Les 17 – Mosiah 7-11

“Een ziener wordt een grote weldoener voor zijn medemensen”

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.

1 – Migraties in het “beperkt geografisch model”
2 – Van oorlogen en vluchtelingen: Wie is wie in de migraties?
3 – Een chronologie om mee te puzzelen
4 – Wie schreef deze hoofdstukken? De tekst onthult veel.
5 – Vertalen met de Urim en Tummim of een zienersteen
6 – Lichtekooien – Een verwerpelijke vertaling
7 – Weetjes bij bepaalde verzen
8 – Gestructureerd lezen

 

1 – Migraties in het “beperkt geografisch model”

Hoe groot waren de landen waar zich de gebeurtenissen in het Boek van Mormon afspelen? De hoofdstukken in het boek Mosiah reiken er een sleutel voor aan. Het boek Mosiah handelt immers overwegend over migraties: mensen vertrekken, reizen, ontmoeten anderen, verdelen zich, vluchten, vestigen zich elders, verhuizen opnieuw, en keren weer… Het betreft niet één groep, maar verscheidene gespreid over zo’n tachtig jaar geschiedenis. De schrijvers geven de afstanden meestal weer in aantal dagen reizen, te voet, en vaak met hebben en houden. Met die en andere gegevens in het Boek van Mormon, berekenden analisten dat de bewoonde “landen”, waarover sprake in het Boek van Mormon, zich binnen een afstand van drie- à vierhonderd kilometer bevonden.[1] Al bij al blijkt het dus om kleine migraties over relatief korte afstanden te gaan in verhouding tot het hele Amerikaanse vasteland.

Een oppervlakte met een diameter van drie- à vierhonderd kilometer is voor ons goed vergelijkbaar met de Benelux, maar dan een Benelux zoals die er meer dan tweeduizend jaar geleden uitzag, nog voor de Romeinse inval, met een kleine Keltische bevolking en grote delen “wildernis” waarin men te voet makkelijk kon verdwalen. Zelfs zo’n oppervlakte biedt ruimte voor veel nederzettingen en voor vele tienduizenden inwoners.

Die oppervlakte voor de landen in het Boek van Mormon past in het kader van het “beperkt geografisch model” (Limited geography model) dat kerkleiders en mormoonse analisten nu algemeen aanvaarden. Dit model stelt dus dat de Nephitische bevolking op een relatief klein grondgebied in het oude Amerika heeft gewoond.[2] Al in 1938 waarschuwde een kerkelijk lesboek dat “het Boek van Mormon enkel gaat over de geschiedenis en de ontwikkeling van drie kleine kolonies die naar Amerika kwamen, en het ontkent noch ontkracht de mogelijkheid van andere migraties”.[3] Die drie kolonies zijn de Jaredieten, de Nephieten en de Mulekieten. Het was een eerste officiële stem die waarschuwde voor de buitensporige veralgemening dat de Nephieten en Lamanieten, allen afstammelingen van Lehi, het hele Amerikaanse vasteland bevolkt hadden.

Die veralgemening wordt het “hemisferisch geografisch model” genoemd omdat het heel het westelijk halfrond, in de zin van het Amerikaanse werelddeel, omvat. In de negentiende eeuw verkondigde Orson Pratt die interpretatie, met inbegrip van speculaties over de landingsplaatsen van Jared, Lehi en Mulek, over de verspreiding van de bevolkingen in het westelijk halfrond en over de plaats van de grote oorlog die de Nephieten vernietigde.

Sjodahl_1927_LTot in de twintigste eeuw bleven voorstellingen als deze populair. Deze kaart is van 1927.[4]

Dat soort giswerk was niet abnormaal in de negentiende eeuw: pseudowetenschappelijke voorstellingen in populaire week- en maandbladen verdeelden de volken wereldwijd in globale afstammingen en schetsten grote beschavingen in simplistische termen. De enthousiaste Orson Pratt stond bekend om zijn vermeten bespiegelingen. Bekeerlingen tot het mormonisme gingen als vanzelfsprekend mee in dat momentum en beschouwden alle inheemse bevolkingen als nakomelingen van Lehi.[5] Men moet ook toegeven dat sommige emfatische spreekwijzen in het Boek van Mormon tot overdreven conclusies kunnen verleiden. Joseph Smith zelf heeft nooit dergelijke geografische veralgemening geuit, hoewel hij in archeologische vondsten sporen van de Nephitische beschaving meende te zien. Onder mormonen zou de hemisferische veralgemening nog lang nawerken, onder meer door visuele voorstellingen – landkaarten, schilderijen van Inca-achtige Nephieten en indiaanachtige Lamanieten, alsook foto’s van Inca en Azteekse ruïnes in edities van het Boek van Mormon. Goed bedoeld illustratief materiaal heeft meer dan eens voor misvattingen in het mormonisme gezorgd.

Men kan de veralgemening echter ook retorisch begrijpen: we spreken over het Boek van Mormon op het “westelijk halfrond” versus de Bijbel op het “oostelijk halfrond”, maar ook in het oostelijk halfrond gaat het eigenlijk maar over een heel beperkt gebied in en rond Palestina.

Aandachtige lectuur van het Boek van Mormon pleit voor het beperkt geografisch model. De kleine migraties in het boek Mosiah illustreren dit goed.

Waar zou dat beperkt gebied gelegen hebben?

Nogal wat analisten opteren thans voor een ligging in Midden-Amerika – het zuiden van Mexico en Guatemala. Ze volgen daarin de argumentatie van BYU antropoloog John Sorenson.[6] Voorstanders van deze locatie zijn ver gegaan in het identificeren van de plaatsnamen die het Boek van Mormon vermeldt. Andere analisten zien het beperkt gebied eerder in Zuid-Amerika, aan de Chileense kust, in navolging van een negentiende-eeuwse traditie dat Lehi daar geland zou zijn.[7]

Comer_Maeser_1880_LEen kaart van 1880 toont heel Zuid-Amerika als het land Nephi, met de landingsplaats op de kust van Chili.[8]

Nog anderen opteren voor een veel noordelijker beperkt gebied, in het Ontario gebied van de Grote Meren.[9] Voor elk gebied zijn er argumenten voor en tegen in het Boek van Mormon te vinden, wat aanleiding geeft tot pittige meningsverschillen in de onderscheiden publicaties.[10] De kerkleiding zelf heeft nooit een bepaald gebied vooruitgeschoven. Voor de kerk ligt de nadruk op de geestelijke inhoud van het Boek van Mormon, zoals President Harold B. Lee het uitdrukte: “Het getuigenis van het Boek van Mormon is niet te vinden in de ruïnes in Centraal of Zuid-Amerika. Die zijn weliswaar de uiterlijke tekenen van lang verdwenen volkeren. Het echte getuigenis is wat in het Boek van Mormon zelf staat.”[11]

Het beperkt geografisch model raakt niet aan een fundamentele boodschap van het Boek van Mormon, namelijk dat het, in de woorden van Nephi, uit het stof zal spreken tot “het overblijfsel van het nageslacht van mijn broeders”. Enerzijds kan dat “overblijfsel” vrij klein zijn als men het probeert te beperken tot specifieke nakomelingen. Anderzijds maakt de vermenging van de volkeren over een periode van 2500 jaar het aflijnen van een specifiek nageslacht nagenoeg onmogelijk (zie ook dit onderdeel over bevolking in les 12). Iedereen kan immers deel van het universele huis Israëls zijn. Dat is trouwens ook de boodschap van de gelijkenis van de olijfbomen waarbij het enten en planten van takken op uiteenliggende plaatsen in de wijngaard voor vermenging ten goede zorgt (zie ook de bespreking hierover in les 13).

Termen in het kader van het beperkt geografisch model

Het beperkt geografisch model vraagt ons de betekenis van termen te nuanceren – en inderdaad, die genuanceerde betekenissen sluiten nauwer aan bij de tekst van het Boek van Mormon:

  • Land: een bewoonde, natuurlijk afgebakende streek, bijvoorbeeld in een vallei of tussen rivieren; een land kan dus ook een kleine oppervlakte bestrijken, wat bijvoorbeeld de vermelde “omsingeling” of “bewaking” van een land beter doet begrijpen; het verklaart ook hoe een hoge toren het mogelijk maakt om als uitkijkpost een heel land voor beveiliging in het oog te houden (Mosiah 11:13). Een klein land is soms niet meer dan een aanhangsel van een groter, zoals een kleine zijdelingse vallei in een grotere. Een land kan ook een stad en de streek errond zijn, wat meteen ook verklaart waarom verwijzen naar het “land Jeruzalem” zo gangbaar in de Nephitische kronieken is.
  • Wildernis: onbewoonde, meestal onbekende streek; moeilijk te doorkruisen als woestijn, bergstreek of oerwoud, wat de herhaalde meldingen over “verdwalen in de wildernis” verklaart.
  • Volk: een groep rond een leider; de groep kan klein (enkele tientallen mensen) of groot zijn (tot enkele duizenden).
  • Koning: de leider van een groep, verkozen of de zoon van de vorige; ook als stamhoofd; er zijn dus soms meerdere koningen binnen een volk dat uit groepen bestaat.
  • Stad: een nederzetting van gelijk welke omvang. Pas na het jaar 100 v.C. wordt het onderscheid tussen “steden” en “dorpen” gemaakt, vermoedelijk om de status van een “stad” te bevestigen, tegenover een gehucht.
  • Leger: een groep bewapende mannen, sterk variërend in aantal. Blijkbaar verdienen “vijftig man” al de naam “legers” (Mosiah 11:18–19).
  • Oorlog: kan van een schermutseling tot een ware veldslag gaan; “vele oorlogen” duidt eerder op aanhoudende incidenten dan op grootschalige strijdtonelen.
  • Lamaniet: bij de aanvang van het Boek van Mormon is het letterlijk een “nakomeling van Laman”; daarna is het een algemene term voor elke vijand van de Nephieten (Jakob 1:14).

 

2 – Van oorlogen en vluchtelingen: Wie is wie in de migraties?

Lezers vertrouwd met het boek Mosiah kennen de verschillende groepen en hun bewegingen. Voor anderen, of als rappel, een kort overzicht (het aspect van de dateringen bespreek ik verder). Verschillende migraties tekenen de verhaallijnen.

Met de beelden van vluchtelingen in onze actualiteit kunnen we ons trachten in te leven.

Migratie is een thema dat ook het Oude Testament overheerst.
Hier de uittocht uit Egypte van Jan Luyken (1649–1712)

Migratie van Mosiah de oudere naar Zarahemla

  • Omstreeks 200 v.C., onder druk van oorlog, vluchten Nephieten onder leiding van Mosiah de oudere (of Mosiah I) uit hun erfland Nephi. Ze vinden een toevlucht in het land Zarahemla, waar ze het volk van Zarahemla ontdekken.
  • Het volk van Nephi en het volk van Zarahemla verenigen zich onder koning Mosiah I. Die zal er tot omstreeks 160 v.C. regeren, waarna zijn zoon Benjamin hem opvolgt. In 124 v.C. draagt Benjamin dan de troon over aan zijn zoon, Mosiah II. Over die bijna tachtig jaar in Zarahemla, van 200 tot 124 v.C., vertelt het boek Mosiah eigenlijk niets. Maar wel over de zijdelingse groepen elders.

Migratie van Zeniff terug naar het land Nephi

  • Omstreeks 190 v.C. besluit een groep, onder leiding van Zeniff, terug te keren naar het land Nephi. Redenen zijn makkelijk te verstaan: heimwee naar “huis”, mogelijk nog verwanten die er wonen, nostalgie naar de tempel… De groep mag er zich van de Lamanitische koning Laman vestigen, maar wordt schatplichtig. Dat leidt echter tot herhaalde twisten en oorlogen.
  • Omstreeks 160 v.C. volgt Noach, zoon van Zeniff, zijn vader op. Hij blijft verwikkeld in oorlogen met de Lamanieten.
  • Ergens tussen 150 en 145 v.C. treedt de profeet Abinadi tegen Noach op. Zijn prediking leidt tot zijn marteldood.
  • Omstreeks 140 v.C. breekt opstand uit tegen Noach, met Gideon als voorvechter. Tegelijkertijd vallen Lamanieten het land binnen. Een deel van de bevolking kan het medelijden van de Lamanieten opwekken en wordt gespaard. Het andere deel vlucht samen met Noach en zijn priesters. Onderweg breekt ruzie uit en wordt Noach gedood. Zijn priesters vluchten verder weg. Het overblijvende deel van de bevolking keert terug naar het land Nephi. Limhi, zoon van Noach, wordt koning.
  • Een nieuwe oorlog dreigt met de Lamanieten als gevolg van de ontvoering van vierentwintig “dochters der Lamanieten”. Limhi kan het voorval bezweren: de gevluchte priesters van Noach zijn de schuldigen. Er volgen echter nog oorlogen en het volk van Limhi wordt zwaar beproefd.
  • Omstreeks 121 v.C. bereikt Ammon, uitgezonden vanuit Zarahemla, het volk van Limhi. Geleid door Ammon kan het volk ontsnappen en keert terug naar Zarahemla.

Een andere bekende migratie in het Oude Testament is de terugkeer uit de Babylonische gevangenscshap. Ets van  Jan Luyken (1649–1712)

 

Migratie van Alma naar de plaats Mormon, en vervolgens naar het land Helam

  • Ergens tussen 150 en 145 v.C. wordt Alma, een van de priesters van Noach, bekeerd door de woorden van Abinadi: hij begint te prediken en vormt een groep op een afgelegen plaats, Mormon genaamd; de groep zelf wordt “de kerk van Christus”.
  • Noach wordt ingelicht over Alma’s groep, stuurt er een leger op af, maar de groep kan tijdig vluchten en de wildernis intrekken. Na acht dagen reizen bereiken zij het land Helam waar zij zich vestigen, een nederzetting bouwen en voorspoedig worden.
  • Na een aantal jaar brengen Lamanieten hen echter in de verdrukking, in het bijzonder door toedoen van Amulon, een van de gevluchte priesters van Noach, die zich bij de Lamanieten had aangesloten.
  • Omstreeks 120 v.C. slaagt Alma erin met zijn volk te ontsnappen en hen veilig naar Zarahemla te voeren.

 

3 – Een chronologie om mee te puzzelen

Op zich heeft dit punt weinig belang. Maar het is wel interessant om de geloofwaardigheid van het Boek van Mormon te illustreren. Het gaat hier immers om de logica van jaartallen over opeenvolgende generaties in verschillende bevolkingsgroepen. Dat we er nu mee moeten puzzelen om de correctheid ervan te ontdekken bewijst een complexiteit die makkelijk fout had kunnen lopen moest iemand dit boek hebben uitgedacht in de negentiende eeuw.

Met tussenpozen van hoeveel jaar volgden de laatste vier kroniekschrijvers in Omni zich op? In welk jaar werd Mosiah I koning in het land Nephi? In welk jaar verliet hij het, samen met de overblijvende Nephieten? Wanneer kwamen ze in het land Zarahemla aan? Hoe lang regeerde Mosiah? Na hoeveel jaar besloot Zeniff met zijn groep terug te keren naar het land Nephi? Hoe lang regeerde hij daar als koning? Hoe lang regeerde zijn zoon Noach? Hoe lang diens zoon Limhi alvorens hij en zijn volk de weg terug naar Zarahemla vonden? Wanneer week Alma uit met zijn eigen groep? Wanneer volgde Benjamin zijn vader op? Hoe lang regeerde hij? Geef die vragen aan een of meerdere mensen en ze zijn er even mee zoet om mogelijke hypothesen uit te zetten op basis van de karige gegevens.

De uitdaging komt van het feit dat de “zijdelingse” kroniekschrijvers van deze periode – Zeniff en volgende – zich niet meer aan de Lehi-telling van hun voorgangers houden. Die voorgangers rekenden de jaren netjes “vanaf het vertrek van Lehi uit Jeruzalem”. Maar deze zijdelingse schrijvers, mogelijk niet vertrouwd met de Lehi-telling, geven jaren aan vanuit een beperkt perspectief. Zo lezen we bij Zeniff: “… het geschiedde, nadat wij twaalf jaar lang in het land hadden gewoond” en “En het geschiedde dat wij het land van onze vaderen vele jaren lang erfelijk bezaten, ja tweeëntwintig jaar lang”. Maar geen referentie naar een ankerpunt. In het verslag over Alma’s migratie staat zelfs geen enkele aanduiding van periodes. Deze groep schrijvers, die buiten de “grote kronieken” hun wedervaren noteerden, beseften niet dat op die manier de datering van hun teksten eeuwen later moeilijk zou zijn. Het is tegelijkertijd een teken van authenticiteit van het Boek van Mormon: schrijvers in moeilijke omstandigheden en buiten het “grote circuit” van de kroniektraditie denken niet aan het bredere historische perspectief noch aan lezers in een verre toekomst. Mormon zelf, die deze zijdelingse teksten deels woordelijk overnam bij de samenstelling van het geheel, nam niet de moeite om de juiste dateringen uit te zoeken en toe te voegen. Dat laat ons met een interessant mathematisch vraagstuk.

Voor een lange periode van 156 jaar hebben we maar twee vaste referentiepunten van begin en einde:

  • Het beginpunt is 280 v.C. Op dat moment vult Amaron de kleine platen aan – toen er “driehonderdtwintig jaar waren verstreken” [sinds Lehi Jeruzalem verliet] (Omni 5).
  • Het eindpunt is 124 v.C. Op dat moment begint Mosiah II te regeren, “in zijn dertigste levensjaar, hetgeen in het geheel ongeveer vierhonderdzesenzeventig jaar was vanaf het tijdstip waarop Lehi Jeruzalem had verlaten” (Mosiah 6:4). Mosiah II is dus geboren omstreeks 154 v.C.

Tussen het gedateerde beginpunt en het gedateerde eindpunt hebben we dus een periode van anderhalve eeuw waarin al de tussenliggende gebeurtenissen logisch moeten passen. Er zijn verschillende mogelijkheden geopperd. Een vrij geloofwaardige verdeling komt tot het volgende.

In Zarahemla

  • Van omstreeks 200 tot 160 v.C.: regeerperiode van Mosiah I, met vlucht naar Zarahemla omstreeks 200 v.C. Sommigen hebben geopperd dat Mosiah pas koning werd in Zarahemla.
  • Van omstreeks 160 v.C. tot 124 v.C.: regeerperiode van Benjamin in Zarahemla.

Detailbespreking:

  • Van 280 v.C. tot 180 v.C., dus een eeuw lang, volgen we de opeenvolgende laatste schrijvers op de kleine platen. Amaron droeg de platen over aan zijn broer Chemish (sprong van 20 jaar). Die gaf ze door aan zijn zoon Abinadom (sprong van 40 jaar), en deze aan zijn zoon Amaleki (sprong van 40 jaar). Amaleki zou dus, als volwassen man, de platen omstreeks 180 v.C. in ontvangst genomen hebben.
  • Amaleki schrijft: “Zie, ik, Amaleki, ben geboren in de dagen van Mosiah [de oudere]; en ik heb lang genoeg geleefd om ooggetuige te zijn van zijn dood; en Benjamin, zijn zoon, regeert in zijn plaats” (Omni 23). We weten dat Mosiah II, zoon van deze Benjamin, omstreeks 154 v.C. geboren werd (Mosiah 6:4). Met generatiesprongen van een 30 à 40 jaar terug in de tijd, zou Benjamin omstreeks 190 v.C. geboren zijn, en zijn eigen vader, Mosiah I, omstreeks 230 v.C.
  • Koning Benjamin was al erg oud (wat betekende oud in die tijd?) toen hij zijn dertigjarige zoon als troonopvolger aanwees. Als we de regeerperiodes spreiden, zou Mosiah I dan geregeerd hebben van ongeveer 200 tot 160 v.C. en Benjamin van 160 tot 124 v.C. Dat klopt met het getuigenis van Amaleki, die omstreeks 160 v.C., als oude man, nog getuige van de dood van Mosiah I is geweest. Het is aan Benjamin dat hij, tegen het einde van zijn leven, de kleine platen overhandigt.

In het land Nephi en omliggende

Vanuit de jaartallen hierboven kunnen we dan de zijdelingse verhalen van het volk van Zeniff en de groep rond Alma bij benadering dateren.

  • Na de aankomst en vestiging van de Nephieten in Zarahemla omstreeks 200 v.C. verlangen een “groot aantal” terug te keren naar het land Nephi (Omni 27). Een eerste expeditie mislukt. Er vertrekt een tweede expeditie, onder leiding van Zeniff. Zeniff meldt dat hij “in alle taal der Nephieten was onderwezen en kennis had verkregen van het land Nephi”, wat er op kan wijzen dat hij een Mulekiet was (Mosiah lieten de Mulekieten onderwijzen in zijn taal) en dat hij zich moest baseren op informatie van Nephieten die met Mosiah naar Zarahemla waren gekomen. Aan de expeditie nemen wel Nephieten deel, waaronder een broer van Amaleki (Omni 30). Enerzijds hadden Zeniff en mogelijk anderen tijd nodig om de taal te leren en kennis op te doen, anderzijds moesten er ook nog voldoende actieve mensen zijn om “terug te keren”. Neem er tien jaar voor, dan begon de expeditie omstreeks 190 v.C. Maar de periode kan ook slechts een paar jaar geweest zijn.
  • In de zijdelingse “Kroniek van Zeniff” volgen we drie generaties koningen, van vader op zoon: Zeniff, Noach en Limhi. Zeniff volbracht een volle regeerperiode tot hij oud was (Mosiah 10:22). Hiervoor kunnen we dertig jaar nemen, wat ons in 160 v.C. brengt.
  • Noach’s gewelddadige dood maakte een vroeger einde aan zijn regeerperiode, maar die periode omvatte wel grote bouwprojecten, de aanleg van wijngaarden (met resultaat) en ook oorlogen die ongetwijfeld een aantal jaren dekken (Mosiah 11, 19). Als we voor dit alles twintig jaar nemen, komen we in 140 v.C.
  • Het optreden van de profeet Abinadi situeert zich ergens tijdens Noach’s regering, vermoedelijk eerder in de tweede helft, dus tussen 150 en 145 v.C.
  • Wat Noach’s opvolger Limhi betreft, die moet al een aantal jaar koning geweest zijn wanneer Ammon aankomt. Daarvoor had Limhi inderdaad al herhaalde periodes van oorlog en van vrede meegemaakt (7:22; 19:26–29; 21:16). Hij klaagt ook over jaren van schatplichtigheid. Een periode van een kleine twintig jaar lijkt redelijk. Dat brengt ons in 121 v.C., het zekere jaartal wanneer Ammon aankomt, aangezien hij drie jaar na de troonsbestijging van Mosiah II werd uitgestuurd (Mosiah 7:1).

Joodse zodiac voor tijdrekening_6de eeuwDe Hebreeuwse tijdrekening maakte ook gebruik van zodiakale tekens (dierenriem), al in de zevende eeuw v.C. bekend vanuit de Babylonische astronomie. Mozaïek  van  de zesde eeuw, in de Beit Alpha Synagoog, Israel.

  • Alma’s migratie stemt qua aanvang overeen met de marteldood van Abinadi, ergens tussen 150 en 145 v.C. Na een verblijf (van enkele jaren?) in de plaats Mormon, volgt de meer definitieve vestiging in Helam en de uitbouw ervan. Jaren later kon Alma’s groep naar Zarahemla ontsnappen. Zij kwamen blijkbaar na Limhi’s volk in Zarahemla aan, gelet op de zin, op het einde van Alma’s verslag, “en koning Mosiah ontving ook hen met vreugde” (Mosiah 24:25). Het moet er wel kort na geweest zijn, aangezien Mosiah beide groepen samen aan zijn volk voorstelt en hun verslagen laat voorlezen.

De hier voorgestelde chronologie kan intern wel een of zelfs meer decennia schuiven. De lange periode van 280 v.C. (het zeker jaartal in de Lehi-telling aangegeven door Amaron) tot het punt waar Mosiah I naar Zarahemla reist (nu speculatief op 200 v.C.), is in evenredige generatie-periodes verdeeld, alsook de regeerperiodes van Mosiah en Benjamin. Het moment waarop Zeniff Zarahemla verliet (nu speculatief op 190 v.C.) is dus ook afhankelijk van die mogelijke verschuivingen en dan moeten de regeerperiodes van Zeniff, Noach en Limhi aangepast worden. Sommige van de voorgestelde deelperiodes kunnen dus beduidend korter of langer geweest zijn. Maar in hun totaal moeten ze wel een periode van 156 jaar dekken, namelijk tot 124 v.C., ons volgend zeker jaartal. Het hoeft dus niet te verwonderen dat andere analisten tot een iets andere spreiding van tussenperiodes in die 156 jaar kunnen komen.

Het belangrijkste is evenwel dat het aantal gemelde generaties, in elk van de besproken gebieden, perfect logisch past in het geheel.

 

4 – Wie schreef deze hoofdstukken? De tekst onthult veel.

Hoofdstukken 7 tot 11 van Mosiah geven een mooie gelegenheid om de techniek van samenstelling van het Boek van Mormon toe te lichten. Het was Mormon, een profeet in de vierde eeuw n.C., die het Boek van Mormon samenstelde. Hij baseerde zich daarbij op oorspronkelijke kronieken van diverse origine. Bij die samenstelling gebruikte Mormon twee technieken:

  • Inkorting: hier blijft de oorspronkelijke bron dezelfde, dus zonder wijzigingen in de tekst, maar er worden delen weggelaten; kleine bindteksten, van de hand van Mormon, kunnen soms weggelaten delen overbruggen of een passage verduidelijken. De letterlijk overgenomen delen kunnen wel vrij lang zijn, zoals bij 1 en 2 Nephi. Typisch aan de oorspronkelijk gebleven teksten zijn de directe spreektaal (directe rede en dialogen), de onverwachte verteldetails, en, in de religieuze retoriek, Hebreeuwse stijlfiguren zoals chiasmen en herhalingspatronen.
  • Samenvatting: hier schrijft Mormon een eigen tekst om enkel de essentie of de hoofdpunten van de inhoud weer te geven. Typisch aan de samenvatting is de gebalde beschrijving van gebeurtenissen, met weglating van al het overtollige. Als Mormon toch iemand moet citeren gebeurt dat in de verkorte, indirecte rede (“Hij zei dat… , Hij antwoordde dat…). Samenvatten is duidelijk frustrerend, vandaar Mormon’s frequente verontschuldiging bij samenvattingen – “en ik kan nog geen honderdste deel van de dingen van mijn volk opschrijven”.

Inkorting was Mormon’s belangrijkste techniek, waardoor het Boek van Mormon eigenlijk voor het grootste deel authentiek geschreven onderdelen aanbiedt, met de stijl en woordkeuzes van de onderscheiden auteurs. Daarom verduidelijkt Mormon ook expliciet op het titelblad: “Wherefore, it is an abridgment of the record of the people of Nephi …” Dit titelblad is van de hand van Mormon zelf en bevond zich op het verso van de allerlaatste plaat.[12]

De huidige Nederlandse vertaling geeft abridgment spijtig genoeg weer als samenvatting, in plaats van het correcte inkorting of, zoals in vorige Nederlandse edities, beknopte bewerking. De eerste Nederlandse vertaling (1890) sprak van “een uittreksel van het verslag van het volk van Nephi”. Vroegere Nederlandse edities vertaalden al eens vanuit een grondiger inzicht in de Schriften.

De eerste verzen van hoofdstuk 7 van Mosiah beginnen als een samenvatting om kort het tijdstip, de reden en de samenstelling van de expeditie van Ammon te schetsen. Vanaf vers 7 of 8 begint echter een lange, oorspronkelijke passage met ceremoniële dialogen (veel directe rede) en tal van details. Meer dan waarschijnlijk is Limhi hier de auteur van, of zijn kroniekschrijver, gelet op de uitgebreide neerslag van Limhi’s woorden, en dit tot het einde van het hoofdstuk.

Opvallend in Limhi’s beschrijving van hun geschiedenis (verzen 21–28) is de toewijzing van verantwoordelijkheden: Zeniff was “overbegerig” om het land te bezitten en daarom werd hij misleid “door de geslepenheid en listigheid van koning Laman”. Vervolgens leidden onderlinge twisten en overtredingen onder het volk tot “goddeloosheid en gruwelen”. Dan vervolgt Limhi met:  “En zij hebben een profeet des Heren gedood”, waarna nog zinnen volgen die de verantwoordelijkheid bij het volk in het algemeen leggen. Limhi kan het blijkbaar niet over de lippen krijgen om zijn eigen vader, koning Noach, te vernoemen en te veroordelen als hoofdverantwoordelijke. Dat zal een ander kroniekschrijver, in hoofdstuk 11, wel doen. Het familiaal drama voor Limhi lees je zo tussen de lijnen.

Hoofdstuk 8 van Mosiah begint opnieuw met een samenvatting en een duidelijke ik-inbreng van Mormon zelf: “En het geschiedde, nadat koning Limhi zijn woorden tot het volk had beëindigd — want hij vertelde hun vele dingen, en slechts enkele daarvan heb ik in dit boek opgeschreven — dat hij hun alle dingen vertelde over hun broeders die in het land Zarahemla waren” (dit wil zeggen de dingen die Limhi ondertussen van Ammon had vernomen). Vanaf vers 6 lezen we echter weer een oorspronkelijke tekst – de belangrijke dialoog over de vierentwintig platen en Mosiah’s bevoegdheid als ziener om die te kunnen vertalen.

Vanaf hoofdstuk 9 van Mosiah begint dan de “Kroniek van Zeniff”, die ons zo’n zeventig of tachtig jaar terug in de tijd voert. Je verwacht de overname van heel die oorspronkelijke tekst geschreven door Zeniff, maar in feite gaat Mormon erg berekend te werk. Tot het voorlaatste vers van hoofdstuk 10 neemt Mormon de woorden van Zeniff letterlijk over. Het is een uitgebreid ik-verslag van Zeniff over twee hoofdstukken, 9 en 10, dat echter samenvattend opgevat is, dus mogelijk op latere leeftijd geschreven: Zeniff beschrijft in grote lijnen de ervaringen van zijn volk – militair, sociaal, economisch, inclusief een schrille analyse van Lamanitische rancunes, door de ogen van een niet-Lamaniet. Op het einde van hoofdstuk 10, na vers 21, breekt het verhaal van zijn regeerperiode echter bruusk af. Het volgende vers springt meteen naar het einde van zijn leven. Het lijkt er dus op dat Mormon hier voor een stevige inkorting gezorgd heeft.

Hoofdstuk 11 van Mosiah werpt de boeg helemaal om. Na Zeniff heeft normaal gesproken de volgende koning, of een van zijn kroniekschrijvers, de kroniek aangevuld. Hier zou dus Noach zijn versie van de geschiedenis geschreven hebben. Wie weet zou Noach ons nu wat minder antipathiek overkomen als Mormon ons een stuk van die versie had laten lezen? Want Noach blijkt, ondanks zijn persoonlijk immoreel gedrag, zijn land tot grote voorspoed te hebben geleid, met openbare gebouwen, strategische expansie, een redelijk belastingstelsel van 20% (daar tekenen we voor!), landbouwontwikkeling, artistieke verfijning en een geducht verdedigingsstelsel tegen de Lamanieten. Als we erop letten zijn dat toch wel merkwaardige verwezenlijkingen, die de schrijver van dit hoofdstuk echter zo weet voor te stellen alsof ze allemaal verwerpelijk zijn. Was de auteur van dit hoofdstuk Mormon als samenvatter? Of mengde hij samenvatting met oorspronkelijke zinnen? De tekst begint als een samenvattend overzicht van Noach’s regeerperiode, maar vervalt dan in details die buiten proportie staan, zoals de balustrade waarop  de hogepriesters hun armen konden leunen. De tekst wil Noach essentieel typeren als een slecht mens, vanaf het eerste vers – “en Noach wandelde niet in de wegen van zijn vader” – tot het laatste – “En koning Noach verstokte zijn hart tegen het woord des Heren, en hij bekeerde zich niet van zijn kwade werken”. In het hoofdstuk zelf ligt de nadruk op zijn persoonlijk gedrag – vrouwen en drank. We maken hier niet het proces van Noach – daar zal Abinadi voor zorgen, maar we moeten opmerken dat “samenvatten” of “inkorten”, zoals hier gebeurt, de geschiedenis eenzijdig kan kleuren. Het bekende schilderij van Arnold Friberg – Abinadi voor koning Noach – heeft ons daarenboven het karikaturaal beeld van een papperige, vadsige, wrede vorst ingeprent.

Vanaf vers 20 wijzigt echter de vorm: hier wordt Abinadi geciteerd. Teksten uitgesproken door profeten zijn altijd zorgvuldig weergegeven. De woorden van Abinadi zijn waarschijnlijk achteraf in de literaire vorm gegoten die het best voor lectuur, voordracht en inprenting in het geheugen past.  Daar kan Alma de oudere, getuige van Abinadi’s optreden en latere kroniekschrijver, voor gezorgd hebben. Vandaar de zorgvuldige structuur van Abinadi’s woorden:

  • een AB-BA omkadering op de uitersten (geel opgelicht, blauwe letters)
  • interne CD-DC  blokken die elk dezelfde voorwaardelijke syntaxis volgen: tenzij … (blauw & groen opgelicht)…  zal …. (roos en grijs opgelicht) ; daarin een bijna volmaakte parallel-opsomming (abcde) met contrasten
  • het  centrum van het chiasme (E-E) waar God zich affirmeert (rode letters)

L17_Mos11-20_2

De laatste verzen van hoofdstuk 11 zijn dan weer samenvattend, met toch een direct aanhalen van Noach’s reactie, wat zijn laakbaar gedrag in de verf moet zetten.

In les 18 gaan we dieper in op het auteurschap van de hoofdstukken 11 tot 17, bij het bespreken van “de zaak Abinadi“.

 

5 – Vertalen met de Urim en Tummim of een zienersteen

Mosiah 8:13 dompelt ons in de wereld van de zienerstenen.

Het vertalen van oude teksten, geschreven in een onbekende taal en soms ook nog in een onbekend schrift, is wetenschappelijk bijzonder uitdagend. Het nam de Franse taalkundige Champollion vele jaren om het Egyptisch hiërogliefenschrift te kunnen ontcijferen. Van een heel andere orde is het vertalen “door de gave en macht Gods”, zoals de Schriften het vermelden. Dat geïnspireerd vertalen kan door rechtstreekse openbaring of via een instrument. Rechtstreekse openbaring zien we bijvoorbeeld in het optreden van Daniël: hij vertaalde het onbekende schrift dat op de wand voor koning Belsazar was verschenen (Daniël 5). Via een instrument vertalen brengt ons bij de “Urim en Tummim” of een gelijksoortige “zienersteen”.

Martin_1821_belshazzar_feast_L“Belsazar’s feest en het handschrift op de wand”, door John Martin (1789-1854)

“Interpreters” zijn “vertalers” of “overzetters”

Ammon vertelde koning Limhi dat vertaling van oude kronieken mogelijk is met de hulp van “voorwerpen die uitleggers worden genoemd” (Mosiah 8:13). Dat is een onnauwkeurige vertaling van het Engelse woord interpreters in het Boek van Mormon. Dat woord komt van het oud-Frans entrepreteur, dat twee betekenissen heeft: (1) “verklaarder” of “uitlegger” voor het verklaren of uitleggen van een gekende tekst; en (2) “vertaler” voor de omzetting van de ene naar de andere taal (nu nog heet een tolk in het Frans un interprète). Ook in modern Engels heeft interpreter deze twee betekenissen behouden. Voor het instrument waarnaar Ammon verwijst geldt dus evident de tweede betekenis van vertaler of tolk. Er wordt immers niets uitgelegd, enkel vertaald. De Nederlandse versie van het Boek van Mormon zou dit best aanpassen naar vertalers of overzetters. De Franse versie van het Boek van Mormon spreekt van interprètes, wat de waarde precies weergeeft. Het Duits koos even correct voor Übersetzer. Ook andere talen, voor zover ik kon oordelen, volgen die voor de hand liggende betekenis nauwgezet.

Opmerkenswaardig is dat voor de eerste Nederlandstalige editie van het Boek van Mormon, in 1890, J. F. W. Völker het woord interpreters perfect vertaalde: “En zij worden genoemd vertalers” (Mosiah 8:13, p. 189).

 

Voorkomens in de Schriften

Op verschillende plaatsen in de Schriften is er sprake van dit voorwerp als vertaalinstrument, dat ook als het Bijbelse Urim en Tummim wordt aangeduid. Urim  is Hebreeuws voor lichten (meervoud van licht), en verwijst dus naar iets verlichtend. Tummim betekent volmaaktheden of perfecties en roept het beeld van voleindigen of vervolmaken op.

Chronologisch was de broeder van Jared, ten tijde van de toren van Babel, de eerste die dergelijk duo zienerstenen ontving – “op de berg, toen hij van aangezicht tot aangezicht met de Heer sprak” (Leer en Verbonden 17:1). De broeder van Jared kreeg toen de opdracht om bijzondere kennis, die hem geopenbaard was, op te schrijven en te verzegelen, waarna de Heer verklaarde: “En zie, Ik zal u deze twee stenen geven, en gij moet die ook verzegelen, met de dingen die gij zult opschrijven … daarom zal Ik er in de door Mij bestemde tijd voor zorgen dat deze stenen voor de ogen der mensen die   dingen die gij zult opschrijven groot zullen maken” (Ether 3:23–24).

Abraham ontving een Urim en Tummim in “Ur der Chaldeeën” en leerde ervan over het heelal (Abraham 3:1–4). De Urim en Tummim diende dus niet alleen om te vertalen, maar ook om openbaring te ontvangen. Het is niet duidelijk of dit paar stenen dan bij Mozes terechtkwam, of dat God voor een ander exemplaar zorgde wanneer de Urim en Tummim aan de borstplaat van Aaron bevestigd werd (Exodus 28:30). De functie ervan was eveneens openbaring te kunnen ontvangen.

Mosiah I beschikte allicht over zienerstenen om te vertalen aangezien hij van de “grote steen met graveersels erop”, deze graveersels vertaalde “door de gave en macht Gods” (Omni 20). De uitdrukking gaat samen met het gebruik van zienerstenen, maar ze zijn niet strikt noodzakelijk om rechtstreeks door openbaring te kunnen vertalen. Indien Mosiah I over zienerstenen beschikte is het ook niet duidelijk of deze dezelfde waren die de broeder van Jared had ontvangen. Er is geen verslag dat die via een bepaald kanaal tot bij Mosiah I waren gekomen. Hij kan ze, net als de broeder van Jared, rechtstreeks van de Heer ontvangen hebben. Of hij ontving ze in Zarahemla van de Mulekieten, als deel van rituele voorwerpen die zij van de laatste Jaredieten hadden verkregen of gevonden.[13]

Als Mosiah I zienerstenen bezat is het quasi zeker dat hij die later overdroeg aan zijn zoon Benjamin, en deze vervolgens aan zijn zoon Mosiah II, aangezien Ammon tot koning Limhi getuigt dat Mosiah II over de “uitleggers” [= vertalers] beschikt (Mosiah 8:13). Aanleiding voor Ammon’s uitleg is de vondst van vierentwintig platen waarover Limhi hem vertelt. Die, leren we later, bevatten kronieken van de Jaredieten, een ouder volk op het Amerikaanse vasteland. Na aankomst van Limhi in Zarahemla, overhandigt hij die platen aan Mosiah. Die zou ze later vertalen, of een deel ervan, “door middel van die twee stenen die in de twee randen van een boog waren vastgezet” (Mosiah 28:11-19).

Omstreeks 92 v.C. draagt Mosiah II dan alle kronieken aan Alma de jongere over – “ja, alle kronieken, en ook de uitleggers [= vertalers], en hij droeg ze aan hem over en gebood hem ze te behoeden en te bewaren” (Mosiah 28:20). Een kleine twintig jaar later draagt Alma op zijn beurt alles over aan zijn zoon Helaman, waarbij opnieuw de vierentwintig platen ter sprake komen. Alma verwijst daarbij naar een directe citatie van de Heer die een steen voorbereidt “die in de duisternis zal schijnen als een licht, om te onthullen aan mijn volk dat mij dient, om hun te onthullen de werken van hun broeders”. Alma vervolgt dan met zijn eigen woorden: “En nu, mijn zoon, deze uitleggers [= vertalers] werden bereid opdat het woord Gods, dat Hij als volgt sprak, zou worden vervuld” (Alma 37:23–24).

De verdere Nephitische geschiedenis vermeldt de zienerstenen niet meer,  maar hun bewaring, generatie na generatie, blijkt uit de latere overdracht aan Joseph Smith.

 

De zienerstenen van Joseph Smith

De volgende fase brengt ons dan bij het bezoek van Moroni aan Joseph Smith. In 1823 vertelde Moroni hem, bij het bespreken van de platen, dat er  tevens “twee in zilveren bogen gevatte stenen waren — en dat die stenen, aan een borstplaat bevestigd, de zogenaamde Urim en Tummim vormden — die samen met de platen waren verborgen; en dat het bezit en gebruik van die stenen bepalend was voor ’zieners’ in oude of vroegere tijden; en dat God ze had toebereid met het doel het boek te vertalen” (Joseph Smith – Geschiedenis 35).

Joseph Smith beschreef die als twee ronde glasachtige stenen, gehecht in een montuur, waarop klaarblijkelijk letters en woorden konden verschijnen. Martin Harris en David Whitmer zagen als getuigen de Urim en Tummim in juni 1829. Harris beschreef ze als ronde stenen, als van “gepolierd marmer, met enkele grijze strepen”. Hij schatte ze twee duim in diameter (5 cm). Whitmer beschreef ze als “witachtige stenen”, groter dan de lenzen van een bril en minstens een halve duim dik (1,27 cm). Lucy Mack Smith, de moeder van Joseph, sprak later van “diamanten”, Orson Pratt van “kristallen”.[14] Het instrument vormde dus geen “doorkijkbril” die onbekende in bekende tekens omzette.

Om zich te kunnen concentreren of om de woorden op de glasachtige stenen van de Urim en Tummim beter te kunnen onderscheiden legde Joseph Smith ze in een hoed met brede randen waardoor licht werd buitengesloten. Zo dicteerde hij wat hij kon onderscheiden, woord na woord, soms uren na elkaar. De vergelijking met een smartphone of een e-reader is allicht niet gepast, maar voor wie bepaalde zaken onmogelijk acht, kan zo’n verwijzing naar technologische wonderen helpen. (zie hier in les 10 voor meer achtergrond over het vertaalproces)

Maar fundamenteel gebeurde de operatie “door de gave en de macht Gods”: de mogelijkheid om de letters en woorden te onderscheiden, of te ontvangen met een geestelijk oog, is een “gave” – afhankelijk van het geloof en de geestelijke concentratie van de gebruiker. Vergelijk met de Liahona waar ook wisselende letters en woorden op verschenen, maar steeds “overeenkomstig het geloof en de ijver die wij eraan schonken” (1 Nephi 16:29). Toen Joseph Smith in de fout ging en een eerste deel van de vertaling van het Boek van Mormon kwijtspeelde, was het gevolg ook het verlies van zijn gave: “En tegelijkertijd hebt u ook uw gave verloren, en uw verstand werd verduisterd” (Leer en Verbonden 10:1–2). De termen zijn veelzeggend voor de geestelijke inspanning die het vertalen vroeg.

 

De steen als symbool van de ziener – Petrus is Kefas, of de zienersteen

De steen – of het duo stenen – is dan ook het symbool van de ziener – hij die het goddelijke kan zien en de boodschap van God overdragen. Joseph Smith, in de geïnspireerde vertaling van de Bijbel, verduidelijkte het vers met de roeping van Petrus als volgt:

“Deze [Andreas] vond als eerste zijn eigen broer Simon en zei tegen hem: Wij hebben de Messias gevonden, wat vertaald wordt als de Christus. En hij leidde hem tot Jezus. En toen Jezus hem aankeek zei hij: U bent Simon, de zoon van Jona; u zult Kefas  genoemd worden, wat, in vertaling betekent, een ziener of een steen” (Johannes 1:42–43, JS vertaling).

In de gewone Bijbelversie staat enkel: “u zult Kefas  genoemd worden, wat vertaald wordt met Petrus”. Kefas is Aramees voor rots of steen. De Griekse naam Πέτρος (Petros) is de mannelijke vorm van het vrouwelijke πέτρα (petra) dat eveneens rots betekent. Maar door meteen duidelijk als “een ziener of een steen” te vertalen, vermeed Joseph Smith de omweg van het Grieks. Dat komt overeen met het mormoons inzicht dat “de rots” (of steen), waarop Christus zijn  kerk zal bouwen, de rots van openbaring is (Mattheüs 16:18).

 

Was een steen nodig bij het vertalen of ontvangen van openbaring?

Een steen was niet nodig want ook rechtstreekse openbaring kon de nodige kennis, en de vertaling van teksten, overbrengen. Maar goddelijke voorwerpen hebben een symbolische waarde. Ze materialiseren op figuurlijke wijze het kanaal waarlangs de mens met God contact zoekt. Dat was duidelijk de functie van de Urim en Tummim op de borstplaat die Aaron droeg. Het gaf de gebruiker, en ook wie er getuige van mocht zijn, het gevoel dat God via het visuele, tastbare medium concreter en nabijer aanwezig was.

Daarmee is ook gezegd dat de kracht niet in de steen zelf ligt, maar in het geloof dat de steen een middel is voor geestelijke concentratie in het zoeken naar en ontvangen van Gods stem. Het verklaart ook dat Joseph Smith het niet nodig achtte de Urim en Tummim te blijven gebruiken – blijkbaar een wat onhandig werktuig – maar ook op een andere “zienersteen” kon terugvallen. Een artikel in de Liahona van oktober 2015 beschrijft dat proces.[15] Het beschrijft ook hoe, in het geval van Joseph Smith, de ervaring met geestelijke communicatie dermate kon groeien dat het medium niet meer nodig was. De beeldvorming voor het ontvangen van openbaring is dus voor een stuk ook cultuurgebonden. In vroegere tijden werd het makkelijker in een magisch of divinatorisch kader aangevoeld – denk aan de Bijbelse beelden van Gods stem uit een brandend braambos of in een storm  – terwijl het later tot zijn essentie vereenvoudigd werd – de stille en zachte stem. Zo begrijpen we thans hoe de hoogste algemene autoriteiten “zieners” kunnen zijn.

 

6 – Lichtekooien – Een verwerpelijke vertaling

En het geschiedde dat hij zijn hart op zijn rijkdommen zette en zijn tijd doorbracht met uitspattingen samen met zijn vrouwen en bijvrouwen; en zo brachten ook zijn priesters hun tijd door met lichtekooien. (Mosiah 11:14)

De vroegere Nederlandstalige edities van het Boek van Mormon vertaalden het Engelse harlots steeds door hoeren. De wijziging in lichtekooien in de huidige vertaling is zowel om taalkundige, humane als doctrinale redenen verwerpelijk.

Het woord lichtekooi, dat vanaf de vijftiende eeuw in het Nederlands voorkomt, is samengesteld uit licht in de betekenis van lichtzinnig, losbandig, en kooi, obscene benaming voor vrouwelijk geslachtsdeel of achterste. Het verwijst naar een vrouw “die licht haar kooi openstelt”.[16] Voor licht is ook de verklaring “het achterste makkelijk (op)lichten” aangegeven.[17] De term werd in kluchten en schuine liedjes gebruikt, met tal van woordspelingen om de “vogel” in de kooi te vangen. Ook nu wordt lichtekooi overwegend spottend of minachtend gebruikt voor een frivole vrouw die vrijwillig naar seks zoekt.

Hoer heeft een veel oudere oorsprong, teruggaand op een Indo-Europees woord voor minnen, liefhebben (proto-Germaans *horaz). Van de oorspronkelijke betekenis minnares of minnaar evolueerde de betekenis naar overspelige man of vrouw, en zo naar publieke vrouw of prostituee. Naar gelang van de context en de toon krijgt het woord uiteenlopende waarden, van neutraal in historische en analytische teksten, tot veroordelend en beledigend in grof taalgebruik. Hoer, net zoals prostituee (dat via het Frans uit het Latijn komt), velt geen oordeel over de motieven en omstandigheden. Dat doet enkel de context.

Taalkundig is er dus een beduidend verschil tussen lichtekooi en hoer. Lichtekooi verwijst meteen naar een lichtzinnige, losbandige vrouw. Hoer is de algemene term die naar elke vorm van vrijwillige of gedwongen prostitutie verwijst. Daarmee is de humane implicatie van de woordkeuze meteen duidelijk. Lichtekooi legt de verantwoordelijkheid voor “hoererij” volledig bij de vrouw. Maar prostitutie, zo blijkt uit talrijke onderzoekingen, is voor het overgrote deel te wijten aan externe redenen waar de vrouw niet voor kiest: misbruik in de kindertijd of tijdens de jeugd, maatschappelijke ellende, afpersing, illegaliteit, mensenhandel. Het betekent niet dat er geen “lichtekooien” in het circuit verzeild raken, maar de term lichtekooien veralgemeend voor hoeren of prostituees gebruiken is uitermate vervalsend voor de toestand in prostitutie. Elke prostituee als lichtekooi definiëren is haar al bij voorbaat alle schuld geven.

In een algemener opzicht worden nog altijd vrouwen, die seksueel misbruik ondergaan, makkelijk als medeschuldig aanzien. Het is een hoog actueel probleem  – ook in de kerk.

In de oudheid, in een periode van slavinnen en rechteloosheid van de vrouw, moeten we ons geen illusies maken over het lot van “hoeren”. In Mosiah is sprake van priesters die hun tijd doorbrachten met hoeren. Wanneer Abinadi zich tot die priesters richt, maakt hij duidelijk waar de verantwoordelijkheid ligt : “Waarom pleegt gij hoererijen en verdoet gij uw kracht met hoeren, ja, en doet gij dit volk zonde begaan … ?” (Mosiah 12:29). In de huidige vertaling staat echter: “Waarom pleegt gij hoererijen en verdoet gij uw kracht met lichtekooien?” Het verschil in perceptie is evident.  Abinadi beschuldigt geen vrouwen.

Hoe die priesters tegenover vrouwen staan blijkt later wanneer zij vierentwintig “dochters van de Lamanieten” ontvoeren (Mosiah 20). Die meisjes waren samengekomen “om te zingen en te dansen en zich te vermaken”. Misschien besloten de priesters dat het dus lichtekooien waren waaraan ze zich mochten vergrijpen? Verkrachters rechtvaardigen zich meestal door de aanleiding bij de vrouw te leggen.

 

Eustache Le Sueur_Rape of Tamar_Metropolitan Museum of Art, NYGeweld op vrouwen tekent veel Bijbelse verhalen. Hier “De verkrachting van Tamar door Amnon”. Tamar was een dochter van koning David. Amnon was haar halfbroer (2 Samuel 13).
Schilderij van Eustache Le Sueur (1617–1655)

 

 

Doctrinaal aberrant is het om de grote en verfoeilijke kerk, de “moeder der hoeren”, in de huidige vertaling van het Boek van Mormon de “moeder der lichtekooien” te noemen (1 Nephi 13:34). Moeder der hoeren is een Bijbelse uitdrukking uit Openbaring 17:5. Het Griekse woord πόρνη, meestal vertaald door hoer, heeft sinds de oudheid ook de betekenis van afgodendienares, in direct verband gebracht met de verhalen van gedwongen rituele prostitutie in Babylon.[18] Dat verklaart precies de verwijzing naar Babylon in de verzen ervoor in de beschrijving van de vrouw op het beest: “En de vrouw was  bekleed met purper en scharlaken, en getooid met goud, edelgesteente en parels, en zij had een gouden drinkbeker in haar hand, vol van gruwelen en van onreinheid van haar hoererij. En op haar voorhoofd stond een naam geschreven:  Geheimenis, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde”. De apocalyptische retoriek van Johannes stelt de idolatrie en gruwelen in Babylon, metaforisch voor het rijk van Satan, tegenover de aanbidding van de ware God. De symboliek van de vrouw in Openbaring heeft niets te maken met “lichtekooien”. Zo’n woordkeuze ridiculiseert het visioen in Openbaring en blameert vrouwen voor het kwaad.[19]

Een vertaling die de vrouw per definitie verantwoordelijk stelt voor het seksueel wangedrag van mannen is dus onaannemelijk.

Mogelijk wilde de vertaler een “zachter” woord dan hoer, zonder na te denken over de taalkundige, humane en doctrinale implicaties. Dat is enigszins begrijpelijk omdat met de tijd hoer, althans in sommige contexten, een brutale bijklank heeft gekregen. In feite is lexicale verzachting ook de reden waarom het Engelse whore (in de Bijbelvertaling van Wyclif van 1382, en van dezelfde oorsprong als het Nederlandse hoer) in volgende Engelse Bijbelversies harlot werd. Harlot werd toen als een zachter woord aangevoeld (harlot komt uit het Oudfrans arlot, betekende oorspronkelijk vagebond, maar werd een eufemisme voor hoer). Maar in het Nederlands, bij ontstentenis van een dergelijk oud en gevestigd eufemistisch woord, kunnen we niet zomaar een onverantwoorde en discriminerende vervanging doorvoeren. Dat hadden de vertalers, of de correctoren, moeten aanvoelen.

 

7 – Weetjes bij bepaalde verzen

Mosiah 7:1 – Het land Lehi-Nephi 

Tot nu toe was enkel sprake van het land Nephi, waar Nephi zich gevestigd had en zijn tempel gebouwd (2 Nephi 5:8–16). Wanneer Ammon, bijna vierhonderd jaar later, de regio betreedt, spreekt hij van Lehi-Nephi. Sommige analisten menen dat het om hetzelfde land gaat en dat “Lehi” een latere toevoeging is, mogelijk om het land te onderscheiden van een ander, later genoemd land met de naam Nephi. “Lehi-Nephi” zou dan duidelijk gemaakt hebben dat het om het land, gesticht door de zoon van Lehi, gaat. Anderen menen dat het om een uitbreiding van het oorspronkelijk land Nephi gaat. Nog anderen vestigen de aandacht op de “verbetering” in de tekst: “het land Lehi-Nephi, of in de stad Lehi-Nephi”. Dit komt meermaals voor in het Boek van Mormon: een aanduiding, reeds gegrift op de platen, wordt verbeterd door een toevoeging. Dan zou het niet om een land gaan, maar om een stad. Dat laatste argument houdt echter geen stand omdat er later nog herhaaldelijk sprake is van het land Lehi-Nephi.

 

Mosiah 7:29–31 – De Heer spreekt, onder meer over oostenwind 

Want zie, de Heer heeft gezegd: Ik zal mijn volk ten dage van hun overtreding niet te hulp komen, maar Ik zal hun wegen versperren, zodat zij niet voorspoedig zijn; en hun daden zullen zijn als een struikelblok op hun pad. En voorts zegt Hij: Als mijn volk vuilheid zaait, zal het het kaf ervan in de wervelwind oogsten; en de uitwerking ervan is vergif. En voorts zegt Hij: Als mijn volk vuilheid zaait, zal het de oostenwind oogsten, die onmiddellijke vernietiging brengt.

Deze verzen, uit de toespraak van Limhi tot zijn volk, zijn belangwekkend. Er zitten Bijbelse echo’s in, maar de tekst komt niet uit het ons bekende Oude Testament. Het gaat evenwel om een directe citatie uit openbaringen van de Heer. Dit betekent dat Zeniff en zijn groep, bij hun vertrek uit Zarahemla, kopieën van Schriftuurlijke teksten meedroegen,  vermoedelijk op perkament of andere makkelijke dragers. Die waren dan van de koperen platen overgeschreven, en vermoedelijk komt Limhi’s citatie van profeten zoals Zenos of Zenock. De vertrouwdheid met de Schriften zal ook blijken uit Abinadi’s aanhalingen uit Jesaja (Mosiah 14). Het is ook mogelijk dat Zeniff en zijn volk nog teksten verkregen van overblijvende Nephieten in het land Nephi. Lang niet allen waren weggetrokken met Mosiah – maar enkel “allen die naar de stem des Heren wilden luisteren” (Omni 12).

De verwijzing naar de oostenwind als vernietigende kracht is van oud-Palestijnse oorsprong, wat dan kan overeenstemmen met een tekst van Zenos of Zenock. De “verzengende oostenwind” (Jona 4:8; Ezechiël 17:10) bracht verstikkende zandstormen van de Arabische en Syrische woestijngebieden.

Als originele overname van een profetische tekst, is het ook normaal dat er een Hebraïsche herhaling– en parafrasestructuur in verborgen zit:

L17_Mos7-30

 

Mosiah 8:10 – Geelkoper en roodkoper 

En zie, zij hebben ook borstplaten meegebracht, die groot zijn, en ze zijn van geelkoper en van roodkoper, en zijn volkomen deugdelijk.

      • Roodkoper is zuiver koper, een halfedel metaal met een roodachtig bruine kleur. In het huishouden werd het vroeger vooral gebruikt voor gebruiksvoorwerpen zoals ketels en kandelaars. Bij oxidatie verkleurt het naar groen.
      • Geelkoper is een legering van koper en zink, met een gele kleur. De gebruikelijk naam is nu messing. Het is harder dan roodkoper. In huis wordt het decoratief aangewend.

De uitdrukking “volkomen deugdelijk” is de vertaling van het Engelse “perfectly sound”. Sound is hier een bijvoeglijk naamwoord, afgeleid uit het Oud-Engels gesund dat een Germaanse oorsprong heeft en wij in het Nederlands nog steeds als gezond kennen. De betekenis is “degelijk, vrij van mankementen”. Dit bijvoeglijk naamwoord sound heeft niets met het zelfstandig naamwoord a sound (geluid) te maken: dat komt van het Frans son, uit het Latijn sonus.

 

Mosiah 9:9 – Neas en sheüm

En wij begonnen de aardbodem te bebouwen, ja, met allerlei zaden, met het zaad van maïs en van tarwe en van gerst, en met neas en met sheüm en met het zaad van allerlei vruchten.

Voor de onbekende woorden neas en sheum (zonder trema in de Engelse tekst) had Joseph Smith blijkbaar geen gepast equivalent bij de vertaling naar het Engels. Gelet op de hele zin gaat het vermoedelijk om graansoorten. De Nederlandse vertaling gaat er meteen van uit dat het Engelse corn door maïs vertaald moet worden, maar de oorspronkelijk betekenis is breder, namelijk graan in het algemeen. John Sorenson meent dat sheum een verband houdt met ket Akkadische s(h)e’um, een bekende vorm van gerst in Assyrië.[20] Gelet op de vele inheemse granen en vruchten in het oude Amerika, zijn er heel wat mogelijkheden.

 

Mosiah 10:8, 10–17 – Beschrijving van Lamanieten

De vrij lange, stereotyperende beschrijving van de Lamanieten gaat niet alleen over hun bewapening en kleding, maar ook over hun motivatie om tegen de Nephieten te strijden. Typerend, volgens Zeniff, is hun eeuwenoude wrok wegens (vermeend) onrecht in een ver verleden – iets dat in onze tijden nog steeds een sterk argument voor vijandschap tussen volkeren is. Het wordt gevoed door de verkleuring van de geschiedenis zoals die aan volgende generaties wordt verteld. Opvallend is echter dat Zeniff met geen enkel woord over huidskleur spreekt. Dat argument, nog sterk aanwezig bij Nephi en Jakob, is verdwenen. Zie het onderdeel hierover in les 7.

 

Mosiah 11:13 – Ziff 

Noach heft belasting: “een vijfde deel van hun goud en van hun zilver, en een vijfde deel van hun ziff, en van hun roodkoper, en van hun geelkoper en ijzer”.

Ziff – ook hier een woord waar Joseph Smith geen Engels equivalent voor kon oproepen. Het moet een edel of halfedel metaal geweest zijn, gemeld tussen zilver en koper. Twee metaalsoorten die in het oude Amerika bekend waren, maar waarmee Joseph Smith niet vertrouwd was zijn platinum en de goudlegering tumbaga. Het Hebreeuwse woord ziff, verwant met het Akkadische zīmu, betekent glans, luister. Het zal dus allicht een blinkend metaal geweest zijn.[21]

 

Mosiah 11:15 – Wijn

En het geschiedde dat hij alom in het land wijngaarden aanlegde; en hij bouwde wijnpersen en bereidde wijn in overvloed; en zodoende werd hij een wijnzuiper, en zo ook zijn volk.

Wijn van druiven was vermoedelijk onbekend in het oude Amerika, maar alcohol van andere vruchten en gewassen was deel van de culturen die Europeanen er in de zestiende eeeuw ontdekten. De reisbeschrijvingen uit die tijd spreken van “wijngaarden” als de gebruikelijke term voor de verbouwing van agave, maïs of bananen waaruit alcohol zoals mescal, oltic of pulque gedistilleerd werd.[22] Vermoedelijk bevatte de originele tekst in het Boek van Mormon een term voor een soort alcohol die in dit geval voor ons begrip in wijn omgezet werd.

 

8 – Gestructureerd lezen

Mosiah 7             Een expeditie op zoek naar Nephieten die 80 jaar daarvoor uitweken

Eind van het Boek van Omni: melding van twee groepen Nephieten die vanuit Zarahemla terug waren gekeerd naar het land Nephi

1-5          We zijn nu in 121 v.C. (= zo’n 80 jaar later)
Vertrek van de expeditie van 16 man onder leiding van Ammon.

6-9          Vier man gaan op verkenning het land Nephi in.
Ze ontmoeten koning Limhi, zoon van Noach, zelf zoon van Zeniff, die de groep jaren daarvoor vanuit Zarahemla had terug geleid naar het land Nephi.

10-16     Verhelderend gesprek tussen Ammon en koning Limhi: zij leren van elkaar wie zij zijn en sluiten vriendschap. We vernemen dat het volk van Limhi onderworpen werd aan de Lamanieten.

17-33     Koning Limhi richt zich tot zijn volk, waarbij we meer zicht krijgen op de geschiedenis van de voorbije 80 jaar onder zijn groep:

  • Zeniff werd koning, maar onderworpen aan de Lamanieten
  • het volk heeft in ongerechtigheid geleefd
  • zij hebben een profeet gedood  (dit zal gedetailleerd verteld worden in volgende hoofdstukken)
  • door de komst van Ammon is er hoop dat we bevrijd worden.

Zie hierboven voor de herhalingsstructuur in verzen 30-31.

Mosiah 8             Meer details over ervaringen van het volk van Limhi

1-4          Einde van de toespraak van koning Limhi tot zijn volk.

5    Melding van de platen met de kroniek van zijn volk = de kroniek van Zeniff, hernomen in Mosiah, hoofdstukken 9-22.

6-12       Melding van een expeditie die Limhi had uitgestuurd: die expeditie ontdekte de overblijfselen van een ander volk (= Jaredieten) en 24 oude gouden platen, die Limhi echter niet kon lezen.

13-21     Ammon antwoordt dat koning Mosiah, een ziener, die platen zal kunnen vertalen. Gesprek over de functie van een ziener.

Mosiah 9 tot 22

De kroniek van Zeniff = logisch tussengelast op dit punt (= bestrijkt de periode van omstreeks 200  tot 120 v.C.)

Mosiah 9             Vestiging van Zeniff’s groep in Lehi-nephi

1-2          Ik, Zeniff… = hij start zelf zijn kroniek
De eerste poging van de expeditie mislukte (zie Omni 27-28)

3-10       De tweede poging slaagt via een verbond met koning Laman.

11-19     Twaalf jaar later ontaardt de toestand in oorlog.

Mosiah 10           Verdere geschiedenis tot de dood van Zeniff

1-5          Ontwikkeling van het volk, 22 jaar lang.

6-10       Nieuwe strijd met de Lamanieten.

11-18     Beschrijving van de Lamanieten en de oorsprong van de problemen: veel “politieke haat” berust op misverstanden en verkeerde informatie.

19-22     Opnieuw oorlog en overwinning.

Mosiah 11           Koning Noach en het eerste optreden van de profeet Abinadi

Opmerking: Mormon vult hier de kroniek samenvattend aan. Het kan ook een samenvatting door Limhi zelf of één van zijn medewerkers, die Mormon dan heeft overgenomen.

1-15       Een zoon van Zeniff wordt koning: Noach (omstreeks 160 v.C.)

Gedetailleerde beschrijving van zijn hoogmoedige politiek (in tegenstelling tot de levenswijze van koning Benjamin en zijn zoon koning Mosiah in Zarahemla).

16-19     Een overwinning op de Lamanieten, maar…

20-25     Het eerste optreden van de profeet Abinadi: krachtige taal. Zie hierboven voor de zorgvuldige structuur van deze verzen.

26-29     De negatieve reactie van het volk en van koning Noach.

 

Voetnoten

[1]    John Clark, “A Key for Evaluating Nephite Geographies,” Review of Books on the Book of Mormon, 1, no. 1 (1989): 20-70; Brant A. Gardner, Second Witness: Analytical and Contextual Commentary on the Book of Mormon: Volume 3a – Enos through Mosiah 10 (Salt Lake City: Kofford, 2011); F. Richard Hauck, Deciphering the Geography of the Book of Mormon: Settlements and Routes in Ancient America (Salt Lake City: Deseret Book, 1988); John L. Sorenson, An Ancient American Setting for the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book/FARMS, 1985).

[2]    Voor een overzicht, zie Matthew Roper, “Limited Geography and the Book of Mormon: Historical Antecedents and Early Interpretations,” FARMS Review 16, no. 2 (2004): 225–275.

[3]    William E. Berrett and Milton R. Hunter, A Guide to the Study of the Book of Mormon (Salt Lake City: Department of Education of the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, 1938), p. 48.

[4]    Kaart uit Janne M. Sjodahl, An Introduction to the Study of the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret News Press, 1927)

[5]    Matthew Roper (2004) geeft voorbeelden van de ideeën van kerkleiders als Parley P. Pratt, John Taylor, John E. Page en George Q. Cannon.

[6]    John L. Sorenson, “Digging into the Book of Mormon: Our Changing Understanding of Ancient America and Its Scripture,” Ensign (Part 1: September 1984; Part 2: October 1984).

[7]    Venice Priddis, The Book and the Map: New Insights into Book of Mormon Geography (Salt Lake City, Utah: Bookcraft, 1975.

[8]    Kaart getekend door Heber Comer en Karl G. Maeser. Bron: Richard Francaviglia, The Mapmakers of New Zion: A Cartographic History of Mormonism (Salt Lake City: The University of Utah Press, 2015), 163.

[9]    Een van de eersten die de noordelijke locatie voorstelde was Delbert W. Curtis, The Land of the Nephites (Orem: Delbert W. Curtis, 1988), verder ontwikkeld in zijn Christ in North America: Christ Visited the Nephites in the Land of Promise in North America (Resource Communications, 1993). Andere voorstanders van de noordelijke locatie zijn onder meer Duane R. Aston, Return to Cumorah (Sacramento, California: American River Publications, 1998); Paul Hedengren. The Land of Lehi (Provo, Utah: Bradford & Wilson, 1995); Phyllis C. Olive, The Lost Lands of the Book of Mormon (Springville, Utah: Bonneville Books, 2000); Bruce H. Porter and Rod L. Meldrum, Prophecies and Promises: The Book of Mormon and the United States of America (New York: Digital Legend, 2009).

[10]  Voor kritische besprekingen, zie John E. Clark, “Two Points of Book of Mormon Geography: A Review,” The FARMS Review 8, no. 2 (1996): 1–24; David A. Palmer, “Delbert W. Curtis, The Land of the Nephites,” The FARMS Review 2, no. 1 (1990): 67–73; Matthew Roper, “Losing the Remnant: The New Exclusivist ‘Movement’ and the Book of Mormon,” The FARMS Review 22, no. 2 (2014): 87–124. Noteer ook dat niet allen het eens zijn met het beperkt geografisch model: Earl M. Wunderli, “Critique of a Limited Geography for Book of Mormon Events,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 35, no. 3 (2002): 161–197.

[11]  Teachings of Harold B. Lee: Eleventh President of the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, ed. Clyde J. Williams (Salt Lake City: Bookcraft, 1996), 156.

[12]  B. H. Roberts (ed.) History of the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints – Period I. History of Joseph Smith, the Prophet. By himself (Salt Lake City: Deseret Book, 1951, rpt 1973), Vol. 1:71.

[13]  Dit is een suggestie van John A. Tvedtnes, The Most Correct Book: Insights from a Book of Mormon Scholar (Salt Lake City: Cornerstone, 1999), 322.

[14]  Michael Hubbard MacKay and Gerrit J. Dirkmaat, From Darkness unto Light: Joseph Smith’s Translation and Publication of the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book, 2015), 62–63.

[15]  https://www.lds.org/liahona/2015/10/joseph-the-seer?lang=nld

[16]  M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim & N. van der Sijs, Etymologisch woordenboek van het Nederlands  (Amsterdam:  AmsterdamUniversity Press, 2003-2009; online via etymologie.nl.

[17]  J. de Vries, Nederlands etymologisch woordenboek (Leiden: Brill, 1971); J. Vercoullie, Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal (Gent: Van Rysselberghe & Rombaut Uitgevers, 1925. online via etymologie.nl.

[18]  Mary Beard and John Henderson, “With This Body I Thee Worship: Sacred Prostitution in Antiquity,” Gender & History 9, no. 3 (1997): 480–503; John MacGinnis, “Herodotus’ Description of Babylon,” Bulletin of the Institute of Classical Studies 33, no. 1 (1986): 67–86; Joan Goodnick Westenholz, “Tamar, qĕdēšā, qadištu, and Sacred Prostitution in Mesopotamia,” Harvard Theological Review 82, no. 3 (1989): 245–266.

[19]  Surekha Nelavala, “’Babylon the Great Mother of Whores’ (Rev 17: 5): A Postcolonial Feminist Perspective,” The Expository Times 121, no. 2 (2009): 60–65; Marla J. Selvidge, “Powerful and Powerless Women in the Apocalypse,” Neotestamentica (1992): 157-167.

[20] John Sorenson, An Ancient American Setting for the Book of Mormon  (Salt Lake City: Deseret Book/FARMS, 1985), 186.

[21] https://onoma.lib.byu.edu/index.php/ZIFF

[22] Michael Dietler, “Alcohol: Anthropological / Archaeological Perspectives,” Annual Review of Anthropology 35 (2006): 229–249; Marlene Dobkin de Rios, Norman Alger, N. Ross Crumrine, Peter T. Furst, Robert C. Harman, Nicholas M. Hellmuth, Nicholas A. Hopkins et al., “The Influence of Psychotropic Flora and Fauna on Maya Religion, “Current Anthropology (1974): 147–164; Mari Carmen Serra and Lazcano A. Carlos, “The Drink Mescal: Its Origin and Ritual Uses,” In Pre-Columbian Foodways (New York: Springer, 2010), 137–156; Mylie K. Walton, “The Evolution and Localization of Mezcal and Tequila in Mexico,” Revista Geográfica (1977): 113–132.

Om terug te keren

1 – Migraties in het “beperkt geografisch model”
2 – Van oorlogen en vluchtelingen: Wie is wie in de migraties?
3 – Een chronologie om mee te puzzelen
4 – Wie schreef deze hoofdstukken? De tekst onthult veel.
5 – Vertalen met de Urim en Tummim of een zienersteen
6 – Lichtekooien – Een verwerpelijke vertaling
7 – Weetjes bij bepaalde verzen
8 – Gestructureerd lezen