Les 23 – Alma 8–12

“Meer dan één getuige”

1 – Het drama van Ammonihah: een uitgelokte tragedie?
2 – Rekenen bij de Nephieten: senine, seon, shum, limnah…
3 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde verzen
4 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

1 – Het drama van Ammonihah: een uitgelokte tragedie?

Verloop van de hoofdstukken
Dramatiek in aandacht en opbouw
Hoe slecht waren de inwoners van Ammonihah?
Polarisering en escalatie
Nabeschouwing

Alma 8–12, de vijf hoofdstukken die het kerkcurriculum voor deze les voorziet, zijn deel van een groter geheel dat tot hoofdstuk 16 loopt. Alma 13–16 is voor de volgende les. De negen hoofdstukken samen vormen echter een geheel dat het “drama van Ammonihah” uitmaakt. Ik overschouw het hier als geheel, met nadruk op de historische en menselijke aspecten. Mijn benadering is tekstanalytisch,  als Schriftstudie vanuit de realiteit van de tekst, niet vanuit de veronderstelling van wat de tekst moet zeggen. In dat laatste geval zijn lezers er al voor de lectuur principieel van overtuigd dat Alma alle gelijk aan zijn kant heeft, en de anderen allemaal verkeerd moeten zijn. Dan wordt elk vers vanuit dat perspectief gelezen, zonder alternatieve interpretaties of nuances op te merken. Een tekstanalytische benadering probeert elke zin te waarderen in de bredere context. Zeker, het blijft interpretatie, maar het kan helpen om in Schriftverhalen de menselijke complexiteit te verkennen en fundamentalistisch denken te verzachten. De ondertitel “een uitgelokte tragedie?” is een vraag, geen stelling. De bedoeling is na te denken over een aantal aspecten die ook relevant zijn voor onze wereld. Daartoe kom in ik de nabeschouwing.

De rode draad is de prediking van de reizende Alma, vergelijkbaar met Paulus in het Nieuwe Testament. Zijn evangelisatie begint in hoofdstuk 8 en gaat door tot en met hoofdstuk 16. Die bestrijkt een periode van vijf jaar, van het tiende tot en met het veertiende jaar van de regering der rechters (82–78 v.C.), maar de nadruk ligt volop op de eerste twee jaar. De prediking in Ammonihah, die er het centrale deel van uitmaakt, loopt van hoofdstuk 8 tot 14, maar de gevolgen reiken tot hoofdstuk 16. Coherentie vraagt dat we de blik dus verruimen om het totaalbeeld over die negen hoofdstukken te vatten.

Verloop van de hoofdstukken

Hoofdstuk 8 is essentieel verhalend, vanuit het standpunt van een kroniekschrijver:

  • Succesvolle prediking van Alma in Melek waar velen zich laten dopen (8:3–5, dus drie verzen)
  • Eerste prediking van Alma in Ammonihah en zijn vertrek uit de stad (8:6–13)
  • Alma’s terugkeer naar Ammonihah en zijn kennismaking met Amulek (8:14–27)
  • Tweede prediking van Alma, nu met Amulek (8:28–32)

Voor de aanvang van hoofdstuk 9 is er een preambule of “superscriptie”, die op de platen stond. Daarmee wordt een apart onderdeel aangekondigd:

“De woorden van Alma, en ook de woorden van Amulek, die zij aan het volk in het land Ammonihah hebben verkondigd. En ook worden zij in de gevangenis geworpen en, volgens de kroniek van Alma, bevrijd door de wonderbare kracht Gods die in hen was.”

Noteer “volgens de kroniek van Alma”, dus hij is zelf de bron van wat we zullen lezen. Een hedendaagse toevoeging onder de superscriptie identificeert het onderdeel als “hoofdstukken 9 tot en met 14”. Maar na 14 is er geen nieuwe superscriptie om een volgend onderdeel aan te kondigen. Dat komt pas bij hoofdstuk 17, met het verslag van zonen van Mosiah. We weten dus niet tot hoever in de tekst de superscriptie bij Alma 9 doelde. We kunnen wel de verschillende hoofdstukken tussen 9 en 16 zo logisch mogelijk groeperen.

  • Hoofdstukken 9 tot 11 vormen een duidelijk onderdeel, want in de ik-vorm door Alma geschreven, dus zeker “volgens de kroniek van Alma”. Het omvat zowel de woorden van Alma (hoofdstuk 9) als die van Amulek (hoofdstukken 10 en 11), deze laatste dus door Alma geciteerd. Alma eindigt met “En zo eindigden de woorden van Amulek, ofwel, dit is alles wat ik heb geschreven” (11:46). Dat komt overeen met het eerste deel van superscriptie, “De woorden van Alma, en ook de woorden van Amulek, die zij aan het volk in het land Ammonihah hebben verkondigd.”
  • Hoofdstukken 12 tot 13 beschrijven Alma’s verder optreden in de derde persoon: “Toen nu Alma zag dat…”. De auteur kan nog steeds Alma zelf zijn, maar nu in de rol van kroniekschrijver, of een kroniekschrijver in zijn dienst, of Mormon eeuwen later als samenvatter. Maar het verhaal is niet echt “samengevat”, het blijft gedetailleerd. Deze twee hoofdstukken bevatten uiteindelijk nog veel rechtstreekse woorden van Alma, in de vorm van twee toespraken, een als antwoord op een vraag van rechter Zeezrom (12:9–18), een als antwoord op een vraag van hoofdregeerder Antionah (12:22 tot 13:30). Omdat die tweede, lange toespraak over hoofdstukken 12 en 13 verdeeld is, horen die op het eerste gezicht logisch bij elkaar.
  • Hoofdstukken 14 tot 16 zijn essentieel verhalend, geschreven vanuit het standpunt van een kroniekschrijver. De gebeurtenissen haken in elkaar. Hoofdstuk 14 vertelt de gevangenneming van Alma en Amulek, de vervolging en het martelaarschap van gelovigen, gevolgd door de bevrijding van Alma en Amulek uit de gevangenis die op hun belagers instort. Hoofdstuk 15 brengt ons naar het buurland Sidom waar Alma en Amulek gelovige vluchtelingen uit Ammonihah aantreffen. Dan keert Alma huiswaarts naar Zarahemla, samen met Amulek. Hoofdstuk 16 verhaalt ten slotte in korte bewoordingen de voorspelde vernietiging van Ammonihah door de Lamanieten, een Nephitische overwinning en de verdere prediking van Alma en Amulek “onder het gehele volk der Nephieten”.

 

Vergelijkbaar met Alma en Amulek: “Paulus en Barnabas predikend in Lystra” door Jacob Jordaens (1593–1678)

 

Voor wie het interesseert: In de eerste editie van het Boek van Mormon, in 1830, komt ons huidig hoofdstuk 9 overeen met Chapter VII, dus vanaf de superscriptie. Chapter VIII dekt zowel hoofdstukken 10 en 11 (de inbreng van Amulek). Maar afwijkend is Chapter IX dat het huidige hoofdstuk 12 en hoofdstuk 13 tot vers 9 omvat (waar er inderdaad een “Amen” staat, kenmerk van een eindpunt, midden in de lange toespraak van Alma gericht tot Antionah). Het volgende Chapter X, een erg lang hoofdstuk, omvat de rest van hoofdstuk 13 en hoofdstukken 14 en 15. Dit lange hoofdstuk leest als één geheel vanaf het midden van Alma’s tweede toespraak tot zijn terugkeer in Zarahemla. Chapter XI komt dan weer overeen met ons huidig hoofdstuk 16. Het toont hoe Joseph Smith, vanuit de vertaling van de platen, bepaalde delen anders aanvoelde, en met name de tragiek in Ammonihah.

 

Dramatiek in aandacht en opbouw

Alma is op zending in omliggende landen. Het valt op hoe de kroniek zijn succesvolle predikingen elders bondig afhandelt. De prediking in Melek verdient slechts drie verzen (8:3–5), die in Sidom nog maar twee (15:13–14). In hoofdstuk 16 verhalen negen verzen al de rest: “… de vestiging van de kerk werd algemeen overal in het land, in het gehele gewest, onder het gehele volk der Nephieten”, en dat over een periode van drie jaar (16:13–21). Er is geen enkel verslag van de predikingen in die succesvolle plaatsen. Maar wat er in de korte periode in Ammonihah gebeurde beslaat 209 verzen, vijftien maal meer dan in alle andere landen samen. Meer dan de helft daarvan, 125 verzen, houden de predikingen van Alma en Amulek in, in een decor van een vijandig en bedreigend publiek.

De plaatsing van de predikingen in zo’n context geeft ze een dramatische dimensie. Als lezer voel je je veel meer betrokken bij de moed van de predikers, je ziet het publiek als een blok kwaaddoeners, en je vreest voor het lot van de zendelingen. Hetzelfde zien we ook in het Nieuwe Testament, waar de prediking in het kader van confrontaties gebeurt (bijvoorbeeld in Handelingen 13–14, 17–19, 25–26). Wat Alma en Amulek in Ammonihah meemaken wordt, zoals in Handelingen, ook dynamisch verteld, deels in discussies, met woord en tegenwoord, met vragen en antwoorden. Het boeit door de opgebouwde spanning.

Het conflict in Ammonihah ontrolt zich voor de ogen van de lezer. Het eerste verwijt aan de inwoners is enkel dat zij “niet wilden luisteren naar de woorden van Alma”. Dat schrijft Alma toe aan het feit dat Satan “veel vat had gekregen op het hart van de inwoners” (8:9). Het is het klassiek excuus bij falend zendingswerk. Alma komt niet zelf eerst eens luisteren naar de mensen. Hoe hij de toestand in die verre stad kent wordt niet uitgelegd. Zijn doel is dat hij “hen tot bekering zou kunnen dopen” (8:10). Aangezien de mensen weigeren om naar hem te luisteren, predikt hij allicht wat agressiever, waarop de mensen nog afwijzender reageren. Dus “verstokken zij hun hart” (8:11). Voor de inwoners is Alma een stoorzender van een andere kerk: “Wij weten dat gij hogepriester zijt over de kerk die gij in vele delen van het land volgens uw overlevering hebt gevestigd; en wij zijn niet van uw kerk, en wij geloven niet in zulke dwaze overleveringen” (8:11). Alma houdt echter niet af. Gevolg: hij wordt beschimpt, bespuwd en uit de stad “geworpen”, steeds volgens zijn verslag.

Wat is het effect van zo’n vernedering? Hij, tot voor kort nog de opperrechter, nu nog steeds de hogepriester en bezocht door engelen? Dat vreet aan Alma terwijl hij naar een volgende stad reist: “Onder smart gebukt” doorworstelt hij “zielsangst wegens de slechtheid van de mensen in Ammonihah”. Is het zuivere bekommering om hun welzijn, of ook frustratie om de verwerping en misschien een onuitgesproken verlangen naar vergelding? En “het geschiedde terwijl Alma aldus onder smart gebukt ging, dat hem een engel des Heren verscheen” (8:14). Was het een visitatie of een visioen? Een fysieke stem of een ingeving? Hoe verwoorden gelovigen soms jaren later een intense geestelijke ervaring? De engel troost en sterkt Alma: “Gij zijt getrouw geweest”. En wat hij allicht wenste: het gebod terug te keren naar Ammonihah, nu met een wrekende boodschap: “Ja, zeg hun dat indien zij zich niet bekeren, de Here God hen zal vernietigen” (8:16–17). Als lezer zie je al meteen een zeker te vervullen profetie.

Terug in Ammonihah krijgt Alma er een metgezel bij, goddelijk geregeld zoals ook bij de ontmoeting van Saulus en Ananias in Handelingen. Dat is Amulek, een welstellend man, met een geslachtslijn die hij tot Jozef, zoon van Israël, kan terugvoeren, en ook een onderlegd man met veel ervaring, zoals hij later zelf zal vertellen  (10:2–5). Hij wordt de “tweede getuige”, die de titel aan deze les geeft. Er volgt een uitgebreide voorbereiding van Amulek gedurende “vele dagen”, ook door een engel (8:27; 10:10). Dan luidt de opdracht tot beiden: “En het woord kwam tot Alma, zeggende: Ga, en zeg ook tot mijn dienstknecht Amulek: Ga uit en profeteer tot dit volk, zeggende: Bekeert u, want aldus zegt de Heer, tenzij gij u bekeert, zal Ik dit volk in mijn toorn bezoeken; ja, en Ik zal mijn brandende toorn niet afwenden” (8:29). Met die apocalyptische taal lijkt het raderwerk niet meer te stuiten. Onherroepelijk draaien de wielen richting afgrond.

 

Hoe slecht waren de inwoners van Ammonihah?

Pas zeer laat in het verhaal vernemen we dat het volk van Ammonihah “de belijdenis van Nehor” aanhangt (Alma 15:15). Echt eerlijk is dat niet, want al die tijd ervoor veronderstelt de lezer dat Ammonihah een goddeloze, immorele stad is. Veel weten we niet over de leer van Nehor. De enige informatie erover komt daarenboven van Alma zelf of een ander Nephitisch kroniekschrijver, bronnen die we moeilijk neutraal en volledig kunnen noemen. Wat kunnen we uit de verschillende indicaties afleiden? (1:3–6; 15:15; 21:5–8).

  • Nehoren prediken wat ze “het woord Gods” noemen (1:3).
  • Nehor begon “een kerk volgens zijn prediking te stichten” (1:6), maar er is verder geen sprake van een organisatie of van een eenheidsstructuur, wel van een “orde van Nehor” en van “de belijdenis van Nehor”, wat eerder op een religieuze stroming en een algemeen gedachtengoed lijkt.
  • Dat verklaart mogelijk waarom Nehoren niet naar Nehor als stichter of “profeet” verwijzen. Het valt ook op dat de mensen in Ammonihah Alma niet verwijten dat hij, tien jaar daarvoor als opperrechter, Nehor ter dood heeft veroordeeld.
  • Priesters moeten “geliefd” (“popular”) zijn en moeten “door het volk worden onderhouden” (1:3). Zeker niets ongebruikelijks en nog steeds in nagenoeg alle religies zo.
  • Nehoren stellen dat “het gehele mensdom ten laatsten dage behouden zou worden, en dat zij niet behoefden te vrezen of te sidderen, maar dat zij hun hoofd konden opheffen en zich verblijden; want de Heer had alle mensen geschapen en Hij had ook alle mensen verlost; en uiteindelijk zouden alle mensen het eeuwige leven hebben” (1:4). Dat klinkt aanmoedigend, dus van de doem van de erfzonde waren ook zij bevrijd. Er staat niet bij dat ze door die bevrijding naar hartenlust konden zondigen.
  • Er zijn “priesters en leraren, die de belijdenis van Nehor aanhingen”(14:18).
  • De “orde der Nehoren” heeft zich ook verspreid onder de Lamanieten, Amalekieten en Amulonieten, met name in het land Jeruzalem, “genoemd naar het geboorteland van hun vaderen” (wat wijst op een Israëlitisch gedachtengoed). Daar hebben ze “synagogen” waar ze aanbidden (21:4).
  • Nehoren geloven niet in “dwaze overleveringen” en in toekomstvoorspellingen, zoals de komst van de Zoon Gods (21:8).
  • Ze beschikken over “de Schriften”, zoals blijkt uit Alma’s vermaning: “Zie, de Schriften liggen vóór u; indien gij ze verdraait, zal het tot uw eigen vernietiging zijn” (18:20). Het moet gaan om al wat op de koperen platen stond, dus het meeste van het Oude Testament.

Aäron, op zending onder de Lamanieten, betreedt een van de synagogen van de Nehoren en predikt er (wat hem blijkbaar niet belet wordt). Aäron was destijds bekeerd door de verschijning van een engel. Hij getuigt daarvan. Maar mensen die beweren engelen te hebben gezien moeten daarom niet op sympathie rekenen. Een man reageert met:

“Wat is dat waarvan gij hebt getuigd? Hebt gij een engel gezien? Waarom verschijnen engelen niet aan ons? Zie, is dit volk niet even goed als uw volk? Gij zegt ook dat wij verloren zullen gaan, tenzij wij ons bekeren. Hoe kent gij de gedachten en voornemens van ons hart? Hoe weet gij dat wij reden tot bekering hebben? Hoe weet gij dat wij geen rechtvaardig volk zijn? Zie, wij hebben heiligdommen gebouwd en wij komen bijeen om God te aanbidden. Wij geloven dat God alle mensen zal redden” (21:5–6).

De vragen zijn pertinent. Niets wijst erop dat er onder de Nehoren toestanden van Sodom en Gomorra heersten. Natuurlijk kon het van stad tot stad en van streek tot streek verschillen, maar ernstige, specifieke zonden worden nergens vermeld. Geen afgodsbeelden, geen wellustige vruchtbaarheidscultussen, geen menselijke offers zoals bij Baäl-aanbidders in de Bijbel. De “orde van Nehor” is een andere religieuze stroming onder de Nephieten, die allicht op vele punten niet sterk afwijkt van de bron waaruit ze gesproten is, namelijk de wet van Mozes. Nephieten die de wet van Mozes onderhouden hebben al sinds Nephi moeite gehad met de voorspellingen rond de komst van Christus.

Wat Alma en Amulek aanklagen zijn “ongerechtigheden”, in het Engels iniquities, een vage verzamelnaam voor mistoestanden.[1] Ook een algemene “slechtheid” (in het Engels wickedness).[2] De Nederlandse vertaling van wickedness  door goddeloosheid impliceert onterecht een verwerping van God. Een andere godsdienstbeleving, zoals die van de Nehoren, kun je echter niet van goddeloosheid betichten. Zeker, er kwamen ongetwijfeld “ongerechtigheid” en “slechtheid” in Ammonihah voor, zoals in elke gemeenschap, maar dit soort vaag, suggestief taalgebruik zegt niets over de ernst en de verspreiding van vormen van kwaad. Alma noemt de Ammonihahieten een verstokt, halsstarrig, verloren en gevallen volk (9:30–32). Omdat ze tot de orde van Nehor behoren en niet tot zijn kerk willen toetreden?

Het enige wat kenmerkender aan bod komt, is het winstgedrag van rechters die, “onderlegd in alle listen en geslepenheden van het volk”, “rellen en beroeringen” uitlokken om meer werk te hebben (10:15; 11:20). Vandaar ook de uitweiding over het rekensysteem, alsof de opgeklopte grootte van hun loon de ware zonde van heel Ammonihah is. Amulek stelt het onomwonden: “Ik zeg u dat het fundament van de vernietiging van dit volk nu wordt gelegd door de onrechtvaardigheid van uw wetgeleerden en uw rechters” (10:27). Is het dan niet bedenkelijk dat die “onrechtvaardigheid” op het hoofd van allen zal neerkomen? Het volk van Ammonihah raakt, begrijpelijk, danig geïrriteerd door de beschuldigingen, veralgemeningen en apocalyptische bedreigingen. Hun reactie betreft ook niet de vermeende immoraliteit van het volk, maar de aanval op hun legaal systeem: “Deze man beschimpt onze wetten, die rechtvaardig zijn, en onze wijze wetgeleerden, die wij hebben gekozen” (10:24).

Typerend is ook dat de daaropvolgende discussies (hoofdstukken 11 tot 13) niet over welbepaalde zonden van het volk gaan, maar over leerstellingen. Rechter Zeezrom en hoofdregeerder Antionah stellen doctrinale vragen, mogelijk om Alma en Amulek in een val van contradicties te lokken en hen zo te kunnen beschuldigen van onbetrouwbaar getuigenis en leugens, maar het resultaat is een uitgebreide uitleg over fundamentele aspecten van het evangelie. Alma en Amulek spelen het spel van de valstrik trouwens mee en slagen erin, volgens hun verslag, Zeezrom tot inzicht te brengen (12:1). Wat de uiteindelijke doorslag geeft is angst. De leer van Nehor was geruststellend. Wat Alma en Amulek verkondigen is angstwekkend. Amulek, tegen het einde van zijn toespraak: “… wij zullen voor God worden gebracht, en weten zoals wij nu weten, en een levendige herinnering aan al onze schuld hebben … voorgeleid en ter verantwoording geroepen voor het gerecht van Christus de Zoon, en God de Vader, en de Heilige Geest” (11:43–44). Zeezrom begint te sidderen (12:1). Alma voegt er aan toe dat Zeezrom onder invloed van de duivel staat – “hij heeft zijn macht in u uitgeoefend” – om “u met zijn ketenen te omsluiten en u aan eeuwigdurende vernietiging vast te ketenen volgens de macht van zijn gevangenschap” (12:5–6). Zeezrom begint “nog heviger te sidderen” en “hen zorgvuldig te ondervragen om meer te weten te komen over het koninkrijk Gods” (12:7–8). Waarop Alma een nog schrikwekkender beeld schetst van de eeuwigdurende kwellingen die de onrechtvaardigen wacht in de poel van vuur en zwavel (12:16–18). Dan volgen er leerstellige vragen van hoofdregeerder Antionah, wat Alma de gelegenheid geeft om te antwoorden in een lange, ononderbroken toespraak (12:22 tot 13:31). Die eindigt echter opnieuw bedreigend: bekeert u “opdat gij zijn verbolgenheid niet over u heen brengt, opdat gij niet door de ketenen der hel wordt gebonden, opdat gij niet de tweede dood ondergaat”.

 

Polarisering en escalatie

Samen met Zeezrom aanvaardt een deel van het volk Alma’s woorden. Het geschiedde “dat velen van hen zijn woorden geloofden en begonnen zich te bekeren en de Schriften te onderzoeken” (14:1). Die onmiddellijke nadruk op Schriftonderzoek suggereert meer be-kering  in leerstellingen dan in gedrag, conform de voorgaande prediking en discussies. Het “merendeel” van het volk is echter “vertoornd”. Waar vroeger de mensen allicht tolerantie vertoonden voor elkaars niet-bedreigende meningen en gedrag, raken de gemoederen verhit door de aard van het onderwerp: het gaat hier om een keuze met eeuwige implicaties. Het gaat om wat God later met je zal doen. De breuk is absoluut, aan de ene kant een verbolgen meerderheid vanuit hun oude zekerheden, aan de andere kant een minderheid in de excitatie van hun bekering. Er komt een massabeweging op gang. Als gevangenen moeten Alma en Amulek voor de opperrechter verschijnen terwijl het volk hen overlaadt met beschuldigingen. Twee beschuldigingen steken er boven uit: burgerlijk, de beschimping van de wet en de wethouders; religieus, de verkondiging dat God zijn zoon zou zenden en dat die hen niet zou redden. Niets expliciet over moraliteit. Zeezrom komt er krachtig tussen: “Deze mannen zijn vlekkeloos voor het aangezicht van God” (14:7). Uit de reactie van het volk – “Zijt ook gij van de duivel bezeten?” – blijkt dat alles nu extreem religieus opgeklopt is. De confrontaties worden fysisch: bespuwing, uitwerping, steniging.

Dan volgt een gruwelijk tafereel: “En zij dreven hun vrouwen en kinderen bijeen; en allen die het woord Gods geloofden, of wie men had geleerd erin te geloven, lieten zij in het vuur werpen” (14:8). Wie is “zij”? De machthebbers? De wetgeleerden? Je kunt je moeilijk voorstellen dat in een stad met zo’n uitgebouwd rechtssysteem, waar de rechters hun geld aan langdurige processen verdienden, dit zomaar snel beslist en uitgevoerd zou zijn.  Daarbij, als het een georganiseerde uitroeiing was geweest, waarom dan ook niet mannen, en Alma en Amulek zelf? Kwam de impuls niet eerder van het opgehitste gepeupel in een frenesie die niet te stoppen viel? Heeft Alma’s prediking over de dreigende poel van vuur en zwavel de verbeelding opgezweept en zo ongewild de aanzet gevormd? Was het bijeendrijven van vrouwen en kinderen een berekende razzia doorheen de stad of “slechts” een lokaal oproer dat uit de hand liep en waar de zwaksten het makkelijk slachtoffer van werden? Het maakt niets uit voor de verschrikking op zich, maar wel voor de historische beoordeling. Is het verslag hier bewust suggestief door gebrek aan meer informatie?

 

Protestantse Katherine Cauches en dochters op de brandstapel_British MuseumProtestantse vrouwen op de brandstapel in 1556: Catherine Cawches en dochters Guillemine en Perotine. In de verzengende hitte barstte de buik van de zwangere Perotine open. De baby werd terug in het vuur geworpen. Ets, British Museum.

 

Alma en Amulek worden naar “de plaats der martelaren” gevoerd om “de vernietiging te aanschouwen”. Reactie van een zielsgepijnigde Amulek: “Laten wij daarom onze handen uitstrekken en de macht Gods, die in ons is, aanwenden en hen uit de vlammen redden”. Alma weigert:

“De Geest dringt er bij mij op aan dat ik mijn hand niet moet uitstrekken; want zie, de Heer neemt hen in heerlijkheid tot Zich op; en Hij laat toe dat zij dit doen — ofwel dat het volk hun dit aandoet — volgens de verstoktheid van hun hart, opdat de oordelen die Hij in zijn verbolgenheid over hen zal uitspreken, rechtvaardig zullen zijn” (14:11).

Of twijfelde Alma even aan zijn kunnen? In ieder geval stelt Amulek’s voorstel een ultieme gewetensvraag  aan Alma, maar ook een ultieme vraag over Alma’s visie op Gods handelen. Laat God het lijden toe om rechtvaardiger te kunnen oordelen? Zou de redding van de slachtoffers de schuldigen minder schuldig hebben gemaakt? Het zijn vragen met verregaande ethische implicaties. Ook: is niet de intentie en de poging, maar enkel het resultaat de norm voor straf?[3]

Hoeveel slachtoffers er onder de vrouwen en kinderen vallen is niet gemeld. Later leren we dat Alma en Amulek in Sidom “alle mensen aantroffen die uit het land Ammonihah waren vertrokken, die waren uitgeworpen en gestenigd omdat zij in de woorden van Alma geloofden” (15:1). Religieuze vluchtelingen. En dan deze korte melding: Alma en Amulek “vertelden hun alles wat hun vrouwen en kinderen was overkomen, en ook aangaande henzelf en hun kracht tot bevrijding”. Zijn “hun vrouwen en kinderen” die van echtgenoten en vaders tot wie Alma en Amulek nu spreken? Zo ja, hoe reageerden de vluchtelingen op dat nieuws? Vertelde Alma er ook bij dat hij die vrouwen en kinderen had kunnen redden, maar dat God, volgens Alma’s aanvoelen, verkoos ze te laten sterven in het vuur? Terwijl hij en Amulek bevrijd werden? Veel blijft onuitgesproken in de Schriften, maar de menselijke tragedies zijn er niet minder schrijnend om.

Terug naar de smeulende brandhaard. De opperrechter grijpt de verschrikking aan om de rollen om te draaien: Alma had gepredikt dat de onrechtvaardigen in een poel van vuur en zwavel zouden terechtkomen. Nu zijn Alma’s volgelingen in een poel van vuur verteerd. En inderdaad blijkt er een connectie tussen Alma’s prediking en wat er is gebeurd:

“Zult gij, na hetgeen gij hebt gezien, wederom tot dit volk prediken dat zij in een poel van vuur en zwavel zullen worden geworpen? Zie, gij bemerkt dat gij niet de macht hadt om hen die in het vuur waren geworpen, te redden; evenmin heeft God hen gered omdat zij van uw geloof waren” (14:14–15).

Uw geloof, mijn geloof. De waanzin draait om het “juiste” geloof. De andere moet branden, hier op aarde of later in de hel. Het is pas op dit punt dat we vernemen dat de opperrechter “naar de orde en het geloof van Nehor” is. Suggereert dit dat de schuld voor het gebeuren aan dat geloof te wijten is?

Nog steeds volgens het verslag van Alma blijkt hoezeer het conflict nu tot een wraakzuchtige inquisitie is uitgegroeid. “Vele wetgeleerden en rechters en priesters en leraren, die de belijdenis van Nehor aanhingen” trekken herhaaldelijk naar de gevangenis om er Alma en Amulek te ondervragen, en ook te beschimpen en te bespuwen. Beiden antwoorden niet meer: oordelen zij dat hun doel is bereikt en dat de tegenstanders het alleen maar erger voor zichzelf kunnen maken? Bij de volgelingen van de belijdenis van Nehor overheerst woede. Vanuit hun standpunt hebben Alma en Amulek verdeeldheid en ellende over de stad gebracht. De bedreigingen van vernietiging zitten hun hoog. Die twee zijn ordeverstoorders en opruiers. De wetgeleerden en hun aanhang komen de gevangenen tergen en uitdagen: “Indien gij de macht Gods hebt, bevrijdt uzelf dan van deze banden, en dan zullen wij geloven dat de Heer dit volk zal vernietigen volgens uw woorden”. Maar zoeken zij in dat agressief optreden ook niet de zekerheid dat Alma’s verkondiging niet waar is? In onzekerheid knaagt angst. En angst moet bedwongen worden. Alma en Amulek moeten dus bewijzen dat ze geen macht hebben.

 

Gerard Hoet_Paulus en Silas in de gevangenis“Paulus en Silas in de gevangenis” door Gerard Hoet (1648-1733)

 

Het verhaal voert ons zo naar een eindpunt, in de lijn van vergelijkbare ontknopingen in de Bijbel. Uit het Nieuwe Testament: een aardbeving die Paulus en Silas uit de gevangenis bevrijdt. Uit het Oude Testament: de kracht van Samson die de tempel van Dagon op de Filistijnen laat instorten. “En Alma en Amulek kwamen uit de gevangenis tevoorschijn, en zij waren ongedeerd … De gevangenis was ingestort, en iedere ziel binnen de muren ervan, op Alma en Amulek na, was gedood” (14:28).

Maar het is niet genoeg dat al die spotters en vervolgers verpletterd zijn. Minder dan een jaar later vallen de Lamanieten binnen en moorden de bevolking van Ammonihah uit. De kroniek verhaalt het zo wrang dat de lezer er enige voldoening van de schrijver in kan bespeuren:

“… ja, iedere levende ziel der Ammonihahieten was vernietigd, en ook hun grote stad, die God volgens hen niet kon vernietigen wegens haar grootheid. Doch zie, in één dag werd ze woest achtergelaten; en de lijken werden verscheurd door de honden en de wilde dieren van de wildernis. Niettemin werden hun dode lichamen na vele dagen op het oppervlak der aarde opgehoopt en ze werden met een dunne laag aarde bedekt. En nu was de stank daarvan zo kwalijk, dat het volk er vele jaren lang niet heenging om het land Ammonihah te bezitten. En het werd de Woestenij der Nehoren genoemd, want zij die waren gedood, hadden de belijdenis van Nehor aangehangen; en hun landerijen bleven woest liggen.” (16:9–11).

 

Nabeschouwing

Het verhaal van Ammonihah nodigt tot meer reflectie uit dan enkel de leerstellige passages in de toespraken van Alma en Amulek. Zo zijn er de uitdagingen van historische verslaggeving, het doel en de gevolgen van zendingswerk, de houding tegenover verschillend gedachtengoed, het gebruik van Gods stem en Gods macht, en de daarbij horende ethische kwesties (zie hierboven). Geen onderwerpen om onvoorbereid in een les te bespreken.

Historische verslaggeving. Hoe authentiek gebeurtenissen ook zijn, ze komen tot ons via de woorden van een schrijver. Als die mogelijk pas na jaren zijn ervaringen noteert, hoe scherp staat alles hem nog voor de geest? Welke latere gebeurtenissen werpen een ander licht op het voorgaande? Hoe interpreteert iemand zijn geestelijke ervaringen van lang geleden? Als de auteur schrijft voor komende generaties, hoe wil hij dan herinnerd worden en welke lessen wil hij meegeven? Zelfs als hij het verhaal zo accuraat mogelijk meent weer te geven, welke afwegingen spelen er in de keuze van details en van woorden? Komt het standpunt van “tegenstanders” eerlijk aan bod? Deze vragen gelden niet alleen voor het Boek van Mormon, maar voor alle Schriftuur en voor alle geschiedschrijving. Vaak maakt zo’n vragende benadering een tekst pas echt authentiek en geloofwaardig. Door ons trachten in te leven in alle protagonisten van het verhaal ontdekken we mogelijke nuances die het allemaal veel menselijker en dus reëler maken.

Alma wil en moet zendingswerk verrichten. Het drama van Ammonihah biedt de gelegenheid om hierover na te denken. Hoe mensen benaderen die een andere, maar verwante godsdienst belijden? Is de andersdenkende per definitie slecht? Misschien waren de inwoners van Ammonihah inderdaad gruwelijke zondaars, maar de vraag blijft welke norm Alma hanteerde om van “ongerechtigheden” te spreken. In welke mate moeten zendelingen beseffen dat ook zij drama’s kunnen veroorzaken? Wat betekent bekering? Bekeren van zonden of eerder bekeren van de ene kerk naar een andere? Is dat laatste altijd verantwoord? In welke omstandigheden en onder welke voorwaarden is zendingswerk wel verantwoord? Is zendingswerk aansprakelijk voor gezinsbreuken? Voor scheuringen in de bevolking? Voor bloedige omwentelingen? De geschiedenis van onze eigen landen toont hoe de zendingsijver van de Reformatie, en daarna van de Contrareformatie, de beeldenstormen, de godsdienstoorlogen, de folteringen van de inquisitie en de brandstapels ontketenden. Aan beide kanten in de naam van God en over hetzelfde fundamenteel twistpunt: wat verzekert je de hemel of de hel? Dat gaat om onze voorouders van nog niet zo lang geleden.

Nu vlak bij ons ervaren we opnieuw de gevolgen van religieuze radicalisering. Die begint bij polarisering: wij zijn goed, de andere is “de vijand” waarmee we “in oorlog” zijn. Is het fenomeen ons als mormonen volledig vreemd? Hoe klinkt de retoriek in onze lessen en in onze toespraken, ook en vooral naar kinderen en jongeren toe? Wat kunnen negatieve effecten zijn van het vaag en globaal afschilderen van “de wereld” als slecht? Hoe kunnen we toleranter zijn, hoe betere vredestichters, zonder onze eigenheid en onze normen op te geven? Maar ook in eigen kerk: in welke mate kunnen we diversiteit in geloof en beleving aanvaarden?

 

2 – Rekenen bij de Nephieten: senine, seon, shum, limnah…

Tenzij anders aangeduid verwijzen de versnummers naar Alma.

Munten of gewichten?
De mogelijke oorsprong van de woorden
Een rekensysteem conform de antieke wereld

Het eerste deel van Alma 11 is verrassend. We zitten midden in het dramatisch verhaal van Alma en Amulek. De toorn van het volk is tegen hen ontketend hen en beschuldigingen overspoelen hen (hoofdstuk 10). Wat later zullen we vernemen hoe afgrijselijke vervolgingen de vrouwen en kinderen van de gelovigen treffen, hoe Alma en Amulek gebonden en gepijnigd worden, hoe ze tijdens een aardbeving bevrijd worden, terwijl de instorting van de gevangenis alle bewoners doodt (hoofdstuk 14). Daartussen, als een soort “pedagogische onderbreking” tijdens een gruwelfilm, krijgen we een uitleg over het rekensysteem bij de Nephieten. Die informatieve inlassing kun je enigszins rechtvaardigen. Op dit scharniermoment van het verhaal meent de kroniekschrijver dat hij de motivatie van de protagonisten moet verduidelijken. Het laatste vers van hoofdstuk 10 meldt dat “het oogmerk van deze wetgeleerden gewin” is en dat hun gewin afhangt van “de hoeveelheid van hun werk”. Dat vraagt dan weer een woordje uitleg over de wetgeving die loon naar werk voorziet en zo kom je bij het tarief van de “senine goud” per dag (11:1–3). Dat ontlokt dan de uitleg over het rekensysteem. Het vormt een nuttige achtergrond voor wat er onmiddellijk op zal volgen, namelijk de listige omkopingspoging van Zeezrom: “Zie, hier zijn zes onti zilver, en ik geef ze u alle indien gij het bestaan van een opperwezen wilt loochenen” (11:22). Om de omvang van dat aanbod te vatten is voorafgaandelijke uitleg gewenst, oordeelde allicht de kroniekschrijver. Vermoedelijk voegde hij die uitleg over het rekensysteem pas later in de kroniek in, als een soort uitgebreide voetnoot. Deed Mormon het bij de samenstelling van de kronieken?

 

Munten of gewichten?

“Nu werd er aldus gerekend: een senine goud, een seon goud, een shum goud en een limnah goud. Een senum zilver, een amnor zilver, een ezrom zilver en een onti zilver… Nu was de hoeveelheid van een seon goud tweemaal de waarde van een senine…” (11:5–8).

De tekst gaat dan verder met uitleg over de verhoudingen tussen de verschillende maten en met de namen voor kleinere hoeveelheden.

De citatie hierboven komt uit een vroegere editie van het Boek van Mormon. De huidige vertaling geeft “Nu is hun geldstelsel als volgt” voor het Engels “Now the reckoning is thus”. Dat is een hele stap. Nog problematischer is de weergave in vers 14, waar het originele Engels “Now this is the value of the lesser numbers of their reckoning” vertaald wordt door “Dit nu is de waarde van de kleinere munten van hun geldstelsel”. Die vrije interpretatie is te betreuren, niet alleen als significante vertaalafwijking, maar ook omdat algemeen aanvaard wordt dat de Nephieten, zoals alle Oud-Amerikaanse volkeren, geen “munten” in een “geldstelsel” kenden. Door met geld en munten te vertalen zet je de deur open voor nodeloze kritiek. De vroegere Nederlandse edities gaven een veilige, letterlijke vertaling: “Dit nu is de waarde van de lagere cijfers van hun rekenwijze”. Enige schuld voor de “geldpiste” treft de toegevoegde samenvatting boven het hoofdstuk: “The Nephite monetary system is set forth”, wat dan in het Nederlands nog wat specifieker vertaald werd als “Het Nephitische muntstelsel wordt uiteengezet”. Maar de tekst zelf rechtvaardigt die interpretatie niet.

 

Funerary stele of a merchant of Maraş (modern city of Kahramanmaraş)Grafstele voor een handelaar van Maraş, 8ste eeuw v.C. (thans Kahramanmaraş, Turkije)

Het is quasi zeker dat de termen senine, seon, shum, enzovoort, naar een reeks geijkte gewichten verwijzen. In een weegschaal meten die het gewicht van aangeboden goud en zilver. Dit systeem was ruim gebruikelijk in alle oude beschavingen van het Midden-Oosten, zoals talrijke beeltenissen bevestigen. Als betaalmiddel voor goederen gebruikten mensen bepaalde hoeveelheden goud of zilver. Lang voordat er van munten sprake was, ging het om “verschillende stukken van hun goud en van hun zilver volgens hun waarde” (11:4, namelijk “different pieces of their gold, and of their silver according to their value” – de vertaling “goud- en zilverstukken” is minder goed omdat dit in het Nederlands munten suggereert). Meestal waren die “stukken” brokjes edel metaal, gesmolten in staafjes of bolletjes van uiteenlopende grootte. Bij betaling werd de juiste waarde ervan dan met de weegschaal en de geijkte gewichten nagewogen. Zo kocht Abraham een stuk land door zilver af te wegen “naar de gangbare waarde voor de koopman” (Genesis 23:15–16). In het Oude Testament vinden we meer dan eens waarschuwingen voor de eerlijke toepassing: “Een bedrieglijke weegschaal is voor de Heere een gruwel” (Spreuken 11:1). “U moet een zuivere weegschaal hebben, zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin” (Leviticus 19:36). Efa en hin waren inhoudsmaten, respectievelijk voor ongeveer 40 liter en ongeveer 6,5 liter. Ook die moesten correcte hoeveelheden inhouden.[4]

Hugh Nibley vestigt de aandacht op een finesse in het Engels, die lezers en ook vertalers makkelijk ontgaat.[5] Bij de vergelijking tussen de eenheden voor goud is er sprake van waarde, bijvoorbeeld: “Nu was het bedrag van een seon goud tweemaal de waarde van een senine” (11:8). Maar bij de vergelijking tussen de eenheden voor zilver is sprake van grootte. In het Engels: “And an amnor of silver was as great as two senums. And an ezrom of silver was as great as four senums. And an onti was as great as them all” (11:11–13). Onze Nederlandse vertalingen (vroegere en huidige) geven dit weer als evenveel als. Hugh Nibley meent dat great op een vergelijking van letterlijke afmetingen slaat, zoals passend bij gewichten. In ieder geval zou de Nederlandse vertaling zo groot als moeten zijn, conform de opdracht zo dicht mogelijk bij het Engelse origineel te blijven. Het is inderdaad verrassend wat woorden soms verbergen.

In het Oude Israël was de shekel de naam voor dergelijke gewichten, teruggaand op een Akkadisch woord šiqlu of siqlu, meer dan tweeduizend jaar voor Christus. Pas na Lehi’s vertrek uit Jeruzalem verscheen in het Oude Israël een geldsysteem van munten, waarvoor de naam shekel gebruikt zou blijven.[6] Maar in Lehi’s tijd spreekt Nephi nog steeds van “goud en zilver”, bijvoordbeeld als betaalmiddel voor de koperen platen (1 Nephi 3:22–24). Eenmaal op het westelijk halfrond waren goud, zilver en koper de ertsen die de Nephieten delfden (1 Nephi 18:25). Het zoeken naar en het bezit van “veel goud en zilver” vermeldt Jakob als belangrijke factor in groeiende sociale verschillen (Jakob 1:16; 2:12–13). In goud en in zilver betaalt men belastingen (Mosiah 2:12; 11:3; 19:15). Als het volk van Limhi naar Zarahemla vlucht, nemen zij “al hun goud en zilver” mee. De rijkdom van de kerkleden wordt onder meer gemeten aan hun “overvloed van graan en van goud en van zilver en van kostbaarheden” (Mosiah 1:29). Tot 300 n.C. lezen we nog: “En zij verzamelden goud en zilver in overvloed en dreven handel in allerlei handelswaar” (4 Nephi 1:47). In die omstandigheden is het evident dat er normen moesten zijn die de waarden van goud en zilver aan specifieke handelswaar koppelden.

Het woord geld (vertaald vanuit money) verschijnt wel een paar keer in het Boek van Mormon in de betekenis van betaalmiddel, maar nooit gepreciseerd als munten, en in Schriftuurlijke uitdrukkingen als “Komt tot Mij, al gij einden der aarde, koopt melk en honing zonder geld en zonder prijs” (2 Nephi 26:25). Daarenboven is deze zin, en gelijkaardige elders, een citatie van Jesaja, uit een periode dat er evenmin munten of gewoon “geld” bestonden. “Geld” is hier een vertaling van het Hebreeuwse kesep, wat “zilver” betekent. In Alma 11 komt het woord “geld” ook voor, maar precies om “geld” als betaalmiddel in gewicht in goud en zilver te beschrijven. De aanleiding is namelijk dat rechters rechtszaken aanwakkeren “zodat zij geld zouden krijgen, naargelang de rechtszaken”.

 

Muurschildering in het graf van Panekhmen-Egypte West Thebe-19de dynastie 1295 1186 vCMuurschildering in het graf van Panekhmen, West Thebe, Egypte, 19de dynastie (1200 v.C.)

 

De standaard voor vergelijking, zoals ook bij andere antieke volkeren, was een zekere hoeveelheid graan: “Een senum zilver was gelijk aan een senine goud, die ieder gelijk waren aan een maat gerst, en ook aan een maat van alle soorten graan” (11:7). Graan was kostbaar als basisproduct. In tegenstelling tot groenten, fruit of vlees, was graan houdbaar en stockeerbaar. Het verzekerde overleving in moeilijke tijden. De waarde ervan blijkt uit Joseph’s optreden als onderkoning van Egypte toen hij tijdens de “vette jaren” graan liet stockeren met het oog op de magere jaren die zouden volgen. Graan was dan ook een standaard voor handelswaarde en de graanhandel was eeuwenlang een van de belangrijkste van het Middellandse Zeebekken en het Midden-Oosten.[7]

Interessant is wel dat “gerst” als eerste norm voor de maat staat aangegeven, en dan pas “een maat van alle soorten graan”. Dat gerst als eerste waardenorm in Babylonië en in Egypte gold, is pas in de jaren 1850 ontdekt. Nu is de prioritaire plaats van gerst in de antieke graanhandel ruim bekend onder experten.[8] Het voordeel van gerst is dat het minder vocht dan tarwe nodig heeft en dus beter kan groeien op niet-geïrrigeerd land. Maar de voorkeur voor gerst heel veel te maken met zijn capaciteit om er bier uit te brouwen, wat sinds de verste oudheid onder alle toenmalige beschavingen bekend en gegeerd was.[9]

 

Weight stones from the First Temple period. Clockwise from top-left_beka, pim, two shekels and nezeph.Israëlitische gewichten uit de eerste tempelperiode. Klokgewijs van links boven: een beka, een pim, een dubbele shekel en een nezeph.[10]

 

De mogelijke oorsprong van de woorden

Voor goud is sprake van senine, seon, shum en limnah; voor zilver is sprake van senum, amnor, ezrom en onti. Voor “de waarde van de lagere cijfers van hun rekenwijze” gelden de termen shiblon, shiblum en leah. En is ook nog de mysterieuze antion, “gelijk aan drie shiblon”. De uitleg in Alma 11 verduidelijkt de relatieve waarde van het ene item ten overstaan van een ander. Kunnen we een mogelijke oorsprong van die woorden terugvinden? Woordvormen evolueren met de tijd, maar in veel gevallen kan men het spoor naar het verleden volgen zolang er maar teksten van vorige eeuwen voorhanden zijn. De precieze oorsprong van de Nephitische termen kan niet achterhaald worden, maar taalhistorisch onderzoek levert wel mogelijke overeenkomsten. John Welch haalt volgende voorbeelden aan.[11]

  • Bij de kleinere eenheden had een shiblum de waarde van een kwartmaat gerst (Alma 11:15–17). In de Printer’s copy (de handgeschreven kopie voor de drukker) was het woord echter shilum gespeld. De wijziging naar shiblum is er dan bij het zetwerk ingeslopen door de gelijkenis met shiblon, een van de andere maten. Het is pas onlangs, door de studies in het kader van de Joseph Smith Papers, dat het verschil is opgemerkt. Shilum kan men associëren met het Hebreeuws illum of shillum, dat terugbetaling of retributie betekent. Er is ook een mogelijk verband met het Akkadische illum of shilum, dat een lengtemaat is. Via etymologische associatie duidt shilum dan zowel op betaling als op maat.
  • De limnah kan in verband gebracht worden met de mina of maneh, gekend in het Hebreeuws en in Mesopotamië als een standaardgewicht van ongeveer 500 gram. Aangezien de limnah 56 leah waard is, zou een leah, als kleinste basiseenheid, omstreeks 8,9 gram gewogen hebben. Dat stemt overeen met de Babylonische šiqlum of shekel van 8,5 gram. Volgens Welch kun je vervolgens een duidelijk verband leggen met de Hebreeuwse standaard van 50 shekel voor een mina en met de Egyptische indelingen voor graanwaarden. De systemen liggen zeer dicht bij elkaar.
  • Een senum, de basiseenheid voor zilver, stemt overeen met “een maat gerst” (Alma 11:7). Het woord kan met een Hebreeuwse oorsprong geassocieerd worden. Als evidente kandidaat geldt seni of senayim (tweevoudig) van een stam die tweede, twee of dubbel betekent. Het verband wordt versterkt door het feit dat een senum een dubbele shiblon is, dus zoals men vroeger in Nederland over “een dubbeltje” sprak, een geldstuk dat twee stuivers waard was.

Een ander mogelijk verband voor senum is de Akkadische benaming še’um. Het woord kan voor verschillende graansoorten kan gebruikt worden, maar Hildegard Lewy geeft de voorkeur aan gerst in haar studie van Assyro-Babylonische en Israëlitische inhoudsmaten.[12] In het Boek van Mormon staat een senum voor een maat gerst.

 

Een rekensysteem conform de antieke wereld

“Dit nu zijn de namen van hun verschillende stukken van goud en zilver, volgens hun waarde. En de namen zijn gegeven door de Nephieten, want zij rekenden niet op de wijze der Joden die in Jeruzalem waren; ook maten zij niet op de wijze der Joden; maar zij hebben hun rekenen [niet “geldstelsel” zoals in de huidige vertaling] en hun maten in ieder geslacht veranderd volgens de inzichten en omstandigheden van het volk, tot aan de regering der rechters die door koning Mosiah waren aangesteld” (Alma 11:4).

De schrijver benadrukt dat het Nephitische systeem anders is dan bij de Joden in Jeruzalem en dat het systeem in de loop der eeuwen volgens behoeften gewijzigd is. Die bezorgdheid voor goed begrip typeert elke oude beschaving wanneer het over waarden, maten en gewichten gaat: men waarschuwt voor andere “wisselkoersen” en men behoedt zich aldus voor misverstanden. In de verre oudheid had elk rijk immers zijn eigen systeem om te rekenen en om handel te kunnen drijven. De groei van de internationale handel verplichtte ook tot geregelde aanpassingen en nieuwe standaardiseringen. Vandaar, bij de Hethieten, Assyriërs, Babyloniërs, Feniciërs en anderen, de talrijke codes en wetteksten die hun systemen verduidelijken. Al in de “code van Eshnunna”, die dateert van omstreeks 1800 v.C. in het Babylonische rijk, vinden we openingszinnen als een echo van Alma 11: “Een kor gerst is gelijk aan een shekel zilver”.[13] De code van Eshnunna is trouwens een dankbaar onderwerp om te vergelijken met de Nephitische economie.[14] Al vele jaren buigen wetenschappelijk studies zich over goud- en zilverwaarden en de eraan gekoppelde prijzen voor handelswaar in de antieke wereld.[15]

Interessant is dat deze oude systemen, ondanks hun verschillen, wel algemene rekenprincipes gemeen hadden, namelijk het rekenen met fracties en een gelijkstellen van waarden met hoeveelheden graan. De basis van het fractioneel rekenen is de helft of het dubbel:

“Nu was het bedrag van een seon goud tweemaal de waarde van een senine. En een shum goud was tweemaal de waarde van een seon… En een amnor zilver was evenveel als twee senum… Een shiblon is een halve senum; daarom, een shiblon voor een halve maat gerst. En een shiblum is een halve shiblon. En een leah is de helft van een shiblum” (Alma 11:8–9; 15–17).

Men kon daarop voortbouwen met vierdes: “En een ezrom zilver was evenveel als vier senum” (11:12). Ook een samenstelling vanuit derdes is mogelijk: “Nu is een antion goud gelijk aan drie shiblon” (11:19). In fracties uitgedrukt konden de Nephieten dus snel rekenen als het om de helft (½), een kwart (¼) of een derde (⅓) ging. De noemer van de breuk is echter altijd één. Een woord als driekwart (¾) of vijf achtste (⅝), viel blijkbaar buiten hun uitdrukkingsmogelijkheden. Maar het beperkte niet de rekencapaciteit omdat de bestaande termen ook alle gebruikelijke combinaties aankonden. Driekwart (¾) werd dan de helft (½) plus een kwart (¼), of drie keer één kwart.

De Nephieten hadden nog een ander begrip dat wij in ons decimaal stelstel niet kennen: “En een limnah goud was de waarde van alle tezamen” (11:10), dus van een senine, een seon en een shum. De samentelling geldt ook voor de onti, die de gewichten voor het zilver, namelijk de senum, de amnor en de ezrom samentelt. Schematisch, met hun waarden, geeft dit:

L23_reken1

Het handige van dit systeem is dat veel combinaties mogelijk zijn met een beperkt aantal gewichten op de weegschaal. Dat is belangrijk om snel te kunnen wegen en de schaal niet te vol te moeten zetten. Voor de waarden 1, 2, 4 en 7 heb je maar één gewicht nodig, want dat zijn de basisgewichten. Voor de waarden 3, 5, 6, 8, 9, 11 en 14 heb je maar een combinatie van twee gewichten nodig. De waarden 10, 12, 13, 15, 16 en 18 bereik je met drie gewichten.

De kleine gewichten, dus voor een waarde minder dan een maat gerst, verdelen zich als volgt, in eenzelfde systeem van helften:

L23_reken2

De “joker” is echter de antion in goud, die drie shiblon waard is, dus anderhalve senum. Daarmee konden makkelijk extra fracties worden ingelast, bijvoorbeeld door een antion in de weegschaal te leggen en er een shiblum of een leah van weg te trekken of bij te voegen.

Wie het anders wil uitzetten: begin met de leah als basiseenheid één (=1). Dan is de shi(b)lum 2 leah waard. Klim verder op en dan kom je uiteindelijk aan 56 basiseenheden bij de limnah en de onti. Zeezrom probeerde Amulek om te kopen met zes onti. Hoeveel leah zou dat zijn? Hoeveel maten graan?

Hoeveel een Nephitische maat graan in kilo vertegenwoordigt weten we niet. Met een overvloed aan goud en zilver in de handel zal de koers er wel heel anders uitgezien hebben dan nu. En de koers werd ongetwijfeld sterk beïnvloed door overaanbod of door tekort aan graan.

 

Egyptish wedjat-oogHet Egyptische oog van Horus symboliseerde de vrouwelijke zon (Sekhmet). De fractionele onderdelen van het oog staan voor ruiken, zien, denken, horen, proeven en voelen.

 

Vergelijkingen van de Nephitische rekenwijze met andere antieke systemen die fractioneel werken zijn boeiend, bijvoorbeeld de Egyptische. Paul Jesclard gebruikte de fracties in het Oog van Horus of de “wadjet” voor zo’n vergelijking.[16] Ook de Egyptenaren maten de waarden van graan in hoeveelheden goud en zilver, met fracties zoals bij de Nephieten. We weten dat Lehi ook een Egyptische achtergrond had. Associaties met andere systemen illustreren de authentieke wereld van de Nephieten, maar wetenschappelijke objectiviteit moet ons behoeden voor te vergaande conclusies.

Opmerking: de huidige Nederlandse vertaling geeft limna zonder h, en lea zonder h, terwijl alle vorige Nederlandse edities limnah en leah gaven, conform het originele Engels. Dergelijke wijziging kan men niet rechtvaardigen voor een onbekend woord. Elke letter heeft haar waarde als aanwijzing van uitspraak en voor mogelijk etymologisch onderzoek.

 

3 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde verzen

Alma 8:6 – Ammonihah, Moronihah, Nephihah…
Alma 8:13 – Een polysyndeton
Alma 8:20 – “En de man zeide tot hem: Ik ben een Nephiet”
Alma 8:22 – God danken na de maaltijd
Alma 9:19-23 – Nog een polysyndeton: Na… na… na… te hebben… te zijn…
Alma 10:11 – Was Amulek een polygamist?
Alma 11:5–19 – Het Nephitische rekensysteem
Alma 12:11 – De ketenen der hel
Alma 12:21 – Cherubim

Alma 8:6 – Ammonihah, Moronihah, Nephihah…

Dat het suffix –(i)hah een zekere betekenis heeft is hoogstwaarschijnlijk. Een makkelijke uitleg is het te beschouwen als –zoon, zoals bij ons Jan’s zoon Janssens werd, een fenomeen dat we in vele talen kennen (Johnson, Nielsen, Filipov, Hasanović, Nikolaidis…). Voor het Boek van Mormon kun je als illustratie mooi verwijzen naar Alma 62:43: “En Moroni droeg het bevel over zijn legers over in de handen van zijn zoon, wiens naam Moronihah was.” Zo eenvoudig is het echter niet. In een gedetailleerd linguïstisch artikel waarschuwt Paul Hoskisson voor aantrekkelijk klinkende verklaringen die echter meer op “wishful thinking” berusten dan op wetenschappelijke gronden.[17] Als je bijvoorbeeld al de vormen op –(i)hah in het Boek van Mormon vergelijkt, dan merk je een disparate toestand. Voor de personen Nephihah, Ammonihah, Zemnarihah, Onihah, Mathonihah, Limhah en Cumenihah wordt geen vader vernoemd. Mathoni en Mathonihah zijn broers (3 Nephi 19:4). Sommige steden op –(i)hah zijn vernoemd naar een persoon, maar van andere weten we het niet. Is er een Jareditische connectie omdat het suffix –hah in nogal wat van hun namen voorkomt? “En Jared had vier zonen; en zij werden Jacom en Gilgah en Mahah en Orihah genoemd” (Ether 6:14). Maar is het suffix dan nog wel een suffix of gewoon deel van een naam, zonder bijkomende betekenis?

Pogingen tot verklaring voor het suffix –(i)hah ontbreken niet. Een piste suggereert een theoforische verwijzing naar het tetragrammaton.[18] Een theoforische naam bevat de naam of een gedeelte van de naam van God bevat (van het Grieks θεός (theos, God) en φορέω (foréō, dragen), dus „goddragend”. Voornamen als Godelieve, Godfried, Gottlieb, maar ook Christiaan of Theo zijn dus theoforisch. Abdullah ook, want hij betekent dienaar van Allah. De goddelijke naam El (meervoud Elohim) vind je in voornamen als Ariël, Daniël, Michaël, Samuel, Elisabeth of Emmanuel. In de Joods-christelijke wereld is het tetragrammaton vaak de basis voor dergelijke namen. Het tetragrammaton (van het Grieks: τετρα-γράμματον = vier-letterig) is volgens de Bijbel Gods naam (Exodus 3:14-15), in het Hebreeuws met vier letters: יהוה – in onze letters weergegeven als JHWH, JHVH of YHWH. Het zijn medeklinkers, want het Hebreeuws schreef oorspronkelijk geen klinkers: die vul je aan vlgns d btkns vn ht wrd. Aangevuld met klinkers wordt het tetragrammaton Jehovah of Jahweh. Daarnaar verwijzen dan voornamen die er een of meer letters van gebruiken, zoals Jozua, Jesaja, Jesus, Hosea. En zo zou ‑ihah een theoforische verwijzing naar YHWH kunnen zijn. Op Hebreeuws-taalkundige basis beschouwt Hoskisson dit echter als onmogelijk.

Een andere verklaring zoekt het in Oud-Amerikaanse talen, met name door te vergelijken met Maya-plaatsnamen als Xelha, Balamha, Altunha, Pulsiha, enzovoort. Volgens Joseph L. Allen verwijst het suffix –ha naar water in de Yucatan Maya-taal. Dan zou Nephihah “van de wateren van Nephi” en Moronihah “van de wateren van Moroni” betekenen. Het is al een grote stap om Nephitisch taalgebruik in verband met de Maya’s te brengen (tot die kortsluiting hebben decennia van mormoonse Nephitische-Azteekse-Maya-illustraties bijgedragen). Joseph Allen’s fantasierijke verklaring brengt het dan nog verder in verband met “de lendenen van Juda” en vandaar met het breken van het water bij de geboorte.[19]

Hoskisson heeft gelijk de titel van zijn kritisch artikel “It Is OK Not to Have Every Answer” te noemen.

 

Alma 8:13 – Een polysyndeton

* “Toen nu het volk dit had gezegd, en al zijn woorden had weerstreefd, en hem had beschimpt, en hem had bespuwd, en veroorzaakt had dat hij uit hun stad moest worden geworpen, vertrok hij vandaar en ging op reis naar de stad die Aäron heette.”

(* wijst op nauwkeuriger vertaling uit het Engels om de bestudeerde stijlfiguur te vrijwaren.)

We hebben dit hebraïsme al meermaals ontmoet (zie voor een eerste bespreking hier). Dit vers geeft de gelegenheid het nog eens op te frissen: de opsomming, meestal met het voegwoord “en”. Bijvoorbeeld, in Genesis 24:35:

En de Heere heeft mijn heer rijk gezegend,
en hij is een aanzienlijk geworden;
En Hij gaf hem kleinvee en runderen,
en zilver en goud,
en dienstknechten en dienstmeiden,
en kamelen en ezels.

Deze stijlfiguur heet een polysyndeton, van het Grieks poly– (veel) en sundeo (aaneenschakelen). De aaneenschakeling van veel elementen, versterkt door de herhaling van het voegwoord, wil het effect van overvloed, van dramatische opbouw of van drukte versterken. Het is een literaire techniek, bijvoorbeeld in Vondel’s Palamedes: “Die zorgt, en waakt, en slaaft, en ploegt, en zwoegt, en zweet”.

In dit vers van Alma moet het polysyndeton het cumulatief effect van Alma’s lijden versterken:

* Toen nu het volk dit had gezegd,
en al zijn woorden had weerstreefd,
en hem had beschimpt,
en hem had bespuwd,
en veroorzaakt had dat hij uit hun stad moest worden geworpen,
vertrok hij vandaar en ging op reis naar de stad die Aäron heette.”

Modernere Schriftvertalingen, ook de door de kerk gebruikte Herziene Statenvertaling, verzwakken die stijlfiguren vaak door de verwijdering van voegwoorden.

 

Alma 8:20 ­– “En de man zeide tot hem: Ik ben een Nephiet”

Wanneer Alma de stad Ammonihah opnieuw binnengaat, ontmoet hij Amulek die zich identificeert als * “een Nephiet”. Sommige analisten leiden eruit af dat de inwoners van Ammonihah geen Nephieten waren, wat dan aanleiding geeft tot allerhande speculaties wie de Ammonihahieten dan wel waren, bijvoorbeeld Lamanieten, of afvallige Nephieten die Lamanieten waren geworden, of Mulekieten, afstammelingen van het volk van Zarahemla.

De prediking van Alma maakt echter duidelijk dat hij de inwoners van Ammonihah etnisch als gewone Nephieten beschouwt, dus afstammelingen van de groep die met Nephi de wildernis introk. Hij vraagt hen: “Weet gij niet meer dat onze vader Lehi door de hand Gods uit Jeruzalem is gebracht? Weet gij niet meer dat zij allen door Hem door de wildernis zijn geleid?” (9:9) Iets verder contrasteert hij de inwoners met de Lamanieten die de geboden Gods niet hebben onderhouden en nu “afgesneden zijn”. Hij dreigt dat de Lamanieten “op u zullen worden losgelaten” (9:14–19), wat nagenoeg uitsluit dat de Ammonihahieten zelf geheel of deels Lamanieten zijn.

De uitspraak van Amulek om zich in deze context als Nephiet te identificeren is zeer waarschijnlijk religieus. “Nephieten” is in deze tijd namelijk ook synoniem van “volk van God” (2:11). Gelet op het perspectief van de ontmoeting tussen Alma en Amulek was de religieuze identificatie de nuttigste, zoals in het oude Rome een vervolgde christen terecht kon bij iemand die het geruststellende “Ik ben een christen” fluisterde. “Ik ben een Nephiet” had hier allicht dezelfde waarde.

Tegelijkertijd maakt Amulek zich duidelijk als een etnische Nephiet bekend wanneer hij voor het eerst openbaar optreedt: hij is door zijn geslachtslijn een afstammeling van Nephi (10:2–3). Aangezien hij hierdoor zijn geloofwaardigheid wil bewijzen en het vertrouwen van het publiek winnen, lijkt dergelijke bekendmaking te bevestigen dat hij zich ook tot etnische Nephieten wendt.

 

Alma 8:22 – God danken na de maaltijd

“En het geschiedde dat Alma brood at en verzadigd werd; en hij zegende Amulek en zijn huis en dankte God.”

Sommige analisten wijzen op het authentieke karakter van de volgorde van de handelingen. De dankzegging tot God gebeurt na de maaltijd, niet ervoor. Dit stemt overeen met de Oudtestamentische traditie: “Als u dan gegeten hebt en verzadigd bent, loof dan de Heere, uw God, voor het goede land dat Hij u gegeven heeft” (Deuteronomium 8:10). Bij het bezoek van de Heiland aan de Nephieten is dat dan ook de volgorde: de menigte wordt verzadigd en daarna volgen de woorden van dank en eerbetoon aan God (3 Nephi 20:9).[20] In Joseph Smith’s tijd, en nu nog, gebeurt de dankzegging voor de maaltijd.

 

Alma 9:19-23 – Nog een polysyndeton: Na… na… na… te hebben… te zijn…

Niet minder dan dertien bijzinnen met een identieke structuur volgen elkaar in deze verzen op. In het Engelse origineel gaat het telkens om having… Alma bouwt hier een cumulatief overzicht op van al wat de Nephieten in hun geschiedenis als zegeningen ontvangen hebben om zo de lange volzin (315 woorden!) tot een climax te leiden. De indeling in verzen plaatst een hoofdletter bij het begin van elk vers, maar in feite loopt de zin door.

Om de opbouw zuiver te houden heb ik een aantal van onderstaande zinnen conform het originele Engels gemaakt. De huidige vertaling wijkt inderdaad af van de originele stijlopbouw en verliest dus wat van het effect, ook omdat having… soms door te hebben… en soms door te zijn… vertaald moet worden.

na zoveel licht te hebben ontvangen;
ja, na een dermate hoogbegunstigd volk des Heren te zijn geweest;
ja, na boven iedere andere natie, geslacht, taal of volk te zijn begunstigd;
na alle dingen aan hen te hebben bekendgemaakt
door de Geest Gods te zijn bezocht;
met engelen te hebben gesproken,
en door de stem des Heren te zijn toegesproken;
en de geest van profetie, en de geest van openbaring … te hebben;
ja, en na door God uit het land Jeruzalem te zijn bevrijd,
van hongersnood te zijn gered…;
en in de strijd sterk te zijn geworden zodat zij niet zouden worden vernietigd;
keer op keer uit knechtschap te zijn gevoerd,
en tot op dit moment te zijn behouden en bewaard

Dan volgt de climax: “zie, ik zeg u dat indien dit volk, dat zovele zegeningen heeft ontvangen uit de hand des Heren, overtreedt tegen het licht en de kennis die het bezit — ik zeg u, indien dat het geval is en zij tot overtreding vervallen, het veel draaglijker zal zijn voor de Lamanieten dan voor hen”.

Voor taalkundigen is de zin een parel om te bestuderen. De Engelse delen met having… zijn zogenaamde present-participial free adjuncts, namelijk onvervoegde bijzinnen met een deelwoord als hoofd en zonder expliciet onderwerp. Tot in de negentiende eeuw was de structuur ook nog aanvaardbaar in literair Nederlands en kon je vertalen met na zoveel licht ontvangen hebbende, na een hoogbegunstigd volk geweest zijnde… Maar de voorkeur voor een infinitief-constructie (na te hebben ontvangen…) was al sinds de zeventiende eeuw in opgang.[21]

 

Alma 10:11 – Was Amulek een polygamist?

“Want zie, hij heeft mijn huis gezegend, hij heeft mij gezegend, en mijn vrouwen, en mijn kinderen, en mijn vader en mijn verwanten”.

Bovenstaande is de letterlijke vertaling uit het Engels: “… he hath blessed me, and my women, and my children, and my father and my kinsfolk”, zoals ook vertaald in vorige Nederlandse uitgaven. De huidige Nederlandse vertaling bedacht een slimmigheid om de indruk van polygamie te omzeilen: “…hij heeft mij gezegend, en de vrouwen in mijn huis, en mijn kinderen, en mijn vader en mijn verwanten”. Zo kunnen die vrouwen ook een moeder, zusters, tantes, grootmoeders en dienstmeiden geweest zijn. Dat is echter tekstmanipulatie die zich op termijn wreekt als oneerlijkheid.

Of Amulek een polygamist was weten we niet met volle zekerheid, maar de tekst en de context moedigen die interpretatie aan. Volgens Hebraïst John A. Tvedtnes kan het moeilijk anders op basis van deze duidelijke passage, waarbij ook de traditionele hiërarchie gevolgd wordt: mij, mijn vrouwen, mijn kinderen, mijn vader en dan “verwanten”. Zijn moeder moet overleden zijn, anders had die samen met de vader vermeld geweest.[22] De bekende analisten Reynolds en Sjodahl concluderen uit de passage dat niet alleen Amulek een polygamist was, maar dat het in deze periode onder de Nephieten gebruikelijk was.[23] Het is immers niet mogelijk dat Amulek dan de enige met meer vrouwen zou zijn. Polygamie was toegestaan onder de wet van Mozes.  Amulek omschrijft zichzelf als iemand die “nooit veel geweten heeft van de wegen des Heren”, waardoor hij enige monogame beperking, zo die bestond, naast zich kon neerleggen. Maar vooral was hij een man van aanzien, met “vele verwanten”, vrienden en “grote rijkdom” (10:4). In antieke culturen passen meerdere vrouwen bij dat patroon.

De injunctie van Jakob tegen “bijvrouwen” dateert al van bijna vijfhonderd jaar ervoor (Jakob 2:27). Dat gebod stond daarenboven enkel op de kleine platen, die niemand buiten enkele insiders nog kende.

 

Alma 11:5–19 – Het Nephitische rekensysteem

Zie het apart onderdeel hierboven.

 

Alma 12:11 – De ketenen der hel

De eigen beeldspraak van Alma is reeds ter sprake gekomen in dit onderdeel van les 22. “Ketenen der hel” is er een markant voorbeeld van. Alma gebruikte de uitdrukking drie keer in zijn toespraak tot de kerk in de stad Zarahemla (5:7, 9, 10). Nu gebruikt hij dezelfde uitdrukking twee keer in deze toespraak (12:11 en 13:30). Ammon, zoon van koning Mosiah, en metgezel van Alma tijdens hun predikingen in Zarahemla, gebruikt de uitdrukking een keer. Ze komt verder niet voor in het Boek van Mormon, mooie illustratie van taalcoherentie binnen een kleine gebruikerskring.

St TRophime_ArlesVan de middeleeuwen tot de zestiende eeuw inspireerde de hel veel kunstenaars tot afgrijzenwekkende taferelen.  Vastgeketende zondaars temidden van de vlammen zijn eerder zeldzaam. Hier gebeeldhouwd in de kerk van Saint Trophime, Arles.


De enige Bijbelse referentie die in de buurt komt is uit de tweede brief van Petrus 2:4: “Want als God de engelen die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar hen in de hel geworpen en overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis om tot het oordeel bewaard te worden”.

 

Alma 12:21 – Cherubim

Hoofdregeerder Antionah stelt deze vraag:

“Wat betekent het Schriftgedeelte waarin staat dat God ten oosten van de hof van Eden cherubs met een vlammend zwaard stelde, opdat onze eerste ouders niet zouden ingaan en nemen van de vrucht van de boom des levens en voor eeuwig leven?”

De vraag zelf is logisch in de discussie, ook al was Antionah’s vermoedelijke bedoeling om Alma op contradicties te betrappen.  Alma had namelijk aangekondigd  dat wie Christus’ naam op zich neemt het eeuwige leven zou hebben (11:40). Hoe zou dit kunnen als de toegang tot de boom des levens niet meer mogelijk is? Alma legt vervolgens het plan van zaligheid en de aardse proeftijd uit.

Cherubim is het Hebreeuwse meervoud van cherub. In het Nederlands spreken we van cherubs of cherubijnen,  zoals ook van serafs of serafijnen. Serafijnen werden hier besproken. Het onderscheid tussen cherubs en serafs hangt af van interpretaties, maar volgens de fysische beschrijvingen in de Bijbel hebben cherubs twee of vier vleugels en serafs zes.

Het Oude Testament vermeldt cherubs op verschillende plaatsen en in uiteenlopende contexten. In de Hof van Eden zijn het wezens die de toegang tot de boom des levens met “een vlammend zwaard” verbieden. Op de ark des verbonds, een kist die de tafelen der wet bevatte, kwam een deksel waarop, volgens de beschrijving in Exodus, twee cherubs van goud geplaatst werden: “De cherubs moeten hun beide vleugels naar boven uitgespreid houden,  terwijl ze met hun vleugels het verzoendeksel bedekken en hun gezichten naar elkaar toe gericht zijn; de gezichten van de cherubs moeten naar het verzoendeksel gericht zijn” (Exodus 25:20).

Hoet_Ark_Cherubim_1728“Kamp van Israël en Ark des Verbonds”, in Taferelen uit de Bijbel (1728), geïllustreerd door Gerard Hoet en anderen

In het boek Koningen, bij de beschrijving van de tempelbouw van Salomo, is herhaaldelijk sprake van cherubs. Soms gaat het om gebeeldhouwde of uitgesneden vormen: “In het binnenste heiligdom maakte hij twee cherubs van olijfwilgenhout, elk tien el in zijn hoogte. Nu was de ene vleugel van de cherub vijf el en de andere vleugel van de cherub was ook vijf el. De afstand van het einde van zijn ene vleugel tot aan het einde van zijn andere vleugel was tien el” (1 Koningen 6:23–24). Soms gaat het om decoratieve motieven: “En op alle wanden van het huis rondom bracht hij graveringen van houtsnijwerk aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, vanbinnen en vanbuiten” (1 Koningen 6:29). De profeet Ezechiël verwijst in zijn visioenen herhaaldelijk naar cherubs in een complexe visualisering van een soort levende wezens met vreemde kenmerken, zoals “Hun gezicht  leek op het gezicht van een mens, bij alle vier van rechts op de kop van een leeuw, bij alle vier van links op de kop van een rund, en alle vier hadden zij de kop van een arend” (Ezechiël 1:10).

Een eenvoudige uitleg verklaart hen als “hemelse wezens” waarover we verder niet veel weten. Elder Bruce R. McConkie schreef: “Klaarblijkelijk is een cherub een engel van een bijzondere rang aan wie specifieke taken zijn opgedragen. Het gedeelte van Gods woord dat ons nu beschikbaar is maakt de identiteit noch het werk van deze hemelse wezens echter duidelijk” (Mormon Doctrine, 1966, p. 90). De definitie “engel” maakt dit echter moeilijk verzoenbaar met wat mormonen onder engelen verstaan, als hemelse boodschappers met een normaal menselijk uiterlijk en die meestal voorheen reeds als mensen op aarde geleefd hebben.

Wetenschappelijke studies over cherubs, vanuit linguïstiek, literatuur en archeologie, verbreden de horizon en leggen verbanden met de gebruiken van andere antieke culturen uit Bijbelse tijden. Daarbij komt vooral het fundamenteel aspect van bewaking en afscherming van deze wezens aan bod, hoe cherubs ook uitgebeeld worden. Hun functie was apotropaeïsch, dit wil zeggend onheil afwerend en bezwerend. Apotropaeïsche voorwerpen zoals beeldjes en amuletten horen tot de oudste menselijke culturen, nog steeds zo bij primitieve stammen, en nog evengoed in het dagelijks bijgeloof van de moderne mens. Bij de ontwikkeling van oude beschavingen kregen grotere afbeeldingen en beeldhouwwerken apotropaeïsche functies, meestal van wilde dieren, bijvoorbeeld aan weerszijden van poorten. Leeuwen waren een favoriete keuze, wat ook in Ezechiëls beschrijvingen sterk meespeelt. Wezens met verschillende dreigende uiterlijken, zoals ook bij Ezechiël vermeld, vermenigvuldigden hun afwerende en bezwerende kracht. Vaak werden die beeltenissen ook gevleugeld om hun beweeglijkheid te onderstrepen (zie Leer en Verbonden 77:4). In de Israëlitische vormgeving, bijvoorbeeld boven de ark des verbonds, dienen de vleugels om het heiligste, namelijk het spreken van God, te beschermen en af te schermen. Cherubs met een vlammend zwaard zijn evident apotropaeïsch bedoeld.

Wat de materie echter bijzonder complex maakt is de evolutie van deze concepten over duizenden jaren doorheen culturen die elkaar ook nog beïnvloedden. Iconografische studies tonen de vele beeltenissen, onder meer op Israëlitische zegels, die van ver of nabij met de symboliek van cherubs te maken kunnen hebben. Wat de oorsprong van het woord cherub betreft, studie van oude West-Semitische talen wijst op een waarschijnlijke associatie met het Akkadische zelfstandig naamwoord kurību, een apotropaeïsch wezen zonder normale menselijke trekken. Maar er zijn ook andere voorstellen gemaakt, zoals een verband met de goddelijke naam Iakrub-El op de Amoritische tabletten van Mari.[24 Algemeen wordt aangenomen dat cherubs deel zijn van een basisconcept van mythische bescherming en bezwering, verbreid onder uiteenlopende antieke culturen en waaraan elke cultuur zijn invulling gaf.

 

4 – Gestructureerd lezen

Alma 8  Alma in Mulek, en vervolgens in Ammonihah

1-2          Na zijn werk te Gideon, neemt Alma even vakantie thuis (!).

3-5          Succesvol zendingswerk in het land Melek.

6-13       Eerste poging van Alma in Ammonihah mislukt. Hij verlaat de stad.

14-17     Een engel gebiedt Alma terug te keren naar Ammonihah.

18-32     Alma keert terug. Een man genaamd Amulek ontvangt hem in zijn huis (Amulek is door een engel gewaarschuwd, zie verder in Alma 10). Samen gaan zij het woord Gods in Ammonihah verkondigen.

 

Alma 9  Prediking van Alma

1-7          Eerst wordt de sfeer van het “redetwisten” geschetst.

Telkens een opwerping (O), gevolgd door een bedenking van Alma (A):

  • O  Wie zijt gij? Denkt gij dat wij het getuigenis van één man geloven, al zou hij ons verkondigen, dat de aarde zou vergaan?
  • A  Nu, zij begrepen de woorden niet, die zij spraken; want zij wisten niet, dat de aarde zou vergaan.
  • O  Wij willen uw woorden niet geloven, al zoudt gij ook profeteren, dat deze grote stad op één dag zou worden verwoest.
  • A  Nu, zij wisten niet, dat God zulke wonderlijke werken kon verrichten, want zij waren een verstokt en hardnekkig volk.
  • O  Wie is die God, die niet méér gezag zendt onder dit volk dan één man om het de waarheid van zulke grote en wonderbare dingen te verkondigen?
  • A  En zij stonden op om hun handen aan mij te slaan; doch ziet, zij deden het niet. En ik stond met vrijmoedigheid voor hen te prediken.

8-30       De eigenlijke toespraak van Alma bestaat uit 3 thema’s:

  • de les van de geschiedenis (verzen 8-13)
  • de vergelijking met de Lamanieten (verzen 14-24)
  • de oproep tot bekering in de naam van de Zoon Gods (verzen 25-30).

Elk van die thema’s heeft een structuur (chiasme of gestructureerde redenering).

8-13       Eerste thema: de les van de geschiedenis = denk aan het verleden, aan wat Lehi onderwees en aan wat onze voorvaderen hebben meegemaakt.

14-24     Tweede thema: de vergelijking met de Lamanieten =

  • ondanks het feit dat de Lamanieten nu van de tegenwoordigheid des Heren zijn afgesneden, zijn hun beloften toegezegd voor de toekomst;
  • terwijl de Nephieten (hier in het bijzonder het volk van Ammonihah), nadat zij zoveel zegeningen hebben ontvangen, door overtredingen riskeren geheel van de aardbodem te worden weggevaagd.

25-30     Derde thema: de oproep tot bekering in de naam van de Zoon Gods

31-34     Uitwerking van de toespraak van Alma. Amulek neemt over.

 

Alma 10                Optreden van Amulek

1-4          Amulek bevestigt eerst zijn autoriteit, wat betreft zijn afstamming en zijn positie.

5-11       Amulek vertelt hoe hij bekeerd werd.

12-16     Reactie van de toehoorders

  • eerst verbazing van het gewone volk
  • maar dan de reactie van listige wetgeleerden

17-27     Krachtige woorden van Amulek

  • veroordeling van de wetgeleerden en huichelaars
  • oproep tot bekering
  • zonder de gebeden der rechtvaardigen zoudt gij nu al verdelgd worden

28-32     Negatieve reactie van het volk. Eén der meest bedreven wetgeleerden, Zeezrom, neemt de over.

 

Alma 11                Uitweiding over het rekenstelsel – Vervolg van het optreden van Amulek

1-20       Rekenstelsel onder de Nephieten.

21-39     Twistgesprek tussen Zeezrom en Amulek.

40-45     Belangrijke verzen over verzoening, verlossing en opstanding.

46           Einde van de woorden van Amulek.

 

Alma 12                Toespraak van Alma over de opstanding en het plan van zaligheid

1-2          Inleiding: Alma neemt de discussie over.

3-8          Zeezrom wordt van zijn stuk gebracht en begint de zendelingen met een positieve ingesteldheid te ondervragen.

9-11       Eerst verduidelijkt Alma het principe van de kennis van de “verborgenheden Gods”: de mate van kennis die gegeven wordt, hangt af van “oplettendheid en ijver”.

12-18     Uitleg over dood, verrijzenis en oordeel, in het bijzonder voor hen die hun hart verstokt hebben: zij zullen de tweede of geestelijke dood ondergaan = uitgeworpen uit de tegenwoordigheid van God.

19-21     Tussenkomst in het debat door Antionah: hij meent een tegenstrijdigheid te hebben opgemerkt:

  • enerzijds in de woorden van Alma: door de opstanding wordt iedereen onsterfelijk
  • anderzijds in de Schriften (begin van de Bijbel, koperen platen): verbod aan Adam en Eva om van de boom des levens te eten = dus niet onsterfelijk.

22-37     Antwoord van Alma, waarbij hij stap voor stap het plan van zaligheid uitlegt:

  • Adam viel door van de verboden vrucht te eten = hij gaat een sterfelijke staat in;
  • Adam kreeg op dat moment geen kans om ook van de “boom des levens” te nemen, want dan was hij meteen onsterfelijk geworden, maar in zijn zondige staat;
  • wél werd Adam (en dus elke mens) een “tijdruimte” toegestaan in zijn sterfelijke staat – een “proeftijd”;
  • tevens werd er een plan van verlossing ingesteld waardoor de mens, na zijn overlijden, uit de doden zou kunnen opstaan;
  • in die proeftijd kan de mens het plan der verlossing leren kennen, geloven en zich bekeren; daarom geeft de Heer geboden aan de mensen;
  • wie zich bekeert, kan rekenen op de genade van God door middel van zijn Zoon, die voor verzoening van de zonde zorgt;
  • op die wijze overwint Christus de eerste dood (de lichamelijke dood) en geeft hij ons de kans aan de tweede dood (de geestelijke dood) te ontsnappen.

 

Voetnoten 

[1]    Alma 8:25; 9:19; 10:20; 12:35.

[2]    Alma 8:14; 9:8, 18; 10:6, 17, 25; 11:20; 14:3.

[3]    Pre-correlatie lesboeken van de kerk bespraken dit soort vragen. Zie voor een ethische bespreking van Alma 14:8 Mark S. Gustavson, “Scriptural Horror and the Divine Will,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 21, no. 1 (1988): 70–83.

[4]    Hoewel de Nephieten vanuit hun Hebreeuwse basis met weegschalen vertrouwd waren, zijn er geen archeologische bewijzen dat latere bewoners op het Amerikaanse vasteland het principe kenden. Zie John W. Welch, “Weighing and Measuring in the Worlds of the Book of Mormon,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 8, no. 2 (1999): 36–45.

[5]    Hugh Nibley, Since Cumorah (Salt Lake City: Deseret Book, 1967), 255-256.

[6]    Studies over de periode van invoering van munten geven verschillende data. Eerste voorkomen mogelijk in Lydia in de zevende eeuw v.C., gevolgd door toepassing in Griekenland in de zesde eeuw, en zo verdere verspreiding. Zie onder meer Arthur Robert Burns, Money and Monetary Policy in Early Times (New York: Routledge, 2013); G. Davies, History of Money (University of Wales Press, 2010); Keith Roberts, The Origins of Business, Money, and Markets (Columbia University Press, 2011); Michael Vickers, “Early Greek Coinage, a Reassessment,” The Numismatic Chronicle (1985), 1-44.

[7]    Paul Erdkamp, The Grain Market in the Roman Empire: A Social, Political and Economic Study (Cambridge: Cambridge University Press, 2005); Peter Garnsey, Keith Hopkins and Charles Richard Whittaker, Trade in the Ancient Economy (Los Angeles: University of California Press, 1983); Naum Jasny, “Competition Among Grains in Classical Antiquity,” The American Historical Review 47, no. 4 (1942): 747–764; D. W. Rathbone, “The Weight and Measurement of Egyptian Grains,” Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik 53 (1983): 265–275.

[8]    Jan-Gerrit Dercksen, “Observations on Land Use and Agriculture in Kaneš,” Old Assyrian Studies in Memory of Paul Garelli (2008): 140–157; Hildegard Lewy, “Assyro-Babylonian and Israelite Measures of Capacity and Rates of Seeding,” Journal of the American Oriental Society 64, no. 2 (1944): 65–73.

[9]    Ian S. Hornsey, A History of Beer and Brewing (Cambridge: Royal Society of Chemistry, 2003); Franz G. Meussdoerffer, “A Comprehensive History of Beer Brewing,” Handbook of Brewing: Processes, Technology, Markets (Weinheim: Wiley-VCH Verlag, 2009); Max Nelson, The Barbarian’s Beverage: A History of Beer in Ancient Europe (New York: Routledge, 2005).

[10]  Ontleend aan Yoel Elitzur, “’Parashat Ki Tetze’ Alternate Weights, Larger or Smaller,” http://etzion.org.il/en/parashat-ki-tetze. Voor meer uitleg bij deze gewichten, zie Y. Aharoni, “The Use of Hieratic Numerals in Hebrew Ostraca and in the Shekel Weights,” Bulletin of the American Schools of Oriental Research 184 (1966), 13-19; Y. Yadin, “Ancient Judaean Weights and the Date of the Samaria Ostraca,” Scripta Hierosolymitana 8 (1961), 9-25.

[11]  John W. Welch, “Weighing and Measuring in the Worlds of the Book of Mormon,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 8, no. 2 (1999): 36–45.

[12]  Alasdair Livingstone, “The Akkadian Word for Barley: A Note from the Schoolroom,” Journal of Semitic Studies 42, no. 1 (1997): 1–5.

[13]  Reuven Yaron, The Laws of Eshnunna (Leiden: Brill, 1988).

[14]  John W. Welch, “The Laws of Eshnunna and Nephite Economics,” in John W. Welch and Melvin J. Thorne (eds.), Reexploring the Book of Mormon (Provo, UT: FARMS, 1999), 147–149.

[15]  Enkele voorbeelden: Dominic Rathbone, “Mediterranean and Near Eastern Grain Prices c. 300 to 31 BC: Some Preliminary Conclusions,” in Documentary Sources in Ancient Near Eastern and Greco-Roman Economic History: Methodology and Practice, edited by Heather D. Baker and Michael Jursa (Exeter: Oxbow Books 2014): 313–322; Waldo H. Dubberstein, “Comparative Prices in Later Babylonia (625-400 B. C.)”, The American Journal of Semitic Languages and Literatures 56, no. 1 (1939): 20–43; Cécile Michel, “Production and Trade in the Old Assyrian Period,” Rivista di Storia Economica 31, no. 1 (2015): 57–78; Marc Van De Mieroop, “Silver as a Financial Tool in Ancient Egypt and Mesopotamia,” in Explaining Monetary and Financial Innovation, Volume 39 of the series Financial and Monetary Policy Studies (Springer , 2014), 17–29.

[16]  Paul R. Jesclard, “A Comparison of the Nephite Monetary System with the Egyptian System of Measure,” Newsletter of the Society for Early History and Archaeology 134 (October 1973). Zie ook Robert F. Smith, “Table of Relative Values,” Journal of Book of Mormon Studies 8, no. 2 (1999): 46. Smith geeft in kolommen de Nephitische waarden en fracties naast die van de Egyptische.

[17]  Paul Y. Hoskisson, “It Is OK Not to Have Every Answer: The Book of Mormon Onomastic Ending-(i) hah,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 18, no. 1 (2009): 48–55.

[18]  Hugh W. Nibley, An Approach to the Book of Mormon, 3rd ed. (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1988), 289.

[19]  Joseph L. Allen and Blake Joseph Allen, Exploring the Lands of the Book of Mormon (Salt Lake City: Book of Mormon Tours and Research Institute, 2008), 43.

[20]  Angela M. Crowell and John A. Tvedtnes, “The Nephite and Jewish Practice of Blessing God after Eating One’s Fill,” Journal of Book of Mormon Studies 6, no. 2 (1997): 251–254.

[21]  Lauren Fonteyn and Hubert Cuyckens, The Development of Free Adjuncts in English and Dutch, in Studies in the History of the English Language VI, Michael Adams, Laurel J. Brinton and R. D. Fulk (eds.) (De Gruyter Mouton, 2015), 15–50. De studie van Fonteyn en Cuyckens biedt veel verwijzingen naar vorige studies over het onderwerp.

[22]  John A. Tvedtnes, “Hebraisms in the Book of Mormon: A Preliminary Survey,” Brigham Young University Studies 11, no.1 (1970): 50–60 (59). Carol Pratt Bradley acht de polygamie “mogelijk”. Zie “Women, the Book of Mormon, and the Law of Moses,” Studia Antiqua 3, no. 1 (2003): 125–171.

[23]  George Reynolds and Janne M. Sjodahl, Commentary on the Book of Mormon, Volume 3 (Salt Lake City: Deseret Book, 1972), 169.

[24] Als grondige studie is zeker aan te bevelen: Alice Wood, Of Wings and Wheels: A Synthetic Study of the Biblical Cherubim (Berlin: Walter de Gruyter, 2008). Daarnaast zeker het basiswerk van Othmar Keel,  Die Welt der altorientalischen Bildsymbolik und das Alte Testament 5e ed. (Zürich / Göttingen, 1996). Andere studies: Izak Cornelius, “The Religious Iconography of Israel and Judah ca. 1200–587 bce,” Religion Compass 2, no. 2 (2008): 96-118; Menachem Haran, “The Ark and the Cherubim: Their Symbolic Significance in Biblical Ritual,” Israel exploration journal 9, no. 1 (1959): 30-38; John Strange, “The Idea of Afterlife in Ancient Israel: Some Remarks on the Iconography in Solomon’s Temple,” Palestine Exploration Quarterly 117, no. 1 (1985): 35-40.

Om terug te keren

1 – Het drama van Ammonihah: een uitgelokte tragedie?
2 – Rekenen bij de Nephieten: senine, seon, shum, limnah…
3 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde verzen
4 – Gestructureerd lezen