap uitlokken. Het is een eeuwenoud fenomeen en zit genetisch in de mens als sociaal dier. Jeugdbendes, clans, ze geven zich een naam en bakenen hun terrein af. Onze maatschappij is doorweven met dergelijke allianties die zich in ideologische lidkaarten uitdrukken. Regio’s en landen teren op de trots van de eigen aard. Xenofobie is er de keerzijde van.

Met zich doelbewust Anti-Nephi-Lehieten te noemen, en “niet meer Lamanieten”, verwerpen de Anti-Nephi-Lehieten hun eeuwenoude sociale identiteit. Ze drukken, bewust of niet, hun afkeer van de overblijvende Lamanieten uit. Religie gebruiken om een nieuwe etnische identiteit te vormen, los van de thuisgemeenschap, is een bekend sociologisch fenomeen, maar niet zonder risico’s als dit antagonistisch overkomt.[4] Daarenboven blijken de Anti-Nephi-Lehieten zich ook territoriaal te groeperen. In één regio, het land Ishmaël, blijken de meeste inwoners zich te bekeren, maar in andere landen en steden is het telkens beperkt (23:8–15). Aangezien ze later als één volk wegtrekken moeten ze zich bij elkaar gevoegd hebben. De gevolgen van hun structurele exclusie zullen niet uitblijven.

Was deze aparte sociale en geografische afzondering een noodzakelijke en wenselijke keuze? Waren ze niet beter “Lamanieten met een ander geloof” gebleven aangezien religieuze diversiteit duidelijk mocht in Lamanietenland? Hadden ze niet meer mensen kunnen bekeren door gewoon goede en tolerante buren te blijven? Soms hoor ik mormonen in onze contreien, waar er weinig leden zijn, opperen dat het toch fijn zou zijn als we allen in dezelfde straat of wijk zouden wonen. Ja? Stof voor discussie in een tijd waar we zoveel over de maatschappelijke integratie van andersdenkenden spreken en over de nadelen van ghetto-vorming. En wat met de inperking van vrijheid en het verlies van privacy door nog meer sociale controle wanneer men zich geografisch groepeert?

 

Oorlog in het geheel van het Boek van Mormon

Het Boek van Mormon is een boek vol oorlogen. Het woord komt 189 keer voor. Er zijn een honderdtal geïdentificeerde veldslagen, naast de samenvattende meldingen van “vele oorlogen”. John Sorenson maakte er een uitgebreid, analytisch overzicht van.[5] John W. Welch zorgde voor een chronologisch overzicht in achttien groepen van oorlogen, met aanduiding van data, locatie, oorzaken, tactieken en resultaat, vanaf de vroege tribale oorlogen ten tijde van Jakob en opvolgers, tot de laatste vernietigingsfase in 385 n.C.[6] Complex en veelzijdig, vertonen al die oorlogen zowel eigen als gemeenschappelijke kenmerken. Daarvan is fysiek geweld steeds de kern.

Ter overdenking. Het Boek van Mormon begint met een dramatisch voorval: de doding van Laban door Nephi. Nephi stelt dat “de Geest er bij mij op aandrong Laban te doden” met de justificatie “de Heer doodt de goddelozen om zijn rechtvaardige doeleinden te vervullen. Het is beter dat één mens omkomt dan dat een natie in ongeloof verkommert en verloren gaat” (1 Nephi 4:10, 13). Of dat “aandringen van de Geest” volstrekt goddelijk was, of halfslachtig, of Nephi’s latere verantwoording, dat moet elke gelovige voor zichzelf bepalen en afwijkende meningen respecteren. Wel zeker is dat het doden van Laban funderend voor een mentaliteit is: een mensenleven is relatief en het doel rechtvaardigt de middelen. Zo’n mentaliteit komt oorlogslogica ten goede.

Hoewel oorlogen de meeste periodes van de Nephitische geschiedenis kenmerken, ligt de focus op twee specifieke periodes. De eerste behelst de periode waar we nu in de lessen toe komen, in 75 v.C., en die tot 25 n.C. zal duren, kort voor Christus’ komst onder de Nephieten, dus een eeuw lang. Daarbinnen zit een schijf van veertien jaar, van 74 v.C. tot 61 v.C., die volledig door oorlogen beheerst wordt, onder de centrale leidersfiguren Helaman en Moroni. De tweede intense periode bestrijkt zo’n zestig jaar in de vierde eeuw n.C., van het moment waarop Mormon op jonge leeftijd ten strijde trekt tot de totale vernietiging. Opvallend is ook de afwisseling van korte samenvattingen en meer gedetailleerde verslagen: sommige grote oorlogen worden in enkele lijnen afgehandeld, van andere krijgen we bladzijden lang de tactieken, de wapenrusting, de bewegingen en zelfs de briefwisseling tussen de protagonisten. Daarin zien we de werkwijze van Mormon: soms resumeert hij, soms behoudt hij een oorspronkelijke tekst.

Waarom zoveel aandacht voor oorlogen in een godsdienstig boek? Precies omdat oorlogen deel van de godsdienst waren.[7] Het Boek van Mormon weerspiegelt daarin de Bijbel en de Bijbelse “ethiek van het geweld” dat zich in het oude Israël eveneens over een duizend jaar uitstrekt.[8] Het Godsvolk affirmeert zich fysisch tegen de vijanden van God. Het vindt zijn identiteit door bedreigd te worden.

 

Doré_David en GoliathHeldenverhalen, zoals die van David en Goliath, zijn inspirerend bedoeld, maar mogen de harde realiteit van de oorlogsvoering niet verbergen . “David en Goliath” door  Gustave Doré (1832-1883).

 

De boodschap van het Oude Testament en van het Boek van Mormon benadrukt dat enkel gehoorzaamheid aan de geboden het gevaar kan afwenden. Oorlogen dienen om het volk eraan te herinneren dat zij God moeten gehoorzamen en op God moeten vertrouwen. Oorlogen dienen om te straffen. De profeten zijn vaak militaire leiders, zoals Nephi en Alma de jongere, die in de eerste gelederen met het zwaard streden. Mormon, die de uiteindelijke selectie maakte voor de inhoud van de platen, was zelf een veldheer vanaf z’n zestiende. Vanuit zijn ervaring en die van andere kroniekschrijvers geven oorlogen in de eerste plaats een allesomvattende morele les: zonde leidt tot oorlog en vervult de profetieën. Nagenoeg elke passage over oorlog gaat samen met woorden als verstoktheid, ongerechtigheid, goddeloosheid, overmoed, opstandigheid. Het is die goddelijke les die bovendrijft en oorlogen verklaart. Zoals omstreeks 70 v.C., in een periode van hevige oorlogvoering:

“… wij kunnen zien dat in deze tijd zijn woorden bewaarheid worden die Hij tot Lehi heeft gesproken, zeggende: Gezegend zijt gij en gezegend zijn uw kinderen; en zij zullen gezegend worden; voor zoverre zij mijn geboden onderhouden, zullen zij voorspoedig zijn in het land. Maar bedenk dat voor zoverre zij mijn geboden niet onderhouden, zij van de tegenwoordigheid des Heren worden afgesneden. En wij zien dat die beloften bewaarheid zijn aan het volk van Nephi; want het zijn hun ruzies en hun twisten geweest, ja, hun moorden en hun plunderingen, hun afgoderij, hun hoererijen en hun gruwelen, die onder hen bestonden, die hun oorlogen en hun verwoestingen over hen hebben gebracht” (Alma 50:19–21).

Tegelijk bevatten oorlogsverslagen soms ook inspirerende daden van geloof die tot overwinning leiden, zoals wanneer Alma Amlici verslaat, of wanneer de “tweeduizend jonge zonen” door hun toewijding redding brengen. Op de achtergrond is er dan steeds “de hand van de Heer”. In die zin is oorlog ook een “heilige oorlog”, die, zoals in de Bijbel, de macht van God moet aantonen. Stephen D. Ricks spreekt in dat verband van de “sacrale ideologie van oorlog” en verkent het basispatroon ervan, zowel in het Boek van Mormon als in andere oude beschavingen.[9]

 

Hoezeer God en oorlog in de Bijbel verbonden zijn toont de strijd van Jozua tegen de Amalekieten. “Toen zei Mozes tegen Jozua: ‘Kies een aantal mannen uit en trek met hen tegen Amalek ten strijde. Ikzelf zal morgen op de top van de heuvel gaan staan, met in mijn hand de staf van God.’ Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen en Mozes ging naar de top van de heuvel, samen met Aäron en Chur.

Poussin_Overwinning van Joshua op de AmalekitenZolang Mozes zijn arm opgeheven hield, was Israël de sterkste partij, maar liet hij zijn arm zakken, dan was Amalek de sterkste. Toen Mozes’ armen zwaar werden, legden Aäron en Chur een steen bij hem neer, zodat hij daarop kon gaan zitten. Zelf gingen ze aan weerszijden van hem staan, om zijn armen te ondersteunen. Daardoor konden zijn armen opgeheven blijven totdat de zon onderging. Zo versloeg Jozua het leger van Amalek tot de laatste man.” (Exodus 17:8-13)

“Overwinning van Jozua op de Amalekieten” van Nicolas Poussin (1594–1665)

 

Het oorlogsthema in het Boek van Mormon heeft nog tot vele andere studies geleid, maar soms met vreemde analyses en conclusies. Zo kwam Ryan Davis tot het besluit dat onder de “democratische” wetgeving van koning Mosiah de Nephieten meer oorlogen wonnen dan verloren.[10] Hij lijstte de veldslagen op en rekende uit dat in hun “democratische” periode de Nephieten 71 procent van hun militaire conflicten wonnen, terwijl ze er “slechts” 47 procent wonnen zonder democratie in hun midden. Dat zou moeten bewijzen dat democratie een voordelig systeem is. Dit lijkt meer op een voorbeeld hoe het Boek van Mormon te misbruiken om politiek te bewijzen. De argumenten zijn zwak, alsof democratie in hedendaagse zin bestond onder de Nephieten, alsof democratische en niet-democratische periodes op basis van de karige gegevens onderscheiden kunnen worden, en alsof oorlogen gewonnen of verloren worden, terwijl aan beide zijden toch evenveel bloed vloeit. Ten slotte: de totale vernietiging van de Nephieten op het einde van de vierde eeuw n.C. gebeurde onder hun “democratisch regime”, toen Mormon hun democratisch aangesteld leider was.

Hugh Nibley’s analyse van de oorlogen in het Boek van Mormon is van een ander peil, maar toch ook categorisch. Hij oordeelt dat het nooit om oorlogen tussen goeden en slechten gaat, maar tussen slechten en slechten.[11] Dat is in overeenstemming met de initiële openbaring: “En voor zoverre gij mijn geboden onderhoudt, zult gij als heerser en leraar over uw broeders worden gesteld. Want zie, ten dage dat zij tegen Mij opstaan, zal Ik hen vervloeken, ja, met een zware vervloeking, en zij zullen geen macht over uw nakomelingen hebben, tenzij ook zij tegen Mij opstaan” (1 Nephi 2:22–23). Nephitische kroniekschrijvers mogen dan al eens hun gelijk verdedigen, in de meeste gevallen erkennen ze volmondig dat de Nephieten de oorlogen op de eigen hals hebben gehaald.

Nibley gebruikt de bekende militaire historiografie van Karl von Clausewitz’s Vom Kriege om aan te tonen hoe de fundamentele oorlogsprincipes ook in het Boek van Mormon te vinden zijn: de plaats van politieke ambities en van economische belangen om oorlogen te beginnen; de escalatie van een conflict tussen individuele tegenstrevers naar een oorlog tussen volken; het aanvuren van de globale haat door retoriek en overlevering; de spanning tussen militaire en politieke leiders binnen het eigen kamp; de logica van de wraak en de onverbiddelijke weg naar de wreedste oorlogsvormen; de waanzin van het einddoel als vernietiging van de andere. Ook de veldslagstrategieën die het Boek van Mormon occasioneel beschrijft zijn akelig realistisch. Hugh Nibley verheugt zich echter niet dat dit alles de authenticiteit van het Boek van Mormon ondersteunt. Hij ziet de trieste realiteit: al die oorlogsprincipes gelden nog steeds in onze tijd. Nibley besluit: “Daarom hou ik niet van de oorlogen in het Boek van Mormon. Ze maken me ziek.”

Net zoals in de Bijbel zal de komst van Christus onder de Nephieten het perspectief uitzuiveren. Hij herhaalt er de bergrede. Hij stelt: En gezegend zijn alle vredestichters, want zij zullen de kinderen van God worden genoemd” (3 Nephi 12:9).

 

Het pacifisme van de Anti-Nephi-Lehieten: nuances en ethische dilemma’s

Deze bekeerde Lamanieten “werden een rechtvaardig volk; zij legden de wapens van hun opstand neer, zodat zij niet meer tegen God streden, noch tegen iemand van hun broeders” (23:7). “Daarom wilden zij liever de dood sterven op de pijnlijkste en smartelijkste wijze die hun broeders hen konden doen ondergaan, dan het zwaard of het kromzwaard opnemen om hen te doden (27:29).

De Anti-Nephi-Lehieten geven een radicaal antwoord op oorlog: zelfs voor zelfverdediging, zelfs voor de verdediging van onschuldigen is het opnemen van wapens ontoelaatbaar. Ze betalen er als vrijwillige martelaren de prijs voor:

“Toen nu het volk zag dat zij tegen hen oprukten, gingen zij hen tegemoet en wierpen zich voor hen ter aarde neer en begonnen de naam des Heren aan te roepen; aldus bevonden zij zich in die houding toen de Lamanieten hen begonnen aan te vallen en hen met het zwaard begonnen te doden. En zo, zonder enige tegenstand te ontmoeten, doodden zij duizend en vijf van hen; en wij weten dat zij gezegend zijn, want zij zijn heengegaan om bij hun God te wonen” (24:21–22)

Absoluut pacifisme verwerpt elke vorm van geweld omdat het levens kan kosten. Voortgaande op de tekst zien we die motivatie bevestigd bij de Anti-Nephi-Lehieten: “En zij beschouwden het vergieten van het bloed van hun broeders met de grootste afschuw; en nooit konden zij ertoe worden overreed de wapens tegen hun broeders op te nemen” (27:28).

Toch zijn er ook in hun houding nuances en ethische dilemma’s te onderscheiden.

Vooreerst is hun pacifisme niet louter een afkeer voor oorlog, maar ook baatzucht door het verband met het heilsplan en met schuld en vergeving. Hun koning drukt het zo uit, na hun bekering:

“… daar God onze smetten heeft verwijderd, en ons zwaard blank is geworden, laten wij ons zwaard dan niet meer met het bloed van onze broeders besmetten … want indien wij ons zwaard wederom besmetten, kan het misschien niet meer blank worden gewassen door het bloed van de Zoon van onze grote God, dat vergoten zal worden voor de verzoening van onze zonden” (24:12, 15).

Met andere woorden, niet het pacifisme op zich, namelijk afschuw voor elke vorm van doding, is hier de motivatie, maar wel de vrees dat er bij een volgende doding geen vergeving meer mogelijk is. De koning vermeldt geen argumenten tegen oorlogvoeren als zodanig, hoewel het wel onderverstaan is: hij spreekt van “moorden die wij hebben gepleegd”, wat naar doding tijdens veldslagen tegen de Nephieten moet verwijzen (24:10).[12] De koning gaat uit van het besef dat er geen tweede vergeving mogelijk is voor doding. Het gaat hem om zaligheid.

Ook opvallend is de combinatie van de beeldspraak: hun bebloed zwaard is blank geworden door bekering, maar het is wel het bloed van Christus dat dit zwaard blank wast. Het sluit aan bij het contradictorisch beeld dat kleren moeten witgewassen worden van bloedvlekken, maar het ultieme witwassen van de kleren gebeurt door het bloed van Christus.

Of blank, in de huidige Nederlandse editie, de beste vertaling is voor het Engelse bright (“our swords have become bright”), verdient evaluatie. Het Nederlandse blank heeft wel de connotatie van blinkend (blank en blinken zijn inderdaad verwant) , maar dat weten weinige hedendaagse lezers. Er is ook het risico dat lezers het in verband met huidskleur en de “vloek” der Lamanieten brengen. In de eerste Nederlandse vertaling (1890) gebruikte John Volker blinkend. Ook schitterend of stralend lijken betere weergaven voor het Engels bright.

Vervolgens, in de lijn van dat baatzuchtig pacifisme, aanvaarden de Anti-Nephi-Lehieten dat de legers der Nephieten hun nieuw verkregen land Jershon omringen om hen op die manier af te schermen en te kunnen verdedigen tegen agressie. Ze zijn dus bereid anderen te zien sneuvelen opdat zijzelf niet moet vechten — een ethisch dilemma. Zij betalen er zelfs voor, want de financiering van die verdediging was een voorwaarde van de Nephieten om aan de Anti-Nephi-Lehieten bescherming te bieden: “En nu zie, dat zullen wij voor onze broeders doen, zodat zij het land Jershon erfelijk kunnen bezitten; en wij zullen hen tegen hun vijanden beschermen met onze legers, op voorwaarde dat zij een deel van hun bezit aan ons afstaan om ons te helpen onze legers in stand te houden” (27:24).

In dat perspectief is hun “verbond dat zij liever hun eigen leven wilden geven dan het bloed van hun broeders vergieten” (24:18) ambigu, want hun bereidheid zich militair te laten beschermen zal rechtstreeks leiden tot “een verschrikkelijke slachting onder het volk van Nephi” (28:31). Eenmaal beschermd in Jershon, hoeven de Anti-Nephi-Lehieten niet meer te knielen als gewillige slachtoffers voor de oprukkende Lamanieten. Er is geen melding dat ze de Nephieten vroegen zich terug te trekken zodat zij zich zoals voorheen konden opofferen. Hadden ze dat gedaan, dan hadden ze het leven van vele Nephitische soldaten, die ook echtgenoten en vaders waren, kunnen sparen. Dan zou hun pacifisme absoluut geweest zijn. Maar zonder volledig verslag van de gebeurtenissen is geen beoordeling mogelijk.[13]

 

Vereshchagin_Apotheosis of War (1871)“Apotheose van de oorlog” van de Russische schilder Vasili Veresjtsjagin (1842–1904). Het werk staat symbool voor oorlogswaanzin.

 

Spreken over “gerechtvaardigde oorlogen”: gesprekstips

Wanneer is oorlog gerechtvaardigd? Voor absolute pacifisten: nooit. Omdat de Anti-Nephi-Lehieten dat standpunt als hoogste gedragscode in het Nephitische gedachtegoed brachten, voelden andere kroniekschrijvers allicht de noodzaak aan om dit bij te sturen. Zijn er dan geen omstandigheden waarin oorlog noodzakelijk is? In de beschrijving van een uitzonderlijke hevige veldslag met de Lamanieten noteert de kroniekschrijver:

“De Nephieten werden evenwel door een betere zaak bezield, want zij vochten niet voor monarchie of macht, maar zij vochten voor huis en haard, voor hun vrijheid, hun vrouwen en hun kinderen en hun alles, ja, voor hun aanbiddingsriten en hun kerk. En zij deden hetgeen volgens hen de plicht was die zij hun God verschuldigd waren; want de Heer had hun gezegd, en ook aan hun vaderen: Omdat gij niet schuldig zijt aan de eerste ergernis, noch aan de tweede, zult gij niet toelaten dat gij wordt gedood door de hand van uw vijanden. En voorts heeft de Heer gezegd: Gij zult uw gezin tot bloedvergietens toe verdedigen. Om die reden dus streden de Nephieten tegen de Lamanieten om zichzelf en hun gezinnen en hun landerijen en hun land en hun rechten en hun godsdienst te verdedigen.” (Alma 43:45–47)

De hele passage gaat over zelfverdediging, met als ultieme rechtvaardiging voor oorlog de bescherming van het eigen gezin.

Voor wie dit thema in een les wil bespreken lijkt het niet aangewezen om vragen te stellen als: “Zijn sommige oorlogen gerechtvaardigd?” of “Is wat de Anti-Nephi-Lehieten deden een model dat alle volken zouden moeten volgen?” of “Was Christus een absolute pacifist?” Tenzij je met een geschikte groep werkt, leiden die vragen soms tot te snelle, categorieke antwoorden die een wijze uitwisseling van gedachten kunnen belemmeren.[14] Het eerst bespreken van de dilemma’s en het oplijsten van voor- en tegenargumenten kan een debat mogelijk vooruit helpen.

De klassieke rechtvaardiging van oorlog verwijst naar zelfverdediging: wie wordt aangevallen heeft het recht zich te verdedigen. Daartoe bestaat een vrij grote consensus, hoewel we de mening van de absolute pacifist moeten respecteren. Maar de ethische problematiek geldt vooral in andere gevallen, wanneer de oorlog zich verplaatst naar het grondgebied van de vijand.

  • Is een punitieve oorlog gerechtvaardigd, om een land te bestraffen voor het onrecht dat het anderen heeft aangedaan?
  • Is een preventieve oorlog gerechtvaardigd, wanneer blijkt dat de vijand door zijn wapenopbouw en zijn bedreigingen een onafwendbaar gevaar vormt?
  • Is een correctieve oorlog gerechtvaardigd, wanneer blijkt dat een regering een deel van de bevolking misdadig bejegent of in humanitaire crises dompelt?

Wie voor een “gerechtvaardigde oorlog” is, moet dan ook volgende vragen kunnen beantwoorden:

  • Wie heeft de bevoegdheid om tot een gerechtvaardigde oorlog te beslissen?
  • Hoe zal men ervoor zorgen dat die bevoegdheid niet of niet ondoordacht misbruikt wordt?
  • Kan één natie, of een coalitie van naties tot een gerechtvaardigde oorlog beslissen of hoort dit enkel tot de bevoegdheid van de Verenigde Naties?
  • Hoe kan een “gerechtvaardigde oorlog” het principe van proportionaliteit eerbiedigen, namelijk geen fractie meer oorlog en ellende dan voor het doel waarvoor die oorlog wordt ingeroepen?
  • Geldt enkel het menselijk recht, als seculiere wetgeving, om een oorlog te rechtvaardigen, of kan men zich ook op God beroepen?
  • Zo iemand meent God te kunnen inroepen voor een gerechtvaardigde oorlog, kent hij dat recht ook aan andere godsdiensten toe? Wat met oorlogen waarbij beide partijen zich op God beroepen?

Alle voorgaande vragen worden anders gekleurd door elke oorlogsrealiteit en vaak anders beantwoord door wie aan welke zijde staat — denk, voor de laatste honderd jaar, aan de Eerste en de Tweede Wereldoorlogen, aan Korea, Vietnam, Israël, Congo, Irak, Somalië, Ukraine, Syrië, enzovoort, naast talloze burgeroorlogen.

Hoe de mormoonse kerk en individuele mormonen met de concepten van oorlog en vrede en met pacifisme zijn omgegaan verdient een aparte studie. In voorbereiding.

 

3 – Ammon’s roemrede: lyriek op geleende frasen

Hoofdstuk 26 brengt een rede van Ammon, in een spreekstijl die eenvoudige meldingen onstuimig aanvult met lyrische frasen vanuit de Schriften. Deze spreekstijl is eigen aan mensen die zeer vertrouwd met de Schriften zijn, vanuit lectuur of vanuit prediking met Schriftuurlijke passages. Op die manier kunnen zij, bezield en meestal voor de vuist, gewone basiszinnen makkelijk verrijken met frasen en beelden uit de Schrift. Ook onder onze eigen leden tellen we al eens een spreker of spreekster die aan dit profiel beantwoordt.

Stilistisch kan die mengeling van simpele gegevens en rijke beelden wat incoherent overkomen. Omdat de geciteerde frasen meestal uit uiteenlopende Schriftbronnen komen kan het ook wat chaotisch lijken. De rede kan zelfs theatraal worden, maar daarvoor zouden we ook de stem moeten horen. Dit alles doet niets af van de oprechtheid en het enthousiasme van de spreker. Het loont wel de moeite deze spreekstijl hier in het Boek van Mormon op te merken, daar hij verschilt van de stijl van anderen en dus op authenticiteit wijst.

Het basisstramien van Ammon’s rede is vrij eenvoudig. Het is een voldane terugblik op het verrichte werk onder de Lamanieten. Als we die basiszinnen eruit lichten, kunnen we de boodschap van Ammon in deze termen volgen:

  • wie had kunnen denken, toen we Zarahemla verlieten, dat we zo gezegend zouden zijn? (1)
  • toen we vertrokken lachten de mensen ons uit (23)
  • ze zeiden: denkt gij echt de Lamanieten te kunnen overtuigen? (24)
  • ze zeiden: zouden we de Lamanieten niet beter aanvallen en verdelgen? (25)
  • maar toch zijn we de wildernis ingetrokken en werden we onderweg getroost (26–27)
  • we zijn overal binnengegaan (29)
  • velen zijn bekeerd (30)
  • we hebben dus reden om ons te verheugen (35)

Ook eigen aan Ammon’s eenvoudige basisstijl is de retorische vraagstelling, maar eerder onbeholpen geformuleerd:

  • “En nu vraag ik u: welke grote zegeningen heeft Hij ons geschonken? Kunt gij dat zeggen? Zie, ik antwoord voor u.” (2–3)
  • “… de vruchten van onze arbeid zien; en zijn het er weinig? Ik zeg u, neen, het zijn er vele.” (31)
  • “En nu zie, ik zeg u, is er in het gehele land ooit zulk een grote liefde geweest? Zie, ik zeg u, neen, die is er niet geweest, zelfs niet onder de Nephieten.” (33)

De geleende Schriftuurlijke frasen zijn talrijk.[15] Een aantal komen van Oudtestamentische teksten die op de koperen platen stonden, een aantal van de kleine platen van Nephi, een aantal uit het rijke taalgebruik van Alma de oudere en Alma de jongere, die deze op hun beurt soms van Abinadi overnamen, vanuit een typische taalkring aangezien de ene de andere onderwees.

Het getal bij het begin van de regel verwijst naar het vers in Alma 26. De erop volgende verwijzing naar de bron is exemplarisch, aangezien de frasen soms ook elders in de Schriften voorkomen.

  • (3) de donkerste afgrond … wonderbare licht (Alma de jongere in Mosiah 27:29)
  • (3) een werktuig in de handen Gods (Alma de oudere in Mosiah 23:10)
  • (4) in de kudde Gods gebracht (Alma de oudere in Mosiah 18:8; Alma de jongere in Mosiah 5:60)
  • (5) sikkel… oogst… schoven… graanschuren (Joel 3:13: Micha 4:12)
  • (6) storm… wervelwinden (2 Nephi 26:5–6; Jesaja 21:1; 29:6; Job 21:18)
  • (6) op hun eigen plaats worden vergaard (Psalmen 106:47; Jesaja 11:12)
  • (8) zijn lof zingen (Alma de oudere in Mosiah 18:30; Psalmen 106:12)
  • (8) zijn heilige naam dank brengen (2 Nephi 9:52: Psalmen 106:47)
  • (12) niet in mijzelf roemen, maar in God (Abinadi in Mosiah 23:11; Psalmen 44:9; Jesaja 41:16)
  • (13) pijnen der hel (Jakob 3:11; verslag van Alma de jongere in Alma 14:6)
  • (14) ketenen der hel (Alma de jongere in Alma 5:7–10: 12:11; 13:30)
  • (15) eeuwige duisternis en verwoesting … eeuwig licht, eeuwig heil (Alma de jongere in Alma 3:26; 5:7; 12:6)
  • (17) onze vreselijke, zondige en bezoedelde staat (Mosiah 25:11)
  • (21) de natuurlijke mens (Koning Benjamin in Mosiah 3:19)
  • (22) de verborgenheden Gods kennen (Koning Benjamin in Mosiah 2:9; Alma de jongere in Alma 12:9, 10)

Een van de merkwaardigste passages in Ammon’s toespraak is echter deze, in vers 36:

“Ja, gezegend is de naam van mijn God, die dit volk indachtig is geweest, dat een tak is van de boom van Israël, en dat in een vreemd land van zijn stam verloren is geraakt; ja, ik zeg, gezegend zij de naam van mijn God, die ons, zwervers in een vreemd land, indachtig is geweest.”

De “verloren tak” sluit aan bij het beeld van de afgesneden en in verre uithoeken geënte takken, vanuit Zenos’ gelijkenis van de olijfbomen, die Jakob opnam op de kleine platen (zie les 13). Opmerkelijk zijn de poëtische omschrijvingen voor het besef van uitwijzing of bannelingschap: “in een vreemd land van zijn stam verloren is geraakt” en “zwervers in een vreemd land”. Het is de eerste verwijzing naar het huis Israëls — als “de boom van Israël” — sinds de tijd van Jakob, zo’n vierhonderdzestig jaar ervoor (Jakob 6:4). Er zal ook geen verwijzing meer volgen tot Christus zelf, een eeuw later, het thema van het huis Israëls in herinnering brengt (3 Nephi 10:4). Die lange stilte over het huis Israëls valt op te merken. Noch de profeet Abinadi in zijn lange toespraak (Mosiah 12–16), noch Alma de oudere in zijn predikingen (Mosiah 18), noch koning Benjamin in zijn grote bekeringsoproep (Mosiah 2–5), noch koning Mosiah II in zijn boodschappen tot het volk (Mosiah 29), noch Alma de jongere zelf — nochtans de meest bedreven doctrinale spreker van het Boek van Mormon — vermeldden ooit het huis Israëls. We beschikken natuurlijk niet over al hun teksten, maar toch zeker de meest significante. De reden voor de stilte kan zijn dat de inhoud van de kleine platen, waarin het huis Israëls zo overvloedig wordt vermeld, weinig of niet bekend was. Religieuze taal volgt modes, waarbij bepaalde thema’s overwegen en andere verschralen. Dat is ook zo in onze tijd.

Ammon kan echter vertrouwd geweest zijn met de teksten op de kleine platen (zie hierboven zijn gebruik van frasen uit 2 Nephi). Alma had de kleine platen in zijn bezit en kon ze door zijn naaste medewerkers laten lezen. Ammon en zijn broers kunnen dus mogelijk geïnspireerd geweest zijn door Nephi’s aandacht voor “het nageslacht van mijn broeders”, de Lamanieten, en door de gelijkenis van de olijfbomen: het kan verklaren waarom de vier zonen van Mosiah zo bezield waren voor een zending onder de Lamanieten.

De merkwaardige roemrede van Ammon verbergt dus heel wat gegevens die tot studie uitnodigen.

 

4 – Alma’s nabeschouwing: parels van hebraïsche retoriek

Vanaf vers 10 van hoofdstuk 28 tot het einde van hoofdstuk 29 verwoordt Alma een emotionele nabeschouwing op vijftien jaar geschiedenis. Het splitsen van hoofdstuk 28 en 29 geeft de indruk dat Alma’s persoonlijke inbreng pas in hoofdstuk 29 begint. Maar in de eerste editie van 1830 liep de tekst daar gewoon door. Dat betekent dat Joseph Smith, bij het geïnspireerd vertalen, geen pauze of signaal opmerkte dat een nieuw onderdeel markeerde. En inderdaad, om de kracht van het begin van hoofdstuk 29 te vatten moet je zonder breuk doorlezen vanuit hoofdstuk 28. Orson Pratt’s indeling in hoofdstukken, in 1879, was voor dit geval een misser.

Alma’s nabeschouwing: vijftien jaar zijn verstreken sinds het begin van de regering der rechters. Voor Alma zijn het zware jaren geweest. De eerste acht jaar combineerde hij de functies van opperrechter over het land, militair aanvoerder en hogepriester over de kerk, daarna alleen als hogepriester. Hij maakte een burgeroorlog met de Amlicieten mee, streed mee op het slagveld, herstelde de vrede, verstevigde de kerk, zorgde voor welvaart, zuiverde de kerk bij nieuwe problemen, en begon dan aan zijn predikingstocht doorheen Zarahemla en omliggende landen, met alle bijhorende uitdagingen en gevaren. Het weerzien van de zonen van koning Mosiah bracht vreugde, maar ook een grote uitdaging: het herlokaliseren van de Anti-Nephi-Lehieten in het land Jershon, gevolgd door een “verschrikkelijke strijd” met de Lamanieten. Over dat alles mijmert Alma in deze nabeschouwing.

In tegenstelling met vorige narratieve hoofdstukken, duidelijk van de hand van anderen, krijgen we hier een parel van Alma’s robuuste retoriek voorgeschoteld. Dit is een doordachte, bewerkte tekst, maar zonder de oprechtheid van de emotie te verstoren. Chiasmen en herhalingsstructuren wisselen elkaar af in een wondere ineenstrengeling. Soms zijn de hebraïsmen nagenoeg enkel ritmisch: de woorden verschillen grotendeels, maar toch vormen de structuren een onmiskenbare muzikale opeenvolging.

Jammer genoeg doorbreekt de huidige Nederlandse vertaling herhaaldelijk de structuren door dezelfde woorden anders te vertalen of door frasen te verplaatsen. Als bijvoorbeeld het Engelse remember gevarieerd vertaald wordt door denken aan, herinneren en indachtig zijn, binnen eenzelfde passage, dan verlies je het ritme en de herhalingsstructuren. Als woorden als repentance en penitent in een chiasme spiegelwoorden zijn, dan verlies je die echo als je het ene met bekering en het andere met boetvaardig vertaalt. In de passages die ik hieronder aanhaal (nagenoeg de volledige tekst van Alma’s nabeschouwing) is de coherentie conform het Engels hersteld. Aanbevolen is om de passages doorvoeld te lezen, met een lichte pauze op het einde van elke regel en met een zekere muzikaliteit: je zult merken dat de tekst als het ware ademt.

Het eerste deel van Alma’s nabeschouwing (28:10–14) begint somber: het “vreselijk toneel van bloedvergieten” van de voorbije oorlog en “de lichamen van vele duizenden die liggen te vergaan”. Maar het beeld splitst meteen in een contrast: enerzijds zij die “reden hebben om te vrezen dat zij naar een staat van eindeloos wee worden verwezen”; anderzijds zij die rouwen maar weten dat hun gevallen geliefden ooit “worden opgewekt om aan de rechterhand Gods te wonen in een staat van nimmer eindigend geluk”.

(klik op de schema’s voor projectie in klasgebruik)

L26_1

 

L26_2

Na die aanhef die smart tegenover vreugde stelt, breekt de lyriek door. Alma 29:1–7 is een beroemde passage in het Boek van Mormon. Die begint bij de vurige wens om als een engel luid en wereldwijd het evangelie te verkondigen. Daar staat de beperking van de mens tegenover. Na die algemene tegenstelling van engel en mens, die de gehele passage chiastisch omvat (A-A), daalt Alma af naar het niveau van de mens die tevreden moet zijn met hetgeen hij heeft en kan. Ook dit zit chiastisch in de structuur (B-B). Dan volgen, in het centrum van het chiasme (CCC) drie parallelgroepen (abc). Vanuit zijn persoonlijke kennis, “want ik weet” (a), verduidelijkt Alma wat de Heer de mensen eigenlijk al geeft “volgens hun verlangens” (b). Dat leidt tot eenduidige keuzes tussen tegenstellingen: dood of leven; redding of vernietiging; goed of kwaad; vreugde of gewetenswroeging (c).

L26_3

Donald Parry meent één groot chiasme van vers 8 tot het einde van het hoofdstuk te kunnen onderscheiden, maar die lange passage heeft mijns inziens te weinig densiteit om zeker te zijn dat het om een berekende opbouw gaat.[16] Het criterium van densiteit meet de mate waarin dezelfde woorden en structuren in spiegelvorm terugkomen, rekening houdend met het aantal woorden en structuren die niet terugkomen. Als dat laatste aantal vrij groot wordt, daalt de densiteit van het vermeend chiasme. Densiteit loopt meestal terug als men grote gehelen wil vergelijken.

Alma’s nabeschouwing loopt verder, tot het einde, als een ononderbroken reeks ritmische structuren.

L26_4

 

L26_5

 

L26_6

 

L26_7

Uiteraard illustreert Alma’s nabeschouwing niet alleen zijn stijlbeheersing, maar ook en vooral de diepte van zijn geloof en van zijn gevoelsleven, laverend tussen de uitersten van smart en van vreugde.

Het beroemde gedeelte “O dat ik een engel ware” is op muziek gezet. Voor uitvoeringen ervan, zoek op YouTube of een ander kanaal naar “Oh that I were an angel”.

 

5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen

Alma 23:1-4 – Een andere blik op de cultuur der Lamanieten
Alma 23:14–15 – Amalekieten en Amulonieten bekeerden zich niet
Alma 23:18 – “en de vervloeking Gods volgde hen niet meer”
Alma 24:28 – “… behoorden de meesten tot de orde der Nehoren”
Alma 27:26–27 – Van Anti-Nephi-Lehieten naar het “volk van Ammon”
Alma 28:2 – Duizenden en tienduizenden
Alma 28:7–9 – Afronding van vijftien jaar geschiedenis vanuit twee verslagen

 

Alma 23:1-4 – Een andere blik op de cultuur der Lamanieten

“Zie, nu geschiedde het dat de koning der Lamanieten een bevel onder zijn gehele volk liet uitgaan…”

Inleidend weetje: dit eerste vers van hoofdstuk 23 is het vervolg van vers 27 van het vorige hoofdstuk (Alma 22:27). Daar begon een nooit afgewerkte zin, onderbroken door een lange uitleg over de geografie van het gebied. Die uitleg nam 550 woorden in beslag (tot het eind van hoofdstuk 22). Maar het vervolg pikt hier, in het eerste vers van hoofdstuk 23, logisch op waar het voorheen afgebroken was.

Het bevel van de koning is dat Ammon, Aäron, Omner en Himni mogen prediken in alle delen van het land der Lamanieten, “van stad tot stad”, in religieuze gebouwen die met naam genoemd worden: synagogen, tempels, heiligdommen en bedehuizen. De passage is belangrijk omdat we hier voor het eerst een “binnenkijk” in Lamanitische cultuur krijgen, bij het begin van de eerste eeuw voor Christus. Er is geen sprake van alleen maar halfnaakte wilden die in tenten wonen, of van een woest en bloeddorstig volk. Ze leven in “steden”, hoe we dat begrip ook moeten verstaan. Vooral de woorden synagogen en tempels vallen op, als indicatie van een specifieke religieuze cultuur onder Hebreeuwse invloed.

Voor de naam en het gebruik van “synagogen”, zie deze bespreking in les 24.

Het is moeilijk te achterhalen hoe de religieuze kennis van de Lamanieten, in hun diverse bevolkingsgroepen over de eeuwen heen tot dit punt, omstreeks 90 v.C., geëvolueerd is. De stamvaders Laman, Lemuël en Ishmaël hadden in ieder geval sinds hun jeugd tradities van de wet van Mozes meegekregen. Dat verlies je niet zomaar. Daarenboven, generatie na generatie, werd de herinnering doorgegeven van al het onrecht dat Nephi hun stamvaders had aangedaan. Dat veronderstelt waardering voor geschiedenis, hoe vervormd die ook was (zoals geschiedenis trouwens nu nog in nagenoeg alle landen vanuit nationale trots vervormd wordt verteld).

Volgens antropoloog John Sorenson vermengden kleine lokale stammen zich al vrij vroeg in de geschiedenis met Lamanieten. Dat kan in sommige bevolkingstakken voor een mix van religieuze gebruiken gezorgd hebben. Het contact tussen Nephieten en Lamanieten bleef sporadisch bestaan, onder meer door zendingswerk. Omstreeks 420 v.C. meldt Enos dat “het volk van Nephi er ijverig naar streefde de Lamanieten tot het ware geloof in God terug te brengen, maar onze inspanningen waren tevergeefs” (Enos 1:20). Dergelijke inspanningen zullen wel sporen nagelaten hebben of oude overleveringen opgefrist. De frequente oorlogen bewijzen breuken, maar ook contacten. Na de vlucht van koning Mosiah I naar Zarahemla, kwam het land Nephi, een land met een tempel, steden en gebouwen, onder Lamanitisch beheer. Wanneer Zeniff omstreeks 190 v.C. toestemming van de Lamanitische koning krijgt om zich opnieuw in Nephi te vestigen, begint er een zeventigjarige periode van geregelde conflicten maar ook van onderhandelingen.

Een belangrijk gegeven is de integratie van de priesters van Noach in de Lamanitische samenleving. Omstreeks 121 v.C. worden deze Amulonieten, met hun Nephitische kennis en cultuur, immers “leraars” onder de Lamanieten, wat handel en rijkdom stimuleerde. Over de religieuze kennis van de Lamanieten staat er wel expliciet: “zij waren onderling een vriendelijk volk; evenwel kenden zij God niet; ook leerden de broeders van Amulon hun niets over de Heer, hun God, noch over de wet van Mozes; evenmin leerden zij hun de woorden van Abinadi” (Mosiah 24:5). Die “onkunde over God” kan wijzen op “onjuiste” kennis vanuit Nephitisch standpunt, want het lijkt onwaarschijnlijk dat volken in deze periode volkomen goddeloos in atheïstische zin waren. Bij de aanvang van de zending van de zonen van Mosiah, omstreeks 91 V.C., omschrijft het verslag de Lamanieten als “een zeer vadsig volk, van wie er velen afgoden aanbaden” (Alma 17:15). “Velen” wijst op diversiteit van geloof. Wanneer Ammon koning Lamoni onderwijst, blijkt die te geloven in een “Grote Geest”, volgens de overlevering “die hij van zijn vader had ontvangen” (Alma 18:5). Ook, maar verder weg in het land, hebben Lamanieten samen met Amulonieten en Amalekieten de stad Jeruzalem gebouwd, nog een merkwaardig restant van Hebreeuws bewustzijn.

Het kan ook zijn dat de woorden synagogen en tempels hier als generieke termen worden gebruikt, om te duiden op verschillende soorten religieuze gebouwen die de Lamanieten voor hun tradities gebruikten. Zelfs in die betekenis blijken deze Lamanieten qua religieuze beschaving verder te staan dan “wilden in de wildernis”.

 

Alma 23:14–15 – Amalekieten en Amulonieten bekeerden zich niet

“En de Amalekieten bekeerden zich niet, op één na; evenmin de Amulonieten; integendeel, zij verstokten hun hart, en ook het hart der Lamanieten in die gedeelten van het land waar zij woonden, ja, en in al hun dorpen en al hun steden.”

Rappel voor wie de opfrissing wenst:

Amulonieten waren oorspronkelijk, omstreeks 140 v.C., de priesters van koning Noach die berucht werden als tegenstanders van de profeet Abinadi in het land Nephi. Uit die periode weten we dat zij de voorspellingen omtrent Christus verwierpen. Na een inval van de Lamanieten vluchtten zij de wildernis in. Zij ontvoerden vervolgens vierentwintig “dochters der Lamanieten” en vormden jarenlang een aparte gemeenschap in de wildernis. Omstreeks 121 v.C. ontdekt door een Lamanitisch leger, integreerden zij de Lamanieten en werden als seculiere leraren onder het volk aangesteld. Ze behielden blijkbaar hun etnische eigenheid door het bijhouden van hun afstamming en noemden zich ook “volk van Amulon”. We zijn nu omstreeks 90 v.C. Demografisch gezien kunnen zij op vijftig jaar tijd, via twee volgende generaties en huwelijken met Lamanitische vrouwen, al enkele duizenden leden tellen. Indien zij hun religieuze achtergrond behouden hebben, namelijk de afwijzing van een komende Heiland, was het te verwachten dat zij de christelijke prediking van de Nephitische zendelingen bleven verwerpen. Hun lot zal echter spoedig bezegeld worden: de meesten zullen sterven in de komende oorlogen met Nephieten, de overigen zullen door de Lamanieten zelf gedood worden, uit wraak voor hun wangedrag ten overstaan van Lamanieten.

Amalekieten worden qua afkomst nergens geïdentificeerd, maar er zijn sterke aanwijzingen dat zij de Amlicieten zijn, het deel van de Nephitische bevolking die zich achter Amlici schaarde in zijn poging koning te worden. Zie hierover dit onderdeel in les 25. De melding dat er slechts één Amalekiet zich bekeerde is merkwaardig. Het moet opvallend geweest zijn, net zoals in onze tijd zendelingen al eens een jood of een moslim bekeren. Amlicieten hebben in 87 v.C. een zware burgeroorlog met de Nephieten uitgevochten. De herinnering aan hun nederlaag moet nog acuut zijn. We zijn nu vermoedelijk omstreeks 82 v.C.

 

Alma 23:18 – “en de vervloeking Gods volgde hen niet meer”

Vierhonderd jaar hiervoor beschreef Nephi de vervloeking van de Lamanieten als het verkrijgen van een donkere huid, “opdat zij niet aantrekkelijk zouden zijn voor mijn volk” (2 Nephi 5:21). De vervloeking van de donkere huid als “teken” wordt verschillende keren herhaald in het Boek van Mormon. Bekering wijzigt dit:

“En het geschiedde dat die Lamanieten die zich met de Nephieten hadden verenigd, onder de Nephieten werden gerekend; en hun vervloeking werd van hen weggenomen, en hun huid werd blank, zoals die der Nephieten” (3 Nephi 2:14–15).

Het idee dat dit letterlijk gebeurde hoort nu tot een fundamentalistische interpretatie die geen enkele kerkleider nog aanhangt. Een verklaring vanuit de sociale context wijst op de levenswijze van de Lamanieten en de vermenging met autochtone bevolkingsgroepen: dat kan voor de perceptie van donkere huid gezorgd hebben, zoals ook in de Bijbel een aantal passages donkere huid en “vuilheid” met onaantrekkelijkheid en verwerping associëren. Een andere levenswijze verandert de perceptie. Zie hiertoe de bespreking in les 7.

Het valt wel op dat Alma 23:18 het wegvallen van de vervloeking niet expliciet associeert met een wijziging van huidskleur. De zin lijkt alleen maar te willen bevestigen dat er van een vervloeking geen sprake meer is en dat de bekeerde Lamanieten nu een volwaardig deel van het Godsvolk zijn.

 

Alma 24:28 – “… behoorden de meesten tot de orde der Nehoren”

“Nu waren de meesten van die Lamanieten die zovelen van hun broeders hadden gedood Amalekieten en Amulonieten, en van hen behoorden de meesten tot de orde der Nehoren.”

We moeten een onderscheid maken tussen “behoren tot de orde der Nehoren” en bepaalde etnische groepen die deze leer nu aanhangen. Hoewel Nehor zelf eindigde als misdadiger en werd terechtgesteld, zijn er geen aanduidingen dat zijn leer op zich misdadig was of dat zijn volgelingen zich misdroegen. Voor en tijdens Alma’s bewind als opperrechter worden geen Nehoren aangeklaagd of veroordeeld, tenzij voor wetsovertredingen, maar “de wet had op niemand vat inzake zijn geloof” (Alma 1:17). Meldingen van specifieke conflicten tussen Nehoren en leden van Alma’s kerk ontbreken. De “orde van Nehor” was een andere religieuze stroming onder de Nephieten, die allicht op vele punten niet sterk afweek van de bron waaruit ze gesproten was, namelijk de wet van Mozes. Vandaar dat zij vergaderen in “synagogen” (Alma 21:4). Hun leer was aangenaam, namelijk dat “het gehele mensdom ten laatsten dage behouden zou worden, en dat zij niet behoefden te vrezen of te sidderen, maar dat zij hun hoofd konden opheffen en zich verblijden”. Hun priesters konden, bijgevolg, “geliefd” zijn (Alma 1:3–4). Het meest afwijkende punt was dat ze niet geloofden in “dwaze overleveringen” en in toekomstvoorspellingen, zoals de komst van de Zoon Gods (21:8). Hun monotheïstische visie kon niet aannemen dat God een zoon heeft verwekt.

Wat echter wel gebeurde is dat de leer van Nehor zich onder andere groepen verspreidde, en met name oud-Nephieten die onder de Lamanieten leefden en diepe rancunes tegenover Nephieten onderhielden, met name Amulonieten en Amlicieten. Het zijn dan ook die groepen die de Lamanieten ophitsen tegen de Anti-Nephi-Lehieten (Alma 24:1).

 

Alma 27:26–27 – Van Anti-Nephi-Lehieten naar het “volk van Ammon”

“En zij gingen naar het land Jershon en namen bezit van het land Jershon; en zij werden door de Nephieten het volk van Ammon genoemd; daarom werden zij daarna altijd met die naam onderscheiden. En zij bevonden zich onder het volk van Nephi en werden ook gerekend onder het volk dat tot de kerk van God behoorde.”

De naamswijziging was allicht ook politiek geïnspireerd. Deze Lamanieten hadden al wel voorheen een eigen naam gekozen, Anti-Nephi-Lehieten, maar hadden ook nog een koning in hun midden, Anti-Nephi-Lehi, zoon van de ondertussen overleden algemene koning der Lamanieten. Aan deze zoon was nog niet zo lang daarvoor het koninkrijk der Lamanieten overgedragen (24:3). Hij had die algemene bevoegdheid wel verloren door zijn vertrek, maar vertegenwoordigde toch nog, in de ogen van de Nephieten, een vijandige macht. Toen de groep toestemming vroegen om Nephitisch gebied te mogen betreden, stonden ze bekend als “volk van Anti-Nephi-Lehi” (27:21). Voelden de Nephieten niet alleen hun aanwezigheid, maar ook hun naam als een potentieel gevaar aan? Dit was immers een groep onder leiding van een koninklijke Lamaniet. De naamswijziging in “volk van Ammon” identificeerde de nieuwkomers nu als behorend tot een bekend Nephiet. Het is niet duidelijk in welke mate koning Anti-Nephi-Lehi over zijn volk gezag bleef uitoefenen. Later vernemen we dat Ammon de hogepriester van het volk is (Alma 30:20).

Beide namen bleven evenwel in omloop:

“Ja, en zij kenden ook de bovenmatige haat van de Lamanieten tegen hun broeders, die het volk van Anti-Nephi-Lehi waren en het volk van Ammon werden genoemd” (43:11).

 

Alma 28:2 – Duizenden en tienduizenden

“En dientengevolge was er een verschrikkelijke strijd; ja, zoals er nog nooit een was gekend onder al het volk in het land sedert het tijdstip dat Lehi Jeruzalem had verlaten; ja, en er werden tienduizenden Lamanieten gedood en alom verstrooid.”

En iets verder in vers 11:

“En de lichamen van vele duizenden zijn in de aarde neergelegd, terwijl de lichamen van vele duizenden in hopen op het oppervlak der aarde liggen te vergaan; ja, en vele duizenden rouwen over het verlies van hun verwanten, omdat zij, volgens de beloften des Heren, reden hebben om te vrezen dat zij naar een staat van eindeloos wee worden verwezen.”

Zijn deze aantallen realistisch of retorisch voor “grote aantallen”? Op zich heeft de vraag weinig belang en, zelfs met lagere aantallen, zijn de tragedies er niet minder om. Maar critici wijzen soms op het onwaarschijnlijke van sommige aantallen. Dan helpt de verklaring van de retoriek. Hoge aantallen gebruiken als symbolische eenheden voor grootheid is trouwens Bijbels. De legeraantallen van de Israëlieten worden in veelvouden van honderdduizenden gemeld (1 Samuël 11:8; 2 Samuël 24:9; Richteren 20:2; 2 Kronieken 14:8; 25:5). Dergelijke aantallen zijn demografisch onmogelijk.[17]

Vanuit hun Israëlitische achtergrond kunnen Nephitische kroniekschrijvers deze grootsprakige benadering hebben overgenomen. Het is een emotionele stijlfiguur om de omvang van een gebeuren mathematisch uit te drukken. Ook reeds voorheen in het boek Alma zijn we dergelijke wendingen tegengekomen:

“En zie, terwijl zij de Sidon overstaken, vielen de Amlicieten en de Lamanieten, die als het ware bijna even talrijk waren als het zand der zee, hen aan om hen te vernietigen” (Alma 2:27).

“En in één jaar werden er duizenden en tienduizenden zielen naar de eeuwige wereld gezonden om hun beloning te oogsten naar hun werken, hetzij die goed, hetzij die kwaad waren” (Alma 3:26).

 

Alma 28:7–9 – Afronding van vijftien jaar geschiedenis vanuit twee verslagen.

Midden in hoofdstuk 28 vormen verzen 7 tot 9 een korte afronding voor de eerste vijftien jaar van de regering der rechters. De samenvattende schrijver verwijst naar twee verslagen die hij als bron gebruikt heeft:

  • “het verslag van Ammon en zijn broeders” (vers 8) en
  • “het verslag van de oorlogen en twisten onder de Nephieten, en ook van de oorlogen tussen de Nephieten en de Lamanieten” (vers 9).

Voor dit laatste verwijzen de oorlogen “onder de Nephieten” naar de burgeroorlog met de Amlicieten (Alma 2). De oorlogen “tussen de Nephieten en de Lamanieten” verwijzen naar het Lamanitische vervolg van de oorlog met de Amlicieten (Alma 3) en naar de jongste “verschrikkelijke strijd” tussen Lamanieten en Nephieten (Alma 28:1–6).

Ondanks de complexiteit zit het allemaal logisch en chronologisch juist.

 

6 – Gestructureerd lezen

Alma 23  Vele Lamanieten bekeerd, maar ook velen niet.

1–3     Met toestemming va de koning over het gehele land mag het werk des Heren uitbreiden onder de Lamanieten.

4–6     Velen worden bekeerd.

7          Kenmerkend is dat zij hun wapens afleggen.

8–13   Opsomming van de landen en steden waar mensen zich bekeren. Nagenoeg heel het volk in het land Ishmaël (waar koning Lamoni) koning is, verder “enigen” in andere landen en steden.

14        Maar Amalekieten (uitgezonderd één!) en Amulonieten verstokken hun hart tegen het werk des Heren.

15–18 De bekeerlingen kiezen voor de naam Anti-Nephi-Lehieten. Zie hierboven voor de etymologie.

 

Alma 24                Het verhaal van een vredelievend volk

1-6      Politieke ontwikkelingen.

  • Amalekieten en Amulonieten, die onder de Lamanieten leven, hitsen de Lamanieten “tot toorn” tegen de Anti-Nephi-Lehieten op.
  • Onrust en volksopstand tegen de opperkoning (de vader van Lamoni) en de Anti-Nephi-Lehieten.
  • De opperkoning draagt de troon over aan één van zijn zoons, die de naam  Anti-Nephi-Lehi krijgt.
  • De opperkoning, vader van Anti-Nephi-Lehi en Lamoni, sterft.
  • Gelet op de bedreiging, trekken de gelovigen naar het land Ismaël, waar Lamoni koning is.
  • Zij weigeren zich op oorlog voor te bereiden.

7-16    Toespraak van koning Anti-Nephi-Lehi.

  • Eerst uiting van zijn dankbaarheid: vier maal “ik dank”
  • Dan de oproep om geen wapens meer te gebruiken.

17-19  Het gevolg dat het volk aan de oproep geeft: zij sluiten een verbond nooit meer wapens te gebruiken.

20–23 Het drama: zij laten zich afslachten zonder verweer.

24–30 Het resultaat: nog meer Lamanieten bekeren zich.

 

Alma 25                Oorlogen en burgeroorlogen

Verzen 1 tot 12 vertellen een compacte geschiedenis met verwijzing naar vroegere toestanden. Achtergrond is dat Amulonieten over een deel van de Lamanieten gezag hebben.

1–3     Tot nu toe was het probleem intern in Lamanitisch gebied. Nu keren Lamanieten zich tegen Nephieten en volgen er vele veldslagen.

4          Het lot van nakomelingen van Amulon en zijn broeders, dus Amulonieten: tijdens deze oorlogen worden zij nagenoeg allemaal door Nephieten gedood.

5          Overige Amulonieten vluchten weg. Het blijkt dat een deel van hen, in bepaalde gebieden, “macht en gezag” over Lamanieten had verkregen, en hen de vuurdood had laten ondergaan “wegens hun geloof”.

6          Meer Lamanieten komen tot bekering.

7          Restant van Amulonieten die nog gezag over Lamanieten hebben laten de bekeerlingen ter dood brengen.

8–12   Tegenreactie van Lamanieten: de Amulonieten worden zelf vervolgd, ter vervulling van een profetie van Abinadi.

13–14 Nog meer bekeerlingen onder de Lamanieten in het land Ishmaël en in het land Nephi.

15–17 Zij onderhouden de wet van Mozes als zinnebeeld van de komst van Christus.

 

Alma 26                De rede van Ammon: het getuigenis van een succesvol zendeling

Voor een stilistische analyse: zie hierboven.

De rede van Ammon bestaat uit een aantal delen.

1–9     Samenvatting van het verrichte zendingswerk en trots op het bereikte resultaat

10        Reactie van Ammon: “ik vrees dat uw vreugde u tot roemen voert”

10–16 Rechtvaardiging van het roemen: we roemen in de Heer want zovelen zijn gered.

17–20 Herinnering aan de eigen zondige tijd waaruit God ons gered heeft.

21–22 Beginsel: wie zich bekeert zal de verborgenheden kennen en velen tot bekering brengen

23–26 Herinnering aan de tijd net voor de zending: men geloofde ons niet.

27–30 Herinnering aan de werkzaamheden tijdens de zending.

31–34 Beschrijving van de liefde en de offers van de bekeerlingen.

35–37 Besluit: er is reden voor vreugde en reden om te roemen.

Alma 27   De Anti-Nephi-Lehieten zoeken hun toevlucht in Zarahemla

1-3             Door de schuld van de Amalekieten komt er opnieuw vervolging tegen de Anti-Nephi-Lehieten.

4-10          Bespreking tussen Ammon en de koning.

  • Voorstel van Ammon om toevlucht te zoeken in Zarahemla
  • De koning vreest dat zij niet welkom zijn bij de Nephieten.
  • Hij is bereid is slavernij onder de Nephieten te leven.

11–12       Openbaring van de Heer: “voer dit volk uit het land”

14–15       De vlucht.

16–19       De ontmoeting met Alma, op de terugweg van Gideon naar Manti (Alma 17:1)

20–24       De hoofdrechter en de Nephieten reageren gunstig op het ontvangen van de Anti-Nephi-Lehieten.

25–30       De naam van de Anti-Nephi-Lehieten wordt het volk van Ammon en zij vestigen zich in het land Jershon.

 

Alma 28   Een verschrikkelijke strijd – Afsluiting van een periode van 15 jaar – Begin van Alma’s nabeschouwing

1–3               Het zeer bondige verslag van een verschrikkelijke strijd  onder Nephieten en Lamanieten.

4–6               De emotionele gevolgen van die strijd.

7–9               Afsluiting van het vijftiende jaar van de regering der rechters. Zie hier voor de structuur.

10–14          Begin van Alma’s nabeschouwing.

 

Alma 29 – Vervolg van Alma’s nabeschouwing.

Voor het geheel van Alma’s nabeshouwing, zie het aparte onderdeel hier.

 

Voetnoten 

[1]    Gordon C. Thomasson, “What’s in a Name? Book of Mormon Language, Names, and [Metonymic] Naming,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 3, no. 1 (1994): 1-27 (14–15).

[2]    Zie bv. Joseph Fielding McConkie & Robert L. Millet, Doctrinal Commentary on the Book of Mormon, vol. III (Salt Lake City: Bookcraft, 1991), 165.

[3]    Stephen D. Ricks, “Anti-Nephi-Lehi,” in Book of Mormon Reference Companion, Dennis L. Largey , ed. (Salt Lake City: Deseret Book, 2003), 67.

[4]    James A. Beckford, Social Theory and Religion (Cambridge: Cambridge University Press, 2003); Abby Day, Believing in Belonging: Belief and Social Identity in the Modern World (Oxford: Oxford University Press, 2011); Claire Mitchell, “The Religious Content of Ethnic Identities,” Sociology 40, no. 6 (2006): 1135–1152; Mălina Voicu, “Effect of Nationalism on Religiosity in 30 European Countries,” European Sociological Review 28, no. 3 (2012): 333–343.

[5]    John L. Sorenson, “Seasonality of Warfare in the Book of Mormon and in Mesoamerica,” in Warfare in the Book of Mormon, Stephen D. Ricks and William J. Hamblin, eds. (Salt Lake City: Deseret Book, FARMS, 1990), 445–477.

[6]    John W. Welch, “Why Study Warfare in the Book of Mormon?”, in Warfare in the Book of Mormon, Stephen D. Ricks and William J. Hamblin, eds. (Salt Lake City: Deseret Book, FARMS, 1990), 3–24.

[7]    Zie, specifiek voor het Boek van Mormon, R. Douglas Phillips, “Why Is So Much of the Book of Mormon Given Over to Military Accounts,” in Warfare in the Book of Mormon, Stephen D. Ricks and William J. Hamblin, eds. (Salt Lake City: Deseret Book, FARMS, 1990), 25–28.

[8]    Talrijk zijn de analyses en evaluaties van oorlogen in het oude Israël. Bij de boeken, Chaim Herzog et Mordechai Gichon, Les guerres bibliques (Chatou: Carnot, 2004); Millard Lind, Yahweh is a Warrior: The Theology of Warfare in Ancient Israel (Harrisonburg: Herald Press , 1980); Susan Niditch, War in the Hebrew Bible: A Study in the Ethics of Violence (Oxford: Oxford University Press, 1995.

[9]    Stephen D. Ricks, “’Holy War’: The Sacral Ideology of War in the Book of Mormon and the Ancient Near East”, in Warfare in the Book of Mormon, Stephen D. Ricks and William J. Hamblin, eds. (Salt Lake City: Deseret Book, FARMS, 1990), 103–117.

[10]  Ryan W. Davis, “For the Peace of the People: War and Democracy in the Book of Mormon,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 16, no. 1 (2007): 42–55.

[11]  Hugh Nibley, “Warfare and the Book of mormon,” in Warfare in The Book of Mormon, Stephen D. Ricks and William J. Hamblin, eds. (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1990), 127–145.

[12]  Brant Gardner, die blijkbaar moeilijk kan aanvaarden dat doding in oorlog “moord” zou zijn, vindt hier een uitweg door te suggereren dat de moorden, waarnaar Anti-Nephi-Lehi verwijst, mogelijk betrekking hebben op mensenoffers volgens Maya-tradities. Dat lijkt mij aberrant als argument. Moesten Lamanieten mensenoffers brengen, dan zou dat zeker expliciet in het Boek van Mormon als een van hun gruwelen gemeld zijn. Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 4a – Alma 1-27 (Kindle Location 9425). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[13]  Brant Gardner, die duidelijk niet van dit soort absoluut pacifisme houdt, vindt er een originele verklaring voor. Zoals de Maya’s zijn de Meso-Amerikaanse Anti-Nephi-Lehieten volgens hem verslaafd aan mensenoffers en bloedvergieten. Om van hun ziekelijke addictie af te raken, mogen ze dus geen enkel wapen meer aanraken: “They resolve never to touch arms again, not because self-defense is wrong or inherently evil, but because, like alcoholics, they must be constantly vigilant against their disease. They are choosing to stay as far as possible from the feelings aroused by and supporting the cult of war and sacrifice.” Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 4a – Alma 1-27 (Kindle Locations 9447-9449). Greg Kofford Books. Kindle Edition.

[14]  Analyses van deze problematiek zijn legio. Tot de vaak geciteerde horen Nigel Biggar, In Defence of War (Oxford: Oxford University Press, 2013); David Rodin, War and Self-Defense (Oxford: Clarendon Press, 2001); Michael Walzer, Just and Unjust Wars: A Moral Argument with Historical Illustrations (London: Allen Lane, 1977).

[15]  Een deel van de oplijsting geeft Book of Mormon Central, “Why Did Ammon Borrow So Much From Tradition In Alma 26?” KnoWhy #133 (June 30, 2016).

[16]  Donald W. Parry, Poetic Parallelisms in the Book of Mormon: The Complete Text Reformatted (Provo, Utah: The Neal A. Maxwell Institute for Religious Scholarship, Brigham Young University, 2007), 298-299.  Voor criteria van densiteit, zie John W. Welch, “Criteria for Identifying and Evaluating the Presence of Chiasmus,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 4, no. 2 (1995): 1–14.

[17]  Meir Ban-Ilan, “Internecine Wars in Biblical Israel,” in War and Peace in Jewish Tradition: From the Biblical World to the Present, Yigal Levin and Amnon Shapira, eds. (New York: Routledge, 2012), 89–100 (100); Magen Broshi and Israel Finkelstein, “The Population of Palestine in Iron Age II,” Bulletin of the American Schools of Oriental Research (1992): 47–60; Yigal Shiloh, “The Population of Iron Age Palestine in the Light of a Sample Analysis of Urban Plans, Areas, and Population Density,” Bulletin of the American Schools of Oriental Research 239 (1980): 25–35.

Om terug te keren

1 – Verloop en stijl van de hoofdstukken
2 – De Anti-Nephi-Lehieten: pacifisten in een cultuur van oorlogen
3 – Ammon’s roemrede: lyriek op geleende frasen
4 – Alma’s nabeschouwing: parels van hebraïsche retoriek
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde onderdelen
6 – Gestructureerd lezen