Les 13 – Jakob 5–7

“De gelijkenis van de olijfbomen”

1 – Weetjes over de olijfboom – en kun jij enten?
2 – Het wisselend lot van het “huis Israëls” in het Boek van Mormon
3 – De gelijkenis: evidente en niet evidente beeldspraak
4 – Is de gelijkenis algemeen-symbolisch of specifiek-historisch?
5 – Is de gelijkenis botanisch en historisch geloofwaardig?
6 – Voor dans- en muziekliefhebbers: Jakob 5 in choreografie
7 – Sherem: meer dan een fait-divers
8 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.
Deze pagina als pdf   PDF

1 – Weetjes over de olijfboom – en kun jij enten?

Vincent Van Gogh_Landschap met olijfbomen_L“Landschap met olijfbomen” van Vincent Van Gogh (1853-1890)
Olijfbomen waren een geliefd thema voor de impressionisten.

Al sinds de oudheid is de olijfboom verbreid in landen rond de Middellandse Zee. Ook de Bijbel vermeldt hem geregeld. De boom is makkelijk te vermenigvuldigen door te stekken: een takje schuin afsnijden van een bestaande boom en elders in de grond steken.

De wilde olijfboom (Olea oleaster) is een laagblijvende boom met doornige takken en brede bladeren. De vruchten ervan zijn klein en bitter. De gecultiveerde of tamme olijfboom (Olea europeae, met tientallen variëteiten) is een boom die tot 10 meter hoog wordt en gegeerd is om zijn vrucht. Hij kan honderden jaren oud worden. Een groot deel van de gelijkenis gaat over de relatie tussen tamme en wilde olijfbomen en over enten.

graftHet enten of griffelen is het laten inwerken van een takje (de ent) van één boom op een andere boom. Eerst wordt een takje van de eerste boom schuin afgesneden zodat het een punt van 2 à 5 cm heeft (A). In de andere boom wordt een opening gemaakt waar de ent in past (B, C). In de meeste gevallen wordt het bovendeel van de stam dan afgezaagd zodat enkel de geënte tak de nieuwe boom zal kenmerken (D, E). Er bestaan verschillende technieken om de ent op de andere boom vast te maken. Hier een korte video over enten.

Enten heeft vooral als bedoeling de kwaliteit en de productie te verhogen. Geënt op een minderwaardige boom, maar die sterke wortels heeft of ziekte-resistent is, kan de ent van een goede boom erop uitgroeien met behoud van zijn eigen kenmerken. Zo rendeert de minderwaardige boom opnieuw. Hij zal ook sneller vruchten dragen dan wanneer men start bij een zaadje.

 

2 – Het wisselend lot van het “huis Israëls” in het Boek van Mormon

Alvorens de gelijkenis zelf te verkennen, bekijken we even een groter geheel.

Voor Lehi, Nephi en Jakob is het “huis Israëls” een intens thema. De uitdrukking komt 67 keer voor in 1 en 2 Nephi en in Jakob. Aanhoudend herinneren zij hun kleine volk, de afgebroken tak, aan hun afkomst. Dan volgt een spectaculaire breuk: na Jakob komt de uitdrukking geen enkele keer meer voor, noch in het vervolg van de kleine platen, noch in Mosiah, Helaman en Alma. Het toont hoe de eerste Nephitische leiders nog ten volle bewust waren van hun plaats als afgebroken tak van Israël en hoe zij het uiteindelijk doel – hun heropname in het huis – in hevige heimwee verwoorden. Maar na hen verzwond blijkbaar de gewoonte om aan die afkomst en aan dat perspectief nog aandacht te schenken. De kleine platen, die de retoriek over Israël bevatten, waren ook maar in handen van één geslachtslijn. Wanneer Amaleki, de laatste telg van die geslachtslijn, de kleine platen aan koning Benjamin overdraagt, zijn we al omstreeks 130 v.C. Gedurende die paar honderd jaar is in het openbare leven “het huis Israëls” al lang vervaagd en zijn de nadrukken op thema’s verschoven, precies zoals dat ook in onze kerkgeschiedenis sinds 1830 is gebeurd en nog gebeurt volgens de inzichten en behoeften van elke periode. Het illustreert een natuurlijk proces (en dus ook de authenticiteit van het Boek van Mormon). Koning Benjamin neemt wel kennis van de inhoud van de kleine platen, en deelt die kennis ook met zijn zonen (Mosiah 1:2–3), maar zijn beroemde afscheidstoespraak bevat geen enkele verwijzing naar Israël. Hij spreekt over het evangelie met een deels nieuwe woordenschat – de natuurlijke mens, de vleselijke staat, het zoenbloed, de kinderen van Christus… (Mosiah 2–4). Alleen Ammon zou omstreeks 90 v.C. nog een mooie poëtische toespeling op de oude erfenis maken wanneer hij het volk beschrijft als “een tak van de boom van Israël, dat in een vreemd land van zijn stam verloren is geraakt” (Alma 26:36).

Lucien Pissarro_Les Oliviers du Cabanon_L“De olijfbomen van de Cabanon”
van Lucien Pissarro (1863-1944)

Pas na meer dan vijfhonderd jaar sinds de tijd van Nephi en Jakob komt de uitdrukking “huis Israëls” terug, wanneer de Heiland de Nephieten bezoekt. Zijn stem brengt de beloften van weleer uitdrukkelijk in herinnering – “gij die afstammelingen van Jakob zijt, ja, gij die van het huis Israëls zijt…” (3 Nephi 10:4). In de rest van 3 Nephi weerklinkt het doordringende “huis Israëls” opnieuw intens – 35 keer. Ook Mormon en Moroni zullen de uitdrukking blijven gebruiken, en daarmee wordt het Boek van Mormon afgesloten op het thema van zijn aanvang, duizend jaar ervoor: “Ontwaak en verhef u uit het stof, o Jeruzalem … opdat de verbonden van de eeuwige Vader, die Hij met u, o huis Israëls, heeft gesloten, zullen worden vervuld” (Moroni 10:31).

Jakob is gevormd door Lehi en Nephi. Hij is opgegroeid in de sfeer van het “huis Israëls”. Zijn citeren van de gelijkenis van de olijfbomen kadert dus naadloos in hun collectief bewustzijn van afkomst en toekomst. Jakob schrijft ook in de lijn van Nephi door beroep te doen op een oudere profeet: dat versterkt de band met het verleden en zet hun kleine volk op de kaart van de geschiedenis. Ook de structuur van benadering is identiek: na het citeren van de profeet volgt een hoofdstuk van verklaring en van opwekking. Maar de keuze voor een oudere profeet is anders bij Nephi en bij Jakob. Nephi koos voor de majestatische Jesaja, met passages die bulken van historische namen en plaatsen, in een chaotische weelde van zowel poëtische als gruwelijke beelden. Jakob kiest voor Zenos die ons simpelweg in een wijngaard laat wandelen. Ook al is Zenos’ gelijkenis lang (77 verzen), dezelfde woorden en handelingen komen steeds terug: bomen, wortels, takken, vruchten, spitten, snoeien, voeden, enten, verzorgen.

Zowel Zenos als Jesaja horen tot een oudere generatie profeten voor wie het concept van het huis Israëls diep tot hun beleving hoorde. Wie was Zenos? De gebruikelijke uitleg beperkt zich tot de melding dat Zenos een profeet in het oude Israël was, waarvan de profetieën en geschriften verloren zijn gegaan voor de Bijbel, maar genoteerd stonden op de koperen platen die Lehi en Nephi in hun bezit hadden. Tot Jakob hem uitgebreid citeerde, was hij nog maar sporadisch vermeld. Volgens Nephi had Zenos geprofeteerd over de komst van Christus, over zijn dood, en over de drie dagen duisternis tot de opstanding, als teken aan hen die “de eilanden der zee zouden bewonen, en meer in het bijzonder aan hen die van het huis Israëls zijn” (1 Nephi 19:10). Zenos beschikte dus over een ruim toekomstzicht waarin hij ook de verspreiding van het huis Israëls in andere delen van de wereld voorzag. Dat blijkt ook uit de gelijkenis van de olijfbomen.

 

3 – De gelijkenis: evidente en niet evidente beeldspraak

Henri Matisse_Olijfbomen_L“Olijfbomen” van Henri Matisse (1869–1954)

Ook het volgende is bedoeld als inleiding op de meer gedetailleerde interpretaties van de gelijkenis. Getallen tussen haakjes verwijzen naar verzen in Jakob 5.

Aan de oppervlakte lijkt de gelijkenis vrij eenvoudig. Het huis van Israël wordt vergeleken met een olijfboom. De wijngaard is de wereld. Delen van het huis Israëls raken verstrooid over de wereld, voorgesteld als takken van de boom die elders worden geplant of die in wilde olijfbomen worden geënt. De wilde olijfbomen verbeelden andere volken die op die manier ook delen in het huis Israëls. Uiteindelijk, door de zorg van de heer en zijn knechten – spitten, snoeien, bemesten, verzorgen – kunnen alle olijfbomen goede vruchten dragen. Dan komt het einde der tijden. Takken die dan geen goede vruchten dragen zullen worden verbrand.

Deze passage in 1 Nephi werpt ook een verduidelijkend licht op de kern van de gelijkenis:

En nadat het huis Israëls was verstrooid, zou het wederom worden bijeen vergaderd; of kortom, nadat de andere volken de volheid van het evangelie hadden ontvangen, zouden de natuurlijke takken van de olijfboom, ofwel de overblijfselen van het huis Israëls, erop worden geënt, ofwel tot de kennis komen aangaande de ware Messias, hun Heer en hun Verlosser. (1 Nephi 10:14)

Als we wat dichter kijken zijn een aantal symbolen evident, andere echter niet.

Evidente symbolen

  • De wijngaard is de wereld (Jakob 6:3).
  • De tamme olijfboom wordt expliciet geïdentificeerd als het “huis Israëls”, maar dat begrip zelf dekt verschillende ladingen (zie verder). Noteer dat bij de aanvang sprake is van één tamme boom, met “natuurlijke” takken, maar naar het einde toe van meerdere “natuurlijke bomen” en van een “moederboom” (55-56).
  • De wilde olijfbomen zijn bijgevolg hen die niet tot het huis Israëls horen, “Gentiles” in het Engels, vroeger vertaald door “niet-Joden”, nu eerder als “andere volken”.
  • Het spitten, snoeien, bemesten, voeden, verzorgen verbeeldt de zorg van God voor zijn kinderen, maar aan elk van die woorden kun je meer precieze interpretaties koppelen. Zo kan spitten wijzen op het inwerken op de omstandigheden waarin een mens opgroeit; snoeien kan wijzen op pijn en beproevingen; bemesten en voeden op geestelijke ontwikkeling; verzorgen op dienstbetoon.
  • Het verdorren van de takken wijst op verlies van geloof en toewijding.

Minder evidente symbolen

  • De heer van de wijngaard: is het God de Vader of Christus? Een aantal analisten opteren voor Christus en zien de knecht dan als zinnebeeld voor de helper op aarde, een profeet of een priesterschapsdrager, of elk kerklid in het algemeen. Andere analisten opteren voor God de Vader en zien de knecht als Christus die namens de Vader en in zijn opdracht voor de wijngaard zorgt. Beide standpunten vinden ondersteuning in bepaalde verzen en door verwijzing naar andere Schriftteksten. Verderop bespreken we dit ook nog.
  • De knecht: is hij Christus, of een specifieke profeet, of zinnebeeld voor alle profeten, of voor allen die door God tot taken geroepen worden?
  • De wortel(s): de wortel is de basis van de boom, maar de gelijkenis geeft er geen verklaring voor. Sommige analisten zien de wortel als “het verbond” tussen God en Abraham. Maar de tekst is ambigu. Het ene moment is de wortel niet belangrijk: “… het doet er niet toe als de wortel van deze [tamme] boom afsterft, als ik de vrucht ervan maar voor mijzelf behoud” (vers 8). Maar enkele verzen verder blijkt dat het “snoeien en spitten” één doel heeft, namelijk om “de wortels ervan te kunnen behouden” (vers 11).
  • De (afgebroken) takken uit de oorspronkelijke boom: vertegenwoordigen zij specifieke “stammen” van het huis Israëls, of allerhande letterlijke nakomelingen, of gelijk welke mensen die geestelijk met het Godsvolk verbonden zijn? Nephi spreekt van “overblijfselen van het huis Israëls” (1 Nephi 10:14), wat ook breed interpreteerbaar is. Ten slotte, is een tak altijd een groep of kan de tak ook een individuele mens verbeelden?
  • De takken van de wilde olijfbomen: vertegenwoordigen zij de “andere volken” of een staat van religieuze of morele afwijking, ongeacht de genetische afstamming?
  • De vruchten (goede en bittere): die kunnen zowel de uitkomst van gedrag verbeelden als de zielen van de mensen zelf. Wat bedoelt de heer met “de vruchten wegleggen voor na het seizoen”?
  • De grond: er is sprake van een “goede plek grond” (25) en van schrale en nog schralere plekken grond (21-23). Dat heeft echter geen invloed op de kwaliteit van de vrucht. Wijzen die verschillen op sociale en economische omstandigheden, waarbij goede grond een rijker kader verbeeldt en schrale grond armoede? Het blijkt dat de bomen in de schrale grond goede vruchten kunnen voortbrengen – verwijzing naar het geloof en de toewijding van mensen in armere landen? Terwijl de boom in goede grond zowel tamme als wilde vruchten voortbrengt – verwijzing naar de morele verdeeldheid die rijkdom kan teweegbrengen?

 

De betekenis van “huis Israëls”: zowel afstamming als universalisme

Het begin van de gelijkenis richt zich tot het “huis Israëls”, dat vergeleken wordt “met een tamme olijfboom, die iemand nam en in zijn wijngaard verzorgde”. Gebruikelijk is het “huis van Israël” als de nakomelingen van de twaalf zonen van Jakob of Israël te beschouwen. Maar tot het mormoons perspectief hoort ook de stelling, in de woorden van Elder Bruce R. McConkie, dat “de Israëlitische geschiedenis niet begint bij vader Jakob, die Israël is, … maar bij Abraham”.[1] Het is inderdaad met Abraham dat God zijn verbond sluit. Daardoor is het aantal afstammende volkeren veel ruimer dan enkel de nakomelingen van Israël.

Men kan echter ook, in de geest van de gelijkenis, het huis Israëls beschouwen als al diegenen die het evangelie kennen en beleven, in welke periode ook, zonder met afstamming rekening te houden. Dit noemt met de universele interpretatie. Die zit evengoed in het Boek van Mormon: “Hij verwerpt niemand die tot Hem komt, zwarte en blanke, slaaf en vrije, man en vrouw; en Hij is de heidenen indachtig; en allen zijn voor God gelijk, zowel de Joden als de andere volken” (2 Nephi 26:33). Paulus  verwoordt het als “niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël … niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend” (Romeinen 9:6-8).

Zelfs als men aan het genetische principe van verwantschap vasthoudt, dan nog is de vermenging van de mensen sinds de oertijd zo uitgebreid dat allen tot dezelfde wereldfamilie horen. In die zin bleven ook Nephieten en Lamanieten geen endogame volken, maar assimileerden ze zich mettertijd met autochtone bevolkingen (zie dit onderdeel in les 12).

Na 1978 (opheffing van de priesterschapsbeperking) begon de kerk de universele interpretatie te benadrukken, door in algemene conferenties minder over afstamming en huis Israëls te spreken en meer over de universele mensheid. De leer van “uitverkorenheid wegens afstamming” had immers in de negentiende eeuw tot racisme geleid, niet alleen bij mormonen, maar in protestantse kringen in het algemeen.[2] Bij de mormonen kwam er na 1850 ook nog de leer van groepenverdeling in het voorbestaan bij, die stelde dat de meest getrouwe geesteskinderen in Israëlitische geslachtslijnen geboren werden en de anderen in mindere categorieën met minder privileges. Door nu de universele interpretatie voorop te schuiven wil de kerk elke schijn van verwijzing naar die aberrante meningen vermijden. Joseph Smith had die meningen nooit verkondigd. Hij onderwees zowel afstamming van Israël (in positieve zin) als universalisme en kon ze dynamisch verzoenen.

Binnen de universele interpretatie wordt Zenos’ gelijkenis ook makkelijker uit te leggen: takken die goede vruchten dragen zijn trouwe gelovigen, takken met bittere vruchten verwijzen naar afwijkingen, verdorde takken betreffen mensen zonder God of gebod, takken die verplaatst en op andere bomen geënt verbeelden interacties tussen mensen en wederzijdse beïnvloeding, soms ten goede, soms ten kwade, zoals de smaak van de vruchten aan die takken uitwijst. In dat algemeen perspectief is God bezorgd om alle mensen en daarom laat hij door zijn knechten spitten en snoeien en enten om overal in de wijngaard zo goed mogelijke resultaten te boeken.

Claude Monet_Bos van olijfbomen_LBos van olijfbomen van Claude Monet (1840–1926)

De diversiteit van takken en vruchten en de interactie door het “enten” kan men ook zien als de vele facties en tendensen die al binnen het oudste jodendom bestonden en verder ook het christendom van bij zijn aanvang kenmerkten. De wijngaard met zijn verschillende bomen en zijn hoger en lager gelegen gedeelten verbeeldt daarom mogelijk veel meer dan een simplistische zwart-wit verdeling over de eeuwen.

We gaan er misschien ook te makkelijk van uit dat voor Nephi of Jakob het bloedverwantschap de overwegende visie was, maar eigenlijk is daar weinig Schriftuurlijke ondersteuning voor. Geen enkele zin van Nephi of Jakob verwijst naar bloed als kenmerk voor lidmaatschap in het huis Israëls. Voor hen is het aanvaarden en beleven van het evangelie de voortdurend benadrukte maatstaf om door de verzoening van Christus bij het verbondsvolk te horen. In 1 Nephi 15:12–16 verduidelijkt Nephi dat hun groep een natuurlijke tak van de huis-Israëls-olijfboom is. Hun nageslacht zal daarna eeuwenlang in ongeloof vervallen, maar daardoor verliezen ze ook hun Israëlitische identiteit. “Vele geslachten” na de komst van de Heiland zal “dan de volheid van het evangelie van de Messias tot de andere volken komen, en van de andere volken tot het overblijfsel van ons nageslacht” (13). Dat overblijfsel zal dan beseffen dat zij oorspronkelijk hoorden tot het huis Israëls en tot het verbondsvolk des Heren (14). “Men zal hen wederom gedenken onder het huis Israëls; zij zullen, een natuurlijke tak van de olijfboom zijnde, op de ware olijfboom worden geënt” (16). Ook hier lijkt de “ware olijfboom” niet naar de genetische afstamming te verwijzen, maar naar de geestelijke instelling: waar het ware evangelie heerst, daar is de ware olijfboom.

 

De gelijkenis in een breder Bijbels kader van bomen als symbolen

Bomen horen tot de basissymboliek van de Schriften. Het begint al in de hof van Eden met de boom van de kennis van goed en kwaad en de boom des levens. In de droom van Lehi is het bereiken van de boom, symbool van Gods liefde en van eeuwig leven, het doel van de mens. Uit “de boom van Jesse” zal Christus voortkomen. God vergelijkt Israël met een boom of een plant: “U zult uw volk brengen en planten op de berg die Uw eigendom is” (Exodus 15:17); “Ik heb aan Mijn volk, aan Israël, een plaats toegewezen en het daar geplant” (2 Samuel 7:10); “Een bladerrijke olijfboom, met welgevormde vruchten, had de Heer u als naam gegeven” (Jeremia 11:16). Christus gebruikt de boom herhaaldelijk in zijn onderricht: de boom en de vruchten, de verdorde vijgenboom, de uitspruitende vijgenboom, het mosterdzaadje dat tot een boom uitgroeit (Mattheüs 3:10; 7:14-19; 13:31-32; 21:17-19: 24:31-32). En Christus lijdt in Gethsemane, aan de voet van de Olijfberg.

Paul_Gauguin_Christus op de Olijfberg_1889_L“Christus op de Olijfberg” van Paul Gauguin (1848–1903)

 

Het allegorisch gebruik van de tamme en wilde olijfboom vinden we terug in de brief van Paulus aan de Romeinen. Daar is de vergelijking vrij eenvoudig: de tamme olijfboom stelt de joden voor, de wilde olijfboom de “heidenen”. Als joden Christus verwerpen, is het alsof takken afgerukt zijn. In de plaats daarvan worden takken van de wilde olijfboom geënt. Maar ook voor de joden blijft er hoop: “ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten” (Romeinen 11:17–23).

Een vergelijkbare dialoog tussen de eigenaar van een wijngaard en zijn dienstknecht vinden we in Lukas:

En Hij sprak deze gelijkenis: Iemand had een vijgenboom, die in zijn wijngaard geplant was. En hij kwam om daaraan vrucht te zoeken, maar vond die niet. Toen zei hij tegen de wijngaardenier: Zie, ik kom nu al drie jaar vrucht zoeken aan deze vijgenboom en vind die niet. Hak hem om. Waarom beslaat hij de aarde nutteloos? En hij antwoordde en zei tegen hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar staan, totdat ik om hem heen gegraven en hem bemest heb. Wellicht dat hij dan vrucht draagt. Maar zo niet, dan moet u hem alsnog omhakken. (Lukas 13:6-9)

De gelijkenis gaat niet verder, maar is voldoende voor het doel: blijf werken om mensen tot bekering te brengen en mogelijk zullen zij ooit vruchten dragen.

 

4 – Is de gelijkenis algemeen-symbolisch of specifiek-historisch?

Die vraag houdt analisten al vele jaren bezig. De algemeen-symbolische interpretatie erkent dat er in de gelijkenis een tijdslijn zit, vanaf het begin van het huis Israëls tot de eindtijd, maar tracht niet tussenliggende fasen aan historische gebeurtenissen te koppelen. De specifiek-historische interpretatie daarentegen zoekt die relaties te bepalen: elk beweging in de wijngaard weerspiegelt profetisch een komende gebeurtenis.

De algemeen-symbolische interpretatie

Deze interpretatie focust op de principes van de symbolen. De gewone uitleg is dat de wijngaard de wereld verbeeldt, de tamme olijfboom het huis van Israël en de wilde olijfbomen de andere volken. Christus is de heer van de wijngaard. Het verdorren van de boom is verlies van geloof. Het afbreken van de takken verbeeldt verstrooiing van het huis van Israël doorheen de wereld, terwijl het enten de interactie van de ene groep op de andere verbeeldt. Het snoeien en verzorgen duidt op bekeringswerk. Het verbranden verwijst naar het laatste oordeel. Daarmee is de essentie aangeduid. Symbolisten vinden dit voldoende en zijn van mening dat je niet elk onderdeel van de lange gelijkenis historisch kan situeren. We weten immers niet wat Zenos vanuit zijn ervaring en perspectief voor ogen had. Terugblikken met onze huidige kennis van de geschiedenis kan inderdaad tot “Hineininterpretierung” leiden.

Daniel Belnap, BYU docent in Oude Schriftuur, kiest resoluut voor de algemeen-symbolische verklaring en vraagt bijzondere aandacht voor de interactie tussen de heer en de knecht.[3] Hij verdeelt de gelijkenis in drie tijden, vrij evenwichtig gespreid over het hoofdstuk:

  • De plannen om de wijngaard te verzorgen en de stappen om dit te bereiken (verzen 3–28)
  • De klaagrede van de heer over de slechte toestand van de wijngaard (verzen 29–50)
  • Het herstel van de wijngaard en de vestiging van Zion (verzen 51–77).

Belnap laat in het midden of de heer van de wijngaard God de Vader dan wel Christus is. In de mormoonse visie op het Oude Testament zijn beide goddelijke personen actief en voor beiden geldt de titel “Heer”. De voorsterfelijke Christus is Jehova, maar hij treedt op in opdracht en in de naam van de Vader. Vanuit de tempeldienst zijn mormonen met die visie vertrouwd. De heer van de wijngaard is God die zich om het welzijn van de mens bekommert. Of het de Vader is, of de Zoon die namens hem optreedt, heeft verder geen belang en is ook in het Oude Testament niet altijd eenduidig.

Wie is dan de knecht? Een nauwkeurig lezen van de tekst, in het bijzonder de dialogen tussen de heer en de knecht, toont dat de knecht een intense leerschool doormaakt en steeds meer verantwoordelijkheid in het verzorgen van de wijngaard krijgt. Wie doet wat op welk moment? Wie zegt wat op welk moment? De heer blijkt precies te weten hoe hij de knecht moet vormen voor zijn taak. Zo blijkt dat de heer beslissingen neemt en zich dan weer bedenkt, dat hij het éne moment een uitspraak doet, die hij even later herroept. Maar het doel is de knecht te laten reageren en mee te laten nadenken. Als men op die gegevens let, kan de knecht moeilijk Christus zelf zijn. De knecht is de lerende mens in dienst van God. Belnap verwijst naar Jesaja 49, die ook voor Nephi en Jakob vertrouwd is: “Gij zijt mijn knecht, o Israël, in wie Ik zal worden verheerlijkt” (1 Nephi 1:21). In het enkelvoud is deze “knecht Israël” zowel de individuele mens tot wie God spreekt als het collectief van het Godsvolk. In het meervoud zijn de dienstknechten al diegenen die zich voor de zaligheid van de mens en de vestiging van Zion inzetten (Leer en Verbonden 86; 94:44–46).

Pierre Auguste Renoir_Tuin met olijfbomen“Tuin met olijfbomen” van Pierre-Auguste Renoir (1841–1919)

Ook Catherine Thomas, BYU professor van Oude Schriftuur, vindt dat we meer inzicht uit de gelijkenis halen als we ons focussen op de interactie tussen God en mens, zoals die uit de gesprekken en de werkzaam­heden in de wijngaard blijkt: “Het mysterie dat Jakob toelicht is dat God niet veraf is, maar vol van genade, waarbij hij zich onophoudelijk inzet voor elk van zijn kinderen, een antwoord verwacht, een relatie wil ingaan. Het is in de beelden van het snoeien, het enten en het spitten dat de heer in het bijzonder de functie van de verzoening openbaart.”[4]

Een belangrijk argument in het voordeel van de algemeen-symbolische interpretatie is dat Jakob zelf, in het hoofdstuk volgend op de gelijkenis, geen uitleg begint over de historische verwerkelijking van de fasen in de wijngaard. Zoiets deed Nephi wel uitgebreid en erg precies, drie hoofdstukken lang, na zijn aanhaling van Jesaja (2 Nephi 28–30). Jakob, die nochtans ook aankondigt “te zullen profeteren”, stapt meteen over naar “de dag waarop hij zijn hand voor de tweede maal wederom uitstrekt om zijn volk terug te winnen … ja, de laatste maal” (Jakob 6:1–2). Voor Jakob zijn alle bewegingen in de wijngaard deel van één, de eerste, fase. De tweede, en meteen de laatste, is de tijd van de grote vergadering gevolgd door het einde. De enige boodschap van Jakob is een oproep tot bekering met de essentie van de gelijkenis: “… wilt gij, na de gehele dag door het goede woord Gods te zijn gevoed, slechte vruchten voortbrengen, zodat gij moet worden omgehakt en in het vuur geworpen?” (Jakob 6:7).

 

De specifiek-historische interpretatie: wat gebeurt waar en wanneer?

Andere analisten zijn overtuigd dat de verschillende momenten en handelingen, die de gelijkenis opsomt, naar specifieke historische periodes en gebeurtenissen verwijzen. Andere profetieën in het Boek van Mormon verwijzen immers ook naar specifieke gebeurtenissen, periodes en locaties, zoals bij Nephi, die de fasen van de Nephitische geschiedenis, de geboorte, doop en kruisdood van Jezus, de ontdekking van Amerika, en de roeping van Joseph Smith aangeeft (1 Nephi 12–14). In die traditie lijkt het aannemelijk dat Zenos in eenzelfde wereldperspectief spreekt en historische fasen oproept. De enige periodes die we echter met zekerheid kunnen identificeren zijn die van het einde – het millennium en het laatste oordeel – en daarvan kennen we de toekomende datums niet. Voor de aanvang en de tussenliggende fasen kan men periodes en gebeurtenissen voorstellen, sommige vrij geloofwaardig, maar die sluiten geen alternatieven uit.

De specifiek-historische interpretatie van Zenos’ gelijkenis werd populair in de tweede helft van de negentiende eeuw, met speculaties over de verspreiding van de tien stammen en het ontstaan van het Zionisme dat de terugkeer van de Joden naar Palestina inluidde.[5] Men wilde, als versterking voor het geloof, ook de verwerkelijking van de profetieën zien. In de twintigste eeuw liep die tendens in sommige kringen verder, soms nogal speculatief en politiek-geladen. Ook ernstige analisten menen in de fasen van de gelijkenis historische periodes en gebeurtenissen te onderkennen.

Zo stelt Paul Hoskisson, BYU professor van Oude Schriftuur, de volgende verdeling voor.[6]

  Periode Verzen in Jakob 5 – Verduidelijkingen
1 1900–1200 v.C. Stichting en veroudering van het huis Israëls

(3) Begin van het huis van Israël als tamme olijfboom. “… en hij groeide en werd oud” (= de lange periode van Jakob (Israël) tot de tijd van de koningen.)

Zie hier chronologie.

2 1200–600 v.C. Verstrooiing van het huis Israëls

(4-14) De olijfboom “begint te vergaan”, de heer laat hem verzorgen (=door profeten als Mozes en Jesaja), maar de kruin en de grootste takken verdorren (=wangedrag van koningen en bevolking, uiteenvallen in twee koninkrijken). Daarom laat hij die takken verbranden (=Noorden eerst verwoest, dan Juda in het Zuiden).

(8) Toch zijn er ook jonge en tere takken (=groepen gehoorzame Israëlieten), die de heer elders in wilde olijfbomen laat enten (= verspreiding van kleine takken van het huis Israëls, verstrooiing van delen van de stammen over de wereld, ook via Lehi en de zijnen op het westelijk halfrond).

(9) Takken van een wilde olijfboom worden geënt in de tamme boom (=niet-Israëlieten, zoals Assyriërs en Babyloniërs vermengen zich met nakomelingen van Israël door bezetting van het land of door het wegvoeren van Israëlieten naar hun land; niet-Israëlieten worden deel van het Verbondsvolk).

3 eerste eeuw van onze tijdrekening De dag van de heiligen van de eerste dagen

(15-18) Na “een lange tijd” bezoekt de heer de wijngaard: de geënte wilde takken dragen vrucht op de tamme boom (=niet-Israëlieten in Palestina en omgeving worden bekeerd in de vroegchristelijke kerk).

(19-24) Ook de wilde olijfbomen, geënt met takken uit de tamme boom, in het lager gedeelte van de wijngaard, dragen vrucht (=niet verklaard door Hoskisson)

(25-28) De laatste boom staat op goede grond (uit vers 43 leiden we af dat dit op Amerika betrekking heeft). Deze heeft deels goede en deels wilde vruchten voortgebracht (=verdeling van Nephieten en Lamanieten).

4 100–1820 n.C. De Grote Afval

(29-49) Opnieuw na “een lange tijd” bezoekt de heer de wijngaard. De toestand is overal slecht (=algemene afval na de dood van de apostelen). De tamme olijfboom, met de geënte takken van de wilde, draagt allerlei slechte vruchten en evenzeer de wilde olijfbomen, met hun geënte takken van de tamme boom. Vers 44 suggereert dat de Jaredieten plaats hadden geruimd voor Nephieten en Lamanieten.

5 start in 1820 De vergadering van Israël

(50-74) Takken van de wilde olijfbomen worden geënt op de tamme olijfboom, en omgekeerd; de wortels ervan “leven nog steeds” en kunnen alle bomen “opnieuw goede vruchten kunnen voortbrengen’ (= een groot werk van opleving onder alle volken begint, namelijk herstel en verzameling van Israël in zijn breedste betekenis. “Vele knechten” (= zendelingen) voor de “laatste maal”.

6 niet bepaald Het duizendjarig rijk

(75-76)  “…voor een lange tijd zal ik voor mijzelf de vruchten van mijn wijngaard wegleggen voor na het seizoen dat spoedig komt” (=millennium)

7 niet bepaald Het einde van de wereld

(77) “wanneer de tijd komt dat er opnieuw slechte vruchten in mijn wijngaard komen, dan zal ik de goede en de slechte laten inzamelen …” (=laatste oordeel)

Men kan opmerken dat periode 4, de Grote Afval, als één afgelijnde, duistere periode voorgesteld wordt, begonnen na de dood van de apostelen tot het moment van het eerste visioen in 1820. Deze visie was bij momenten populair onder mormonen, en is het soms nog. Maar ze komt niet overeen met de genuanceerde visie van Joseph Smith en vele andere kerkleiders (zie Studie over de grote en gruwelijke kerk onder Analyses).

Monte Nyman, eveneens BYU professor van Oude Schriftuur, had enkele jaren voor Hoskisson een nagenoeg identieke verdeling voorgesteld, maar met deze verschillen:[7]

  • De eerste periode loopt van de aanvang tot en met de periode van de Bijbelse profeten, wat Nyman dateert als van 1800 tot 400 v.C.
  • Voor de vierde periode, die hij gewoon  “afval” noemt, stelt Nyman geen aanvangsdatum voor: hij is dus minder categorisch in het identificeren van de “Grote Afval”.

 

5 – Is de gelijkenis botanisch en historisch geloofwaardig?

  • Botanisch: kloppen de gegevens in de gelijkenis met de technieken van olijfbouw?
  • Historisch: werkte men al op die manier zo’n duizend jaar voor Christus?

Botanisch

Olijftak en bes_SDe gelijkenis bevat tal van stappen in de olijfbouw. Jakob citeert wel Zenos, maar de cultuur van olijfbomen was geen deel van zijn wereld. Niet alleen is er geen sprake van olijfbomen in de Nephitische landbouw, maar er is ook geen aanduiding dat enten werd toegepast (wel zaaien). De olijfboom werd pas in de achttiende eeuw in Amerika geïntroduceerd en weinig regio’s hebben er het geschikte klimaat voor. We mogen er dus van uitgaan dat de hele gelijkenis op Zenos’ ervaring in Palestina is gebaseerd. Is zijn beschrijving botanisch geloofwaardig? Ja, nagenoeg volledig, op één punt na. Wilford Hess besteedde er een studie aan.[8]

Correct zijn volgende gegevens en die worden overvloedig doorheen de gelijkenis vermeld:

  • Een olijfgaard heeft behoefte aan voeding en dus bemesting (verzen 3, 4, 5, 11, 20, 22, 23, 25, 27, 28, 31, 34, 47, 58, 63, 64, 71, 75, 76).
  • Een olijfgaard kan vergaan (verzen 3-4), onder meer door schimmels en infecties.
  • Snoeien is goed voor de boom en de vruchten: meer licht bereikt de bloesems en de vruchten; door de vermindering van het aantal takken kan er meer vocht naar de overblijvende gaan (verzen 4, 5,11, 27).
  • Snoeien, spitten en verzorgen doet jonge takken uitschieten omdat wortels meer produceren dan de overblijvende takken nodig hebben (verzen 4, 6).
  • Takken van de ene boom kunnen op een andere geënt worden (verzen 8, 9, 10, 17, 18, 30, 34, 52, 54, 55, 56, 57, 60, 63, 64, 65, 67, 68).
  • Takken kunnen als stekken voor nieuwe bomen zorgen (verzen 23, 24, 25, 43).
  • Als de “takken de overhand hebben gekregen op zijn wortels” ontstaan een probleem want de grootte van de wortels moet in evenwicht met het bladvolume staan (verzen 37, 48, 65, 66).
  • Vruchten kunnen wild (slecht) of gecultiveerd (goed) zijn (verzen 17, 18, 20, 25, 26, 27, 30, 32, 33, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 42, 45, 46, 52, 54, 60, 61, 65, 77).
  • De grond kan goed of schraal zijn, maar bemesting zal altijd helpen (verzen 21–23, 25, 43).
  • Het verwijderen van takken kan de wortels doen afsterven; enten van nieuwe takken kan echter de wortels stimuleren (verzen 8, 18, 34, 36, 54, 60, 65, 66).

Het bovenstaand lijstje wijst op een gedegen kennis van olijfbouw. Wat klopt er dan niet? Takken van de wilde boom in een goede boom enten en daar goede vruchten zien op verschijnen kan genetisch niet (verzen 9, 18). De beweging verbeeldt echter precies het wonder: ook wie niet tot het huis Israëls behoort kan erin opgenomen worden en goede vruchten voortbrengen. Paulus gebruikt precies dezelfde vergelijking in het enten van wilde takken op de goede boom (Romeinen 11:17).

 

Historisch

Daar kunnen we kort over zijn. De technieken die Zenos beschrijft zijn millennia oud en werden al door Sumeriërs en Hittieten toegepast. Het zou ons te ver leiden dat hier uit de doeken te doen, vandaar enkel een verwijzing naar de studie van John Gee en Daniel Peterson.[9]

 

6 – Voor dans- en muziekliefhebbers: Jakob 5 in choreografie

De gelijkenis van de olijfbomen is een uiterst visueel gebeuren, waarbij elke geestelijke handeling wordt omgezet in concrete bewegingen – groeien, snoeien, spitten, bemesten, enten, uitschieten, verdorren, verwijderen, verbranden – toegepast op de natuur ­– wortels, stammen, takken, vruchten. De mormoonse choreografe Laurie Behunin zag er het liturgisch danspotentieel van in en produ­ceerde in 1993 de moderne artistieke dans “Jacob Five: A journey into the olive vineyard”, een 40-minuten durende produc­tie in 8 taferelen. Op muziek van Gabriel Fauré’s Requiem en Andrew Lloyd Webber’s Requiem, met op gepaste momenten verklarende sleutelverzen uit Jakob 5.

Alvin Ailey's_Revelations_foto Paul KolnikVergelijkbare scène uit Alvon Ailey’s “Revelations”(Foto Paul Kolnik)

Ik kon geen video-weergave van de productie bemachtigen, maar een korte beschrijving van de taferelen zal ook al tot de verbeelding spreken en, voor de liefhebbers van hedendaagse dans, Zenos’ gelijkenis op een andere manier tot leven brengen. Wie eerst wat op dreef wil komen, beveel ik dit excerpt uit Béjart’s dansgroep aan (3 min) in de uitbeelding van Beethoven’s Negende – sommige onderdelen passen goed bij de beschrijving van de choreografie voor Jakob 5. De requiems van Fauré en van Webber vind je makkelijk op YouTube of via een ander kanaal. Laat je artistieke verbeelding de vrije loop…

Scène 1 – Op de grond liggen drie dansparen (man-vrouw) die de zaailingen van bomen verbeelden, en dus de mens in zijn beginstadium. Zij ontwaken tot leven en groei. Andere dansers komen erbij en vormen takken. Uiteindelijk vloeien ze allen samen tot één boom. De heer van de wijngaard komt op en verkent de wijngaard. De knecht (danseres) treedt bij en danst met hem in duet terwijl ze verschillende verzen uit Jakob over spitten, snoeien en voeden verbeelden.

Scène 2 – Drie dansers beelden het verval van takken uit. Elke danser heeft ook een solo waarin hij of zij hoogmoed kan uitdrukken maar ook hoe gebrek aan ondersteuning van anderen tot de dood kan leiden. De heer en de knecht betreden opnieuw het podium. Zij drukken hun verdriet uit bij het zien van het verval. Dan gaat de muziek over op Webber’s Pie Jesu (beluister het hier met het Mormoons Tabernakel Koor) en verbeeldt het danspaar de verzoening van Christus. Twee dansers aanvaarden het offer en worden door de knecht terug tot de boom geleid. Een derde doet dat niet.

Scène 3 – Een groep dansers verbeeldt het beleven van gerechtigheid, dansen naar de heer en de knecht toe om hen de vruchten ervan aan te bieden. Aparte solo’s en duetten drukken eerst de diversiteit in de wijngaard uit, maar vloeien daarna in één beweging samen terwijl ze zich symbolisch enten op een gezamenlijke boom in de vorm van een menora.

Scène 4 – De knecht en aantal dansers verbeelden het gedeelte in de gelijkenis waar bomen op de schrale grond moeten groeien en toch goede vruchten voortbrengen. De knecht leidt de bewegingen die de anderen als voorbeeld volgen.

Scène 5 – Een danser verbeeldt een van de wild geworden takken die terug in de olijfboom is geënt. De heer en de knecht dansen in duet en drukken uit hoe zij die éne tak opnieuw goede vruchten willen doen voortbrengen. Maar de tak verwerpt de hulp en kiest voor verdorring.

Scène 6 – De heer en de knecht starten met een duet dat het finaal snoeien van de wijngaard aankondigt. Andere dansers worden nu als medeknechten opgeroepen om ijverig in de wijngaard te werken – te spitten en te snoeien.

Scène 7 – Een wervelende kringbeweging verbeeldt hoe het werk in de wijngaard voor het aaneensmeden van verbanden tussen gezinnen en vrienden zorgt. Midden in de kring dansen de heer en de knecht een duet dat uiteindelijk alle takken van de bomen betrekt.

Scène 8 – De finale wordt een exuberante uiting van vreugde – aerobisch zeer veeleisend voor de dansers – “zie, daarom zult gij samen met mij vreugde hebben wegens de vruchten van mijn wijngaard” (75).

 

7 – Sherem: meer dan een fait-divers

We weten niet wanneer Jakob dit hoofdstuk 7 toevoegde, maar het zal eerder naar het einde van zijn leven geweest zijn. Hij had zijn boek eigenlijk al afgesloten in hoofdstuk 6, met een passend slotwoord en afscheid. Het incident met Sherem gaf de gelegenheid voor een toevoeging. Hoofdstuk 7 is wel definitief: het bevat Jakob’s melding dat hij “oud begon te worden” en de platen overdroeg aan zijn zoon Enos (vers 26). Vanuit een hypothese dat Jakob tegen de tachtig was, zitten we hier omstreeks 520 v.C.

Het verhaal op zich lijkt simpel: een man bestrijdt wat Jakob leert over Christus omdat het afwijkt van de wet van Mozes; hij wordt daarom door de kracht Gods neergeslagen en bekent zijn dwaling alvorens te sterven. Het klinkt zelfs choquerend dat iemand daar zo voor gestraft wordt. Maar in de tekst valt meer te ontdekken, wat een en ander nuanceert.

 

Wie was Sherem?

“Er verscheen een man onder het volk van Nephi…” We zitten meteen met een vertaalnuance. Het Engels zegt “There came a man among the people of Nephi”. Belangrijk? Ja, want op het werkwoord came zijn theorieën gebouwd dat Sherem van elders kwam, en dus met de vraag vanwaar in deze periode. De Nederlandse vorm “verscheen” verzwakt die beweging. Als Sherem van buitenaf kwam, was hij wèl vertrouwd met de wet van Mozes aangezien hij op dat thema Jakob aanvalt. Hoe is dat te verklaren voor een buitenstaander? Hij was ook “onderlegd, waardoor hij een volmaakte kennis had van de taal van het volk” (vers 4). Kwam die taalbeheersing door zijn natuurlijk opgroeien binnen het volk of vermeldt Jakob de zin precies omdat de onderlegde Sherem zich de taal heel goed eigen had gemaakt om van buitenaf te komen prediken?

Welke mogelijke afkomst is er voorgesteld? Hugh Nibley suggereert een Jarediet, deel van de bevolking waarover het boek Ether spreekt.[10] Dit is niet onmogelijk, maar het veronderstelt dat Sherem samen met andere Jaredieten al vroeger de wet van Mozes zouden overgenomen hebben, en dan vermoedelijk van Nephieten. Er is echter geen aanduiding van contact tussen beide groepen op dit punt in de tijd. Een ander voorstel is dat Sherem mogelijk uit een verderop gelegen nederzetting van Nephieten kwam, maar die niet meteen tot “het volk van Nephi” gerekend werd. Als je “volk van Nephi” beperkt tot nakomelingen van Nephi, dan kan Sherem een Jozefiet, een Samiet of een Zoramiet geweest zijn (Jakob 1:13–14). Keith Thompson, van de Notre Dame universiteit in Sidney, opteert voor een Zoramiet.[11] Analist Keven Christensen suggereert een Mulekiet, lid van de Israëlitische groep die na Lehi Jeruzalem verliet, en dit wegens Sherem’s onderlegdheid en theologische argumentatie.[12] Maar dan zou het contact tussen Nephieten en Mulekieten al vermeld geweest zijn, terwijl de verslagen dat pas enkele eeuwen later signaleren (Omni 1:19).

Sherem kan ook een Lamaniet geweest zijn. Jakob had vroeger al aangegeven dat hij vertrouwd was met de familiale levenswijze van de Lamanieten, en hen ervoor geprezen, wat op contacten wijst (Jakob 3:5–7). De religieuze gewoonten van Lamanieten kenden zeker nog correcte of misvormde praktijken vanuit de wet van Mozes. Nog explicieter is de melding, in dit hoofdstuk 7, “dat er vele manieren werden bedacht om de Lamanieten te herwinnen en tot de kennis der waarheid terug te brengen”(vers 24), dus er was bekeringswerk in het voordeel van de wet van Mozes. Bekeerlingen vertonen vaak neigingen tot fundamentalisme, dus Sherem zou best een overijverige Lamaniet kunnen zijn. We moeten daarbij afstappen van zwart-wit voorstellingen (en dus van mormoonse schilderijen over Lamanieten) die Nephieten en Lamanieten scherp scheiden: zeker in deze periode stonden de bevolkingsgroepen nog dicht bij elkaar.

Antropoloog John Sorenson opteert voor een inheemse inwoner, dus deel van de oorspronkelijke bevolking.[13] Hij interpreteert het werkwoord came als het komen van iemand buiten de Nephitisch-Lamanitische kring,  en dus als een mogelijk bewijs van assimilatie van inheemse bevolkingsgroepen (zie hier voor nadere bespreking). Sherem kan als kind in een van die gemengde groepen zijn opgegroeid. Wat pleit voor de thesis van een inheems individu is de ongebruikelijke naam “Sherem”.[14]

Andere analisten neigen naar Sherem als een gewone Nephiet. Zij denken dat “came among the people” niet noodzakelijk wijst op een “komen van buitenaf”.  Zo beschouwt Gary Sturgess de man als een “conservatief lid van de gemeenschap”, dus een volbloed Nephiet, die de wet van Mozes niet wenst verstoord te zien door de leer van Christus.[15]

 

De context en de feiten

Wat is de religieuze context van het optreden van Sherem? Zoals Nephi, predikt Jakob Christus tot zijn volk. Maar het is niet duidelijk in welke mate het volk Christus aanvaardt en al “christelijk” denkt. Zeker is dat ze de wet van Mozes blijven onderhouden, althans qua vorm. Uit de teksten van Nephi en Jakob blijkt dat zij veel moeite hebben om Christus bovenop de wet van Mozes te introduceren. De laatste toespraak van Nephi was er een voor een hardleers of een perplex gehoor om hen van Christus te overtuigen. Ook in zijn laatste toespraak moet Jakob al zijn overtuigingskracht gebruiken om Christus ingang te doen vinden tegen sommige bedenkingen in: “En nu, geliefden, verwondert u niet dat ik u deze dingen zeg; want waarom zouden wij niet spreken over de verzoening van Christus en evengoed tot een volmaakte kennis van Hem geraken als tot de kennis van een opstanding en de toekomende wereld?” (Jakob 4:12)

In zijn argumentatie tegen Jakob verwoordt Sherem dus waarschijnlijk bedenkingen die ook bij anderen leven:

En gij hebt velen van dit volk misleid, waardoor zij de rechte weg van God verdraaien en de wet van Mozes, die de rechte weg is, niet bewaren; en zij veranderen de wet van Mozes in de aanbidding van een wezen dat, volgens u, over vele honderden jaren zal komen. En nu, zie, ik, Sherem, zeg u dat dat godslastering is; want geen mens weet van zulke dingen; want hij kan niets zeggen over toekomstige dingen (Jakob 7:7)

Op het eerste gezicht doet Sherem niets verkeerds. Onder het volk van Nephi gold blijkbaar vrije meningsuiting. Zijn standpunt klinkt niet onredelijk voor een stevig debat. Maar Sherem heeft een funest doel in zijn prediking tot het volk – “de leer van Christus teniet te doen” (vers 2) en mensen “te doen wankelen in het geloof” (vers 5). Dit is het type mens dat niet alleen geen respect voor het geloof van anderen heeft, maar er ook een genoegen in schept mensen in hun geloof te ondergraven. Door zijn behendigheid met de taal kan hij “veel vleierij en veel overredingskracht toepassen, volgens de macht van de duivel” (vers 4). We kennen deze figuren: onder het mom van “neutrale” redenering zorgen zij doelbewust voor subtiele en minder subtiele afbraak van andermans geloof. Dat is iets anders dan eerlijke vragen stellen of een meningsverschil uitdrukken. Sherem wordt gedreven door een duivels verlangen gelovigen kapot te maken.

Naar aanleiding van dat oneerlijke optreden van Sherem, merkt Matthew Bowman op dat wij onvoldoende nuanceren als we het over onenigheid (“dissent”) hebben. De kerk staat mensen toe verschillende meningen te hebben en zaken in vraag te stellen, maar trekt een grens wanneer het doel ervan anderen wil ondergraven. Helaas interpreteren sommige leiders andere meningen of invraagstellingen al te snel als opstandigheid of afvalligheid.[16]

Wat moeten we denken van “de straf” die Sherem treft? We lezen dat hij, op het hoogtepunt van een discussie, “ter aarde viel” (vers 15). Jakob vertelt “dat de kracht des Heren op hem kwam”. Dat is best mogelijk, maar het kan ook een gelovige interpretatie van Jakob zijn, zoals we dat wel meer in onze religieuze retoriek doen. Kreeg Sherem een hartinfarct? Jakob voegt eraan toe dat Sherem “vele dagen lang werd verzorgd” – wat inderdaad op een medische toestand wijst. In ieder geval begrijpt Sherem, die zijn einde voelt naderen, het dramatisch voorval als het bewijs van zijn dwaling. Jakob, ook wel logisch, grijpt de bekentenis en het effect ervan op het volk dankbaar aan.

 

Broeders, adieu.

Wat een merkwaardige finale woorden in Jakob 7:27. Dat hij zich alleen tot de broeders wendt hebben we hier uitgelegd. Maar “adieu” tekent al wat we over Jakob hebben geleerd. Het woord komt nergens anders voor in het Boek van Mormon. Het is een teder en meestal definitief afscheidswoord – van het Franse “à Dieu”, tot bij God, tot we elkaar weerzien bij God. Het woord hoort al sinds de veertiende eeuw tot de Engelse woordenschat, en is etymologisch nog veel ouder, in het Latijn ad Deum, in het proto-Indo-Europees *a deiwos, wat men in honderden talen terugvindt (bv. in het oud-Grieks a-Zeus). We weten niet hoe het woord in het Boek van Mormon luidde, maar de geïnspireerde vertaling leverde wel adieu op, ongetwijfeld de precieze weergave ervan. Zo verlaat Jakob ons, met zijn unieke stem en dus met een uniek woord.

 

8 – Gestructureerd lezen

Jakob 5 – Aanhaling van Zenos’ gelijkenis van de olijfbomen

Zie de algemene bespreking in voorgaande delen. Een structuur van het hoofdstuk vind je hierboven bij de specifiek-historische interpretatie.

Door de vrij letterlijke vertaling van het Boek van Mormon, zitten in de tekst vaak Hebreeuwse stijlfiguren (hebraïsmen). Ik heb die in vorige lessen besproken:
– Chiasme, contrast en herhalingsparafrase: zie hier.
– Opsomming: zie hier.
– Voorzetsel-uitdrukkingen: zie hier.

Zoals ik in de vorige les besprak, werkte Jakob zelf niet met Hebreeuwse stijlfiguren. Het lag blijkbaar niet in zijn aard om daar aandacht aan te schenken, of hij miste er de opleiding voor. Maar in Jakob 5 citeert hij letterlijk de profeet Zenos, die net zoals Jesaja, vanuit een Hebreeuwse literaire traditie schrijft. Niet verwonderlijk dus dat er in deze tekst Hebreeuwse stijlfiguren zitten. Ik vermeld er enkele hieronder.

Lees elk lijn met een korte adempauze, in het ritme waarvoor ze zo geschreven werden. Als je lesgeeft met computer en projectie kun je op een kader klikken om het aan een kleine groep vergroot te tonen of voor een grotere groep te projecteren.

L13_Jakob5-4

L13_Jakob5-46

L13_Jakob5-61

 

Jakob 6 – Commentaar op de gelijkenis en “afsluiting” van de tekst

1-2                Inleiding: profetie als toepassing op de gelijkenis van Zenos.

3-4                Ontroerde uitroepen over de toekomst van twee soorten mensen.

5-12             Een hele reeks smekende vragen om ons op te wekken tot bekering.

13                  Vaarwel! = bedoeld als vermoedelijk einde van de platen (vergelijk met de twee laatste verzen van 2 Nephi): Jakob voorzag blijkbaar niet dat hij nog iets zou toevoegen.

 

Jakob 7       Episode met Sherem – Overdracht van de kleine platen aan Enos.

Zie ook de beschrijving hierboven.

1                    Duidelijke, niet voorziene her-opname van het schrijven, “na enige jaren”

2-4                Beschrijving van het optreden en de persoonlijkheid van Sherem.

5                    De houding van Jakob: de profeet kan “niet aan het wankelen worden gebracht”

6-7                Argumenten van Sherem.

8-12             Argumenten van Jakob.

13-21           De uitdaging van Sherem, de reactie en het gevolg.

22-25           Een blik op de algemene geschiedenis van Nephieten en Lamanieten.

26-27           Persoonlijke en poëtische slotverzen. Overdracht van de platen aan zijn zoon Enos.

 

 

Voetnoten

[1]    Bruce R. McConkie, A New Witness for the Articles of Faith (Salt Lake City: Deseret Book, 1985), 503.

[2]    Tussen de vele studies hierover vermeld ik Arnold H. Green, “Gathering and Election: Israelite Descent and Universalism in Mormon Discourse,” Journal of Mormon History 25, no. 1 (1999): 195–228; en drie publicaties van socioloog Armand L. Mauss, All Abraham’s Children: Changing Mormon Conceptions of Race and Lineage (Urbana: University of Illinois Press), 2003; “In search of Ephraim: Traditional Mormon Conceptions of Lineage and Race,” Journal of Mormon History 25, no. 1 (1999): 131–173; “Mormonism’s Worldwide Aspirations and Its Changing Conceptions of Race and Lineage,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 34, no. 3–4 (2001): 103–133.

[3]    Daniel Belnap, “‘Ye Shall Have Joy with Me’:The Olive Tree, the Lord, and His Servants,” The Religious Educator 7, no 1 (2006): 35–51.

[4]    Catherine Thomas, “Jacob’s Allegory: The Mystery of Christ’, in The Allegory of the Olive Tree: The Olive, the Bible, and Jacob 5, ed. Stephen D. Ricks and John W. Welch (Salt Lake City: FARMS, 1996), 11–22.

[5]    Grant Underwood, “Jacob 5 in the Nineteenth Century,” in The Allegory of the Olive Tree: The Olive, the Bible, and Jacob 5, ed. Stephen D. Ricks and John W. Welch (Salt Lake City: FARMS, 1996), 50–69.

[6]    Paul Y. Hoskisson, “Explicating the Mystery of the Rejected Foundation Stone: The Allegory of the Olive Tree,” Brigham Young University Studies 30, no. 3 (1990): 77–87; Paul Y. Hoskisson, “The Allegory of the Olive Tree in Jacob,” in The Allegory of the Olive Tree: The Olive, the Bible, and Jacob 5, ed. Stephen D. Ricks and John W. Welch (Salt Lake City: FARMS, 1996), 70–104. Zie ook Dennis L. Largey, ed., Book of Mormon Reference Companion (Salt Lake City: Deseret Book, 2003); Book of Mormon 121 Student Manual (Salt Lake City: The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, 1981).

[7]    Monte S. Nyman, An Ensign to All People: The Sacred Message and Mission of the Book of Mormon (Salt Lake City: Deseret Book, 1987), 23–36.

[8]    Wilford M. Hess, “Botanical Comparisons in the Allegory of the Olive Tree,” in The Book of Mormon: Jacob through Words of Mormon, To Learn with Joy, eds. Monte S. Nyman and Charles D. Tate Jr., (Provo, UT: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1990), 87–102.

[9]    John Gee and Daniel C. Peterson, “Graft and Corruption: On Olives and Olive Culture in the Pre-Modern Mediterranean,” in The Allegory of the Olive Tree: The Olive, the Bible, and Jacob 5, ed. Stephen D. Ricks and John W. Welch (Salt Lake City: FARMS, 1996), 186-247.

[10]    Hugh Nibley, Lehi in the Desert & The World of the Jaredites (Salt Lake City: Bookcraft, 1988), 243.

[11]    A. Keith Thompson, “Who was Sherem?” Interpreter: A Journal of Mormon Scripture 14 (2015): 1-15.

[12]    Kevin Christensen, “The Deuteronomist De-Christianizing of the Old Testament,” FARMS Review 16, no. 2 (2004), 86‒88.

[13] John L. Sorenson, “When Lehi’s Party Arrived in the Land, Did They Find Others There?” Journal of Book of Mormon Studies 1 (1992): 1–34.

[14]    Stephen D. Ricks suggereert dat Sherem een scheld- of spotnaam zou kunnen zijn vanuit een Oud-Arabische basis, met de betekenis “anus”. Stephen D. Ricks, “A Nickname and a Slam Dunk: Notes on the Book of Mormon Names Zeezrom and Jershon,” Interpreter: A Journal of Mormon Scripture 8 (2014), 191-194 (192).

[15]   Gary L. Sturgess, “The Book of Mosiah: Thoughts about Its Structure, Purposes, Themes, and Authorship,” Journal of Book of Mormon Studies 4, no. 2 (1995): 107–135.

[16]    Matthew Bowman, “Toward a Theology of Dissent: An Ecclesiological Interpretation,” Dialogue: A Journal of Mormon Thought 42, no. 3 (2009), 21–36 (22–23).

Om terug te keren

1 – Weetjes over de olijfboom – en kun jij enten?
2 – Het wisselend lot van het “huis Israëls” in het Boek van Mormon
3 – De gelijkenis: evidente en niet evidente beeldspraak
4 – Is de gelijkenis algemeen-symbolisch of specifiek-historisch?
5 – Is de gelijkenis botanisch en historisch geloofwaardig?
6 – Voor dans- en muziekliefhebbers: Jakob 5 in choreografie
7 – Sherem: meer dan een fait-divers
8 – Gestructureerd lezen