Les 20 – Mosiah 25-28; Alma 36

“Mijn ziel wordt niet langer gepijnigd”

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

1 – Volken in beweging: wat namen voor identiteit betekenen
2 – En nu liet koning Mosiah alle mensen bijeenkomen.
3 – Godsdienst in de overgang van Mosiah naar Alma
4 – Een genuanceerde blik op de jonge jaren van Alma de jongere
5 – Zij vielen ter aarde … Bijna-doodervaring?
6 – Alma 36: ook taal-architecturaal bijzonder
7 – Weetjes bij bepaalde verzen
8 – Gestructureerd lezen

Het lessenplan combineert hier vier hoofdstukken uit Mosiah (25–28) met een later hoofdstuk uit Alma (36). De reden is het onderwerp: Mosiah 27, als historisch hoofdstuk, vertelt de bekering van Alma de jongere. Jaren later, in Alma 36, vertelt Alma die bekering aan zijn zoon Helaman. Vandaar ook de titel die het lessenplan aan deze les gaf: “Mijn ziel wordt niet langer gepijnigd”.

Op één hoofdstuk na (Mosiah 29), naderen we het einde van het boek Mosiah. De periode is historisch. Volken laveren tussen oude en nieuwe identiteiten. De godsdienstbeleving wijzigt. Grote namen doen hun intrede. De institutionele structuur van een kerk, met plaatselijke gemeenschappen, overvleugelt de patriarchale en familiale tradities. Priesters van de kerk arbeiden nu los van de priesters aangesteld door de koning, die al eeuwenlang het religieus ritme bepaalden. De relatie tussen kerkleden en “ongelovigen” leidt tot spanningen. Hoe moet dat evolueren? Genoeg materie voor een boeiende verkenning.

 

Chagall_AmoureuxVoor illustraties boden deze hoofdstukken weinig aansluiting op specifieke onderwerpen. Maar overwegend heerst er vreugde: volken vinden elkaar terug in Zarahemla; Alma de oudere doopt velen en mag kerken stichten. Zijn zoon Alma de jongere en de vier zoons van Mosiah worden bekeerd. Er heerst eindelijk vrede. Daarom koos ik Chagall’s reeks over het Hooglied. De joodse schilder Marc Chagall (1887-1985) wordt beschouwd als de meest prominente religieuze schilder van de twintigste eeuw. Zijn reeks over het Hooglied zindert van vreugde. Lees er hier een kunstmeditatie over.

 

1 – Volken in beweging: wat namen voor identiteit betekenen

Mosiah 25, waar de volken samenkomen voor een grote bijeenkomst, vormt een goede aanleiding om dit demografisch onderwerp wat uit te diepen. Tenzij anders vermeld verwijzen de Schriftuurlijke referenties naar het boek Mosiah.

Een complexe dynamiek
Diachronische en synchronische namen
De volken met het suffix  -ieten en de zeven macro-lijnen
Afstamming, geslachtsregisters en bestolen Lamanieten
Beter geen namen buiten die in het Boek van Mormon gebruiken?
Ten slotte: het volk van God

Een complexe dynamiek

“En nu was het gehele volk van Nephi samengekomen, en ook het gehele volk van Zarahemla, en zij waren in twee groepen vergaderd… En [Mosiah] las de kronieken van het volk van Zeniff voor … zij die de kinderen waren van Amulon … namen de naam Nephi aan, zodat zij de kinderen van Nephi zouden heten en worden gerekend onder hen die Nephieten werden genoemd. En nu werd het gehele volk van Zarahemla onder de Nephieten gerekend … En [Alma] spoorde het volk van Limhi en zijn broeders aan … “ (25:4, 5, 12, 13, 16).

Volk van Nephi, volk van Mosiah, van Zeniff, van Noach, van Limhi … De uitdrukking “het volk van …” komt meer dan driehonderd keer voor in het Boek van Mormon, gevolgd door de een of andere eigennaam: Alma, Amlici, Ammon, Ammonihah, Amulon, Anti-Nephi-Lehi, Antiparah, Coriantumr, Gideon, Jared, Lamoni, Lehi, Limhi, Morianton, Mosiah, Nephi, Nephihah, Shiz, Zarahemla en Zeniff.

Daarnaast is er sprake van Amlicieten, Amalekieten, Amulonieten, Anti-Nephi-Lehieten, Ishmaëlieten, Jakobieten, Jozefieten, Lamanieten, Lemuëlieten, Nephieten en Zoramieten.

Het wemelt van volken in het Boek van Mormon. De benoeming van een volk komt nagenoeg steeds van de naam van een persoon, stamvader of leider. Het wordt echter ingewikkelder als ook nog een volk bij een ander toevlucht zoekt, als volken in elkaar opgaan, maar elk apart toch naar zijn oorsprong blijft verwijzen, of als een volk van een ander splitst en een eigen weg opgaat. Wanneer je die dynamiek in het Boek van Mormon ontwart, merk je hoe die namen uiteenlopende sociale identiteiten articuleren. De talrijke benamingen en bewegingen blijken ook volkomen coherent, zowel chronologisch als geografisch. Daar zouden critici van moeten opkijken.

Zo’n dynamiek van volken stemt overeen met gelijkaardige beschrijvingen uit de oudheid. Ook de Bijbel en andere verwante geschriften verhalen hoe volken hun identiteit met een eigennaam bepalen, maar ook hoe demarcatielijnen schuiven volgens nomadische volksbewegingen, allianties, vermengingen of oorlogen.

 

Diachronische en synchronische namen

Om de benoeming van volken in het Boek van Mormon beter te begrijpen is een onderscheid tussen diachronische en synchronische namen nuttig.

Diachronisch betekent door de tijd heen en verwijst dus naar historische ontwikkeling. Als de naam van een volk nog voor volgende generaties geldt, is het een diachronische naam. Zo doet het volk van Zarahemla zijn intrede omstreeks 200 v.C. en wordt het een eeuw later nog met die naam vermeld. Bekendste voorbeeld is het volk van Nephi, dat vanaf de zesde eeuw v.C. bestaat en pas een millennium later verdwijnt. Op zo’n lange periode dekt een diachronische naam verschillende ladingen, maar de naam zelf is een begrip en houdt stand. De verschillende betekenissen van “Nephieten” heb ik in dit onderdeel van les 12 besproken.

Synchronisch verwijst naar iets dat gelijktijdig gebeurt. De naam van het volk is dan die van hun aanwezige leider. Valt de leider weg, dan verandert ook de naam naar die van de volgende leider. Een voorbeeld is de opeenvolging van het volk van Zeniff, het volk van Noach en het volk van Limhi. Het gaat om hetzelfde volk maar zij synchroniseren hun naam op die van hun koning. Soms bestaat een volk maar kort omdat het verdwijnt als ook de leider verdwijnt. Dat is bijvoorbeeld het geval met de Amlicieten.

L20_volken

Een diachronische naam begint altijd eerst als synchronische, want hij ontstaat bij de eerste leider.

Een diachronische naam kan ook een reeks synchronische namen inhouden. Het volk van Zeniff is een diachronische naam als die verwijst naar de hele geschiedenis van het volk, vanaf het vertrek uit Zarahemla tot de terugkeer, zo’n tachtig jaar later. Maar binnen die periode zijn er drie synchronische namen, overeenkomstig de drie opeenvolgende koningen: het volk van Zeniff, het volk van Noach en het volk van Limhi. Tijdens het optreden van Abinadi en bij de achtervolging van Alma is er dus sprake van het “volk van koning Noach” (Mosiah 12:5; 23:2). Maar een generatie verder lezen we dat de koning der Lamanieten wachten rondom het land stelde “om het volk van Limhi in het land te houden” (Mosiah 19:28). Ook in volgende hoofdstukken gaan de gebeurtenissen over het “volk van Limhi”. Maar wanneer Mosiah later “de kronieken van het volk van Zeniff” laat voorlezen, gebruikt hij die diachronische naam omdat hij het heeft over de periode “vanaf het tijdstip waarop zij het land Zarahemla hadden verlaten, tot zij wederom waren teruggekeerd” (Mosiah 25:5).

Als we het dicht bij ons en recenter zouden toepassen: Nederlanders zijn diachronisch het volk van Oranje-Nassau. Daarbinnen waren ze van 1980 tot 2013 synchronisch het volk van Beatrix en nu zijn ze het volk van Willem-Alexander. Wat Belgen betreft…

Een diachronische naam, zoals het “volk van Mosiah” in het schema hierboven, kan zelf een onderdeel zijn van een grotere diachronie, namelijk, in dit geval, het “volk van Nephi”. “Volk van Nephi” omvat immers alle volken die zich onder die oorsprong scharen.

De synchronische benaming van een volk verwijst enkel naar een specifieke periode in de geschiedenis, namelijk wanneer die leider hen leidt.

Vraagstukjes voor de Schriftstudent:

  • Tot welke grotere diachronie behoort het volk van Zarahemla? Tot het volk van …

  • Wanneer koning Benjamin, op een welbepaalde dag, het over het “volk van Mosiah” heeft (Mosiah 1:10), is die naam op dat moment dan diachronisch of synchronisch en waarom?

 

De volken met het suffix ‑ieten en de zeven macro-lijnen

Het Boek van Mormon benoemt een aantal volken met het suffix –ieten. Dat gebruik is ook Bijbels, zoals bij Kanaänieten, Hevieten of Amorieten.[1]

In het Boek van Mormon is zo’n benaming in enkele gevallen gewoon een synoniem voor een tijdelijk “volk van …”, een groep rond een leidersfiguur. Zo heb je de Amlicieten, wanneer een deel van het volk zich rond de opstandige Amlici schaart. Dat geldt ook voor de Amulonieten, volgers en nakomelingen van de groep rond Amulon, die het een paar generaties uithouden. Hetzelfde voor de Amalekieten, waarvan sprake tussen 90 en 74 v.C. Afwijkend in naamgeving is de tijdelijke groep van de Anti-Nephi-Lehieten, bekeerde Lamanieten, die zich niet rond een leider vormen en daarom weloverwogen een neutrale naam kiezen. In elk van voorgaande gevallen gaat het om groepen die in dezelfde korte periode in de Nephitische geschiedenis voorkomen.

chagall_Song of songsMaar de zeven andere namen met het suffix ‑ieten, namelijk Ishmaëlieten, Jakobieten, Jozefieten, Lamanieten, Lemuëlieten, Nephieten en Zoramieten, horen tot een breder perspectief over een veel langere geschiedenis. Antropoloog John Sorenson noemt deze zeven de macro-lijnen omdat ze zich als de grote takken van afstamming ontplooien en doorheen heel de geschiedenis als ankerpunten gelden. Onmiddellijk na de dood van Nephi – en het moment is dan allicht met reden gekozen – vermeldt zijn broer Jakob de zeven groepen:

“De mensen nu die geen Lamanieten waren, waren Nephieten; niettemin werden zij Nephieten, Jakobieten, Jozefieten, Zoramieten, Lamanieten, Lemuëlieten en Ishmaëlieten genoemd. Maar ik, Jakob, zal hen voortaan niet door die namen onderscheiden, maar hen die trachten het volk van Nephi te vernietigen, zal ik Lamanieten noemen, en hen die Nephi welgezind zijn, zal ik Nephieten of het volk van Nephi noemen, volgens de regering der koningen” (Jakob 1:13–14).

Zevenhonderdvijftig jaar later blijken die zeven namen nog altijd tot het collectief geheugen van de bevolking te horen:

“En het geschiedde dat er in dat jaar een volk opstond dat de Nephieten werd genoemd, en zij geloofden waarlijk in Christus; en onder hen waren zij die door de Lamanieten Jakobieten en Jozefieten en Zoramieten werden genoemd … En het geschiedde dat zij die het evangelie verwierpen Lamanieten en Lemuëlieten en Ishmaëlieten werden genoemd …” (4 Nephi 1:36–38, zie ook Mormon 1:8–9).

Die zeven namen verwijzen naar leden van de groep die met Lehi uit Jeruzalem kwamen. Alleen Sam, op gelijke hoogte met z’n vijf andere broers, ontbreekt. Hij had wel een gezin (2 Nephi 5:6), maar mogelijk geen verdere afstamming (of enkel dochters). De zonen van Ishmaël worden onder de noemer van hun vader gerekend (de huidige vertaling van het Boek van Mormon gebruikt ten onrechte Ismaël als spelling). Zarahemla en zijn volk, die er later van buitenaf bijkwamen en naar Mulek als hun voorvader verwijzen, kregen geen plaats in de macro-lijnen. Enkel de namen die Jakob in het begin vermeldde bleven de genealogische of etnische referentiepunten.

Sorenson herinnert aan de mythische waarde van het heilig getal zeven en refereert naar oude Meso-Amerikaanse tradities die ook over zeven bronnen voor de verschillende volken spreken.[2] Het past inderdaad in antieke tradities om een aantal uitgelezen voorvaderen een stamstatus te verlenen. Later betrekken mensen dan hun identiteit op één van die voorvaderen. Hetzelfde geldt in de Bijbel voor de groepen die zich beroepen op een afstamming van een van de twaalf zonen Israëls of van andere voorvaderen.[3] De vermengingen door de eeuwen heen en de inbreng van andere volken maken die “zuivere” afstamming uiteindelijk meer symbolisch dan feitelijk.

Ondanks al de confusies tussen de volken over honderden jaren, waarover het Boek van Mormon zelf herhaaldelijk spreekt, behouden de mensen toch nog het referentiepunt naar de eigen afkomst. Of ze kennen zichzelf zo’n referentiepunt toe als bewijs van oeroude identiteit. Dat laatste is duidelijk het geval omstreeks 230 n.C. wanneer groepen zich opnieuw afzetten tegen anderen, na een lange periode van vreedzame co-existentie (4 Nephi 1:35). Na Christus’ prediking volgden immers zo’n tweehonderd jaar van vrede tijdens dewelke het onderscheid tussen volken wegviel: “Er waren geen rovers of moordenaars; evenmin waren er Lamanieten of wat voor ‑ieten dan ook; integendeel, zij waren één, kinderen van Christus en erfgenamen van het koninkrijk Gods” (4 Nephi 1:17). Elder Russell M. Nelson koppelde er een morele les aan: “Deze les van de geschiedenis veronderstelt dat wij ook uit onze persoonlijke woordenschat namen verwijderen die segregeren en afbrekingstekens die scheiden.” [4]

Maar volken hebben een lang geheugen. In de eindperiode van het Boek van Mormon zal de strijd opnieuw losbarsten. Vier macro-lijnen – Nephieten, Jakobieten, Jozefieten en Zoramieten ­– staan er tegenover drie – Lamanieten, Lemuëlieten en Ishmaëlieten. De eersten treden onder de verzamelnaam Nephieten op, de tweeden onder de verzamelnaam Lamanieten. Die twee globale namen geven tragisch uitdrukking aan de diepe verdeeldheid die het hele Boek van Mormon overheerst.

Twee verwante vragen over demografie heb ik in vorige lessen besproken:

  • De diversiteit door vermenging met andere bevolkingsgroepen: zie hier.
  • De geografische verspreiding in het “beperkt geografisch model”: zie hier.

 

Afstamming, geslachtsregisters en bestolen Lamanieten

Kernfiguren in het Boek van Mormon betrekken hun identiteit, maar ook deels hun autoriteit uit hun afstamming en het bezit van de geslachtsregisters. Dat kleurt ook, maar dan in negatieve zin, de relatie met de Lamanieten.

Chagall_study-to-song-of-songs-iv-1958_BIn 600 v.C. geeft Lehi de opdracht om de koperen platen in Jeruzalem te verkrijgen. Het gaat hem daarbij ook om “een geslachtsregister van mijn voorvaderen” (1 Nephi 3:3). Daaruit leert hij dat hij een afstammeling van Jozef is (1 Nephi 5:14), en dat zal meer dan eens in de verf worden gezet. Later beschouwen de behoeders van de kleine platen hun kleine aanvullingen als het bijhouden van “ons geslachtsregister” (Jarom 1; Omni 1). Wanneer koning Mosiah het volk van Zarahemla ontdekt, vermeldt “Zarahemla volgens zijn geheugen een geslachtsregister van zijn vaderen” (Omni 18). Weer later draagt Alma de platen aan zijn zoon Helaman over en spreekt over “het geslachtsregister van onze voorvaderen, ja, vanaf het begin” (Alma 37:3). Het boek Ether verstrekt een lange genealogie, over dertig generaties (Ether 1:6–32).

De uitdrukking “afstammeling van” komt dus herhaaldelijk voor in het Boek van Mormon, net zoals in de Bijbel, telkens met een bijhorende bedoeling om een gezagslijn te bevestigen of om geloofwaardigheid te versterken. Alma de oudere wordt als “afstammeling van Nephi” vermeld op het strategisch moment dat hij aan het hof van koning Noach zijn lot in handen neemt (17:2). Voor onze oren klinkt de bevestiging soms wat racistisch: “Ik ben Mormon, en een zuivere afstammeling van Lehi” (3 Nephi 5:20).[5] Zelfs de laatste stem in het Boek van Mormon, die van Moroni, bevestigt zijn afstamming van Nephi (Mormon 8:13).

Bij de Lamanieten, afstammelingen van de opstandige broers Laman en Lemuël, is de toestand net omgekeerd.[6] De eeuwenoude rancune van de Lamanieten tegen de Nephieten heeft deels te maken met sociale identiteit en geslachtsregisters. Zelfs na vierhonderd jaar verwijten ze de Nephieten nog dat Nephi, toen hij met zijn groep de wildernis introk “de kronieken meenam die op de platen van koper waren gegraveerd” (10:16). Zoals Sorenson noteert, was het bezit van heilige kronieken een bron van prestige en een uiting van gezag, net zoals bij andere antieke volkeren.[7] Het gebrek aan kronieken en geslachtsregisters ontneemt de Lamanieten een stuk van hun identiteit. Opmerkenswaard in dat verband is dat de Nephitische geschiedschrijving zelden of nooit Lamanieten als een “volk van …” omschrijft. Nochtans hebben ook zij koningen en stamleiders. De Nephitische weigering om Lamanieten de status van een volk met een stamboom toe te kennen kan een uiting van culturele minachting zijn.

Maar hoe anders wordt het wanneer Lamanieten zich bekeren. Koning Lamoni, belangrijke bekeerling, wordt nu erkend als “een afstammeling van Ishmaël” (Alma 17:21). De kroniekschrijver doet zelfs moeite om Lamanitische bekeerlingen qua “zuivere” afstamming af te scheiden van wie het niet verdient: “Onder hen die zich bij het volk des Heren aansloten, waren er geen die Amalekiet of Amuloniet waren, of die tot de orde van Nehor behoorden, maar zij waren zuivere afstammelingen van Laman en Lemuël” (Alma 24:29). En de “tweeduizend jonge zonen”, die wij nu nog eren voor hun moed, krijgen de vermelding dat zij “afstammelingen zijn van Laman, die de oudste zoon van onze vader Lehi was” (Alma 56:3). Nu horen ze er volwaardig bij, mede dank zij de vermelding van afstamming.

 

Beter geen namen buiten die in het Boek van Mormon gebruiken?

Voor de volledigheid bij dit thema voeg ik deze kleine opmerking toe.

Het is gebruikelijk bij kerkleden om bepaalde groepen en volken te benoemen met het suffix ‑ieten, ook al ontbreekt het woord in het Boek van Mormon. Zo krijgen we er Ammonieten, Limhieten of Zeniffieten bij. De twee bekendste toevoegingen zijn Mulekieten en Jaredieten, woorden die evenmin in het Boek van Mormon voorkomen.

Bezwaren tegen het gebruik van die toegevoegde namen komen uit diverse hoeken. Sommigen vinden dat je de Schriftuur geweld aandoet door termen te gebruiken die de schrijvers misschien bewust vermeden. Een ander argument is dat de toegevoegde namen de historische lading niet dekken en dus het beeld vertekenen. Als we bijvoorbeeld uitgaan van Jared en van Mulek, kennen we aan die personen een stichtersrol toe en maken die naam diachronisch. Dat is niet helemaal juist.

  • In het geval van de Jaredieten was de broeder van Jared de feitelijke geestelijke leider en werd het koningschap eerst aan diens zonen aangeboden. Jared werd evenmin de eerste koning, maar wel zijn zoon Orihah (Ether 6:27). Nergens reiken het boek Ether, noch de commentaren van Moroni, ons een diachronische naam voor het volk aan. Wel geeft het verslag ons veel synchronische namen, dus volgens de regerende vorst, zoals “Kib en zijn volk”, “het volk waarover Shule, de koning, regeerde”, “het volk van Akish”, “het volk van Shiz”, en meer. De bevolking is ook vaak zeer verdeeld, zodat een gezamenlijke noemer niet in het verhaal zou passen. Vanuit het heden lijkt het echter onmogelijk om over de volkeren in het boek Ether te spreken zonder de ingeburgerde term Jaredieten. De term is enigszins door de kerk aanvaard omdat het woord in de toegevoegde inleiding en samenvattingen van hoofdstukken voorkomt.
  • In het geval van de Mulekieten begint hun feitelijke intrede als volk pas met Zarahemla, omstreeks 200 v.C. , bijna vierhonderd jaar na de aankomst van Mulek op het westelijk halfrond. Over die vierhonderd jaar weten we helemaal niets. Enige informatie is dat Zarahemla “een afstammeling van Mulek” is (25:2). Analisten wijzen op de grote tijds- en cultuurbreuk tussen Mulek en wat uiteindelijk het volk van Zarahemla werd, met zijn verbasterde taal en verloren religie (Omni 17). Dat volk legde zich blijkbaar ook meteen neer bij de superioriteit van de kleinere groep Nephieten en aanvaardde Mosiah als koning.[8] Leden van het volk van Zarahemla verwijzen naar Zarahemla als hun voorvader, nooit naar Mulek (7:13; Helaman 1:15). De enige latere verwijzing naar Mulek vinden we in een toespraak van Nephi, zoon van Helaman, omstreeks 23 v.C., als deel van een grote historische bewijsvoering, maar ook daar is geen sprake van een “volk van Mulek”. De kerkelijke uitgave van het Boek van Mormon vermeldt nergens Mulekieten. Er zijn dus wel goede argumenten om eerder over “het volk van Zarahemla” te spreken dan over Mulekieten.

 

Ten slotte: het volk van God

Mosiah 25, het eerste hoofdstuk voor deze les, voegt een nieuwe naam toe aan de reeks: “En het geschiedde dat wie ook verlangde de naam van Christus, ofwel van God, op zich te nemen, zich bij de kerk van God aansloot; en zij werden het volk van God genoemd” (25:23–24).

De naamgeving is significant, want het betekent de weigering dit het “volk van Alma” te noemen (wat de toegevoegde inleiding tot het hoofdstuk spijtig genoeg wel doet). Mosiah speelt er al fijngevoelig op in als hij de verslagen van de nieuwkomers laat voorlezen: aan de ene kant “de kronieken van het volk van Zeniff”, aan de andere kant “het verslag van Alma en zijn broeders” (25:5–6). De uitdrukking “volk van God” zal evenwel amper nog gebruikt worden in het Boek van Mormon (26:5; Alma 1:24; 2:11; 4 Nephi 1:40). Het week teveel af van ingeburgerde tradities.

 

2 – En nu liet koning Mosiah alle mensen bijeenkomen.

Tenzij anders vermeld verwijzen de Schriftuurlijke referenties naar het boek Mosiah.

De groepen
Volk van Nephi, volk van Zarahemla: lessen in culturele integratie?

De groepen

Van aantallen hebben we geen idee. De kroniekschrijver laat ons op onze honger door alleen te vertellen dat een groep minder talrijk was de andere. Als de opsomming en de beschrijvingen je wat vermoeien of verwarren, bedenk dat de complexiteit een teken van authenticiteit is: wie had het zo kunnen bedenken tenzij het de neerslag is van ware geschiedenis? Als we de vijf vermelde groepen in vermoedelijke orde van grootte rangschikken, zijn het op het moment van de bijeenkomst, omstreeks 120 v.C.:

  • Het volk van Zarahemla (25:2). Zarahemla, leider van dit volk in 200 v.C., was “een afstammeling van Mulek en van hen die met hem de wildernis waren ingetrokken”. Dit volk was de oorspronkelijke bezitter van het land Zarahemla. Wanneer de Nephieten hen omstreeks 200 v.C. ontdekten, waren ze reeds “buitengewoon talrijk” (Omni 17). Ze “verenigden” zich met de Nephieten en aanvaardden Mosiah I als koning.
  • Het volk van Nephi (25:2–3). Omstreeks 200 v.C. waren zij in het land Zarahemla beland, na hun vlucht uit het erfland Nephi. Ze worden hier “de kinderen van Nephi, ofwel de afstammelingen van Nephi” genoemd. De “kinderen van Nephi” is een uitdrukking die Zeniff voor het eerst gebruikte als contrastnaam tegenover de Lamanieten (10:17) in een context van haat: de Lamanieten hebben, volgens Zeniff, hun kinderen geleerd de Nephieten te haten en dus treft die haat nu de kinderen van Nephi – kinderen in de betekenis van “afstammelingen” van Nephi. Het gaat echter niet alleen om rechtstreekse nakomelingen van Nephi zelf, maar om de iets algemenere bepaling van allen die Nephi destijds in de wildernis volgden.
  • Het volk van Zeniff (25:5). De term wordt in de diachronische betekenis gebruikt, namelijk de groep die tussen 200 en 190 v.C. Zarahemla verliet om terug te keren naar het erfland Nephi, en nu, zo’n tachtig jaar later, weer terugkeert. Vermoedelijk was er niemand meer bij van de oorspronkelijke vertrekkers, maar behoorden ze tot de tweede en volgende generaties. Synchronisch is deze groep nu, in 120 v.C., het volk van Limhi, aangezien Limhi hun koning is, en wordt dan ook zo vermeld in verzen 16–17. Op dat moment in het verhaal wijzigt immers het perspectief: niet meer de historische terugblik, maar de momentane gebeurtenis, met name de aparte prediking tot het volk van Limhi en hun doop. Heel logisch.
  • “Alma en zijn broeders” (25:6). Hoewel alleen de mannen vermeld worden, gaat het uiteraard om hun hele kerkelijke gemeenschap. Oorspronkelijk hoorden ze bij het volk van Zeniff, aangezien ze zich daarvan omstreeks 145 v.C. onttrokken bij de vorming van hun kerk aan de wateren van Mormon. Na hun vlucht naar het land Helam vormden ze er gedurende een twintigtal jaar een eigen groep en keerden ook als aparte groep terug naar Zarahemla. Zie echter ook de opmerking bij Weetjes voor Mosiah 25:6.
  • “De kinderen van Amulon en zijn broeders” (25:7). Die vragen “niet langer met de naam van hun vaders te worden aangeduid, daarom namen zij de naam Nephi aan, zodat zij de kinderen van Nephi zouden heten en worden gerekend onder hen die Nephieten worden genoemd”. Dit is een interessant geval. Vooreerst is er een hiaat in de informatie. Er is hiervoor nog nooit sprake geweest van deze kinderen als groep en hoe zij plotseling in Zarahemla verschijnen. Dat betekent dat de samensteller van het boek Mosiah die voorafgaandelijke informatie over het hoofd heeft gezien of dat die informatie bij het samenvatten verdwenen is. Het is een mooie illustratie van authenticiteit: een negentiende-eeuwse schrijver die het hele Boek van Mormon zou hebben geschreven, had een introductie voor die kinderen niet overgeslagen.

Maar wie zijn die kinderen dan en waar komen ze vandaan? De meest waarschijnlijke uitleg (er zijn er ook andere) is de volgende. “Amulon en zijn broeders” horen tot de priesters van koning Noach die op de vlucht sloegen bij een inval van Lamanieten in het land Nephi, omstreeks 140 v.C. Hoogstwaarschijnlijk lieten ook zij hun vrouwen en kinderen achter, op bevel van Noach (19:10–12). De priesters kwamen nooit terug naar Zarahemla, ontvoerden later Lamanitische vrouwen en begonnen een eigen leven elders. Hun achtergebleven kinderen groeiden dus op onder het volk van Zeniff (of, synchronisch, onder het volk van Limhi). Met dit volk vluchtten zij uiteindelijk mee naar Zarahemla. Die kinderen, nu tussen 20 en 30 jaar oud, hebben dus reden om zich te willen ontdoen van hun afkomst. Hier staat een beetje tegenover dat zij eigenlijk altijd Nephieten zijn geweest, aangezien ook de priesters van Noach allicht overwegend Nephieten waren (hoewel afstammelingen van het volk van Zarahemla niet uitgesloten zijn, aangezien ook uit die groep mensen met Zeniff naar Nephi waren getrokken). Toch is de expliciete vraag van deze (ondertussen volwassen) kinderen begrijpelijk aangezien ze blijkbaar op dat moment nog steeds “met de naam van hun vaders worden aangeduid”.

 

Volk van Nephi, volk van Zarahemla: lessen in culturele integratie?

Het valt op dat na ongeveer drie generaties bij elkaar leven het volk van Nephi en het volk van Zarahemla nog steeds onderscheiden worden, want zij “waren in twee groepen vergaderd” voor de grote bijeenkomst die koning Mosiah organiseert (25:4).

Hooglied Marc Chagall01Is de “culturele integratie” mislukt? Het volk van Nephi, onder leiding van koning Mosiah I, had omstreeks 200 v.C. Zarahemla bereikt. Daar woonde het veel talrijker volk van Zarahemla. Toen “geschiedde dat het volk van Zarahemla en dat van Mosiah zich verenigden; en Mosiah werd tot hun koning uitgeroepen” (Omni 19). Nu, tachtig jaar later, waren zij nog steeds “in twee groepen vergaderd”.

Waarom? Er zijn verschillende verklaringen mogelijk, die elkaar allicht overlappen.

  • Die tachtig jaar zijn niet vreedzaam tussen hen verlopen. Onder de eerste koning, Mosiah I, viel het blijkbaar nog mee. Mosiah I en Zarahemla konden meteen goed overweg met elkaar, er was blijdschap en er viel veel van elkaar te ontdekken. Het volk van Zarahemla, het voorbeeld van hun leider volgend, liet zich onderwijzen en aanvaardde Mosiah, nochtans koning van een kleiner volk, ook als hun koning (Omni 13–22). Maar een generatie later, onder koning Benjamin, liep het mis. Er kwam om te beginnen “een ernstige oorlog en veel bloedvergieten tussen de Nephieten en de Lamanieten” (Omni 24). Had de aanwezigheid van de Nephieten de oorlog ook over het volk van Zarahemla gebracht? Een bijna laconieke opmerking van samenvatter Mormon doet vermoeden dat er etnische spanningen waren: “En nu, wat deze koning Benjamin betreft — hij had enige twisten onder zijn eigen volk” (Woorden van Mormon 12). Enkele verzen later volgt een litanie van problemen: “valse christussen … valse profeten en valse predikers en leraren .. . en nadat zij allen overeenkomstig hun misdaden waren gestraft; en nadat er veel twist was geweest en velen waren overgelopen naar de Lamanieten”, dan pas slaagt Benjamin erin vrede te herstellen. De teksten zeggen niet dat de problemen aan spanningen tussen de twee bevolkingsgroepen te wijten waren, maar de religieuze inzet van de strijd, met valse christussen, profeten, predikers en leraren, wijst er toch op. Het volk van Zarahemla was, bij de kennismaking met de Nephieten, totaal afgeweken van hun oorspronkelijk Israëlitisch gedachtengoed – niet verwonderlijk na vierhonderd jaar zonder profeten (Omni 17). Wat hadden zij ondertussen aan bijgeloof ontwikkeld? Konden zij de leer en rituelen van de Nephieten makkelijk overnemen? Hoewel de onderlinge strijd nu, in 120 v.C., geluwd is, blijven zo’n conflicten lang in het etnisch en familiaal geheugen hangen. De andere blijft de andere.
  • Taal en cultuur zijn verweven met de ziel. Amaleki noteerde op de kleine platen dat bij de kennismaking met het volk van Zarahemla “Mosiah, noch het volk van Mosiah, hen kon verstaan” (Omni 17). Hun taal was namelijk “verbasterd”. Typische visie van de superieure groep die ook de geschiedenis schrijft: zij zien hun eigen taal als de norm, die van de andere is verbasterd. Taalkundig zou het net omgekeerd kunnen geweest zijn en sprak het volk van Zarahemla nog de oudste en zuiverste vorm van Hebreeuws, terwijl de taal van de Nephieten al behoorlijk “verbasterd” was door hun gebruik van het Egyptisch (1 Nephi 1:2). Wat er ook van zij, Mosiah liet hen “in zijn taal onderwijzen”. Het is echter weinig waarschijnlijk dat het veel talrijker volk van Zarahemla zich het Nephitische idioom als nieuwe moedertaal eigen maakte. Ze zullen in familiekring hun “Zarahemlitisch” wel zijn blijven gebruiken, met het “Nephitisch” als de officiële cultuurtaal. In de 21ste eeuw nog steeds een zeer herkenbare situatie in tal van landen en regio’s. Wie vanuit het volk van Zarahemla zich de Nephitische taal eigen maakte, behield misschien toch nog het accent van thuis, dat onuitroeibare teken van herkomst. Elkeen wist bij welke groep hij eigenlijk hoorde en zoiets kan generaties blijven doorwegen.
  • Het voorgaande verklaart waarom zelfs koning Benjamin aan het einde van zijn regeerperiode (in 124 v.C.) de bevolking nog steeds als twee volken beschouwt. Zijn oproep is expliciet naar de twee groepen gericht wanneer hij zijn zoon Mosiah (die bij deze gelegenheid zijn opvolger zal worden) de opdracht geeft: “Mijn zoon, ik wil dat gij een oproep laat uitgaan door dit gehele land, onder dit gehele volk, ofwel het volk van Zarahemla en het volk van Mosiah die in het land wonen, opdat zij tezamen zullen komen” (1:10). Benjamin gebruikt twee diachronische namen: “volk van Zarahemla” en “volk van Mosiah”, dit laatste verwijzend naar zijn eigen vader. Die traditie leefde dus nog, zo’n 75 jaar na de vereniging van beide volkeren. Maar zo logisch: Benjamin spreekt als een oude man, met de idiomen uit zijn jeugdjaren (dit is het antwoord op het “vraagstuk” hiervoor gesteld). Het verraadt ook dat het volk van Zarahemla, ook al hadden ze Mosiah I als koning aanvaard, daarom nog geen deel werd van het “volk van Mosiah”, in die tijd de synchronische naam voor het volk van Nephi (volgt u nog?).
  • Anderzijds laat Benjamin, de vredestichter, de groepen niet apart vergaderen aan de tempel: hij beschouwt ze evenwaardig wanneer hij ze gezin per gezin rond de tempel laat samenkomen in een tentenopstelling die aan een groot Loofhuttenfeest doet denken (zie hier). Die deelname laat vermoeden dat ook het volk van Zarahemla nu de rituelen van de wet van Mozes volgt. Daarenboven geeft Benjamin het volk – beide volken als één tezamen – een nieuwe naam: “En bovendien zal ik dit volk een naam geven, opdat het daardoor uit alle volken die de Here God uit het land Jeruzalem heeft gebracht, zal worden onderscheiden” (1:11). Die naam is Christus en de naamgeving overheerst heel Benjamin’s toespraak. De echte integratie brengt Christus tot stand.
  • En toch… Nog geen drie jaar later laat zijn opvolger, koning Mosiah II, hen als aparte groepen samenkomen. We hoeven er niets meer achter te zoeken dan de bevestiging dat volken lang hun identiteit behouden en koesteren. Mogelijk vond het volk van Zarahemla het zelfs een eervolle erkenning voor hun eigenheid. Niets wijst op latente spanningen, en toch… Eén vers verbergt meer: “En nu werd het gehele volk van Zarahemla onder de Nephieten gerekend, en wel omdat het koninkrijk aan niemand anders was overgedragen dan aan hen die afstammelingen van Nephi waren” (25:13). Die zin lijkt een strategische toevoeging in het verslag, want bij de keuze van de eerste opvolger van Nephi als koning was er geen sprake van afstamming (Jakob 1:9). Met de tijd is mogelijk een erfelijke opvolgingstraditie ontstaan en wordt die nu als voorwaarde gesteld. Hier speelt politiek op de achtergrond, precies zoals in de Bijbel bij opvolgingskwesties. Het volk van Zarahemla, numeriek de sterkste, wordt wel “waardig” bevonden om onder de noemer “Nephieten” te bestaan, maar hoe moeten we dat aspect van de afstamming begrijpen? Worden leden van het volk van Zarahemla nu ook als afstammelingen gerekend zodat een van hen ooit ook koning kan worden? Of worden ze er bij gerekend omdat ze anders geen koning zouden hebben, maar met dien verstande dat nooit een van hen het koningschap kan verkrijgen?  Terwijl precies zij afstammelingen van Mulek tellen, zoon van de laatste koning der Israëlieten. Waren er claims vanuit die hoek? Bestond er een dreiging? Was deze Nephitische monopoliestelling op de koninklijke lijn al een voorzet in het kader van het einde van de regering der koningen? Want wanneer elke zoon van Mosiah later zal weigeren koning te worden, was met die éne politieke zin nu al een koningsclaim vanuit het volk van Zarahemla juridisch de kop ingedrukt. In een land met meerdere volken speelt veel mee op de achtergrond. Zonder recht om ooit ook de koning te leveren, lijkt het volk van Zarahemla verstoken van ware integratie. Toch ook opvallend: na deze bijeenkomst zal het volk van Zarahemla nooit meer als een bestaande sociale identiteit vermeld worden. Dan toch uiteindelijk geabsorbeerd?

 

3 – Godsdienst in de overgang van Mosiah naar Alma

Revolutionaire of soepele overgang?
De kwestie van de overtreders en het juridisch systeem
Introduceerde Alma de doop onder de Nephieten?

Revolutionaire of soepele overgang?

Met de komst van Alma de oudere ondergaan godsdienstbeleving en –organisatie blijkbaar grondige veranderingen. Hoewel hij eigenlijk als vluchteling samen met zijn groep binnenkomt, ex-priester van Noach, volgeling van Abinadi die niemand in Zarahemla kent, mag Alma van koning Mosiah meteen prediken, dopen, kerken stichten, eigen priesters aanstellen en hogepriester over allen worden. De priesters van de koning-profeet lijken buiten spel. De wet van Mozes lijkt opgedoekt. Van de tempel is geen sprake meer. Dat is de indruk die een oppervlakkige lectuur nalaat, maar de wijzigingen, ook al zijn ze ingrijpend, zijn minder revolutionair dan ze lijken.

song-of-songs-v-4De christelijke beweging die Alma tot stand brengt is niet nieuw. Een drietal jaar voor Alma’s aankomst in Zarahemla had koning Benjamin reeds een grondige geestelijke vernieuwing in het teken van Christus aangesticht. Het ganse volk had zich plechtig verbonden tot die vernieuwing (5:7). Wanneer Alma dan een drietal jaar later op het toneel verschijnt, lijkt het niet moeilijk voor koning Mosiah II om Alma’s boodschap te aanvaarden. Mosiah was ook een profeet-ziener waarvan we mogen aannemen dat hij de ontwikkelingen onder inspiratie kon beoordelen. Allicht begreep hij goed dat Alma’s komst de volgende, noodzakelijke stap was in de grote geestelijke vernieuwing waartoe het volk zich drie jaar eerder had verbonden.[9] Daarenboven erkent Alma het priesterlijk gezag van de koning-profeet. Hij zal Mosiah bezocht hebben en grondig ingelicht. Als wijze koning zal Mosiah niet overhaast te werk zijn gegaan alvorens het volgende toe te laten: “En het geschiedde dat koning Mosiah Alma toestond overal in het land Zarahemla kerken te vestigen, en hem machtigde priesters en leraren voor iedere kerk te ordenen” (25:19). Het is Mosiah die Alma “machtigde” (Engels: gave him power) om priesters en leraars te ordenen.

Mosiah treedt dus als een presiderende hogepriester op. Met het ontvangen gezag kan Alma nu verder handelen. De nieuwe priesters en leraren zijn voor de te vestigen kerken binnen de regio waarover Mosiah regeert. Over de kerkelijke gemeenschap die vanuit Helam is gevlucht wordt echter niets gezegd. Daarin, dat weten we al van vroeger, past Alma een eigen gezagsoverdracht strikt toe (23:16–17). In Zarahemla blijkt die gemeenschap uit Helam op te gaan in het nieuwe geheel, met centrale controle: “En zo, hoewel er vele kerken waren, vormden zij alle één kerk, ja, de kerk van God” (25:22). Ook functionering en onderwijs worden eenvormig: “… daarom kwamen zij bijeen in verschillende groepen, die kerken werden genoemd, waarbij iedere kerk haar priesters en leraren had, en iedere priester het woord predikte zoals het hem bij monde van Alma werd gegeven” (25:21). Correlatie avant-la-lettre.

Tegelijk behoudt koning Mosiah zijn eigen priesters als deel van een systeem dat al enkele eeuwen bestaat. Zoals in vorige les verduidelijkt, zijn deze “priesters” functies binnen het Melchizedeks priesterschap. Ze dienen alvast als administrators, raadgevers en juridisch college. Wanneer Alma met zijn klachten over vervolgingen bij de koning komt, “beraadslaagde Mosiah met zijn priesters” (27:1). Maar aangezien de wet van Mozes nog steeds stand houdt, is het hoogstwaarschijnlijk dat deze priesters ook de rituelen verzorgen, inclusief offeranden. Nog maar drie jaar ervoor, bij de grote bijeenkomst voor de troonsopvolging, werden er aan de tempel “offeranden en brandoffers volgens de wet van Mozes” gebracht (2:3). Die rituelen lopen verder, nog vele jaren (zie bv.  Alma 30:3). Maar niets wijst erop dat Alma zich met de tempel en de rituelen inlaat.[10] Zijn kerk schijnt op dat vlak volgens eigen normen te functioneren. Met de tijd zullen de structuren en de verhoudingen echter evolueren.

Zo ontstaat er een zeker religieus pluralisme, vergelijkbaar met de toestand in Palestina ten tijde van Johannes de Doper en van Christus.

 

De kwestie van de overtreders en het juridisch systeem

Heel hoofdstuk 26 handelt over het specifiek probleem van de “overtreders” en de relatie tussen de nieuwe kerk en de overheid. De kwestie valt niet zo gemakkelijk te beoordelen omdat we automatisch begrippen uit onze tijd, zoals “kerk en staat”, toepassen op een toestand van meer dan tweeduizend jaar geleden, in een land waar religie en structuren aan het veranderen zijn, te midden van uiteenlopende groepen. Maar we lezen Schriftuur om er lessen voor het heden uit te halen, dus mogen we wel lezen met de ogen van nu.

Alma krijgt met een generatieconflict te maken. De jongeren van het “opkomend geslacht … geloofden de overlevering van hun vaderen niet” (26:1). Uit de volgende verzen blijkt wat de kerkleden dwars zit: de jeugd gelooft niet in de opstanding en niet in de komst van Christus. Besluit: hun hart was “verstokt”. Daarenboven willen ze zich niet laten dopen en evenmin bij een kerk aansluiten. Besluit: “En wat hun geloof aanging waren zij een afgescheiden volk, en dat bleven zij voor altijd, ja, in hun vleselijke en zondige staat; want zij wilden de Heer, hun God, niet aanroepen”. Die beoordeling doet denken aan een fundamentalistische benadering zoals we die nu nog in religieuze landen kennen. De betrokken “ongelovigen”, alleen maar omdat ze niet geloven en niet deelnemen aan het godsdienstig leven, worden als “een afgescheiden volk” beschouwd en als “vleselijk en zondig”. Alma’s achtergrond in het land Helam, waar hij jarenlang een kleine theocratie van sterk geëngageerde bekeerlingen leidde, maakt het hem blijkbaar moeilijk om geloofsdiversiteit, en dus ook ongeloof, te aanvaarden.

Een klein zinnetje is veelzeggend en herkenbaar in onze huidige zendingsgebieden en jonge units: “… maar wegens de onenigheden onder de broeders werden zij [de ongelovigen] talrijker” (26:5). Ruzies in de kerk. Het blijkt dus niet eenvoudig om de jonge kerken en de nieuw aangestelde priesters eensgezind te laten functioneren. Met als gevolg inactiviteit, die de kerkleiders dan weer interpreteren als een zondige stap.

Vers 6 verschuift de focus naar de zondaars binnen de kerk. De schuld wordt vooreerst op de ongelovigen gestoken: “Want het geschiedde dat zij [de ongelovigen] velen die tot de kerk behoorden, met hun vleiende woorden misleidden en er de oorzaak van waren dat zij vele zonden bedreven”. Die “vleiende woorden” komen wel meer voor in het Boek van Mormon. Ook Alma de jongere zal binnenkort met “vleitaal” verschijnen. Het verslag meldt niet welke flatterende en strelende woorden mensen konden misleiden en verleiden tot zonde. En ook: welke zonden? Gaat het om te laat komen in de vergadering of om overspel? Gaat het om ongepaste kledij of om kindermisbruik? Wel is duidelijk dat de kerk regulerend begint op te treden op basis van de beoordelingen van kerkleden. En hier zie je de zaken snel escaleren in de woorden van het ene vers naar het andere: “terechtwijzingen”, “overgeleverd” worden aan de priesters en dan aan de hogepriester, overvloedige getuigenissen van “ongerechtigheid”, en uiteindelijk “misdaden” die berecht moeten worden (26:6–11). Alma weet niet wat te doen omdat “zoiets nog nooit was voorgekomen in de kerk”. Ja, onvervaren kerken met tal van nieuwe leden in een grootstad werken niet zoals zijn bucolische commune aan de wateren van Mormon of zijn landelijke gemeenschap in Helam. Merkwaardig en wat hilarisch beeld: met al die zondaars, mogelijk zelfs vastgebonden aangezien ze hem “overgeleverd” zijn, trekt Alma naar de koning: “Zie, hier zijn velen die wij voor u hebben geleid, die door hun broeders zijn aangeklaagd; ja, en zij zijn op allerlei ongerechtigheden betrapt. En zij bekeren zich niet van hun ongerechtigheden; daarom hebben wij hen voor u geleid, opdat gij hen overeenkomstig hun misdaden zult berechten” (26:11). Alma stelt zelfs geen vraag en draagt de verantwoordelijkheid aan de koning over, van wie hij de berechtiging van de “misdadigers” verwacht.

De koning zal wel snel gezien hebben dat er geen “misdadigers” tussen zaten die hij of zijn rechtscollege volgens het gewone recht moesten beoordelen en bestraffen: geen moordenaars, geen overvallers, geen dieven; enkel “ongerechtigheden” volgens de normen van Alma’s kerk. De wijze koning stuurt Alma wandelen: los het zelf op (26:12). Het incident is betekenisvol in de relatie tussen de koning en de nieuwe kerk. Mosiah beslist dat hij niet tussenkomt in wat de interne normen van een kerk zijn. Het lijkt op een scheiding van kerk en staat, maar het gaat wellicht meer om een scheiding tussen religieuze bevoegdheden of niveaus. Alma is verantwoordelijk voor zijn terrein en moet leren hoe dit te beheren.

Alma, nog steeds verontrust, krijgt dan een lange en troostende openbaring, die ook zijn wat aangetast gezag moet herstellen (26:13–32). De boodschap van de Heer is eenvoudig: berecht de zondaar naar de zonden die hij heeft begaan, dus volgens de ernst van de overtreding; wees vergevingsgezind; en voor wie zich niet wil bekeren: niet meer onder de leden rekenen. In het ongewisse blijft de aard van de “ongerechtigheden” omdat we geen verslag hebben van het soort “zonden” die hier meespelen. Maar de kerkleden hebben wel een les geleerd: obsessies over wat de andere doet, er overvloedig tegen getuigen en bestraffing verwachten – is niet de juiste weg.

Een nieuw probleem ontstaat wanneer ongelovigen de gelovigen beginnen te “vervolgen”. Mogelijk had de “nederlaag” die Alma voor de koning onderging zijn geloofwaardigheid en zijn koninklijke “bescherming” dermate aangetast, dat hij er nu de weerbots van ondervond. Diegenen die hij voor de koning had gesleept zullen er ook wel de nodige rancunes aan overgehouden hebben. Vervolgingen kunnen van pesterijen tot vernielingen en tot slagen en verwondingen gaan. Dan moet de koning bescherming bieden. Zo heeft Alma wel een goede reden om opnieuw naar de koning te stappen. Mosiah erkent de klacht en beantwoordt met een wettelijke regeling : geen vervolging meer door ongelovigen, maar ook voor de kerken een streng gebod “dat er geen vervolgingen onder hen mochten bestaan, dat er gelijkheid onder alle mensen moest zijn” (27:2–3). Blijkbaar waren er al signalen dat ook binnen de kerken onderling ernstige conflicten dreigden.

 

Introduceerde Alma de doop onder de Nephieten?

Een vraag die Schriftkenners bezighoudt is in welke mate de doop in Christus’ naam reeds als verordening onder het volk van Nephi toegepast werd alvorens Alma begon te dopen. Er is al wel sprake van de doop van Christus in de visioenen van Lehi en Nephi. In zijn toespraak stelt Nephi’s broer Jakob duidelijk dat alle mensen zich moeten laten dopen (2 Nephi 9:23). In zijn afscheidswoorden stelt Nephi met aandrang dat de doop met water, naar het voorbeeld van Christus, een noodzaak is (2 Nephi 31:5­–17). Zijn toespraak lijkt echter meer bedoeld als een algemene aanmaning, mogelijk naar de toekomst gericht. We lezen nergens dat er ook mensen gedoopt werden. Na 2 Nephi is er geen enkele verwijzing meer naar de doop, tot Alma aan de wateren van Mormon begint te dopen, omstreeks 145 v.C. Die lange stilte bewijst niet dat er niet gedoopt werd, maar het is toch wel tekenend. Ook de naam Christus verdwijnt uit de kronieken na Jakob en wordt pas, enkele eeuwen later, opnieuw geopenbaard door Abinadi (15:21) en door koning Benjamin (3:8). Christelijke concepten vonden moeilijk ingang onder de Nephieten die de wet van Mozes onderhielden, daarvan getuigden reeds Nephi en Jakob. Het is dus best mogelijk dat een doop in de naam van Christus nagenoeg onbekend was tot Alma over de doop begon te prediken, omstreeks 145 v.C. Toch moet het, in het kader van reinigingsrituelen onder de wet van Mozes, geen vreemde verordening geweest zijn, net zoals de doop door Johannes aan de oever van de Jordaan geen bizarre handeling was.

Bij de grote geestelijke vernieuwing die koning Benjamin’s toespraak in 124 v.C. teweeg brengt is van doop evenmin sprake, hoewel niet uitgesloten. Dat de doop toch bekend was onder koning Benjamin en dus ook onder zijn opvolger Mosiah II kan immers blijken uit de reactie van Ammon bij koning Limhi. Ammon was omstreeks 121 v.C. door Mosiah II uitgestuurd om te zoeken naar hen die destijds “uit het land Zarahemla waren vertrokken”. Hij vindt koning Limhi en de zijnen op het moment dat deze mensen wel van Alma’s prediking over de doop op de hoogte zijn, maar geen contact meer met hem hadden. “En het geschiedde dat koning Limhi en velen van zijn volk verlangend waren om zich te laten dopen; maar er was niemand in het land die gezag van God bezat. En Ammon weigerde het te doen, omdat hij zich een onwaardig dienstknecht achtte” (21:33). Hij weigert niet omdat hij niets van doop en doopformule afweet, maar omwille van waardigheid.

Ook opvallend is het optreden van Alma na het voorlezen van de verslagen. Hij mag van de koning het woord nemen en overal prediken. De eersten die gedoopt worden – wij weten dat ze er op wachten – zijn Limhi en zijn volk. Over de twee andere grote bevolkingsgroepen, volk van Nephi en volk van Zarahemla, zegt de tekst niets. Ofwel waren zij dus al gedoopt in het zog van de grote geestelijke vernieuwing enkele jaren daarvoor en was de doop al een gebruikelijke verordening in Zarahemla, ofwel kwamen de dopelingen achteraf als gevolg van prediking en van het organiseren van kerken.

Een belangrijk punt in deze context is ook de betekenis van de doop. Voorheen, bij Nephi en Jakob, verwees de doop enkel naar het aanvaarden van Christus en stond het als symbool voor de vergeving van zonden. In Alma’s systeem wordt de doop ook een formele stap voor lidmaatschap in de kerk (25:18; 26:37). Lidmaatschap, inclusief de mogelijkheid iemands naam te wissen, wint dus aan belang. Evangelie wordt kerk.

In een vorige les signaleerde ik reeds dat Joseph Fielding Smith van mening is dat Alma, toen hij Helam doopte, al vroeger gedoopt was (zie hier). Hij begroef zichzelf in het water “enkel als teken van nederigheid en volledige bekering”.[11] Een typisch mormoons standpunt is dat het evangelie, inclusief alle verordeningen, onder de dragers van het hogere priesterschap bekend was, sinds de dagen van Adam (Mozes 6:52–53, 64). Volgens Joseph Fielding Smith waren dus ook Nephi, Jakob, Jozef en anderen gedoopt. Dan kan dat ook gelden voor de koning-profeten zoals Mosiah I, Benjamin en Mosiah II, voor Abinadi en voor nog anderen. Alleen zijn er geen verslagen van.

 

4 – Een genuanceerde blik op de jonge jaren van Alma de jongere

Tenzij anders vermeld verwijzen de Schriftuurlijke referenties naar het boek Mosiah.

Van Alma de oudere zijn de geboorte- en sterfdata vrij duidelijk: geboren omstreeks 174 v.C. en overleden omstreeks 92 v.C., op 82-jarige leeftijd (29:45–46). Een kanteljaar in zijn leven is de vlucht uit het land Helam en de terugkeer naar Zarahemla, omstreeks 120 v.C. Dan is hij 54 jaar.

chagall_Cantique_Wanneer werd zijn zoon, Alma de jongere, geboren? Een traditie, die nogal wat bronnen vermelden, stelt het op 126 v.C., wanneer zijn vader achtenveertig is. Dat zou betekenen dat Alma de jongere in het landelijke Helam geboren is en er als zesjarig jongetje de vervolgingen en de vlucht naar Zarahemla heeft meegemaakt. Je zou denken dat zo’n aangrijpende ervaringen als kind hem ten goede gemarkeerd hebben, maar dat blijkt niet uit zijn eerste opstandige levensperiode.

Hij kan dus ook nog een baby of een peuter geweest zijn bij de vlucht naar Zarahemla, of na aankomst daar geboren zijn. Dan was zijn vader al een vijftiger. Dan is de jonge Alma opgegroeid in de stadssfeer van Zarahemla, sinds bijna een eeuw het politieke en religieuze centrum van de natie. Zijn vader was ondertussen een man van aanzien, al een levende legende, vriend van de koning, en de hoogste leider van de kerk. Vader Alma had nu zijn handen vol met kerkwerk: het stichten van lokale kerken, het opleiden van priesters en leraren, het behandelen van de “talrijke onenigheden onder de broeders”, het luisteren naar de kerkleden die “overvloedig getuigden van de ongerechtigheid” van anderen, het berechten van hen “die op ongerechtigheid waren betrapt”, het “uitwissen van hun namen” en het zelf “terechtgewezen worden” (26:5-9, 33-39). Je kunt er, in hedendaagse termen, een ringpresident in een gebied met vele nieuwe wijken, vele honderden bekeerlingen en vele onervaren lokale leiders in projecteren. Kortom, “deze dingen deden Alma en zijn medewerkers die over de kerk waren gesteld, en zij wandelden in alle ijver, leerden het woord Gods in alle aangelegenheden en ondergingen allerlei ellende, omdat zij werden vervolgd door allen die niet tot de kerk van God behoorden” (26:38). Was vader Alma veel thuis?

Over vrouw en familieleven, geen woord, maar dat is normaal voor dit soort antieke kronieken, ook in de Bijbel. De jonge Alma zal wel alle kansen voor onderwijs en vorming gekregen hebben, want hij blijkt welbespraakt en overtuigend: “Hij was een man van vele woorden en sprak veel vleitaal tot het volk” (27:8). Maar hij hoorde tot een andere generatie dan zijn vader, deel van het “opkomend geslacht” dat buiten de geestelijke ervaringen van ouders en grootouders is opgegroeid. Het fenomeen is bekend. We kunnen het zo op het heden betrekken, maar nu eens een keer vanuit het standpunt van de jongere: waarom je zo uitputtend inzetten voor een godsdienst waarin je niet kunt geloven? Waarom je laten beheersen door geboden en verboden die vaak niets met moraliteit te maken hebben? Waarom altijd maar moeten beantwoorden aan de verwachtingen van de vaderfiguur? Alma had ook nog broers, want hij was “één van de zonen”. Beantwoordden die broers dan wél aan de verwachtingen van vader? Mogelijk nog een bron van frustratie als er werd vergeleken. Wanneer Alma zich tegen de kerk begon te verzetten, speelde er soms geen vergelding mee omdat die kerk zoveel van je vaders liefde en energie heeft weggenomen?

De jonge Alma haakte af en werd dus gerekend “onder de ongelovigen” (27:8). Voor de kerk in die tijd betekende dat per definitie dat hij nu tot een “afgescheiden volk” hoorde en “vleselijk en zondig” was, ongeacht het gedrag (26:1-4). Fundamentalistische strekkingen in enkele religies doen nog hetzelfde in onze tijd. Over de jonge Alma zegt de tekst specifiek dat hij “een zeer goddeloos en afgodisch man” werd (27:8). Dat is een onnauwkeurige vertaling uit het Engels: “he became a very wicked and an idolatrous man”. Vertalen als “goddeloos en afgodisch” is contradictorisch. De vertaling van wicked vraagt eerder slecht, schadelijk of gemeen. Wat afgodisch betreft, in de context van de tijd – denk aan de Bijbel – betekent dit dat de jonge Alma in een of meer afgoden gelooft en aan afgodische praktijken deelneemt. John Sorenson suggereert, op basis van vergelijkingen met andere dissidenten zoals Sherem, Korihor, Amulon en de Amalekieten, dat de jonge Alma bekeerlingen trachtte te maken voor een concurrerende sekte. Hij verwijst daarbij naar afgodische praktijken waarvan archeologische vondsten uit die periode getuigen. De jonge Alma ging inderdaad actief uit onder het volk, met “veel vleitaal”. Later zou hij het zelf omschrijven als “want ik ging overal rond met de zonen van Mosiah en trachtte de kerk van God te vernietigen” (Alma 36:6). Iets verder zegt hij, in de lyrische stijl van Alma 36, “en ik had vele van zijn kinderen vermoord, ofwel tot hun vernietiging weggevoerd”. Ook dat is een onzuivere vertaling van het Engels: “Yea, and I had murdered many of his children, or rather led them away unto destruction” (vers 14). Het Engelse or rather, dat frequent in het Boek van Mormon voorkomt, dient altijd als correctief voor een niet zo bedoelde of een retorische uitdrukking (elders wordt or rather wel correct vertaald als of liever gezegd, zie Alma 1:15). Het Nederlandse “ofwel” kan echter makkelijk betekenen dat Alma zowel ter plekke moordde als voor deportaties naar oorden des doods zorgde. Het correctief “of liever” verduidelijkt dat vermoorden hier figuratief bedoeld is, met de betekenis wegleiden naar geestelijke vernietiging. Ook de huidige vertaling wegvoeren, samengaand met vernietiging, roept in ons taalgebruik makkelijk deportatiebeelden uit de oorlog op. Vroegere vertalingen gaven hier “ten verderve geleid”. In de editie van 1890 vertaalde Volker het met: “Ja, ik had vele zijner kinderen vermoord, of liever hen weggeleid tot verwoesting”.

Dit alles niet om Alma te verschonen, maar de vertaling hoeft er ook geen goddeloze moordenaar van te maken. Moorden en deportaties zouden onmogelijk gekund hebben onder koning Mosiah’s beleid. Alma’s kwalijke acties situeren zich trouwens in een periode waar er vrede en voorspoed heerst (27:6-7).

Wat dan wel met zijn strategie en daden? Hij benadert mensen met “veel vleitaal ” en “werd een grote belemmering voor de bloei van de kerk van God door het hart van het volk weg te stelen” en “veel onenigheid onder het volk te veroorzaken” (27:9). Dat betekent dat hij emotioneel op het hart van de mensen inspeelt en door hen zo te overtuigen, zorgt hij handig voor discussiepunten en meningsverschillen binnen de kerk. Daarenboven doet hij het door “in het geheim” rond te gaan, “ernaar strevend de kerk te vernietigen en het volk des Heren op het verkeerde pad te brengen” (27:10). Als je dat eigentijds vertaalt, kun je denken aan een website, anoniem beheerd door een inactief lid met een eigen agenda. Zogenaamd “objectief”, met “vleitaal”, beschrijft hij de geschiedenis, de leer en de praktijk van de kerk vertekend en onvolledig, in de hoop zo de groei van de kerk te belemmeren en leden in verwarring te brengen. Very wicked… Er is niets nieuws in dergelijk optreden, alleen de technologie is anders.

En dan verschijnt de engel. Als we ervan uitgaan dat Alma’s afgodisch kenmerk toch ook openheid voor het bovennatuurlijke beduidde, dan was zijn ervaring met de engel geen stap van atheïsme naar geloof, maar van omwenteling in geloof. Zo was het ook voor Paulus op de weg naar Damascus.

 

5 – Zij vielen ter aarde … Bijna-doodervaring?

Alma’s bekering, zoals verhaald in Mosiah 27 en Alma 36, gaat gepaard met een aangrijpende fysieke ervaring die hem krachteloos doet neervallen. Twee dagen en twee nachten blijft hij zo hulpeloos, tot zijn krachten weerkeren.

Het overwelmd worden door de kracht Gods geeft aan hoe het geestelijke kan ingrijpen op het lichamelijke. Buitenstaanders zullen het verklaren als psychische ontladingen, zoals ook trances en extases iemand krachteloos kunnen doen neervallen terwijl het brein onderhevig is aan vreemde agitaties. Maar in Mormoons perspectief is er iets anders aan de hand door het geloof in de stoffelijke realiteit van de andere wereld. “Er bestaat niet zoiets als onstoffelijke materie. Alle geest is stof, doch is fijner en reiner… “ (Leer en Verbonden 131:7). Tijdens het verminderen of uitvallen van de fysieke kracht, kan de geest uitermate actief blijven en wordt hij in staat gesteld om aspecten aan de “andere zijde” te observeren en intens te beleven. Voor mormonen is die andere zijde even werkelijk, even concreet als onze wereld.

Verschillende termen duiden de ervaring aan.

  • Prosternatie is de beste term in zijn etymologische betekenis: van het Latijn pro sternere, vooraan op de grond uitspreiden, met geweld neerwerpen voor iemand (Van Dale definieert prosternatie onder meer als “teraardewerping”). Zo dwong men de overwonnen vijand zich te prosterneren voor de overwinnaar. Neergeworpen worden resulteert immers letterlijk in onderwerping.  “Neergeworpen worden voor de Heer” komt  meermaals voor in de Bijbel (bv. Job 40:28; Psalmen 102:11; Openbaring 12:9). Prosternatie wordt nu wel meer gebruikt voor een vrijwillige voetval of neerbuiging voor een hogere macht (Moslims prosterneren zich naar Mekka). Maar de term voldoet nog steeds als we hem in zijn betekenis van “teraardewerping” onder Gods macht gebruiken.

Bezoekers prosterneren zich voor de farao_Tempel van AtonProsternatie voor de farao
(Tempel van Aton, Museum der Egyptische oudheden, Caïro)

 

 

 

  • Een andere term is theofanie, van het Oudgriekse θεοφάνεια, theophaneia, van theos (god) en phainesthai (zich vertonen), dus God die zich zichtbaar maakt aan een mens. Die ervaring kan deel zijn van een prosternatie, maar hoeft niet.
  • De Engelstalige literatuur gebruikt ook proskynesis, in het Nederlands proskynese, het zich voor iemand terneder werpen en de voet kussen (van het Grieks proskuneō, van pros (naar iemand toe) en kuneō (ik kus, ik vereer). Mormoonse analist Matthew Bowen gebruikt die term om zowel het nederig neerbuigen voor iemand met goddelijke macht, als het ter aarde neervallen onder de kracht Gods in het Boek van Mormon te omschrijven.[12] Tussen die twee vormen, gewillig neerbuigen en gedwongen neervallen, is het verschil in oorzaak en intensiteit echter groot.

De Schriften geven ons meerdere voorbeelden van prosternatie. Soms gaat het enkel om een ter aarde vallen onder de kracht van de geestelijke ervaring, soms duurt de wegvoering in de geest uren en zelfs dagen. Let op de woorden die de fysieke en geestelijke werkingen weergeven.

En toen hij [Mozes] op zichzelf was aangewezen, viel hij ter aarde. En het geschiedde dat Mozes pas na verloop van vele uren wederom zijn natuurlijke krachten ontving zoals die van een mens; en hij zeide bij zichzelf: Hierdoor nu weet ik dat de mens niets is, hetgeen ik nimmer heb verondersteld. Maar nu hebben mijn eigen ogen God gezien; echter niet mijn natuurlijke, maar mijn geestelijke ogen, want mijn natuurlijke ogen hadden Hem niet kunnen zien; want ik zou verdord en gestorven zijn in zijn tegenwoordigheid; maar zijn heerlijkheid rustte op mij; en ik zag zijn gelaat, want ik was van gedaante veranderd voor zijn aangezicht (Mozes 1:9–11).

Mozes’ ervaring was een prosternatie met theofanie. Zo ook de ervaring van Johannes waarmee de Openbaring begint – theofanie gevolgd door prosternatie : “En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten, en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste” (Openbaring 1:17).

Joseph Smith’s eerste visioen ervaarde hij als prosternatie: “… ik werd aangegrepen door een of andere kracht die mij geheel overmande en zo’n verbazingwekkende invloed op mij had, dat mijn tong gebonden werd, zodat ik niet kon spreken. Dikke duisternis omhulde mij en enige tijd had ik het gevoel dat ik tot plotselinge verdelging was gedoemd …”  Dan komt het licht en ziet hij de twee personen. De laatste zin van Joseph’s verslag is significant: “Toen ik weer tot mijzelf kwam, bemerkte ik dat ik op mijn rug lag en naar de hemel keek.” De artistieke voorstellingen van het eerste visioen, met een geknielde Joseph die naar de Vader en de Zoon tussen de bomen kijkt, doet ons soms vergeten dat Joseph Smith zelf het als een visioen omschreef, met de kenmerken van een prosternatie met theofanie. (Voor een grondiger bespreking, zie onder Analyses.)

Het Boek van Mormon verhaalt meerdere prosternaties. In de openbaring aan de broeder van Jared, viel deze “voor de Heer neer, want hij was door vrees bevangen” (Ether 3:6). Bij Sherem kwam “de kracht des Heren op hem, zodat hij ter aarde viel. En het geschiedde dat hij vele dagen lang werd verzorgd” (Jakob 7:15). De toehoorders bij de toespraak van koning Benjamin “waren ter aarde gevallen, want de vreze des Heren was over hen gekomen” (Mosiah 4:1). Na de prediking van Ammon, viel koning Lamoni “ter aarde neer alsof hij dood was”. Maar Ammon “wist dat koning Lamoni onder de invloed van de kracht Gods verkeerde; … dat het licht van het eeuwige leven in zijn ziel was ontstoken; ja, hij wist dat dat zijn natuurlijke lichaam had overweldigd, en dat hij in God was weggevoerd” (Alma 18:42; 19:6). De prosternatie breidt zich zelfs uit tot de koningin, tot Ammon zelf en een aantal dienstknechten (Alma 19:13–15). Hetzelfde overkomt de vader van Lamoni in het land Nephi wanneer hij tot God bidt: “En nu, toen de koning die woorden had gezegd, werd hij geveld alsof hij dood was (Alma 22:18).

En zo gebeurde het met Alma en de zonen van koning Mosiah, zoals beschreven in Mosiah 27.

 

Relatie met bijna-doodervaring?

Hieronymus_Bosch_Vlucht naar de hemelAl meer dan vijfhonderd jaar geleden schilderde de Nederlandse schilder Hiëronymus Bosch (1450-1516) een tunnelvisie naar de andere zijde, zoals het in veel BDEs voorkomt.

 

Tijdens de “geestelijke wegvoering” van een prosternatie krijgt iemand meer kennis en inzicht. Hij mag een blik werpen op de andere zijde. Het lijkt aantrekkelijk om een vergelijking met de bijna-doodervaring (afgekort tot BDE) te maken.[13] Ook de termen die het Boek van Mormon bij sommige prosternaties gebruikt verleiden om de vergelijking met een BDE te maken. Bij koning Lamoni en bij hen die in de ervaring delen is er werkelijk sprake van dood lijken en zijn de omstaanders overtuigd van hun dood. Ook Alma spreekt van een ervaring “de dood nabij”.[14]

Bijna-doodervaringen zijn wel van een andere orde omdat ze niet in de religieuze context voorkomen die de Schriften aangeven. Verslagen van een BDE komen voor in het kader van een levensbedreigende situatie, na een ongeval, een hartstilstand of bij een reanimatie. Mensen vertellen achteraf van een loskomen uit het eigen lichaam, het behoud van een eigen ik, de mogelijkheid om alles concreet te blijven observeren, het toegetrokken worden naar een helder licht via een tunnel of spiraal. Maar dan breekt de beweging af wanneer het lichaam weer tot zichzelf komt. Gelovigen zien in die ervaringen bewijzen van de realiteit van het leven na de dood.

Mormonen in het bijzonder kunnen zich in de verslagen van BDE vinden, door de leer van de geest in menselijke gedaante en het geloof in een wezenlijk hiernamaals waar familie en vrienden op hen wachten. In welke mate echter de leer en het geloof de geest beïnvloeden tijdens een BDE is stof voor wetenschappelijk onderzoek. Het blijkt immers dat BDE-verslagen van mormonen veel concretere gegevens over het hiernamaals verhalen dan andere, tot de beschrijving van “steden van licht” toe. Dat boeit wetenschappers die zich met BDE bezighouden.[15]

 

6 – Alma 36: ook taal-architecturaal bijzonder

Het lesmateriaal van de kerk vraagt Alma 36 hier te behandelen, hoewel het pas later in het Boek van Mormon voorkomt. In dat hoofdstuk verhaalt Alma de ervaring van zijn bekering aan zijn zoon Helaman. Inhoudelijk sluit Alma 36 dus inderdaad aan bij Mosiah 27, waar het gebeuren zich historisch situeert, zo’n twintig à dertig jaar voorheen. Maar qua uitdrukkingskracht en stijl zitten we dus wel in een andere fase van Alma’s leven. De bespreking van de geestelijke inhoud laten we aan het lesmateriaal van de kerk over. Hier gaan we in op de stijl die de authentieke oorsprong van de tekst ondersteunt.

We wisten al dat Alma welbespraakt is – “een man van vele woorden”. Vroeger gebruikte hij dat talent om de kerk te ondergraven, nu stelt hij het ten dienste van inspirerende teksten. We weten niet of Alma zelf de laatste hand aan de opgeschreven versie legde, dan wel een gespecialiseerde schrijver die nadien de teksten in een Hebraïsche literaire vorm bewerkte, zoals dat ook met lyrische Bijbelteksten gebeurde. Dat doet er op zich niet toe: we lezen en bestuderen het resultaat. Alma 36 beoogt een dramatisering, die ook eigen aan Oudtestamentische lyriek is.[16]

John W. Welch omschreef Alma 36 als een “meesterwerk” toen hij de chiastische structuur ervan ontdekte.[17] Het is inderdaad zeldzaam dat een duidelijk chiasme zich over zoveel zinnen uitstrekt. Het is daarom ook een ander soort chiasme dan de korte, woordelijke spiegelstructuren die we allemaal kennen, zoals “De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten zullen de eersten zijn”. In Alma 36 bevatten de spiegelelementen ook uitweidingen die sommige elementen langer maken dan hun tegenhanger. Die digressies vormen dan wel weer andere, kleinere spiegelstructuren of herhalingsparafrasen.

De globale tegenhangers zijn echter onmiskenbaar. De weerkerende woorden en uitdrukkingen zijn er bewust toe gekozen.[18] De pijn van het eerste gedeelte vindt zijn tegenhanger in de vreugde van het tweede gedeelte. Midden in de structuur staat Christus. Het schema hieronder geeft de globale structuur weer. (Zo nodig, voor een totaalbeeld op uw scherm, klik op het schema en pas de zoom aan met Ctrl plus of min).

L20_Alma 36

Alma 36 typeert een hoogtepunt in literaire beheersing onder de Nephieten.

 

7 – Weetjes bij bepaalde verzen

Mosiah 25:4-11 – Het voorlezen van verslagen en de emoties

“En het geschiedde dat Mosiah de kronieken van Zeniff voorlas en liet voorlezen aan zijn volk … En hij las ook het verslag voor van Alma en zijn broeders, en van al hun ellende …”

Brant A. Gardner wijdde een studie aan het voorlezen van verslagen en het beluisteren ervan bij antieke volkeren, in het bijzonder in het Boek van Mormon.[19] Het was een geliefkoosde bezigheid onder volkeren die op mondelinge tradities teerden. Zo’n lange voorleessessie, herhaald voor kleinere groepen, was het mediagebeuren van de tijd. Wat Mosiah 25 zo boeiend maakt is het verslag van de beleving door de toehoorders. Nadat zij de verslagen aangehoord hebben, vertellen zij alles weer aan elkaar en drukken er hun wisselende gevoelens intens bij uit.

“ … vervuld met buitengewoon grote vreugde … werden zij vervuld met verdriet en vergoten zelfs vele tranen van verdriet … verhieven zij hun stem en dankten God … vervuld met pijn en smart wegens het welzijn van hun ziel.”

Waarschijnlijk zorgden ook vertellers of barden voor herhalingen. Het fenomeen bestaat nog steeds bij volken met mondelinge verhaaltradities.

 

Mosiah 25:21-22 – kerk, kerken, groepen

“… daarom kwamen zij bijeen in verschillende groepen, die kerken werden genoemd, waarbij iedere kerk haar priesters en leraren had … En zo, hoewel er vele kerken waren, vormden zij alle één kerk, ja, de kerk van God.”

De term kerk dekt dus twee ladingen, enerzijds het geheel van de organisatie, waarvan er maar één is, anderzijds de “verschillende groepen” die elk op zich een kerkgemeenschap vormen. Vroegere Nederlandse vertalingen omzeilden die dubbele betekenis van kerk door de gemeenschappen “gemeenten” te noemen, wat overeenstemde met het gewone kerkelijk gebruik in zendingsgebieden. De huidige vertaling opteerde, conform het Engels, voor de consistente vertaling kerk en kerken, hoewel dit de lezer dwingt het onderscheid tussen “de kerk” en “gemeenten” zelf te maken volgens de context. Volker (1890) vertaalde ook letterlijk: “Daarom vergaderden zij zich in verschillende afdelingen, kerken genaamd, iedere kerk hebbende haar eigen priesters en leeraars.”

Voor het Engels “different bodies” (“Therefore they did assemble themselves together in different bodies, being called churches”) kan men overwegen of de vroegere vertaling afdeling niet beter is dan groepen. Het Engelse body wijst op een gestructureerd geheel, dus eerder afdeling, terwijl groep die connotatie mist. Maar het had zelfs  letterlijk als lichamen vertaald kunnen worden, in zijn betekenis van organisme, organisatie.

 

Mosiah 25:23 – Zeven kerken

“En nu waren er zeven kerken in het land Zarahemla…”

Voor antropoloog John Sorenson is het geen toeval dat er initieel zeven kerken in Zarahemla gesticht worden. Hij gaat ervan uit dat de onderscheiden bevolkingsgroepen ook residentieel over de stad en de regio verspreid liggen.[20] We vermoeden (zie hiervoor) dat het volk van Nephi en het volk van Zarahemla hun eigenheid bewaarden door een geografische verdeling. Nu komen daar ineens ook nieuwe groepen bij. De ruimtelijke ordening roept vragen op. Waar konden al deze vluchtelingen in Zarahemla terecht? De tekst geeft geen aanwijzingen over hun aantal, maar enkele duizenden lijkt redelijk, als resultaat van tachtig jaar verblijf na het vertrek van Zeniff’s groep. Zelfs al waren het vluchtelingen, ze kwamen niet lege handen. Het volk van Limhi was gekomen met “hun kleinvee en hun runderen”, alsmede “al hun goud en zilver en hun waardevolle zaken die zij konden dragen en tevens hun voorraad” (22:11–12). De kerkelijke gemeenschap rond Alma kwam even beladen naar Zarahemla. We lezen dat “Alma en zijn volk hun kudden, en ook een gedeelte van hun graan, des nachts verzamelden; ja, zij waren er zelfs de gehele nacht mee bezig hun kudden te verzamelen” (24:18). Onderweg “sloegen zij hun tenten op” (24:20), wat op een goed voorbereide reis met de nodige uitrusting wijst. Na aankomst in Zarahemla moesten dus zeker ruimte voor de tenten en grasland voor het vee voorzien worden.

Volgens Sorenson is het dan ook hoogst waarschijnlijk dat de groepering in kerken op basis van herkomst gebeurde omdat ook de onderscheiden groepen geografisch gegroepeerd bleven. Daarenboven werd zeker rekening gehouden met aantallen voor een evenwichtige verdeling voer de kerken. Zich baserend op de verhoudingen in aantal meent Sorenson dat het volk van Zarahemla over drie kerken verdeeld werd, het volk van Nephi over twee, en dan één kerk voor het volk van Limhi en één voor Alma’s groep uit Helam. Vanuit antropologisch standpunt ziet Sorenson de groepen ook met eigen taalgebruik (dialecten en accenten) en eigen culturele tradities.

De snelle ontwikkeling moet dus ook multicultureel geweest zijn: “En er begon wederom grote vrede in het land te heersen; en de mensen begonnen zeer talrijk te worden en zich alom over het oppervlak der aarde te verspreiden, ja, in het noorden en in het zuiden, in het oosten en in het westen, en zij bouwden grote steden en dorpen in alle delen van het land” (27:6). De indruk die dit geeft moet echter gerelativeerd worden in het kader van het “beperkt geografisch model” en de relatief kleine bevolkingsaantallen.

 

Mosiah 25:23 – De naam op zich nemen

“En het geschiedde dat wie ook verlangde de naam van Christus, ofwel van God, op zich te nemen…” 

Het begrip “de naam op zich nemen” betekent oorspronkelijk het aanvaarden van de sociale identiteit van de groep en van het leiderschap. We zagen dit in ditzelfde hoofdstuk wanneer de “kinderen van Amulon” verzoeken om van naam te veranderen en bij de Nephieten te worden gerekend. De naam van de groep gold voor elke persoon als een soort achternaam die de verbondenheid met zijn clan of stam uitdrukte. Bij het bereiken van volwassenheid of bij wijziging van groep ging met het “opnemen van de naam” mogelijk een ritueel samen dat het adoptieproces bevestigde. De naam had vaak een bijzonder betekenis die naar oorsprong of bepaalde kenmerken verwees.[21]

De stap naar het opnemen van de naam van Christus betekende dus meer dan gewoon “christen” worden. Het betekende het opnemen van een nieuwe sociale identiteit. In bepaalde religies, zoals de Islam, is de verbondenheid met de godsdienstige sociale identiteit zo groot dat een wijziging onaanvaardbaar is. We kunnen niet ontkennen dat ook mormonen dit deels zo aanvoelen: ouders voelen pijn en schuld wanneer een kind de sociale identiteit van de kerk verlaat door inactief te worden.

 

Mosiah 25:6 – Alma … Zarahemla verlaten? Hoezo?

“En hij las ook het verslag voor van Alma en zijn broeders, en van al hun ellende vanaf het tijdstip waarop zij het land Zarahemla hadden verlaten tot aan het tijdstip waarop zij wederom waren teruggekeerd.”

Die zin is problematisch. Als we met de chronologie rekening houden, hebben Alma en zijn groep nooit het land Zarahemla verlaten. Ze moeten in het land Nephi geboren zijn na de aankomst van Zeniff vanuit het land Zarahemla. Zeniff en zijn groep verlieten Zarahemla tussen 200 en 190 v.C. en vestigden zich in het land Nephi. Daar ontwikkelden ze zich, drie generaties lang, tot omstreeks 121 v.C. Alma hoort tot de tweede generatie. Hij was een jonge man van in de twintig ten tijde van het proces van Abinadi, omstreeks 145 v.C. Dus hoe de kennelijke “fout” van een herkomst van Alma uit het land Zarahemla verklaren?

Royal Skousen veronderstelt een klassieke schrijversfout bij het noteren of kopiëren, waarbij een stuk is overgeslagen door de gelijkenis tussen lijnen.[22] De originele tekst kan dan geweest zijn: “En hij las ook het verslag voor van Alma en zijn broeders en van al hun ellende en hij las ook het verslag van Ammon en zijn broeders vanaf het tijdstip waarop zij het land Zarahemla hadden verlaten tot aan het tijdstip waarop zij wederom waren teruggekeerd”. Ammon was de man de man die op zoek ging naar het volk van Zeniff en met hen naar Zarahemla terugkeerde. Met het schuingedrukte stuk ertussen is de tekst perfect logisch. Dat ook het verslag van Ammon werd voorgelezen is zeker normaal en het wordt nergens anders vermeld.

Brant A. Gardner meent anderzijds dat de tekst wel degelijk zo bedoeld is, maar zo werd neergeschreven om een mooie parallelstructuur te hebben tussen vers 5 en 6:[23]

En het geschiedde dat Mosiah de kronieken van Zeniff voorlas en liet voorlezen aan zijn volk;

a   ja, hij las de kronieken van het volk van Zeniff voor,
b   vanaf het tijdstip waarop zij het land Zarahemla hadden verlaten,
c   tot zij wederom waren teruggekeerd.

a   En hij las ook het verslag voor van Alma en zijn broeders, en van al hun ellende
b   vanaf het tijdstip waarop zij het land Zarahemla hadden verlaten
c   tot aan het tijdstip waarop zij wederom waren teruggekeerd.

Dat Alma uit Zarahemla kwam moet je dan, volgens Gardner, begrijpen in het breder perspectief : Mormon, die volgens hem deze samenvatting schreef, ziet Alma als deel van het grote verhaal van de oorspronkelijke kolonie van Zeniff en laat hem dus ook naar Zarahemla terugkeren. Het element “wederom waren teruggekeerd” steunt die interpretatie. Het gaat ook om “het volk”, niet om individuele personen. Alleen wie als klein kind meekwam en nu nog leeft, is letterlijk teruggekeerd.

Je kunt natuurlijk ook gewoon stellen dat de schrijver of de kopiist (Alma, Mormon of Oliver Cowdery), onder invloed van de zinnen in vers 5 per vergissing nog een keer Zarahemla in vers 6 schreef. Ook dat is een typische kopieerfout wanneer zinnen op elkaar lijken.

 

Mosiah 28:12–17 – De platen door Limhi overhandigd

Dit onderwerp komt aan bod bij de bespreking van het boek Ether.

Voor de geschiedenis en het gebruik van de zienerstenen, zie dit onderdeel in les 17.

 

8 – Gestructureerd lezen

 

Mosiah 25           Koning Mosiah laat het volk samenkomen

Situatie in Zarahemla:

  • Zij die er al woonden:
    • het volk van Zarahemla, afstammeling van Mulek, zoon van laatste Joodse koning
    • het volk van Nephi, dat omstreeks 200 v.C. naar Zarahemla trok
  • Zij die er nu toekomen (120 v.C.)
    • het volk van Limhi, ontsnapt uit Lehi-Nephi (zij brengen hun eigen kroniek mee, de Kroniek van Zeniff, en ook de 24 gouden platen)
    • de groep rond Alma (de “kerk van God”), ontsnapt uit Helam

1-4          De samenkomst om te luisteren naar koning Mosiah.

5-12       De geschiedenis van de twee net toegekomen groepen wordt bekendgemaakt en maakt twee extreme reacties los: vreugde en verdriet.

14-19     Alma mag het woord richten tot het volk. Het volk van Limhi wordt gedoopt

20-24               Alma mag in het hele land gemeenten stichten.

 

Mosiah 26           Problemen met “het opkomend geslacht”

We gaan nu een nieuwe periode in: tussen 120 en 100 v.C.

1    Verwijzing naar de toespraak van koning Benjamin (einde van zijn leven, 124 v.C., zie Mosiah 2) = het gaat om hen die toen “kleine kinderen” waren, maar nu adolescenten en jonge volwassenen worden.

2-4          Beschrijving van het probleem: een opgroeiende jeugd die ongelovig. “En wat hun geloof aanging, waren zij een afgescheiden volk”.

5-6          Uitbreiding van het probleem: ook in de kerk zijn er leden die beginnen te overtreden.

7-12       Hoe hen te oordelen? Onzekerheid tussen het politiek en het religieus gezag.

13-14     Alma besluit raad aan de Heer te vragen.

15-32     De Heer antwoordt:

  • 15-20    steunwoorden aan Alma: gezegend zijt gij…
  • 21-27    het werk van de Heer ten behoeve van de mensen
  • 28-32    richtlijnen om met overtreders in de kerk om te gaan

33-36     Alma treedt op “volgens het woord des Heren”.

37-39     Situatie van de kerk.

 

Mosiah 27           De bekering van vijf jongeren die een grote toekomst zijn weggelegd

1-7          Behandeling van problemen in de kerk (te vergelijken met het heden)

  • vervolgingen en problemen in de gemeenten: dit leidt tot overleg tussen Alma (religieus gezag) en Mosiah (politiek gezag)
  • maatregelen: duidelijke richtlijnen: geen vervolgingen, gelijkheid onder allen,  geen hoogmoed noch eigenwaan, priesters en leraars dienen in hun eigen onderhoud te voorzien
  • wederom vrede

8-10       De vier zoons van Mosiah en één zoon van Alma, ook Alma genaamd (de jongere) strijden tegen de kerk.

11-17     Een wonderbaarlijk ingrijpen: een engel verschijnt

18-23     De reactie van het gebeuren op de zondaars, in het bijzonder op Alma.

24-31     Het eerste getuigenis van Alma: noteer de intensiteit van zijn bekering en de kracht van zijn woorden.

L20_27-2432-37     Alma en de vier zoons van Mosiah zetten hun bekering in de praktijk om: “… en zij trachten ijverig de schade te herstellen, die zij de kerk hadden berokkend…”

 

Mosiah 28           Vertrek van de zoons van Mosiah – De kronieken gaan naar Alma de jongere

1-9    De zoons van Mosiah wensen onder de Lamanieten te gaan prediken.

10-20     Koning Mosiah heeft geen troonopvolger meer onder zijn zonen. Daarom (eerste deel van vers 11 vervolgt in vers 20) draagt hij de kroniekplaten over aan Alma de jongere.

 

Alma 36

Zie het schema bij de bespreking hierboven.

 

Voetnoten

[1]    “… en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet, de Heviet, de Arkiet, de Siniet, de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet; daarna zijn de geslachten van de Kanaänieten verspreid. En de grens van de Kanaänieten.…” (Genesis 10:16–19): “Daarom heb Ik gezegd: Ik zal u uit de onderdrukking van Egypte leiden naar het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten” (Exodus 3:17).

[2]    John L. Sorenson, An Ancient American Setting for The Book Of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1985).

[3]    Coleman A. Baker, “Social Identity Theory and Biblical Interpretation,” Biblical Theology Bulletin: Journal of Bible and Culture 42 (August 2012): 129–138; Tomoo Ishida, ”The Structure and Historical Implications of the Lists of Pre-Israelite Nations,” Biblica 60, no. 4 (1979): 461-490; James C. Miller, “Ethnicity and the Hebrew Bible: Problems and prospects,” Currents in Biblical Research 6, no. 2 (2008): 170-213. Donald John Wiseman, Peoples of Old Testament Times (Clarendon Press, 1973);

[4]    Elder Russell M. Nelson, “Children of the Covenant,” Ensign (May 1995), 32. Conferentietoespraak April 1995.

[5]    Het gaat hier om een vroegere geschiedschrijver, niet om Mormon die het hele Boek van Mormon samenstelde.

[6]    Een algemeen overzicht geeft Sidney B. Sperry, “The Lamanites Portrayed in the Book of Mormon,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 4, no. 1 (1995): 246–254.

[7]    Sorenson, An Ancient American Settng. Hij verwijst hiervoor naar Omni 1:14, 17-19; Enos 1:14, 20; Mosiah 1:2, 6, 15-16; 10:15-16). “The documents were periodically displayed and read to the subjects (Mosiah 6:3 was apparently such a public presentation, involving the records mentioned in Mosiah 1:16; compare 3 Nephi 23:8).”

[8]    Zie hierover Brant A. Gardner, “The Other Stuff: Reading the Book of Mormon for Cultural Information,” The FARMS Review 13, no. 2 (2013): 21-52; zie ook Sorenson, An Ancient American Setting.

[9]    Daniel Peterson suggereert dat koning Mosiah maar al te blij was dat hij godsdienstzaken aan Alma kon delegeren, omdat hij zelf al met seculiere regeringstaken overbelast was. Dat lijkt mij te speculatief. Daniel C. Peterson, “Authority in the Book of Mosiah,” The FARMS Review 18, no. 1 (2014): 149–185.

[10]  Dat is ook de mening van John W. Welch. Zie John W. Welch, “The Temple in the Book of Mormon: The Temples at the Cities of Nephi, Zarahemla, and Bountiful,” in Temples of the Ancient World: Ritual and Symbolism, ed. Donald W. Parry (Salt Lake City: Deseret Book & Provo: FARMS, 1994), 297-387 (362–363).

[11] Joseph Fielding Smith, “The Baptism of Alma”, in Answers to Gospel Questions, Volume 3 (Salt Lake City: Deseret Book, 1960), 203.

[12]  Matthew L. Bowen, “And Behold, They Had Fallen to the Earth: An Examination of Proskynesis in the Book of Mormon,” Studia Antiqua 4, no. 1 (2005): 91–110.

[13]  Kevin Christensen, “’Nigh unto Death”: NDE Research and the Book of Mormon,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 2, no. 1 (1993): 1–20.

[14]  Mosiah 27:28. De betrokken uitdrukking is echter ambigu. Het Engels luidt: “wandering through much tribulation, repenting nigh unto death”. Is “nigh unto death” een bijwoordelijke frase bij “repenting” of staat het er los van (zoals analist Kevin Christensen en ook anderen het behandelen? De huidige Nederlandse vertaling geeft: “na mij door veel beproeving heen te hebben geworsteld, en mij welhaast tot stervens toe te hebben bekeerd”. De vroegere vertaling gaf: “zodat ik in mijn bekering de dood nabij was”.

[15]  Craig R. Lundahl and Harold A. Widdison, “Social Positions in the City of Light,” Journal of Near-Death Studies 11, no. 4 (1993): 231–238; Craig R. Lundahl, “The Perceived Other World in Mormon Near-Death Experiences: A Social and Physical Description,” OMEGA-Journal of Death and Dying 12, no. 4 (1982): 319–327; Melvin Morse, “A Near-Death Experience in a 7-year-old Child,” American Journal of Diseases of Children 137, no. 10 (1983): 959–961; Kenneth Ring, “Religious wars in the NDE movement: Some personal reflections on Michael Sabom’s Light & death,” Journal of Near-Death Studies 18, no. 4 (2000): 215–244.

[16] Cherry B. Silver, “Review of Rediscovering the Book of Mormon (1991), edited by John L. Sorenson and Melvin J. Thorne,” Review of Books on the Book of Mormon 4, no. (1992): 166–168 (168). Silver schrijft: “Alma had told his conversion story in a straightforward manner in Mosiah 27:10-32, but in Alma 36 the poetic pattern of chiasmus dramatizes the darkness of his situation and the contrasting light.”

[17]  John W. Welch, “Chiasmus in The Book Of Mormon”, Brigham Young University Studies 10, no. 1 1969), 69–84. Zie ook John W. Welch, “A Masterpiece: Alma 36,” In Rediscovering the Book of Mormon, ed. John L. Sorenson and Melvin J. Thorne (Salt Lake City and Provo, UT: Deseret Book and FARMS, 1991), 114–131. Kritiek op Welch’s analyse in Earl M. Wunderli, “Critique of Alma 36 As an Extended Chiasm,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 38, no. 4 (2005): 97-112, waarop wederwoord in Boyd F. Edwards and W. Farrell Edwards, “Response to Earl Wunderli’s critique of Alma 36 as an Extended Chiasm,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 39, no. 3 (2006): 164–169. Welch’s publicatie in 1969 markeerde ook een definitieve verschuiving in de studie van het Boek van Mormon. De aandacht voor archeologie, die sinds het begin van de eeuw weinig of niets had opgebracht als sluitend bewijs voor het Boek van Mormon, slonk in het voordeel van tekststudie. Het ging samen met het groeiend besef dat de volken van het Boek van Mormon niet de basis van de grote Oud-Amerikaanse beschavingen vormen, maar dat de wereld van het Boek van Mormon zich in een beperkte regio situeerde (zie hier). De tekst zelf van het Boek van Mormon is wat telt, zoals ook de profeten van Nephi tot Moroni het begrepen wanneer ze over de toekomst van de kronieken spreken.

[18]  Zie ook John W. Welch, “Criteria for Identifying and Evaluating the Presence of Chiasmus,” Journal of the Book of Mormon and Other Restoration Scripture 4, no. 2 (1995): 1–14.

[19]  Brant A. Gardner, “Literacy and Orality in the Book of Mormon,” Interpreter: A Journal of Mormon Scripture 9 (2014), 29–85.

[20]  John L. Sorenson, An Ancient American Setting for The Book Of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book and FARMS, 1985).

[21]  Zie bijvoorbeeld Matthew L. Bowen, “Onomastic Wordplay on Joseph and Benjamin and Gezera Shawa in the Book of Mormon,” Interpreter: A Journal of Mormon Scripture 18 (2016), 255–273.

[22]  Royal Skousen, Analysis of Textual Variants of the Book of Mormon: Mosiah 17-Alma 20. The Critical Text of the Book of Mormon/[Joseph Smith] (Foundation for Ancient Research and Mormon Studies, Brigham Young University, 2006), 3:1471 & 1475.

[23]  Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 3b -Mosiah 11-29 ) (Salt Lake City: Greg Kofford, 2008). Kindle Locations 4565-4568.

Om terug te keren:

1 – Volken in beweging: wat namen voor identiteit betekenen
2 – En nu liet koning Mosiah alle mensen bijeenkomen.
3 – Godsdienst in de overgang van Mosiah naar Alma
4 – Een genuanceerde blik op de jonge jaren van Alma de jongere
5 – Zij vielen ter aarde … Bijna-doodervaring?
6 – Alma 36: ook taal-architecturaal bijzonder
7 – Weetjes bij bepaalde verzen
8 – Gestructureerd lezen