Les 21 – Mosiah 29; Alma 1–4

“Alma gaf rechtvaardige rechtspraak”

De bestudeerde hoofdstukken: Mosiah en Alma.

1 – De opvolgingskwestie: analyse van een politieke strategie
2 – Zijn Mosiah’s principes Amerikaanse politieke principes?
3 – Het boek Alma: algemene verkenning
4 – Priestcraft: hoe best vertalen?
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde verzen
6 – Gestructureerd lezen

Veel in deze les gaat over de koning, de overdracht van macht en de relatie tussen koning en hogepriester. Voor illustraties koos ik daarom rond dat thema bekende Bijbelfiguren geschilderd door Nederlandse en Vlaamse meesters.

 

1 – De opvolgingskwestie: analyse van een politieke strategie

Tenzij anders aangeduid, verwijzen de nummers tussen haakjes naar verzen van Mosiah.

In de vorige les heb ik weinig of niets over Mosiah 28 gezegd. Ik wilde het koppelen aan hoofdstuk 29 waarmee het in de dynamiek van de geschiedenis nauw verweven is. Daarenboven was het laatste vers van hoofdstuk 28 oorspronkelijk het eerste van hoofdstuk 29. Met een eigen logica, zoals we zullen zien.

Twee voorafgaandelijke opmerkingen:

  • In mijn analyse volg ik de chronologie van de gebeurtenissen zoals verhaald. Een verhaal is echter altijd retrospectief en deels samenvattend geschreven. Soms weerspiegelt het niet de juiste volgorde van de gebeurtenissen. Als sommige zaken in een andere volgorde gebeurden, kan een andere interpretatie gelden.
  • De leringen en openbaringen in de Schrift zijn het woord van God. Wat een mens in de Schriftuurlijke geschiedenis doet is echter menselijk, zelfs als hij een koning of een profeet is. Vervolgens verhaalt hijzelf of iemand anders zijn drijfveren en daden. Wie de pen vasthoudt, kan vertellen of verzwijgen, uitvergroten of verkleinen. Soms moeten we dan tussen de lijnen het echte verhaal en de nuances trachten te vatten. Dat is Schriftstudie, maar het blijft interpretatie.


Het drama van een koning
Een koortsachtige sfeer
Wie willen jullie als koning? – Hoezo, Aäron?
Mosiah’s memorandum: de liefdevolle politiek van de angst
Nabeschouwing

 

Het drama van een koning

We zijn omstreeks 92 v.C. in Zarahemla, het politieke en religieuze centrum van de natie. Er zijn al bijna dertig jaar verlopen sinds de grote bijeenkomst die de volken van Zarahemla, van Nephi, van Limhi en de groep rond Alma samenbracht. Toen was Mosiah II nog een redelijk jonge koning, vroeg in de dertig, nog maar drie jaar gezalfd en gewijd. Alma de oudere, die als jonge man aan de Wateren van Mormon was beginnen prediken, en dan nog zo’n twintig jaar in Helam, heeft de voorbije drie decennia als hogepriester overal gemeenten doorheen Zarahemla gesticht en bezield. Zelf is hij nu al voorbij de tachtig en zal spoedig overlijden (29:46). Na hun wonderbaarlijke bekering hebben Alma’s zoon, Alma de jongere, en de zonen van koning Mosiah geruime tijd doorheen het land Zarahemla gereisd en gepredikt (27:33-35). Nog maar onlangs hebben de zonen van Mosiah hun vader gevraagd om onder de Lamanieten te mogen gaan prediken, ver weg, in gevaarlijk gebied. Ammon, Aäron, Omner en Himni moesten er hun vader “vele dagen” om smeken. Bovendien lieten ze hun vader weten dat geen van hen “het koninkrijk wilde aanvaarden”. Mosiah, de koning-profeet, gaf pas toe na een openbaring en liet hen gaan (28:1-10). Tot zover de achtergrond.

 

Cornelis de Vos_David draagt de scepter aan Salomo over“David draagt de scepter aan Salomo over” door Cornelis de Vos (1584-1651)

 

Mosiah’s verantwoordelijkheid is nu verpletterend. Hij heeft nog maar een jaar of twee te leven. Hij zal heengaan op z’n drieënzestigste (29:46). Zag hij die relatief vroege dood, wegens ziekte of uitputting, aankomen? Vermoedelijk wel, want hij neemt meteen maatregelen. De uitdaging is wel kolossaal. Het was gebruikelijk, onder de Nephieten, dat een koning zijn opvolger nog tijdens het leven aanduidde (Jakob 1:9; Mosiah 1:9; 10:22). Dat verzekerde een vreedzame overgang en continuïteit in het beleid. Tot voor kort kon Mosiah uit vier zonen kiezen. Nu waren die weg, een enorme leegte latend. Veel tijd had Mosiah niet meer. Wat waren zijn opties?

Merkwaardige zin: “Nu had koning Mosiah niemand aan wie hij het koninkrijk kon overdragen” (28:10) Dat is een ambigue wending, want principieel kon Mosiah het koninkrijk aan gelijk welke waardige en bekwame afstammeling van Nephi overdragen. Die afstamming was de enige voorwaarde (25:13). De normale gang is om het koningschap in de nabije familie te houden. Had Mosiah dan geen nauwe verwant, een broer of een neef die hem kon opvolgen? Blijkbaar geen geschikte. Of de tijd was te kort om dit met de nodige voorbereiding en vorming, en zonder intriges, te laten verlopen. Buiten de familie gaan? Als we samen met Mosiah rondkijken, dan valt het oog op Alma de oudere, al vroeger bevestigd als afstammeling van Nephi (17:2). Maar Alma de oudere is nu echt oud, een tachtiger. Hij zal trouwens binnen het jaar sterven. Wat met zijn zoon, Alma de jongere, dus ook een afstammeling van Nephi, nu in de dertig, de man van de wonderlijke bekering? We kunnen ons echter bezwaren indenken. Het volk, al zo lang gewend aan een geliefd koningshuis, kon grote moeite met een dynastiewijziging hebben. De Alma’s waren uiteindelijk ook maar “inwijkelingen”. En waren ze met hun predikingen en hun kerken ook soms geen splijtzwammen in de gemeenschap? Vervolgens kon de jonge Alma principieel geen kroon aannemen. Zijn vader had vroeger het koningschap in het land Helam geweigerd uit afkeer van de sociale ongelijkheid en van de risico’s van koningschap. Dat familiaal anti-royalisme zal nog wel doorwegen (23:6–14). Wat Mosiah mogelijk ook deed twijfelen, als hij al aan Alma de jongere dacht, was de vrees dat de man ooit zou kunnen hervallen in zijn vroeger gedrag. Hij vreesde zo’n hervalling zelfs voor zijn eigen zonen (29:9). Nee, Mosiah moest iemand beters vinden… Wie toch? Maar weer kwam Alma de jongere bovendrijven. Zou hij toch niet ideaal zijn, de beste keus tot nu toe?

Wie weet besprak Mosiah dit allemaal met Alma de oudere, de hogepriester. Een troonopvolger? In z’n hart was Alma anti-royalist. En als het later met de koning misliep, hoe hem dan kunnen afzetten en vervangen? Met een ander regeringsstelsel zou dat wel kunnen… Wie gaf welke ideeën aan wie? Wie sprak er eerst het woord rechters uit?

 

Een koortsachtige sfeer

De volgende tien verzen in hoofdstuk 28, van 11 tot 19, ademen een gehaastheid om vitale dingen in orde te brengen. De gouden platen die het volk van Limhi had gevonden en die aan Mosiah waren overgedragen zijn nog steeds niet vertaald. Nu vertaalt Mosiah ze “wegens het grote ongeduld van zijn volk; want zij waren bovenmatig verlangend kennis te verkrijgen van het volk dat was vernietigd”. Het verslag, dat wij nu als het boek Ether kennen, bracht het volk zowel vreugde omwille van de kennis, als verdriet omwille van het lot van de betrokken volken (28:18). Maar welk effect hadden deze kronieken op Mosiah zelf in de omstandigheden waarin hij zelf zat? Dit was het verhaal van eeuwen van koningen, met aanhoudende paleisopstanden, zoon tegen vader, broer tegen broer, Corihor, Shule, Noach, Cohor, Akish, Nimrah, Heth …, het bloedvergieten hield niet op, en alles eindigde in totale vernietiging. Die doembeelden zullen zwaar op Mosiah’s gemoed gewogen hebben als hij dacht aan de eigen erfenis die hij torste, de nu bijna vijf eeuwen koningschap sinds Nephi. Wat zou er in de komende jaren gebeuren, zeker nu de opvolging op losse schroeven stond? Een einde zoals dat van Coriantumr en Shiz? Zou het dan niet beter zijn de regering der Nephitische koningen in glorie af te sluiten, nu het nog kon, met zichzelf als de laatste waardige telg van een eeuwenoud koningshuis?

L12_Mos29_XIIIOnmiddellijk na de vertaling van kronieken op de gouden platen handelt Mosiah. En daarmee begint, in de editie van 1830 van het Boek van Mormon, het volgende hoofdstuk XIII, met de normale aanhef van een nieuw onderdeel:

En nu, zoals ik u heb gezegd, nadat koning Mosiah deze dingen had gedaan, nam hij de platen van koper en alle voorwerpen die hij had bewaard, en droeg ze over aan Alma, die de zoon van Alma was; ja, alle kronieken, en ook de vertalers, en hij droeg ze aan hem over, en gebood hem ze te behoeden en te bewaren, en tevens een kroniek van het volk bij te houden, en ze van het ene geslacht op het andere door te geven, zoals ze waren doorgegeven vanaf het tijdstip waarop Lehi Jeruzalem had verlaten. Welnu, toen Mosiah dat had gedaan, zond hij door het gehele land, onder al het volk, een boodschap uit omdat hij wilde weten wie zij als hun koning wilden hebben.

De latere verdeling in hoofdstukken, in 1879, splitste vorige passage: de eerste zin als laatste van hoofdstuk 28 en de tweede als eerste van 29. Belangrijk? Alleen om te noteren dat in 1830 Joseph Smith, bij zijn verdeling in hoofdstukken (zie hier), een relatie aanvoelde tussen de overdracht van alle heilige voorwerpen aan Alma en de troonopvolging. Want al bijna vijfhonderd jaar lang bewaart elke koning de koperen platen, de kronieken en de heilige voorwerpen, waaronder de Liahona en het zwaard van Laban, symbool van leiderschap. Mosiah zelf was nu de hoeder van “de kronieken die op de platen van koper waren gegraveerd, en ook de platen van Nephi, en alle voorwerpen die hij volgens de geboden Gods had behoed en bewaard” (28:11). Daartoe horen ook de zienerstenen, symbool van de profeet-ziener. Alles gaat naar Alma de jongere.

En dan vraagt Mosiah aan het volk wie zij als hun koning willen, terwijl hij zonet de platen en de heilige voorwerpen aan Alma heeft overgedragen. Was die overdracht enkel uit veiligheidsoverwegingen of zag Mosiah Alma reeds als opvolger, maar mogelijk niet in een koninklijke functie? Indien dit laatste, hoe kon hij daar de weg voor effenen? Wat doet een strategisch denkende politicus die zijn volk naar een ingrijpende systeemverandering wil leiden, die hen daarvan moet overtuigen en die mogelijk ook al het leiderschap in dat nieuw systeem voorzien heeft? Daar hebben in de loop van de geschiedenis wel meer grote leiders mee te maken gehad.

 

Wie willen jullie als koning? – Hoezo, Aäron?

Mosiah besluit het volk te bevragen. Hij laat een boodschap uitgaan “omdat hij wilde weten wie zij als hun koning wilden hebben” (29:1). Dat de stem van het volk kon tussenkomen in de keuze van de koning is al voorheen gemeld in het Boek van Mormon (2:11; 7:9; 19:27).

 

“De zieke koning Uzzia” door Rembrandt van Rijn (1606–1669)

 

De cruciale vraag is echter: wat stond er nog meer in die eerste boodschap van de koning? Het is quasi ondenkbaar dat Mosiah de keuze volledig vrij liet en dat iedereen een naam mocht suggereren. Dat zou alleen maar tot verdeeldheid en spanningen leiden, iets wat Mosiah ten zeerste vreesde, zoals zo meteen zal blijken. Het is dus quasi zeker dat Mosiah een naam voorstelde – en dan is het evident, in de successietraditie, de naam van een van zijn zonen, of misschien twee, om toch een keuze te bieden. Maar hij meldde niet in zijn boodschap dat geen van zijn zonen koning wilde worden. Het overtuigende resultaat van de bevraging is immers: “En het geschiedde dat de stem van het volk kwam, zeggende: Wij willen dat Aäron, uw zoon, onze koning en heerser wordt” (29:2). Waarop in het volgende vers de wat laconieke vaststelling volgt: “Nu was Aäron naar het land Nephi opgegaan, waardoor de koning het koninkrijk niet aan hem kon overdragen; bovendien wilde Aäron het koninkrijk niet op zich nemen”. En evenmin de andere zonen. Mosiah kon perfect voorzien dat het zo zou lopen.

Nu kan hij zijn volgende stap zetten. Er volgt een tweede boodschap van Mosiah, een uitgebreid memorandum om het volk te overtuigen van een ingrijpend voorstel: het einde van bijna vijf eeuwen koningschap en het instellen van een ander politiek regime. De psychologische omvang van zo’n ingreep op de bevolking valt niet te onderschatten. Beeld je in dat koningin Elisabeth voorstelt het Britse koningschap af te schaffen, of Willem-Alexander het Nederlandse. Mosiah stond dus voor een uitdaging waarin hij al z’n retorische kracht en overtuigende argumenten moest leggen.

 

Mosiah’s memorandum: de liefdevolle politiek van de angst

Mosiah’s boodschap is een tekst van twaalfhonderd woorden (29:5–32), en dan nog lang niet volledig: “En nog veel meer dingen schreef koning Mosiah hun …”, gevolgd door een opsomming van de onderwerpen die hij ook nog in het memorandum behandelde.

Mosiah begint met een vleiende en voorzichtige inleiding: “Zie, o mijn volk, ofwel mijn broeders — want zo beschouw ik u — ik wil dat gij de zaak overweegt die u ter overweging is voorgelegd, want gij verlangt een koning te hebben”. Dan maakt hij bekend “dat hij aan wie het koninkrijk rechtmatig toebehoort, heeft geweigerd, en het koninkrijk niet op zich zal nemen”. Noteer het subtiele onderscheid: de stem van het volk maakt Aäron de “rechtmatige” bezitter van het koninkrijk, maar deze “neemt het niet op”. Pretendenten hoeven zich niet aan te melden, er is al een rechtmatige opvolger. Meesterlijke zet.

Vervolgens schildert Mosiah doemscenario’s op basis van hypotheses. Stellen we “een ander” in Aäron’s plaats, dan moeten we vrezen dat “er twisten onder u zullen ontstaan”. Of misschien bedenkt Aäron zich (hij is immers “rechtmatig”) zodat hij “een deel van dit volk wegtrekt achter zich”. Opvallend: Mosiah gebruikt beelden en woorden uit het boek Ether, zoals dit “achter zich wegtrekken” van een aanhang bij familievetes in eeen koningshuis. Het toont de impact die de recente vertaling van de gouden platen op zijn gemoed heeft nagelaten. Ook de gevolgen: “hetgeen oorlogen en twisten onder u zou veroorzaken, wat de oorzaak zou zijn van veel bloedvergieten en het verdraaien van de weg des Heren, ja, en de ziel van vele mensen zou vernietigen”. En, opgelet, broeders: “Wij hebben het recht niet mijn zoon te vernietigen, evenmin hebben wij enig recht een ander te vernietigen als die in zijn plaats wordt aangesteld”. Er is nog niets gebeurd, maar de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van de hypothese wordt al in de schoenen van de mensen geschoven.

Volgend doemscenario: “En indien mijn zoon terugkeert tot zijn hoogmoed en ijdelheden, zou hij de dingen herroepen die hij had gezegd en zijn recht op het koninkrijk opeisen, wat hem en ook dit volk veel zonde zou doen begaan.” Dat maakt een reeks hypothesen waarbij op het einde de mensen zelf zouden zondigen. En wat te denken van het toch wel wat pijnlijk wantrouwen van Mosiah tegenover zijn zoon? Maar het beeld is voor de goede zaak en stimuleert de angst.

Tegen die dreigende achtergrond kan Mosiah het principe van de rechters voorstellen. Eerst nog geruststellen: “En nu, laten wij wijs zijn en die dingen voorzien en datgene doen wat de vrede van dit volk zal bevorderen. Daarom zal ik voor de rest van mijn dagen uw koning zijn.” Dat is nog veraf, moet het volk denken. En het plan is even geruststellend: “Wij zullen wijze mannen als rechter aanstellen, die dit volk volgens de geboden Gods zullen besturen. Nu is het beter dat iemand door God wordt bestuurd dan door de mens, want de oordelen Gods zijn altijd rechtvaardig.” Mosiah stelt meteen de wijze rechters en hun door God beveiligd bestuur tegenover mensen die een risico inhouden: “… omdat niet alle mensen rechtvaardig zijn, is het niet raadzaam dat gij een koning of koningen hebt om over u te heersen.” De redenering is ondermaats, alsof God alle rechters in de hand heeft, alsof ook alle bestuurlijke wetten van God komen, en alsof de slechtheid van bepaalde mensen voldoende reden is om koningen te vermijden.

Dan weer het doembeeld, nu met bewijs: “Ja, denkt aan koning Noach, aan zijn goddeloosheid en zijn gruwelen …” Verzenlang beschrijft Mosiah de rampen die “een onrechtvaardige koning” teweegbrengt, om te besluiten als was het al een feit: “En nu zie, ik zeg u, het is niet raadzaam dat zulke gruwelen u treffen.” Tegen die beangstigende achtergrond kan Mosiah weer wat meer geruststellends over de rechters vertellen: ze worden verkozen door het volk, met vertrouwen in de ingeboren goedheid van de meerderheid, met lagere en hogere rechters voor wederzijdse controle, en met vrijheid en gelijkheid in het opnemen van de eigen verantwoordelijkheid.

Geen woord over een opperrechter.

Tot daar Mosiah’s boodschap in de directe rede, maar er volgt nog meer dat hoofdstuk 29 nu samengevat weergeeft. Eerst iets over de lasten van een koning, terwijl het volk zelf meer zou moeten dragen. Maar dan opnieuw, overvloedig: “En hij ontvouwde hun tevens alle nadelen waaronder zij gebukt zouden gaan als er een onrechtvaardig koning over hen heerste — ja, al zijn ongerechtigheden en gruwelen, en al de oorlogen en twisten en bloedbaden, en het stelen en het plunderen en het plegen van hoererij en allerlei ongerechtigheden, te veel om op te noemen.”

Mosiah’s memorandum vertoont een meesterlijk gebruik van de “politiek van de angst”, in opeenvolgende lagen. Telkens wanneer hij behoedzaam en geruststellend wat over zijn nieuw systeem zegt, omringt hij het met de schrikwekkende beelden van alternatieven. Met liefdevolle bedoelingen: koste wat het kost wil hij verdeeldheid onder het volk vermijden en de vrede behouden. Daartoe gebruikt hij de retoriek van politiekers en partijen, al sinds de oudheid: aanvaard wat ik voorstel, want de gevolgen van andere keuzes zijn vreselijk.[1] Hoe het voorstel zelf positieve gevolgen zal hebben wordt amper uitgelegd. De angst voor het alternatief moet overwegen.

Mosiah bereikt nog een ander doel door de gedragingen van een slechte koning zo te accentueren: de afkeer voor mogelijke pretendenten al diep inprenten. Mensen moeten schrik hebben van wie ooit koning wil worden.

 

Rembrandt_Saul en David_2“Saul en David” door Rembrandt van Rijn (1606–1669)

 

Dit alles ondersteunt de authenticiteit van het Boek van Mormon: Mosiah’s pleidooi geeft een zeer authentieke indruk. Hij had weinig om op te staan, maar hij haalt er het maximum uit. Van Nephi tot Mosiah II, bijna vijfhonderd jaar lang, weten we van geen onrechtvaardige koning. De drie laatsten, Mosiah I, Benjamin en Mosiah II waren toonbeelden van koning-profeten. Alleen in die kleine zijsprong van het kleine volk van Zeniff zit die vermaledijde Noach. Wie Mosiah 11, het hoofdstuk dat Noah verguist, aandachtig leest, ziet snel dat de kroniekschrijver alles heeft gedaan om Noach’s daden zo depreciërend mogelijk voor te stellen, ook al zouden sommige van zijn verwezenlijkingen bij een ander de hemel in geprezen worden. De “gruwelen en ongerechtigheden” van de man blijven erg vaag. Zijn vrouwen en bijvrouwen konden onder de wet van Mozes. In de zaak Abinadi komt hij er slecht, maar dan ook weer niet zo slecht uit. Ondanks alle andere goede koningen in de eigenlijke Nephitische lijn, wordt die uitzondering van elders het gedemoniseerd symbool van de dreiging die van een koning kan uitgaan. Wie de pen vasthoudt… Historische kritiek kan zich dus afvragen in welke mate Noach’s  geschiedenis werd gekleurd of herschreven om Mosiah’s schets te steunen (zie de bespreking hier).

De boodschap slaat in: “En nu geschiedde het, nadat koning Mosiah deze dingen onder het volk had uitgezonden, dat zij overtuigd waren van de waarheid van zijn woorden.” Vervolgens brengen de mensen “in het gehele land groepsgewijs” hun stem uit “over wie hun rechters moesten zijn”. Mosiah had niets over een opperrechter gezegd, maar “het geschiedde dat Alma als eerste opperrechter werd aangesteld, en hij was tevens de hogepriester” (29:42). Van een verkiezing, zelfs maar van een bevestiging door de “stem van het volk”, lezen we niets, hoewel het niet uitgesloten is. Ondertussen is Mosiah nog steeds koning, wat een zachte overgang verzekert (29:11). Wanneer hij sterft, vloeien de bevoegdheden van de koning, zonder die titel, naar Alma. Vijf jaar later blijkt dat Alma’s titel haast ongemerkt is uitgebreid: “Alma de opperrechter en regeerder van het volk van Nephi” en heeft hij ook de algemene legerleiding (Alma 2:16). Alma kunnen we nochtans geen ambitie toedichten: na negen jaar stoot hij zijn functie van opperrechter af om zich volledig te kunnen wijden aan dienend kerkwerk.

Alles wijst erop dat de overgang precies aan Mosiah’s plannen beantwoordde, overeenkomstig de al vroegere overdracht van de kronieken en heilige voorwerpen. Mosiah kan in vrede sterven, hoog geacht door het volk, terwijl er “blijvende vrede in het land” heerst. Het boek Mosiah eindigt op een hoogtepunt.

 

Nabeschouwing

Kreeg Mosiah gelijk van de geschiedenis? Hoegenaamd niet. Met de regering der rechters komt een einde aan de vrede die Zarahemla al zeker een halve eeuw had gekend. Na vijf jaar breekt een moordende burgeroorlog uit die vervolgens uitmondt in jaren van oorlogen met de Lamanieten (Alma 2–3). Dat alle rechters “wijze mannen” zijn, “die dit volk volgens de geboden Gods zullen besturen” blijkt vrij spoedig een illusie (Alma 10:27). Na Alma wordt het ambt van opperrechter al na één generatie erfelijk (Alma 50:39) en nog een generatie verder ontbrandt de strijd erom, met een moordaanslag en oorlogen. Veldslagen na veldslagen rijgen zich aan elkaar. De vijftig jaar voor en de vijftig jaar na Mosiah’s besluit om het regeringssysteem te wisselen kunnen geen groter contrast vormen.

Of Mosiah verkeerd was is een heel andere vraag, omdat we niet weten wat er zou gebeurd zijn als het koningschap in stand was gehouden. Zeer waarschijnlijk eenzelfde burgeroorlog, want de kiemen ervoor lagen klaar, en dus ook al de erop volgende oorlogen. Of Alma nu koning of opperrechter was, het had allicht geen verschil gemaakt. Het had zelfs erger gekund, want de zonen van Mosiah hadden ook nog kunnen terugkomen, elk met zijn aanhang, volgens de doemscenario’s.

Maar wat Mosiah wél bereikte, was een einde in schoonheid. De Historie van de Nephitische Koning-Profeten sloot hij intact en glorieus af.

 

2 – Zijn Mosiah’s principes Amerikaanse politieke principes?

Critici opperen al eens, meestal ironisch, dat de politieke hoofdstukken in het Boek van Mormon, en in het bijzonder Mosiah 29, gewoon de Amerikaanse politieke principes van de jaren 1800 weerspiegelen: verwerpen van monarchie, ophemelen van democratie, met een rechtssysteem waarbij je bij hogere instanties in beroep kan gaan. Dat zou dan bewijzen dat Joseph Smith zelf, of een ander vermeend schrijver uit zijn tijd, het Boek zou geschreven hebben. Anderen nemen die kritiek dan klakkeloos over.

De realiteit is dat het systeem dat Mosiah voorstelt niet alleen grondig afwijkt van Amerikaanse politieke principes, maar er zelfs op fundamentele punten diametraal tegenover staat. Ik overloop een aantal aspecten.

Een cruciaal principe van de Amerikaanse revolutie is de scheiding van kerk en staat. Artikel 6 van de Amerikaanse Constitutie bevat de voorwaarde dat geen religieus criterium voor staatsambten mocht gelden. Het eerste amendement van 1791 verbood enige wetgeving die een religie zou bevoordeligen of verplicht zou maken of die godsdienstvrijheid zou beperken. Koning Mosiah stelt echter dat de rechters “dit volk volgens de geboden Gods zullen besturen” (29:11). De wet van Mozes is nog steeds van kracht. Op dat vlak is er geen verschil tussen een rechtvaardige koning of een wijze rechter: zij moeten “de wetten van God” bekrachtigen en het volk besturen “volgens zijn geboden” (29:13). Mosiah herhaalt het nog eens met aandrang: “Daarom, kiest gij u rechters door de stem van dit volk, opdat gij zult worden bestuurd volgens de wetten die u zijn gegeven door onze vaderen, die juist zijn, en die hun werden gegeven door de hand des Heren” (29:25). Kerk en staat vallen gewoon samen. De regering der rechters begint met een opperrechter die tevens hogepriester van de kerk is – een ondenkbare situatie in het Amerikaanse bestel. En wanneer Alma later besluit zijn functie van opperrechter over te dragen koos hij “een wijs man, die zich onder de ouderlingen der kerk bevond” (Alma 4:16).

 

Arent de Gelder_Ahimelech giving Goliath's sword to David“De hogepriester Achimelech geeft koning David het zwaard van Goliath” door Arent de Gelder (1645–1727)

 

Ook als koning had Mosiah religieuze macht. Hij was profeet en ziener en stelde priesters aan. Hij was het ook die Alma “machtigde” kerken in het land te stichten en daarin priesters en leraars te ordenen. Met Alma als hogepriester over de kerk, kwam de koning echter niet meer tussen in lokale kerkelijke aangelegenheden (zie de bespreking hier). Op dat moment krijg je de indruk van een scheiding tussen kerk en staat. Maar het is eerder een scheiding tussen twee religieuze niveaus, dat van de koning en dat van de hogepriester, net zoals in onze tijd een hogere kerkleider niet tussenkomt in wat tot de bevoegdheid van een lagere kerkleider hoort.

Een ander fundamenteel principe van de Amerikaanse constitutie is de scheiding der machten, gebaseerd op Montesquieu’s Esprit des Lois, namelijk de zelfstandigheid van wetgevende, bestuurlijke en rechterlijke machten, om zo machtsmisbruik te voorkomen. Daar is in de Nephitische maatschappij geen spoor van te vinden, voor noch na de hervorming van Mosiah. Bij de koningen vielen de wetgevende, bestuurlijke en rechterlijke machten gewoon samen. De regering der rechters wijzigde daar niets aan want de concepten zelf ontbreken. Bij Mosiah stroken de machten met elkaar: “Laten wij echter rechters aanstellen om dit volk volgens onze wet te besturen (29:11).

Wat met het kiesrecht – een bij uitstek democratisch principe? Mosiah kondigt immers aan dat rechters door “de stem van het volk” gekozen zullen worden. Dat is echter geen nieuw principe en bestond bij tal van antieke volkeren. Bij de Nephieten is de “stem van het volk” altijd in min of meerdere mate deel van de machtstoekenning geweest. Nephi werd koning door de wil van het volk (2 Nephi 5:18). Mosiah I werd door het volk tot koning “uitgeroepen” (Omni 19). Zijn zoon, koning Benjamin, erkent dat hij “door dit volk gekozen” is (Mosiah 2:11). Zeniff werd tot koning uitgeroepen “door de stem van het volk” (Mosiah 7:9). Bij Limhi luidt het dat hij, “als zoon van de koning, het koninkrijk was verleend door het volk” (Mosiah 19:26). Mogelijke uitzondering: Benjamin droeg het koninkrijk aan zijn zoon Mosiah over, zonder melding van een stem van het volk (Mosiah 1:10). Toch zal ook hier de aanvaarding en ondersteuning van het volk gebeurd zijn want de overdracht gebeurde tijdens een grootse publieke bijeenkomst. Wanneer hij zelf met zijn opvolging te maken krijgt legt Mosiah de vraag aan het volk voor – “wie zij als hun koning wilden hebben” (Mosiah 29:1). Dat alles stemt overeen met de Bijbelse wisselwerking tussen volk en koning, waar ook het volk of zijn vertegenwoordigers de koning konden kiezen of in zijn ambt bevestigen, althans in bepaalde periodes.[2]

Wat Mosiah wel toelicht in zijn geplande hervorming is de gelijkheid en verantwoordelijkheid voor zonde. Valt daar iets “Amerikaans” in te ontdekken? Volgens Mosiah is het beter “geen koning te hebben, opdat wanneer die mensen zonden en ongerechtigheden begaan, die op hun eigen hoofd zullen neerkomen. Want zie, ik zeg u, de zonden van vele volken zijn veroorzaakt door de ongerechtigheden van hun koningen; daarom komen hun ongerechtigheden neer op het hoofd van hun koningen”. Mosiah verlangt dat “deze ongelijkheid niet meer voorkomt in dit land” en dat in dit “land van vrijheid … ieder mens zijn rechten en voorrechten in gelijke mate zal kunnen genieten” (29:30-32). De passage is merkwaardig door de klaarblijkelijke boodschap dat het een recht en een voorrecht is om de eigen zonde op het eigen hoofd te laten neerkomen. Maar precies dat recht betekent ook gelijkheid in een land van vrijheid: ieder is vrij en gelijk in het dragen van de eigen verantwoordelijkheid voor zonden. Hugh Nibley vestigt de aandacht op die binding van vrijheid en gelijkheid in Mosiah’s benadering en hoe die combinatie afwijkt van het Amerikaanse concept van vrijheid.[3] Het Amerikaanse concept van vrijheid geeft namelijk een individu de mogelijkheid om, door rijkdom en macht te verwerven, ongelijkheid te creëren. In die ongelijkheid kunnen meerderen hun ondergeschikten tot zonden verplichten of verleiden, net zoals een koning. Daar precies gaat Mosiah tegen in. Zijn benadering lijkt dan ook volledig aan te sluiten bij de volstrekte sociale gelijkheid die Alma in de “kerk van God” tot stand brengt (Mosiah 18:27–29). We zijn ver van een kapitalistische interpretatie van vrijheid.

Is Mosiah’s mening over koningen dan niet typisch Amerikaans? Ook hier hapert de vergelijking. De Amerikaanse revolutie zag koningen als tirannen waartegen het volk in opstand moest komen. In het Boek van Mormon is de beweging net omgekeerd: vooreerst vraagt het volk om een koning en is het soms de voorgestelde koning die het verlangen van de mensen tempert. Nephi wilde het liever niet (2 Nephi 5:18). Alma weigerde zodat de sociale gelijkheid tussen allen niet in het gedrang zou komen (Mosiah 23:6–7). Maar nagenoeg steeds krijgt het volk de koning waar ze naar vragen. Vervolgens zijn, op één na, alle Nephitische koningen waarmee we kennismaken goede koningen, zelfs uitzonderlijk goede koningen, geliefd en geëerd door het volk, met herhaald huldebetoon (Jakob 1:10–11; Mosiah 29:40). Zo’n hommages pasten totaal niet in het plaatje van de Amerikaanse politieke retoriek. Ten slotte spreekt Mosiah zich niet uit tegen koningen, integendeel: met rechtvaardige koningen “zou het raadzaam zijn dat gij altijd een koning hadt om over u te heersen” (Mosiah 29:13). Het drama dat hem plots overkwam was het verlies van vier potentiële troonopvolgers. Alleen in die specifieke omstandigheden, zonder geschikte troonopvolger, zocht hij naar een oplossing en moest hij al zijn overtuigingskracht en bangmakerij gebruiken om het volk een regering zonder koning aan te prijzen.

Wat de regering der rechters werd, was uiteindelijk evengoed een Bijbels rijk, met een opperrechter, levenslang benoemd, en waarvan de functie spoedig ook erfelijk werd. Met de regering der rechters verandert er uiteindelijk weinig aan de geest van het Nephitische systeem. De herinnering aan de koning als belichaamd ideaal blijft leven. Wanneer Alma, negen jaar na de regeringswissel, gaat prediken, kent hij de titel Koning aan Christus toe: “Ziet de heerlijkheid van de Koning der gehele aarde; en ook zal de Koning des hemels zeer spoedig zijn licht laten schijnen onder alle mensenkinderen” (Alma 5:50).

 

Rembrandt_David en Uriah“David en Uriah” door Rembrandt van Rijn (1606–1669)

 

De bekende mormoonse historicus Richard Bushman onderzocht met welke politieke begrippen en met welke politieke controverses Joseph Smith en anderen uit zijn omgeving vertrouwd waren.[4] De scheiding van kerk en staat, de scheiding der machten, het revolutionaire denken, dat was de politieke actualiteit van Joseph Smith’s era, doorspekt met eigen termen en uitdrukkingen. Bushman stelt vast dat geen enkele van die thema’s of termen in het Boek van Mormon voorkomt. Politiek in het Boek van Mormon sluit wél naadloos aan op de geschiedenis van Israël:

  • Koningen of rechters zijn de regeringssystemen die beiden kennen. In Israël komen de rechters eerst en dan de koningen, in het Boek van Mormon volgen de Nephieten eerst de koninklijke traditie die ze kenden toen ze Jeruzalem verlieten, tot Mosiah hen ervan overtuigt terug te keren naar een regering van rechters.
  • In het Israëlitische gedachtegoed heerst geen wil tot revolutie om de koning af te zetten, de macht te grijpen of het land te hervormen, maar wel een verlangen naar bevrijding van gevangenschap en van knechtschap door te vertrekken. Zo vertrekt Mozes uit Egypte, en zo vertrekken, Nephi met zijn groep de wildernis in, koning Mosiah I uit het land Nephi naar Zarahemla, Limhi uit het land Nephi naar Zarahemla en Alma uit het land Helam naar Zarahemla.
  • Zoals de Nephieten Nephi als koning willen, zoals de groep rond Zeniff  hem tot koning uitroept, zoals de groep rond Alma hetzelfde van zijn leider verlangt, zo vragen de Israëlieten om een koning (Deuteronomium 17:14–15; 1 Samuel 8:1–22; 10:18–25; Richteren 8:22–23).
  • Zoals in het oude Israël, erkennen de volken in het Boek van Mormon de erfelijke opvolging.
  • Onbekend in beide sferen is de scheiding tussen kerk en staat en de scheiding der machten. Bij de Israëlieten en bij de Nephieten is de hoogste leider, koning of rechter, de incarnatie van het hoogste gezag, wetgevend, bestuurlijk, juridisch, religieus en militair.[5]

Allemaal ondenkbaar in de Amerikaanse politieke context van 1800.

Het is verleidelijk om moderne begrippen zoals monarchie, democratie, republiek en theocratie te gebruiken voor de bespreking van politieke thema’s in het Boek van Mormon. Maar elk van die abstracties begrijpen we vanuit onze context, dus nauwkeurige definities dienen eerst de begripslimieten te omlijnen. Elk van die begrippen dekt dan maar een klein stukje van wat er bij de Nephieten gangbaar was en waarvan we het meeste gewoon niet weten. Met Mosiah zitten we nog steeds in de eerste eeuw voor Christus. Dat maakt politiek in het Boek van Mormon, voor zover we die correct waarnemen, precies zo authentiek. Het past bij de tijdsgeest.

 

Maar ook Amerikaanse mormonen…

De ironie wil dat nogal wat Amerikaanse mormonen naar Mosiah’s toespraak verwijzen alsof het Amerikaanse democratische principes incarneert. De zin dat in dit “land van vrijheid … ieder mens zijn rechten en voorrechten in gelijke mate zal kunnen genieten” is voor hen een geliefde zin om te citeren. Connor Boyack haalt hem aan als goddelijke bevestiging van de Amerikaanse Constitutie.[6] Elder L. Lionel Kendrick van het Eerste Quorum van Zeventig verwijst ernaar als toepasselijk op de Verenigde Staten.[7] BYU professor van politieke geschiedenis J. Keith Melville citeert de zin bij de opening van een artikel over Joseph Smith en de Amerikaanse Constitutie.[8] Voor Byron R. Merrill, BYU professor van Oude Schriftuur, was Mosiah’s hervormingsvoorstel even geïnspireerd als de Amerikaanse Constitutie “om een regering in te stellen door de stem van het volk”.[9] J. D. Williams verwijst zelfs naar Mosiah 29 als ondersteuning van de scheiding tussen kerk en staat, met name “geen regering door kerkleiders”.[10] Die verwijzingen zitten vaak in het zog van het mormoons-Amerikaans patriotisme dat sommige kerkleiders, vooral in het midden van de twintigste eeuw ten tijde van het hevig anticommunisme, stimuleerden. Individuele kerkleden van rechts-Amerikaanse signatuur blijven ook nu nog in die sfeer hun visie uitdragen, met verwijzing naar die zin in Mosiah. Terwijl, zoals hierboven uitgelegd, het hele Nephitische systeem grondig afwijkt van Amerikaanse  constitutionele principes. De meest waarschijnlijke betekenis van de zin over vrijheid en rechten beoogt volmaakte sociale gelijkheid.

 

Arent de Gelder_Koning David“Koning David” door Arent de Gelder (1645–1727)

 

Ook het huidig lesmateriaal van de kerk draagt nog de sporen van dat paradigma uit de jaren 1950. Het handboek voor de leerkracht titelt voor dit onderdeel dat Mosiah “goede regeringsprincipes” onderwijst, alsof die voor onze tijd in onze landen kunnen gelden – dus zonder scheiding van kerk en staat en zonder scheiding der machten. Het handboek selecteert dan een enkele passage die een moderne democratie enigszins kan onderschrijven, zoals “wijze mannen als rechter aanstellen”. Maar zelfs zo’n passage wringt in onze structuren waar rechters niet verkozen worden, ze geen wetgevende macht hebben en ook niet besturen.

Richard Bushman besluit terecht dat geschiedkundigen een grote stap vooruit zetten “wanneer ze zich bevrijden van de dwang om alles wat ze vinden in verband te brengen met het Amerika van Joseph Smith en wanneer ze in plaats daarvan de antieke stramienen trachten te begrijpen die diep in het weefsel van Boek van Mormon schuilen”.[11]

 

3 – Het boek Alma: algemene verkenning

De omgeving: een nieuwe sociale stratificatie
Het boek zelf: gestructureerd en stijlrijk over doctrines en oorlogen

 

De omgeving: een nieuwe sociale stratificatie

Het centrum is nog steeds Zarahemla. Sinds de influx van “buitenstaanders”, namelijk het volk van Limhi en de groep rond Alma, in 120 v.C., zijn ondertussen dertig jaar verlopen. Met grote gezinnen zal de bevolking al significant gegroeid zijn, met verspreiding naar nabij gelegen gebieden. Daardoor komen ze ook makkelijker in aanraking en in conflict met andere bevolkingsgroepen, die ze onder de algemene noemer “Lamanieten” gelijkstellen. Het blijft fundamenteel een agrarische maatschappij. Oorlog brengt ellende “wegens het verlies van hun kudden kleinvee en runderen, en ook wegens het verlies van hun graanvelden, die door de Lamanieten waren vertrapt en vernield” (Alma 4:2).

Of de nakomelingen van het “volk van Zarahemla”, dat veel talrijker dan de Nephieten was, zich ondertussen volledig met de Nephitische identiteit vereenzelvigd hebben is niet duidelijk, maar er wordt verder niet meer naar die afstamming verwezen. Er is echter een nieuwe sociale stratificatie ontstaan door de groei van de kerk: wie erbij hoort en wie niet. Kerkleden, die zich “het volk van God” noemen, beschouwen niet-leden als “een afgescheiden volk” (Mosiah 26:4). Vanuit het standpunt van de niet-leden, die vermoedelijk erg veelzijdig zijn, zal het eerder “het volk van God” zijn dat zich van de anderen afscheidt en zich door strikt geloof en gedrag isolerend gedraagt. De kroniekschrijver zit echter in het kamp van de kerk en tekent de maatschappij dan ook in dualistische termen: er zijn goeden en er zijn slechten. Bij elke tegenstelling – tussen Nephieten en Lamanieten, tussen de leden van “kerk van God” en de anderen, tussen de nederigen en de hoogmoedigen in de kerk zelf – worden de contrasten aangescherpt. Gradaties en nuanceringen zijn zeldzaam, maar dat hoort nu eenmaal bij de religieuze invalshoek, ook in de Bijbel. Wie niet voor mij is, is tegen mij.

Als we uitgaan van het “beperkt geografisch model” gebeurt alles in een gebied niet groter dan de huidige Benelux. De bewegingen van de legers en de verplaatsingen van de zendelingen om elders te gaan prediken bevestigen dit.

 

Het boek zelf: gestructureerd en stijlrijk over doctrines en oorlogen

In tegenstelling tot het boek Mosiah is het boek Alma een boek met een verzorgde structuur. Het boek Mosiah droeg oorspronkelijk zelfs geen naam, het begin ervan was moeilijk te onderscheiden en bezorgde Joseph Smith en Oliver Cowdery dan ook de nodige kopbrekens (zie hier). Niet zo met het boek Alma. Van bij de aanvang krijgen we een nette preambule die zo op de platen voorkwam: “Het verslag van Alma, die de zoon van Alma was, en de eerste opperrechter over het volk van Nephi …”. Later in de tekst krijgen aparte onderdelen hun eigen intro’s, eveneens zo van de platen overgenomen: “De woorden die Alma, de hogepriester, volgens de heilige orde Gods, het volk heeft verkondigd…”; “De woorden van Alma, en ook de woorden van Amulek, die zij aan het volk in het land Ammonihah hebben verkondigd…”; “Een verslag van de zonen van Mosiah, die …”; “De geboden van Alma aan zijn zoon Helaman”. Preambules en intro’s worden ook superscripties genoemd. Je herkent er de hand van een zorgvuldige schrijver in, mogelijk Alma zelf, of van een van zijn aangestelde kroniekschrijvers. Samenvatter Mormon zal dit niet gedaan hebben, want dan had hij het ook elders zo zorgvuldig gedaan.

Daarenboven was die schrijver een stijlmeester in oude hebraïsche tradities, iets wat je minder in andere boeken aantreft. Het boek Alma bulkt van grote en kleine chiasmen, herhalingsparafrasen, opsommingstructuren en sporen van hebraïsche uitdrukkingswijzen. Denk aan het voorbeeld van Alma 36 waarvan de vorige les de structuur besprak. Het doel van het boek Alma was een episch verhaal na te laten, dat voorlezers later met een bepaald ritme konden voordragen. De Engelse vertaling heeft van die stijl een deel moeten laten verloren gaan en vertalingen naar andere talen gaven weer wat prijs. Maar er blijft voldoende over om van de originele rijkdom te genieten.

Bij het samenstellen van de volledige kroniek in de vierde eeuw n.C. heeft Mormon het boek Alma vermoedelijk grotendeels overgenomen, en alleen bepaalde delen ingekort. Slechts zelden komt een “ik” of een “wij” als auteur van de bredere geschiedschrijving naar voor. “Nu zullen wij wederom terugkeren naar de Amlicieten …” (3:13). “Nu wil ik dat gij inziet dat zij de vervloeking zelf over zich heen brachten” (3:19). “Nu wil ik dat gij begrijpt dat het woord Gods voor allen vrij was” (6:5). “Nu zullen wij niets meer zeggen over hun prediking, behalve dat zij het woord en de waarheid predikten” (43:2). “En nu keer ik terug naar een verslag van de oorlogen tussen de Nephieten en de Lamanieten” (43:3). “Nu keren wij in onze kroniek terug naar Amalickiah” (47:1). “Zie, ik zeide dat de stad Ammonihah was herbouwd” (49:3). De letterlijke overnames van lange delen zijn echter evident, zoals de toespraken van Alma en de zendingsverslagen van anderen, of de lange brief van Helaman over drie hoofdstukken (56–58), alsmede verdere briefwisseling. Hoofdstuk 63, het laatste hoofdstuk van het boek Alma, dat vier jaar geschiedenis bestrijkt, is dan weer zeer samenvattend.

Het verklaart de ongewone dimensie die het boek Alma in het geheel van het Boek van Mormon inneemt: het bestrijkt een periode van slechts negenendertig jaar op duizend jaar geschiedenis, maar neemt wel bijna een derde van het hele Boek van Mormon in. Het grootste deel daarvan gaat over Alma zelf (hoofdstukken 1 tot 44), het overige over zijn zonen Helaman en Shiblon. Twee thema’s overheersen: prediking en oorlog.

 

4 – Priestcraft: hoe best vertalen?

Het woord priestcraft komt een tiental keer voor in de Engelse versie van het Boek van Mormon.

Ontstaan in de vijftiende eeuw, had dit Engels woord eerst een neutrale betekenis, “de functie van priester uitoefenen”. Craft is van dezelfde origine als ons Nederlands kracht of het Duitse Kraft, met als oudste betekenis vermogen, vaardigheid, kunde. Elk beroep kon samengaan met die omschrijving van vakmanschap: builder’s craft was bouw-kunde, healer’s craft was heel-kunde, enzovoort. Pas in de zeventiende eeuw kreeg priestcraft de negatieve connotatie van “kunstgrepen en middelen van ambitieuze priesters om aards gezag en sociale controle te verwerven en te behouden”.[12]

We weten niet welk origineel woord op de platen stond, maar Nephi definieert priestcraft als “dat mensen prediken en zichzelf opwerpen als een licht der wereld om gewin en de lof der wereld te verwerven; maar het welzijn van Zion zoeken zij niet” (2 Nephi 26:29). Die definitie van Nephi is belangrijk om de best mogelijke vertaling te vinden. Het gaat om prediking in een sfeer van aanstellerij met het doel er “gewin en lof” uit te halen. Die betekenis had priestcraft ook deels in Joseph Smith’s tijd: “fraud or imposition in religious concerns; management of selfish and ambitious priests to gain wealth and power, or to impose on the credulity of others” (Webster 1828). Nephi legt echter sterk de nadruk op het zelfbehaaglijk prediken.

De huidige Nederlandse vertaling priesterlist is ongelukkig omdat ze maar een klein deel van de mogelijke lading dekt en een verkeerde focus legt. Ze is vermoedelijk gebaseerd op hedendaags Amerikaans taalgebruik waar craft en crafty nu vooral op doortraptheid  en geslepenheid duiden. Huidig Amerikaans taalgebruik is geen goed criterium om specifieke Engelse woorden van tweehonderd jaar geleden te vertalen. Daarenboven hebben we vooral Nephi’s definitie, waarin eigenlijk geen sprake van “list” is. Vroegere Nederlandse uitgaven, in navolging van de eerste vertaling van Volker (1890), gebruikten priesterbedrog, een betere keuze dan priesterlist omdat het zowel tactieken als kwalijke activiteiten dekt. Maar je mist er eveneens het centrale idee van prediking in, het openbaar optreden, het “licht der wereld” willen zijn. Listige mensen en bedriegers zijn eerder stiekemerds, terwijl de betrokken priesters met vloeiende prediking en met exhibitie van hun zogenaamde voorbeeldfunctie naar buiten komen. Misschien staan dergelijke figuren niet zo ver van ons. Een mooiprater is daarom nog geen bedrieger.

Priestcraft is een ouder Engels woord met een specifieke contextuele betekenis, dus kunnen we voor de vertaling ook een identiek ouder Nederlands woord met dezelfde betekenis overwegen. Al sinds de zestiende eeuw vinden we het woord kunstenarij van priesters met die betekenis. Calvijn gebruikte het woord om pronkerig vertoon bij religie aan te klagen: “Verder is het een nog grotere verkeerdheid om ‘t Avondmaal met allerlei kunstenarijen te vieren, terwijl het Woord er bij tekort komt”.[13]

De uitdrukking kunstenarijen van priesters werd de gebruikelijke Nederlandse uitdrukking voor dit openbaar, pronkziek en op gewin en glorie belust gedrag . Zo vinden we kunstenarij in de historische beschrijvingen van pralerige Israëlitische , Romeinse en Oosterse priesters en in de schampere uithalen naar “Roomsche” priesters, precies zoals het Engels het woord priestcraft voor die mensen gebruikt.[14] Kunstenarij houdt tevens een binding met zijn etymologische basis kunst of kunde, net zoals het Engels craft teruggaat naar het originele woord. Het suffix –arij of -erij geeft aan het basiswoord een spottende waarde: zo gebruikt P. C. Hooft praterij, Multatuli letterkunderij, publicisterij en kritiekerij.[15] Zo ironiseerde Joseph Smith zelf met neologismen toen hij het had over “priestcraft, lawyer-craft, doctor-craft”.[16]

Zoals steeds vraagt een woord gewenning, maar die hangt af van effectief gebruik. Dat is onvoorspelbaar. Hoe klinkt het in de betrokken teksten?

“Maar ten gevolge van kunstenarij van priesters en van ongerechtigheden zullen zij die in Jeruzalem zijn, hun hals tegen Hem verstarren, zodat Hij wordt gekruisigd” (2 Nephi 10:5).

“Hij gebiedt dat er geen kunstenarijen van priesters zullen zijn; want zie, priesterkunstenarij houdt in dat mensen prediken en zichzelf opwerpen als een licht der wereld om gewin en de lof der wereld te verwerven” (2 Nephi 26–29).

“Maar Alma zeide tot hem: Zie, dit is de eerste maal dat er kunstenarij van priesters onder dit volk is ingevoerd. En zie, gij zijt niet alleen schuldig aan priesterkunstenarij, maar hebt ook getracht het met het zwaard op te dringen; en indien dit volk priesterkunstenarij wordt opgedrongen, zou dat hun algehele vernietiging betekenen” (Alma 1:12).

Of zoekt u mee naar nog een ander samengesteld woord? Priesterpraal, priestergepraal, priesterhovaardij, priesterpronk, priestergepronk, priestervertoon… Of we maken een eigen woord als basis: prekerij of predikerij, steeds uitgaand van Nephi’s definitie.

 

5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde verzen

Alma 1:2 – Wie was Nehor?

We vernemen zijn naam pas in vers 15, maar hij is er vanaf vers 2. Zo iemand verschijnt niet uit het niets: hij moet een achtergrond hebben, de nodige vorming en een bestaand netwerk zodat “velen zijn woorden geloofden” en hij erin slaagde “zelfs een kerk volgens zijn prediking te stichten” (Alma 1:5–6). Dat brede draagvlak blijkt al in het volgende hoofdstuk wanneer Amlici op het toneel verschijnt, “van dezelfde orde” als Nehor.

Er is gesuggereerd dat Nehor mogelijk uit de kring van de priesters van de koning kwam.[17] Wat er na de dood van de koning met die groep van priester-raadgevers-rechters is gebeurd wordt nergens vermeld. Het opheffen van het koningschap betekende niet dat de bestuurlijke administratie wegviel, maar priesterlijke functies waren ondertussen grotendeels verschoven naar Alma’s kerk en rechterlijke functies naar nieuw verkozen rechters. De wet van Mozes is niet opgeheven, maar hoe Alma die in zijn kerk laat toepassen is niet duidelijk aangegeven. Het kan dus best zijn dat een aantal van de priesters van de koning uit de boot vielen. Zij waren echter gewend aan een betaalde functie en aan het aanzien van de koninklijke dienst. Zij waren ook vertrouwd met leringen en rituelen. Dat alles past bij het profiel van Nehor. Wat hij verkondigt beoogt dan het behoud van zijn vroegere status.

Andere analisten opteren voor een verdere connectie omdat Nehor een typische Jareditische naam zou zijn (Ether 7:4, 9). Via het volk van Zarahemla zou een afvallig gedachtegoed van Jareditische oorsprong zich zo onder hen en ook onder Lamanieten verspreid hebben, wat dan weer kan verklaren waarom een “orde van Nehor” bij Lamanieten te vinden is (Alma 14:16; 21:1–3).[18] Het zou natuurlijk ook kunnen dat Alma en de zijnen elke vorm van priesterkunstenarij aan de algemene naam “Nehor” zijn gaan koppelen.

 

Alma 1:3 – … dat iedere priester en leraar zich gewild moest maken

“En hij was onder het volk rondgegaan, hun predikend wat hij het woord Gods noemde, en zwaar drukkend op de kerk, en het volk verkondigend dat iedere priester en leraar zich gewild moest maken, en dat zij niet met hun handen moesten werken, maar dat zij door het volk moesten worden onderhouden.”

Het Engels luidt: “…that every priest and teacher ought to become popular”. Gewild is een mogelijke, maar voor sommigen zeker niet direct duidelijke vertaling. De vroegere vertaling gaf “… dat iedere priester en leraar gezien moest zijn”, wat het aspect zichtbaarheid en aanzien tenminste deed uitkomen, maar toch ook niet ideaal.

De voetnoot bij “gewild” verwijst naar een andere tekst in het Boek van Mormon, waar het om kerken gaat die worden opgericht “om in trek te zijn in de ogen der wereld” (1 Nephi 22:23). Dat komt van het Engels “to become popular in the eyes of the world” – hetzelfde woord als in Alma 1:3. Om coherent te zijn moeten Engelse woorden in dezelfde context door hetzelfde Nederlandse woord vertaald worden, dus zou je in Alma 1:3 moeten lezen dat iedere priester zich in trek moest maken. Dat maakt de betekenis duidelijker dan gewild. Maar vreemd dat we niet gewoon vertalen met populair, de precieze en correcte weergave van het Engels. Vrees om een ongewoon woord in Schriftuurlijke taal te gebruiken? Er is nooit iets ongewoons aan taal: het gebruik bepaalt de inburgering. Correctheid en duidelijkheid primeren op alles. De Franse vertaling van het Boek van Mormon heeft er uiteraard geen last mee: “… que tous les prêtres et instructeurs devraient être populaires”, noch het Spaans: “…que todo sacerdote y maestro debía hacerse popular”. Het kan evengoed bij ons, want populair is een erkend en vertrouwd Nederlands woord.

Alternatief voor populair is “dat iedere priester en leraar zich geliefd moest maken”, want dat was een betekenis van popular in Joseph Smith’s tijd: “Beloved by the people; enjoying the favor of the people; pleasing to people in general; as a popular governor; a popular preacher; a popular ministry” (Webster, 1828). Maar het Nederlandse populair dekt de lading mogelijk beter dan geliefd wegens de bijkomende connotatie van gezochte populariteit. Dat “gezochte” probeert de huidige vertaling met gewild uit te drukken, maar voor de doorsnee lezer blijft het eerder kryptisch.

 

Alma 1:12 – de eerste maal onder dit volk ingevoerd?

Alma zei tot hem: “Zie, dit is de eerste maal dat er priesterlist onder dit volk is ingevoerd” (1:12).

Sommige analisten begrijpen dit als toepasselijk op de hele Nephitische geschiedenis, dus dat dit fenomeen sinds de aankomst van Lehi nog niet was voorgekomen. Dat is mogelijk, maar het lijkt waarschijnlijker dat Alma, terwijl hij zich tot Nehor richt, met “dit volk” op het eigen volk op de eigen plaats en tijd doelt. Op vijf eeuwen geschiedenis zijn er immers gevallen van “kunstenarij van priesters” die in de buurt komen. Sherem, die onder het volk ten tijde van Jakob predikte, gebruikte “veel vleierij en veel overredingskracht” (Jakob 7:4). Koning Benjamin had last met “valse profeten en valse predikers en leraren” (Woorden van Mormon 16). De priesters van Noach misleidden de mensen “met ijdele en vleiende woorden” en genoten van luxe en comfort “terwijl zij leugenachtige en ijdele woorden tot het volk spraken. (Mosiah 11:7, 11).

 

Alma 1:29 – een overvloed van zijde en fijn getweernd linnen

We zijn zijde en fijn getweernd linnen reeds in 1 Nephi 13:7 tegengekomen.

Zijde is gemaakt van de fijne natuurlijk vezels waarmee rupsen een cocon maken; de zijdeteelt was al gekend in China drieduizend jaar v.C.

Fijn getweernd linnen. De huidige Nederlandse vertaling “getweernd fijn linnen”, is een onjuiste vertaling van het Engelse “fine-twined linnen”. Het moet “fijn getweernd linnen” zijn, zoals in Exodus 28:15, omdat het tweernen “fijn”, dus met bijzondere zorg, gebeurde. De vroegere vertaling van het Boek van Mormon gaf dit wel correct weer.

TweernenVoor ons is linnen een weefsel van vlas, een plant waarvan de vezels al duizenden jaren gebruikt worden om mee te weven. Vlas als zodanig was niet bekend in het Oude Amerika, maar de vezels van planten als de ixtle (maguey of agave) of de yucca werden voor hetzelfde doel gebruikt.[19]

Tweernen komt van het getal twee: het is het stevig ineendraaien van twee of meer garens of vezels tot één streng. Die streng is een tweern of twijn, dus gedubbeld garen.

 

Alma 2:4 – Wicked: niet “goddeloos”

“Welnu, als het mogelijk was dat Amlici de stem van het volk voor zich won, zou hij, als goddeloos man, hun hun rechten en voorrechten van de kerk ontnemen…”

De Nederlandse vertaling gebruikt zeer frequent goddeloos voor het Engelse wicked en goddeloosheid voor wickedness. In een aantal gevallen heeft dat niet zoveel belang als het om een globale uitdrukking van slechtheid gaat. In andere gevallen is het een oneigenlijke keuze. We zagen dit reeds bij Alma de jongere, die de Nederlandse tekst goddeloos en afgodisch noemt, wat contradictorisch is. Ook hier bij Amlici is het oneigenlijk om hem goddeloos te noemen. Hij behoort tot de orde van Nehor, een beweging met religieuze inslag.

Wicked heeft oorspronkelijk een religieuze betekenis, als adjectief afgeleid van het Oud-Engelse wicca, magiër, tovenaar, astroloog (wat ook wizzard gaf), en waarvan de vrouwelijke vorm  wicce is, wat witch werd, heks. Oorspronkelijk werden ze geëerd als wijze mensen, die de krachten in de natuur bestudeerden en ten goede gebruikten. Daarna evolueerde de betekenis negatief, onder druk van de christelijke prediking die het bijgeloof wilde uitroeien. Tovenaars en heksen werden vervolgd, niet omdat ze goddeloos waren, maar omdat ze in andere, occulte zaken geloofden. Ze werden dus “slecht”, vandaar de huidige betekenis van wicked. De literatuur heeft de goede waarden van de wizzard wel behouden, van Merlijn tot Harry Potter.

 

Alma 2:11 – Volk van Amlici, Amlicieten en Nephieten

“Nu werd het volk van Amlici door de naam van Amlici onderscheiden en Amlicieten genoemd; en de rest werd Nephieten genoemd, ofwel het volk van God.”

Sommige analisten vinden dat die beschrijving erop wijst dat de Amlicieten geen Nephieten waren, maar van een andere origine, namelijk Mulekieten (de veralgemeende naam voor het volk van Zarahemla).[20] Dat is niet uitgesloten maar niet verdedigbaar op basis van de namen alleen. “Volk van Amlici” is een synchronische (momentane, tijdelijke) naam die aan een groep rond een leider gegeven wordt. Binnen elke grotere historische groep, zoals het volk van Nephi, kunnen tijdelijk zo’n kleinere groepen ontstaan, zoals destijds het volk van Zeniff, dat dan zelf ook nog opsplitste in drie synchronische groepen. De Amlicieten vormen binnen de diachronie van het volk van Nephi een eigen groep, en worden daarom onderscheiden van de anderen, die uiteraard Nephieten blijven. De toevoeging “ofwel het volk van God” verduidelijkt in dit geval hun eigenheid. De tegenstelling zou dan niet etnisch zijn, maar religieus. Voor het onderscheid tussen synchronische en diachronische namen, zie hier.

 

Alma 2:15 – bij de heuvel Amnihu, ten oosten van de Sidon

“En het geschiedde dat de Amlicieten bij de heuvel Amnihu aankwamen, die ten oosten van de Sidon lag, die langs het land Zarahemla stroomde.”

Dit hoofdstuk, en veel volgende, geven tal van plaatsnamen aan. Voor analisten die deze plaatsen in het huidige Amerika trachten te identificeren zijn dit uiteraard bijzonder interessante hoofdstukken. Ik verkies er niet op in te gaan daar het mij te speculatief lijkt. Zie de bespreking over het “beperkt geografisch model” met verwijzingen naar de belangrijkste geografische studies die wel trachten de locaties in het huidige Amerika te bepalen. De meeste van die studies zijn online te vinden voor wie er zich graag in verdiept.

 

Alma 3:1 ­– Voor wie taal boeiend vindt: epanalepsis

“En het geschiedde, nadat zij de gesneuvelden hadden begraven — en het aantal van de gesneuvelden was zo groot dat zij hen niet telden — ja, toen zij klaar waren met het begraven van hun doden, dat alle Nephieten die niet door de oorlogswapens waren gedood, terugkeerden naar hun landerijen en naar hun huizen en hun vrouwen en hun kinderen”

Vergelijk met de volgorde van de frasen in het Engels:

And it came to pass that the Nephites who were not slain by the weapons of war, after having buried those who had been slain — now the number of the slain were not numbered, because of the greatness of their number — after they had finished burying their dead they all returned to their lands, and to their houses, and their wives, and their children”

De huidige Nederlandse vertaling probeert de frasen in een “betere” volgorde te zetten, maar bemoeilijkt daardoor de epanalepsis, een literaire structuur uit de oudheid die een vroegere zin of frase herneemt na een parenthese. De parenthese is “— ja, toen zij klaar waren met het begraven van hun doden —“, duidelijk gescheiden door de lange streepjes. Het Nederlands respecteert dit, maar wil de complexiteit verminderen door de bijzin die afhangt van “het geschiedde” naar verder te verschuiven, vlakbij “terugkeerden”. Het onderwerp van die bijzin is “de Nephieten die niet door de oorlogswapens waren gedood”. Dat onderwerp zou, zoals in het Engels, beter vooraan blijven staan, om de actoren van bij de aanvang te identificeren in zo’n lange constructie met epanalepsis. Er zit ook een typisch chiastisch evenwicht in dat dus zo gelezen werd. Hieronder respecteer ik het Engels zo nauwkeurig mogelijk (wat ook de opdracht is aan vertalers):

L12_Alma3-1

Epanalepsis is een antieke literaire stijlfiguur, ook eigen aan de oude Hebreeuwse schrijfstijl.[21] In het Boek van Mormon komt de structuur 84 keer voor, waarbij vooral Mormon ze gebruikt: inderdaad typisch voor een samenvatter die meer met verduidelijkende parenthesen werkt en dan een vorig element herneemt.[22]

 

Alma 3:3 – En de huid der Lamanieten was donker

“En de huid der Lamanieten was donker, volgens het teken dat aan hun vaderen was gesteld, dat een vervloeking op hen was wegens hun overtreding en opstandigheid jegens hun broeders”

Zie hiertoe de aparte bespreking in les 7.

 

Alma 4:16-18 ­– Overdracht aan Nephihah

“… Nu verleende Alma hem niet het ambt van hogepriester over de kerk, maar behield het ambt van hogepriester voor zichzelf; de rechterstoel droeg hij echter over aan Nephihah”

De aandachtige lezer zal opmerken dat Alma hem niet de koperen platen, de kronieken en de heilige voorwerpen overhandigt. Historisch horen die bij de koning-profeet (Mosiah 1:16). De overdracht ervan van Mosiah naar Alma gebeurde toen Alma hogepriester was, en nog niet opperrechter (Mosiah 28:20). Maar op dat moment had Mosiah ook geen opvolger voor de koninklijke functie. Het blijft dus de vraag of het bezit van de koperen platen, de algemene kronieken en de heilige voorwerpen (waaronder het zwaard van Laban, symbool van koninklijke militaire macht; maar ook de Liahona en de zienerstenen, symbool van profetisch gezag) eerder bij de bestuurlijke macht dan bij de kerkelijke macht thuishoren. Je zou een splitsing verwachten: geschiedkundige kronieken en zwaard van Laban bij de bestuurlijke macht, en platen van koper, Liahona en zienerstenen onder priesterlijke hoede. Zo gebeurt het dus niet. Alma behoudt blijkbaar alles en zal later alles aan zijn zoon Helaman overdragen (Alma 37:1-4). Vandaar blijft alles in bezit van hogepriesters en profeten.[23] Een wijze voorziening, want aan de kant van de opperrechters zal de toestand chaotisch worden.

Wanneer Nephihah jaren later sterft en door zijn zoon Pahoran opgevolgd wordt, vernemen we een toch wel laattijdige informatie, namelijk dat Nephihah, toen hij opperrechter werd, “het verzoek van Alma had afgeslagen om die kronieken en de andere zaken in bezit te nemen die Alma en zijn vaderen hoogst heilig achtten” (Alma 50:38). Het lijkt een toevoeging in de kroniek, op dat moment bijgehouden door Helaman, om de ontstane situatie te rechtvaardigen.

 

6 – Gestructureerd lezen

Mosiah 29    De opvolging van koning Mosiah, overdracht aan rechters

 Voor een analyse: zie hierboven.

1-4                   Inleidende verzen om de situatie te schetsen.

5-10                 De bezorgde en realistische redenering van een wijs vorst.

11-24              Een nieuw regeringssysteem aangekondigd: rechters. Volg de argumentatie van koning Mosiah:

  • een rechtvaardige koning zou goed zijn;
  • maar dat kan niet gegarandeerd worden: één goddeloze koning veroorzaakt grote verwoesting -denk aan koning Noach;
  • een onrechtvaardige koning kan daarbij niet makkelijk veranderd worden.

25-32              “De stem van het volk” wordt de basis van het nieuwe regeringssysteem

33-36              Samenvatting van de verdere woorden van koning Mosiah

33                   –     een merkwaardig vers als “spiegel” van wat het betekent een rechtvaardige koning te zijn

34                   –     er rust meer verantwoordelijkheid op het volk zelf

35-36            –     rappel van de waarschuwingen vroeger in het hoofdstuk gegeven.

37-41              Reactie van het volk en instelling van het nieuwe systeem.

40                    Waardering voor een groot koning.

42-44              Alma de jongere wordt de eerste hoofdrechter.

45-46              De dood van twee groten.

 

Alma 1           Nehor  – Beproevingen in de kerk

1                       Dood van koning Mosiah

2-6                   Beschrijving van Nehor

7-15                 Nehor doodt Gideon. Hij wordt voor Alma gebracht. Let op de wijze waarop Alma over hem oordeelt.

16-18              Toepassing van de wet, maar niet op het geloof.

19-24              Externe en interne problemen in de kerk.

25-31              Niettemin: ook voorspoed in de kerk.

32-33              Toestand bij de niet-kerkleden.

 

Alma 2           Oorlog

1-20                 Burgeroorlog met de Amlicieten

21-38              Uitbreiding naar hevige oorlog met de Lamanieten.

 

Alma 3           Weer een oorlog met de Lamanieten

1-19                 Beschrijving van de toestand van de Amlicieten en de Lamanieten.

20-24              Weer een oorlog met de Lamanieten.

25-27              Samenvattende slotverzen.

 

Alma 4           Evoluerende toestand in de kerk

1-5                   Gunstige ontwikkeling als gevolg van doorstane ellende.

6-14                 Ongunstige ontwikkeling als gevolg van rijkdom en hoogmoed.

15-20              Alma staat de rechterstoel af aan Nephihah, om zich voltijds aan zijn kerkwerk te kunnen wijden.

 

 

Voetnoten

[1]    De voorbije jaren buigen analisten zich meer en meer over de “politiek van de angst” die sinds de aanslagen van 9/11 sterk is toegenomen in het vooral rechtse politieke discours.  Zie onder meer Manuel G., Gonzales and Richard Delgado, Politics of Fear: How Republicans Use Money, Race and the Media to Win (New York: Routledge, 2015); Martha C. Nussbaum, The New Religious Intolerance: Overcoming the Politics of fear in an Anxious Age (Harvard University Press, 2012); Corey Robin, Fear: The History of a Political Idea (New York: Oxford University Press, 2004); Fiona Jeffries, “Reappropriating the City of Fear,” Space and Culture 17, no. 3 (2014): 251–265; Ruth Wodak, The Politics of Fear: What Right-Wing Populist Discourses Mean (New York: Sage, 2015).

[2]    Zie 1 Koningen 2:3; 16:16. Richteren 9:6; Deuteronomium 17:14–20; 33:3. Voor studies, zie Joseph Blenkinsopp, Wisdom and law in the Old Testament: The ordering of life in Israel and early Judaism (Oxford University Press, 1995); .D. J. Wiseman, “Law and Order in Old Testament Times,” Vox Evangelica 8 (1973): 5–21.

[3]    Hugh W. Nibley, Teachings of the Book of Mormon Transcripts of Lectures Presented to an Honors Book of Mormon Class at Brigham Young University, Semester 2: 1988–1990 (Provo, Utah: Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, 1993), p. 212.

[4]    Richard L. Bushman, “The Book of Mormon and the American Revolution,” Brigham Young University Studies 17, no. 1 (1976): 3–20.

[5]    Zie hiertoe ook Todd R. Kerr, “Ancient aspects of Nephite kingship in the Book of Mormon,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 1, no. 1 (1992): 85–118.

[6]    Connor Boyack, Latter-Day Liberty: A Gospel Approach to Government and Politics (Springville, Utah: Cedart Fort, 2011), 58.

[7]    L. Lionel Kendrick, “Land of Liberty,” Brigham Young University–Idaho Devotional, September 25, 2001. http://www2.byui.edu/Presentations/Transcripts/Devotionals/2001_09_25_Kendrick.htm

[8]    J. Keith Melville, “Joseph Smith, the Constitution, and Individual Liberties,” Brigham Young University Studies 28, no. 2 (1988): 65–74.

[9]    Byron R. Merrill, “Government By the Voice of the People: a Witness and a Warning” in The Book of Mormon: Mosiah, Salvation Only Through Christ eds. Monte S. Nyman and Charles D. Tate, Jr. (Provo: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1991), 113–137.

[10] J. D. Williams, “The separation of church and state in Mormon theory and practice,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 1, no. 2 (1966): 30–54 (33).

[11]  Bushman, “The Book of Mormon,” 20. Ook Ryan Davis waarschuwt voor veralgemeningen en ongepaste vergelijkingen met Amerikaanse politiek. Hij tracht evenwel aan te tonen hoe Mosiah’s democratische wijzigingen een positieve invloed hadden op oorlog en vrede onder de Nephieten. Zie Ryan W. Davis, “For the Peace of the People: War and Democracy in the Book of Mormon,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 16, no. 1 (2007): 42–55.

[12]  “Priestcraft”: “arts and devices of ambitious priests for attaining and holding temporal power and social control (1680s)”. Online Etymology Dictionary, gebaseerd op Weekley’s n Etymological Dictionary of Modern English, Klein’s A Comprehensive Etymological Dictionary of the English Language, Oxford English Dictionary (second edition), Barnhart Dictionary of Etymology, Holthausen’s Etymologisches Wörterbuch der Englischen Sprache, en Kipfer and Chapman’s Dictionary of American Slang.

[13]  Geciteerd door Ds. Jac. Vermaas, “Calvijn over het Heilig Avondmaal”, De Waarheidsvriend (22 april 1965), 123.

[14]  Bijvoorbeeld in Hedendaagsche historie of het vervolg van de algemeene historie, XIIIde boek (Amsterdam: W.G. de Groot, 1772), p. 36; Algemeene geschiedenis der wereld: van de schepping tot op den tegenwoordigen, oorspronkelijk bewerkt, Geschiedenis der Israëlieten, Volume 2, (Amsterdam: Gebroeders Diederichs, 1842), p. 56; Verhandelingen, uitgegeeven door de Bataafsche Maatschappij: tot nut van’t algemeen, 7de deel (Bataafsche Maatschappij, 1802), p. 223. In De Nederlandsche volkskarakters (1938) beschrijft Antoon Coolen hoe de Staten-Generaal optrad tegen “de schadelijke en moorddadige secte der Jezuieten en andere priesters van de Roomsche religie”, en hoe de “kunstenarijen” van de “Roomschen” daarop reageerden.

[15]  C.G.N. de Vooys, Nederlandse spraakkunst, deel II. Afleiding. Afleiding van substantieven (Groningen: Wolters, 1947), 96–107.

[16] Het is deel van de beroemde passage waarin Joseph Smith zich vergelijkt met een grote, ruwe steen die van een hoge berg rolt: ““I am like a huge, rough stone rolling down from a high mountain; and the only polishing I get is when some corner gets rubbed off by coming in contact with something else, striking with accelerated force against religious bigotry, priestcraft, lawyer-craft, doctor-craft, lying editors, suborned judges and jurors, and the authority of perjured executives, backed by mobs, blasphemers, licentious and corrupt men and women—all hell knocking off a corner here and a corner there” (“Discourse to Saints”, May 1843; DHC 5:401, geciteerd in Ensign (July 1973) in het artikel “Joseph the Prophet: A Self-Portrait” van J. Lewis Taylor.

[17]  John L. Sorenson, An Ancient American Setting for The Book Of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1985).

[18]  Michael M. Hobby, The Mulekite Connection (Zarahemla Foundation Press, 1992), 21–22; Paul Hoskisson, “An Introduction to the Relevance and a Methodology for a Study of the Proper Names of the Book of Mormon,” in By Study and Also by Faith: Essays in Honor of Hugh W. Nibley, vol. 2, John M. Lundquist and Stephen D. Ricks, eds. (Proov, Utah: F.A.R.M.S.), 130.

[19]  John L. Sorenson, “Possible ‘Silk’ and ‘Linen’ in the Book of Mormon,” in John W. Welch, ed., Reexploring the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1992), 162.

[20] John A. Tvedtnes, “Book of Mormon Tribal Affiliation and Military Castes,” in Stephen D. Ricks, William J. Hamblin (eds.), Warfare in the Book of Mormon (Provo, Utah: F.A.R.M.S. 1990), 300.

[21]  John Wansbrough, “Hebrew Verse: Apostrophe and Epanalepsis,” Bulletin of the School of Oriental and African Studies 45, no. 03 (1982): 425-433; Haruko Momma, “Epanalepsis: A retelling of the Judith story in the Anglo-Saxon poetic language,” Studies in the Literary Imagination 36, no. 1 (2003): 59; Casper C. de Jonge, “Grammatical Theory and Rhetorical Teaching,” In Brill’s Companion to Ancient Greek Scholarship (2 Vols.), pp. 979-1011. Brill, 2015.

[22]  Zie hiervoor Larry Childs, “Epanalepsis in the Book of Mormon,” in John W. Welch, ed., Reexploring the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1992), 165–166.

[23]  Alma 37:1–47; 63:1–2, 10–13; 3 Nephi 1:2–3; 4 Nephi 1:47–49; Mormon 1:2–5; 4:23; 8:3–5; Moroni 10:2; Joseph Smith—Geschiedenis 1:34–35, 42, 50–53, 59–60.

Om terug te keren

1 – De opvolgingskwestie: analyse van een politieke strategie
2 – Zijn Mosiah’s principes Amerikaanse politieke principes?
3 – Het boek Alma: algemene verkenning
4 – Priestcraft: hoe best vertalen?
5 – Achtergrond en weetjes bij bepaalde verzen
6 – Gestructureerd lezen