Les 11 – 2 Nephi 31–33

“Standvastig in Christus voorwaarts streven”

1 – Het onthullende van schrijverstoelichtingen
2 – Nephi’s toespraak: voor een hardleers of een perplex gehoor?
3 – Nephi’s afscheid: “mijn Jezus”
4 – “… die één God is” – groeien in het godsbegrip
5 – Voor taalliefhebbers: straight and strait = recht en smal
6 – Gestructureerd lezen

Lees de bestudeerde hoofdstukken hier.
Deze pagina als pdf

 

1 – Het onthullende van schrijverstoelichtingen

Rembrandt_Mattheüs en de engel_M

 

“Mattheüs en de engel” van Rembrandt (1606–1669). Rembrandt verbeeldt hier hoe Mattheüs als schrijver nadenkt. De engel is het symbool van deze evangelist.

 

Zondaglessen, met hun focus op doctrine en gehoorzaamheid, slaan al eens makkelijk de schrijverstoelichtingen over. Dat zijn de kleine passages waarin de schrijver zich identificeert, zijn doel en zijn doelpubliek verduidelijkt, de aanvang of het slot van een onderdeel aangeeft, of de overgang van het ene naar het andere verheldert. Een schrijverstoelichting onthult vaak ook de mens die schrijft. Daar blijven we dus op letten in ons zoeken naar de mens Nephi.

“Nu spreek ik, Nephi, een weinig over de woorden die ik heb geschreven, en die bij monde van Jesaja zijn gesproken … Welnu, ik schrijf voor mijn volk, voor allen die hierna de dingen die ik schrijf, zullen ontvangen …”
“En nu, mijn geliefde broeders, beëindig ik mijn woorden.”

Die zinnen begrenzen de aanvang en het slot van Nephi’s eigen profetieën, van hoofdstukken 25 tot 30 – wat het onderwerp van vorige lessen was. Die hoofdstukken, met hun overwegend oudtestamentische sfeer, vormen één geheel dat Nephi op het einde nadrukkelijk afsluit. Ze vormen een lange, doordachte tekst, die Nephi dus expliciet voor een algemeen en voor een toekomstig publiek bedoelde. Dat verklaart ook de zorg van de opbouw en de rijkdom van de parallellismen (zie het onderdeel hierover in les 10).

2 Nephi 31 en 32: een intense, mondelinge toespraak met interactie

Soms markeren schrijverstoelichtingen ook de overgang naar een ander soort tekst, op een ander moment geschreven, voor een ander publiek. Zo stelt de aanvang van hoofdstuk 31 dat het vervolg van een ander allooi zal zijn dan de profetieën die de stempel van Jesaja dragen.

En nu, mijn geliefde broeders, houd ik, Nephi, op tot u te profeteren. En ik kan slechts enkele dingen schrijven die, zoals ik weet, zeker moeten geschieden; en van de woorden van mijn broeder Jakob kan ik er eveneens slechts enkele schrijven. Welnu, de dingen die ik heb geschreven zijn mij genoeg, uitgezonderd enkele woorden die ik moet spreken over de leer van Christus; welnu, ik zal duidelijk tot u spreken, volgens de duidelijkheid van mijn profeteren …

Nephi bevestigt dus eerst dat het profeteren afgesloten is. Hij lijkt te zeggen dat hij nog woorden van zijn broeder Jakob zal schrijven – maar die belofte zal hij niet waarmaken, teken dat de tijd hem tekort zal schieten. Als onderwerp kondigt hij “de leer van Christus” aan. Met het vorige onderdeel legt hij wel een binding door zijn leidmotief: duidelijkheid.

Maar waarom nu pas, op het einde van zijn boek, dit belangrijke onderwerp? In nagenoeg alle vorige hoofdstukken heeft Nephi herhaaldelijk over de komst van Christus gesproken en over geloof in hem, maar over “de leer” eigenlijk niets. Hij heeft er zeker mondeling over gepredikt – daar verwijst hij trouwens naar in vers 4 – en hij heeft zijn broer Jakob een van zijn toespraken op de platen laten noteren, in het bijzonder over de leer van Christus (2 Nephi 9). Maar nu beseft Nephi blijkbaar dat hijzelf weinig of niets over “de leer” geschreven heeft. Hij wil dit inhalen. De tijd is echter kort. Voelt Nephi de dood naderen?

Vanaf vers 4 – ingeleid door een “welnu” dat de overgang markeert – begint dan een tekst die de stempel draagt van een intense, mondelinge toespraak tot een kleinere groep personen. Dat blijkt uit het rappel naar een vorige toespraak over het visioen van Christus’ doop – “ik wil u eraan herinneren dat ik tot u heb gesproken …” –, en uit de interactie en de gesprekstoon – “Ik veronderstel dat gij in uw hart enigszins overlegt wat gij behoort te doen …” “Weet gij niet meer dat ik u zeide … “. De tekst houdt ook geen rijke parallellismen in, wat op een spontane, onbewerkte tekst wijst.

Hoofdstuk 31 eindigt met een “Amen” dat normaal gesproken een toespraak afsluit. Hoofdstuk 32 gaat echter verder op het thema en verwijst naar wat net voorafging. Dat doet sommige analisten besluiten dat de toespraak in twee delen plaatsvond.[1]  Wat er ook van zij, met of zonder pauze, hoofdstukken 31 en 32 vormen een geheel. Hoofdstuk 32 eindigt wel abrupt, tegen de gewoonte van Nephi in. Voelde hij dat hij best nu afsloot om nog tijdig zijn ultieme boodschap aan te reiken?

2 Nephi 33:  een aangrijpende schrijverstoelichting

Hoofdstuk 33 – het laatste van Nephi – is inderdaad van een andere orde. Hier gaat hij zich opnieuw tot alle mensen richten. De aanhef is een schrijverstoelichting en keert, na de mondelinge stijl ervoor, terug naar het geschreven woord:

En nu kan ik, Nephi, niet alle dingen schrijven die onder mijn volk werden geleerd; ik ben ook niet machtig in het schrijven zoals in het spreken … Maar zie, velen zijn er die hun hart tegen de Heilige Geest verstokken, zodat die in hen geen plaats heeft; daarom verwerpen zij vele dingen die geschreven staan en achten ze als niets. Maar ik, Nephi, heb geschreven wat ik heb geschreven, en ik acht het van grote waarde, en in het bijzonder voor mijn volk.

Die laatste schrijverstoelichting verraadt veel: Nephi’s vermoeidheid, zijn frustratie over de onmacht niet méér te kunnen doen, zijn schrijversstrijd met de griffel en de platen, zijn verdriet over de minachting voor zijn teksten, maar ondanks alles ook zijn volharding en zijn hoop op een betere toekomst. Zo leidt Nephi zijn laatste woorden in . Daar lezen we verderop over.

 

2 – Nephi’s toespraak: voor een hardleers of een perplex gehoor?

Hoofdstukken 31 en 32 vormen dus de weergave van een toespraak aan een groep Nephieten. Uit hun reacties en uit die van Nephi zelf tijdens de toespraak kunnen we een en ander afleiden dat mogelijk ook voor onze sociale wisselwerking leerrijk is. Maar dan moeten we eerst even speculeren waar deze Nephieten cultureel en religieus staan. We gaan uit van een periode rond 550 v.C., zo’n vijftig jaar na het vertrek uit Jeruzalem.

Een klein aantal van deze mensen zijn ouder, van de generatie van Nephi zelf en hebben Jeruzalem nog gekend. Wie vijftig jaar of jonger is, is in de wildernis of in het nieuwe land geboren. Allen zijn ze opgegroeid in de sfeer van de wet van Mozes – met de ermee samengaande regels en gebruiken. Ze zijn min of meer vertrouwd met de gewijde geschiedenis van Adam tot Abraham, Isaac en Jakob, dan van Mozes tot de terugkeer naar Kanaän, en verder de grote mijlpalen van de Israëlitische geschiedenis tot het vertrek van Lehi uit Jeruzalem. Die verhalen horen ongetwijfeld tot hun patrimonium en worden verteld en herverteld. Dat moet hen een zekere culturele identiteit geven, gebaseerd op een boeiend en heilig verleden. Ze hebben ook een begrip van een beloofde Verlosser en van een toekomstig herstel van het huis van Israël, in de mate dat ze zich dat kunnen voorstellen. Ondertussen hebben ze zich aangepast aan een nieuwe omgeving en aangepaste regels en gebruiken ingesteld voor politiek en economisch evenwicht. Hun culturele cohesie is sterk gebonden aan gedeelde ervaringen om te overleven, aan verhalen uit het verleden, en aan het onderhouden van de wet van Mozes.

En dan introduceren hun leiders – Nephi als koning, Jakob als priester – vrij ingrijpende nieuwigheden die allemaal nog in een verre toekomst liggen, nog honderden jaren verwijderd. In zijn toespraak valt Nephi meteen met de deur in huis:

Welnu, ik wil u eraan herinneren dat ik tot u heb gesproken over die profeet, van wie de Heer mij heeft getoond dat hij het Lam Gods zal dopen, dat de zonden der wereld wegneemt. En nu, indien het voor het Lam Gods, dat heilig is, noodzakelijk is om met water te worden gedoopt teneinde alle gerechtigheid te vervullen, o hoeveel groter is dan niet voor ons, die onheilig zijn, de noodzaak om te worden gedoopt, ja, met water! En nu wil ik u vragen, mijn geliefde broeders, hoe vervulde het Lam Gods alle gerechtigheid door Zich te laten dopen met water? (2 Nephi 31:4–6)

Als wij dat in onze tijd horen, dan zien we de beelden zo voor ons, gevoed door de vele illustraties van de dopende Johannes – welke ook de specifieke vorm van de doop. Wij zijn vertrouwd met concepten als het “Lam Gods” , “het wegnemen van de zonden der wereld” en “het vervullen van alle gerechtigheid”. Maar wat konden de Nephitische toehoorders zich daarbij voorstellen, zonder te hebben gedeeld in Nephi’s visioenen? Stonden zij perplex?

 

“De doop van Jezus” van de Vlaamse schilder Joachim Patinir (1480–1524), bekend als de eerste landschapsschilder der Nederlanden. Bemerk de voorstelling van de Vader en van het teken van de Heilige Geest. Links wordt de predikende Johannes verbeeld.

Joachim Patinier_Doop van Christus-xl

 

Het onderwerp dat Nephi aansnijdt is de doop van Christus door Johannes, gevolgd door een intense oproep om in Christus’ spoor te treden. De sfeer en de woordenschat zijn nieuwtestamentisch. Het gaat niet meer om het huis van Israël en over volken in wereldperspectief, zoals bij de grootschalige profetieën in vorige hoofdstukken, maar om individuele bekering, doop door water en vuur, en vasthoudendheid op het smalle pad. We lezen hier voor het eerst dat Nephi over de doop predikt. Hij had wel, in een visioen, de doop van de Heiland gezien (1 Nephi 11:27), en ook zijn broer Jakob had over de doop gesproken (2 Nephi 9:23), maar de benadering hier is verrassend persoonlijk, zelfs impulsief naar de toehoorders toe. De intensiteit blijkt ook uit het herhaald gebruik van “mijn geliefde broeders”, tot tienmaal toe in deze toespraak. Ook opmerkelijk is de plotselinge melding van een openbaring waarbij Nephi zowel de stem van de Vader als van de Zoon heeft gehoord – een toch wel bijzondere onthulling in het kader van zijn fervent pleiten om Christus te volgen.

Hoe kunnen de luisterende Nephieten, vanuit hun Mozaïsche geloof en tradities, de inhoud van dit pleidooi plaatsen? Waarschijnlijk moeilijk. En Nephi merkt het terwijl hij spreekt: “ … ik veronderstel dat gij in uw hart enigszins overlegt wat gij behoort te doen wanneer gij langs de weg zijt binnengegaan. Maar zie, waarom overlegt gij die dingen in uw hart?” (32:1)

Allicht begrijpen de toehoorders de doop nog wel vanuit de rituele wassingen uit de wet van Mozes. Maar Nephi had ook gesproken van wat erop moet volgen, zoals met “de taal der engelen” spreken (31:14) en “u geheel verlaten op de verdiensten van Hem die machtig is om te redden” (31:19). Maar waar blijft dan de wet van Mozes, waar elk stapje duidelijk omschreven is? Of komen er nieuwe regeltjes?

Een of meerdere toehoorders laten blijken dat ze er niet veel van begrijpen, want Nephi reageert met: “Welnu, indien gij, nu ik deze woorden heb gesproken, ze niet kunt begrijpen, zal het zijn doordat gij vraagt noch klopt” (32:4). Het lijkt een dovemansgesprek. Ontmoediging ontlokt hem zelfs “En nu kan ik, Nephi, niets meer zeggen; de Geest belet mij het spreken, en ik kan alleen maar treuren om het ongeloof en de goddeloosheid en de onwetendheid en de halsstarrigheid der mensen; want zij willen niet naar kennis streven …” (32:7).

Opnieuw wordt hij gewaar dat hij zijn doel niet bereikt: “En nu, mijn geliefde broeders, bemerk ik dat gij nog steeds in uw hart overlegt; en het bedroeft mij hierover te moeten spreken3 (32:8).

En toch, in die golvende beweging van grimmigheid naar innigheid, blijft hij smeken en rondt hij af met zachte en hoopgevende raad: “Maar zie, ik zeg u dat gij altijd moet bidden en niet verslappen; dat gij niets voor de Heer moet doen zonder in de eerste plaats tot de Vader te bidden in de naam van Christus dat Hij uw handeling voor u zal heiligen, opdat uw handeling voor het welzijn van uw ziel zal zijn3 (32:9).

Waren zijn toehoorders hardleers uit verdorvenheid of stonden zij perplex bij het bizar verhaal van hun rare koning? Denkelijk speelden beide factoren mee, de ene factor al meer bij de ene dan bij de andere. Het volgende boek van Jakob zal dit bevestigen. Moreel zullen steeds meer Nephieten in goddeloosheid vervallen. De aangevoelde breuk met de Mozaïsche traditie zal Sherem een paar jaar later verwoorden in zijn aanklacht tegen Jakob’s prediking:

En gij hebt velen van dit volk misleid, waardoor zij de rechte weg van God verdraaien en de wet van Mozes, die de rechte weg is, niet bewaren; en zij veranderen de wet van Mozes in de aanbidding van een wezen dat, volgens u, over vele honderden jaren zal komen. En nu, zie, ik, Sherem, zeg u dat dat godslastering is; want geen mens weet van zulke dingen (Jakob 7:7).

Het lijkt erop dat Nephi voor zijn groep Nephitische toehoorders grotendeels faalde. Precies daarom zijn hoofdstukken 31 en 32 ook leerrijk: had hij misschien anders kunnen communiceren om zijn toehoorders te overtuigen? Besefte hij onvoldoende de afstand in geestelijke ervaringen tussen hem en zijn publiek? Waren de stappen die hij verwachtte te bruusk aangezien hij toch een heel andere visie  op godsdienstbeleving  vroeg? Was hij, uit gedrevenheid en met de dood nabij, te ongeduldig? Mogelijk kunnen we uit die bedenkingen wat leren over de doeltreffendheid van ons eigen prediken in de kerk en van ons zendingswerk.

 

3 – Nephi’s afscheid: “mijn Jezus”

Hoofdstuk 33. Veel tijd en ruimte heeft Nephi niet meer. Hij weet dat de dood nadert. Hij moet inschatten hoeveel ruimte op de platen hij nog kan gebruiken. Het schrijven op dat zachte metaal moet een intens proces geweest zijn – al die kleine tekens met een griffel inkerven.

Hierboven besprak ik reeds de schrijverstoelichting als aanhef van dit laatste hoofdstuk. Het is een veelzeggende toelichting die Nephi hier uitbrengt: frustratie dat hij “niet alle dingen kan schrijven”; frustratie over de breuk tussen spreek- en schrijfvaardigheid – “ik ben niet machtig in het schrijven zoals in het spreken”; frustratie dat het geschreven woord niet “de macht van de Heilige Geest” kan dragen zoals het gesproken woord “het hart der mensenkinderen” kan raken. Maar ook een zelfzekerheid die klinkt als een uitdagende bezegeling: “Maar ik, Nephi, heb geschreven wat ik heb geschreven.”

Zoals gebruikelijk start Nephi grimmig: “ … velen zijn er die hun hart tegen de Heilige Geest verstokken, zodat die in hen geen plaats heeft …” (vers 2). Maar tegelijk beseft hij dat zijn grimmige woorden kunnen kwetsen – “zij spreken zich scherp uit tegen zonde, volgens de duidelijkheid der waarheid; daarom zal niemand toornig zijn om de woorden die ik heb geschreven, tenzij hij de geest van de duivel heeft.” (vers 5).

Wat echter snel overweegt, sneller dan in alle vorige onderdelen, is de innigheid waarmee hij de mensen omsluit: “Want des daags bid ik onophoudelijk voor hen, en des nachts bevochtigen mijn ogen mijn kussen wegens hen; en ik roep mijn God in geloof aan, en ik weet dat Hij mijn smeekbede zal horen” (vers 3). In die smeekbede heeft hij ten volle vertrouwen (vers 4).

Vanaf vers 6 ademt de tekst op het ritme van drie maten die telkenmale sterker worden:

A Ik roem in duidelijkheid
B ik roem in waarheid
C   ik roem in mijn Jezus, want Hij heeft mijn ziel verlost uit de hel.

Met de woorden “mijn Jezus” bereikt Nephi hier zijn ultiem peil van innigheid. Waar hij Christus voorheen eerder triomfantelijk als Verlosser en overwinnaar kaderde, verinnerlijkt hij de relatie nu tot een voornaam die hij mag bezitten – mijn Jezus. Nooit zou een ander schrijver in het Boek van Mormon, noch in de Bijbel, dit zo intiem en liefdevol verwoorden. Het doet denken aan de liefde die Johannes en Jezus verbond.

 

Heinrich von Konstanz-Christus-Johannesgroep, ca. 1285_M“Jezus en Johannes” door Heinrich von Konstanz (ca. 1285). Levensgroot in notenhout, de scène bij het laatste avondmaal verbeeldend : “Een van zijn leerlingen, zijn naaste tafelgenoot, rustte aan het hart van Jezus: het was de leerling van wie Jezus hield” (Johannes 13:23).
Uniek werk in het Mayer van den Bergh Museum in Antwerpen.

 

Op het elan van die liefde, uit Nephi, in een volgend trio, zijn gevoelens voor drie groepen van mensen die de verdeling weerspiegelen uit de Jesaja-profetieën (verzen 7–9):

A Ik koester naastenliefde voor mijn volk …
B Ik koester naastenliefde voor de Jood …
C Ik koester ook naastenliefde voor de andere volken …

Dat trio wordt dan nog eens herhaald in vers 10:

A En nu, mijn geliefde broeders,
B en ook de Jood,
C    en gij, alle einden der aarde, luistert naar deze woorden …

Daartussen verweven weergalmen de aansporingen en de beloften, maar ook de waarschuwingen en dreigende veroordelingen. De hoop wint het: “En ik bid de Vader in de naam van Christus dat velen van ons, zo niet allen, op die grote en laatste dag in zijn koninkrijk behouden zullen worden” (vers 12).

De laatste verzen tonen hoe Nephi zich al mentaal verplaatst heeft naar de eindtijd, en dat zijn huidig “vaarwel”, later gehoord “als de stem van iemand die uit het stof roept”, slechts tijdelijk is – tot op “de grote dag”. En voor wie “geen deel wil hebben aan de goedheid Gods”, voor hem is het een “eeuwigdurend vaarwel”. Dat het voor sommigen tragisch kan aflopen is dan toch een laatste – grimmige – noot.

 

4 – “… die één God is” – groeien in het godsbegrip

En nu, zie, dit is de leer van Christus, en de enige en ware leer van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest, die één God is, zonder einde.

Deze passage, in 2 Nephi 31:21, is door sommige analisten aangegrepen als een storend element, alsof het Boek van Mormon een ander godsbeeld verkondigt dan wat Joseph Smith benadrukte. “Eén God” doet immers denken aan het christelijk geloof in een mysterievolle drie-eenheid, terwijl Joseph Smith de afzonderlijkheid en eigenheid van de drie personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest benadrukte. De eenvoudige verklaring is natuurlijk dat de drie afzonderlijke goddelijke personen éénstemmig handelen.

Het onderwerp beroert echter sommige critici omdat zij ernaar kijken vanuit een historische terugblik, namelijk de eeuwenoude controverses rond de drie-eenheid. Die controverses hadden het christendom al van de tweede eeuw van onze tijdrekening in twistende fracties verdeeld. Niet verwonderlijk dat sommigen dan willen ontdekken of Joseph Smith mogelijk niet eerst de één of andere fractie aanhing en later zijn visie bijstelde. Daarmee zou dan bewezen worden dat hij als profeet niet coherent noch geïnspireerd dacht.

Die critici gaan er echter van uit dat Joseph Smith al van bij de aanvang aan theologie dacht. Niets wijst daar op. In 1820 was Joseph Smith niet in gebed gegaan om de ware aard van God te ontdekken, wel om te vragen bij welke kerk hij zich zou aansluiten. In de prille periode van het mormonisme hielden Joseph Smith noch de eerste bekeerlingen zich bezig met de juiste aard van God. Zij hielden zich aan een eenvoudig, letterlijk godsbegrip, zoals dat uit het Nieuwe Testament blijkt. Voor hen waren de Vader en de Zoon afzonderlijke personen, zichtbare wezens, die als een eenheid optreden. Stefanus zag de hemelen geopend en de Zoon staande aan de rechterhand van de Vader. Zelfs als theologen diepgaander over wezen en attributen over God discussieerden, voor de doorsnee christen was deze eenvoudige visie voldoende. Vroege bekeerlingen tot het mormonisme moesten hun ideeën over God niet wijzigen. Zendelingen gingen niet in discussie over de aard van God. Wat bekeerlingen vooral overtuigde was het Boek van Mormon, de herstelling van de oorspronkelijke kerk en van het priesterschap, de roeping van een levende profeet en de vergadering van Israël met het oog op Christus’ wederkomst.

 

Cornelis Cort_Steniging van Stefanus_WL

 

 

“De steniging van Stefanus” van de Nederlandse graveerder Cornelis Cort (1533-1578), gevormd door Hieronymus Cock in Antwerpen. Gravure naar een schilderij van Marcello Venusti.

 

Pas na enkele jaren groeide onder kerkleden meer interesse om wat dieper op doctrines in te gaan, waaronder de aard van God, zoals blijkt uit de “Lectures on Faith” die in 1834 in Kirtland besproken werden.[2] Typerend voor het jonge mormonisme was een grote openheid om leringen te verkennen, alternatieven en verdiepingen te suggereren en “meer licht van de Heer” te ontvangen. Joseph Smith had immers een hekel aan gesloten dogmatische geloofsverklaringen, precies omdat hij religie als een dynamisch proces aanvoelde dat steeds meer zou openbaren en, waar nodig, vroegere ideeën zou bijstellen. Zo zou Joseph Smith gedurende zijn leven de lichamelijkheid van de Vader en de Zoon met groeiende nadruk verkondigen, en in de vroege jaren 1840 de bijzondere aard van God als verheerlijkt mens gedurfder definiëren. Maar er was geen breuklijn met vroegere stellingnames.

Terug naar Nephi en zijn verklaring over de éne God: we mogen niet vergeten dat Nephi zelf tijdens zijn leven een diepgaand groeiproces in de kennis over God doormaakte. In 600 voor Christus kwam hij uit een Mozaïsche, sterk monotheïstische cultuur, waar het concept van de éne ware God de Israëlitische leer scherp van alle anderen onderscheidde. Lehi, en vervolgens Nephi zelf, verkregen echter een verruimend zicht op de komende Messias. Door hun visioenen leerden zij te spreken van de” Zoon van God” en van het “Lam Gods” (1 Nephi 10–14). Pas later, in zijn zegen aan de kleine Jakob, toont de oude Lehi hoe zijn begrip van de “verdiensten en de barmhartigheid en de genade van de heilige Messias” verder gegroeid is (2 Nephi 2:8). Nog later leert Jakob de naam “Christus” (2 Nephi 10:3) en zet hij de grote stap naar de goddelijkheid van Christus: “Maar er is wél een God en Hij is Christus” (2 Nephi 11:7). Nephi leert de volledige naam “Jezus Christus” en bejubelt hem als “de Heilige Israëls” die aanbeden moet worden (2 Nephi 25:19–29). Het groeiproces is er dus een van fasen die telkens “meer licht” op dezelfde essentie doen schijnen. De diepe monotheïstische achtergrond moest op een bepaald moment, wanneer Christus en de Heilige Geest ook als God vermeld worden, noodzakelijkerwijs hun handelende eenheid als die van één God of Godheid bevestigen. Ook bij anderen in het Boek van Mormon zal blijken hoe het godsbegrip, vanuit retorische omschrijvingen, zoekend toeneemt. Maar dat is voor later.

Voor wie zich in het onderwerp van het godsbeeld in het mormonisme wil verdiepen – vanuit een goed geargumenteerd betoog dat dit godsbeeld fundamenteel steeds hetzelfde was –, beveel ik de studie van Bruening en Paulsen aan, online beschikbaar (in het Engels).[3]

 

5 – Voor taalliefhebbers: straight and strait = recht en smal

In 2 Nephi 31:18 lezen we “En dan zijt gij op dat enge en smalle pad dat tot het eeuwige leven voert”. De uitdrukking wordt in het volgende vers herhaald – “dat enge en smalle pad”. Dat is een juiste vertaling uit het huidige Engels “this strait and narrow path”, maar volgens BYU professor Royal Skousen, de bekendste expert van de teksten in het Boek van Mormon, moet het in het Engels “straight and narrow” zijn, en dus “recht en smal” in het Nederlands, zoals in vorige edities.[4]

Voor wie die boeit, gelegenheid om dit mooie voorbeeld van vertaalproblematiek eens te verkennen, vanaf het moment dat Joseph Smith de zin in 1829 aan Oliver Cowdery dicteerde. Maar eerst wat etymologie.

  • Het Engelse straight is van dezelfde oud-Germaanse oorsprong als het Nederlandse strak, zoals ook de verwante werkwoorden stretch (= to make straight) in het Engels en strekken (= strak maken) in het Nederlands . De betekenis van straight is dus “recht, zonder bochten”. Afleidingen zijn straighten (recht trekken) en straightways (rechtstreeks, direct), die ook in het Boek van Mormon voorkomen.
  • Het Engelse strait heeft een heel andere oorsprong, namelijk uit het Oudfrans estreit, estrait (in modern Frans étroit), dat “smal, eng” betekent. Een Engels synoniem hiervoor is narrow: als je dat gebruikt is er geen twijfel mogelijk over de betekenis.

Beide woorden worden nu hetzelfde uitgesproken (niet in de middeleeuwen, toen hoorde men de ‑g in straight nog). Toen Joseph Smith de zinnen van het Boek van Mormon dicteerde vanaf een zienersteen (zie les 10 over het vertaalproces) en Oliver Cowdery die zinnen noteerde, kwamen er vaak woorden voor die hetzelfde klonken (zogenaamde homofonen). Welke vorm geschreven moest worden bleek meestal meteen uit de context (see, sea; ate, eight; forth, fourth; meat, meet…), maar er waren ook gevallen waar verschillende woorden wel konden passen – en dat was zeker zo bij straight en strait. Een recht pad of een smal pad, beide klinken aannemelijk. In sommige contexten is recht geschikt (als tegenstelling van kromme paden), in andere smal (als tegenstelling van het brede pad dat tot verderf leidt).

De analyse van die homofone dubbelzinnigheden en spellingsfouten in de manuscripten toont daarbij goed aan dat de tekst wel degelijk gedicteerd werd, niet overgeschreven van een bestaande tekst.

Van het eerste manuscript, de zogenaamde “copy zero”, zoals direct uit de mond van Joseph Smith op papier overgenomen, bestaat nog maar een derde. De “printers copy”, het manuscript dat Oliver Cowdery helemaal overschreef voor de drukker, bestaat nog volledig. Uit analyse blijkt dat Oliver Cowdery nagenoeg steeds strait (= smal) schreef, zelfs als de betekenis duidelijk om straight (= recht) vroeg. In zijn handgeschreven “printers copy” is strait trouwens de enige vorm – 27 maal gebruikt. Maar wat deed de drukker? Die wijzigde bij het zetwerk elke strait in straight en zo verscheen alleen maar straight (recht) in de eerste editie van het Boek van Mormon, in 1830. Het is best mogelijk dat Cowdery en de drukker het hierover eens waren en één coherente schrijfwijze voor alles verkozen, zonder de etymologie te beseffen: waar nodig zou de lezer wel de betekenisnuance vatten.

Tegen het einde van de negentiende eeuw besefte men dat er wel degelijk een schrijfverschil moet zijn tussen straight en strait, volgens de bedoelde betekenis. Bij latere edities van het Boek van Mormon werd daarom een aantal keer straight terug verbeterd in strait. Vaak bepaalt de context immers of het straight (recht) of strait (eng, smal) moet zijn. Bijvoorbeeld, in 1 Nephi 21:20, “De plaats is mij te eng; maak mij ruimte dat ik kan wonen” – het Engels geeft hier nu inderdaad strait. Of in 1 Nephi 10:8, “Bereidt de weg des Heren en maakt zijn paden recht” – het Engels behoudt hier straight, al sinds de editie van 1830.

En zo komen we tot het geval in 2 Nephi 31:18. Alle Engelse edities sinds 1830 gaven hier “this straight and narrow path” – “dit rechte en smalle pad”. Zo werd het dan ook in alle vroegere Nederlandse edities van het Boek van Mormon vertaald. Het lijkt zowel taalkundig als leerstellig het meest logische. Taalkundig zou je geen dubbel woordgebruik verwachten, zoals “eng en smal”, maar eerder twee verschillende attributen – “recht en smal”. Leerstellig is de context van het hoofdstuk er één van bekering en doop, met verwijzing naar Johannes die Jezus doopt, met de bekende oproep: “Maak de weg van de Heere gereed, maak Zijn paden recht” (Mattheüs 3:3; Markus 1:4 Lukas 3:4; Johannes 1:23). Dat is bovendien een verwijzing naar Jesaja (40:3), helemaal in de lijn van Nephi’s woordenschat wanneer hij Jesaja citeert in Lehi’s visioen van de doop van Jezus: “Bereidt de weg des Heren en maakt zijn paden recht” (1 Nephi 10:8). Sinds 1830 was het dus zo geschreven en vertaald in alle edities van het Boek van Mormon.

Maar, om de een of andere niet verklaarde reden, wijzigde de Engelse editie van 1981 straight in strait,  en werd dit ook behouden in de editie van 2013. De Nederlandse vertaling volgde secuur en zo lezen we nu over “dat enge en smalle pad”. Mogelijk zal het tegen een volgende editie weer recht en smal worden.

Dergelijke taalproblemen – en zo zijn er vele honderden – moeten vertalers en schriftkenners trachten op te lossen, en dat gebeurt niet altijd eensgezind. De keuze van één woord lijkt misschien onbeduidend, maar symboliek houdt belangrijke boodschappen in. Het “rechte pad” is zo’n symbool, met bijvoorbeeld verwijzing naar Alma die ons leert dat God “niet op kromme paden kan wandelen; noch wijkt Hij af van hetgeen Hij heeft gezegd; noch wendt Hij Zich in de geringste mate naar rechts of naar links, of van hetgeen goed is naar hetgeen verkeerd is” (Alma 7:20).

Een leuke bijkomende bedenking is dat het “enge en smalle pad” in het Nederlands eigenlijk ambigu wordt: omdat we niet zoiets verwachten als “het smalle en smalle pad” (met eng in de betekenis van smal), zou eng dan hier de andere betekenis van griezelig, schrikwekkend moeten aannemen. Wie weet? Misschien beleven sommige kerkleden het evangelie als een griezelig smal pad, beheerst door de angst ernaast te stappen?

 

6 – Gestructureerd lezen

2 Nephi 31

Zie hierboven voor de inhoud als een toespraak tot een kleinere groep personen. De tekst houdt ook geen rijke parallellismen in, wat op een spontane, onbewerkte tekst wijst. Toch vallen enkele natuurlijk opgebouwde parallellismen op.

Het gaat om een “nieuwtestamentisch” hoofdstuk over de essentie van het evangelie, met alle aandacht op bekering, doop, gave van de Heilige Geest en standvastigheid.

Verzen 1-3 – Schrijverstoelichting

1                    einde van de profetieën

2-3                aankondiging van “de leer van Christus”, even duidelijk als de profetieën

Verzen 4-13Beginselen van het evangelie

4-7                het voorbeeld van Christus, gedoopt door Johannes, als getuigenis van gehoorzaamheid

L11-1_2Ne31-5

8                    de Heilige Geest in de gedaante van een duif

9-14             oproep tot bekering en navolging

L11-2_2Ne31-13

 

Verzen 15-21 – Oproep tot volharding

 15                 “een stem die van de Vader kwam”, bevestigt de woorden van de Zoon (vers 14)

16-21           het pad volgen, de poort binnengaan, standvastig voorwaarts streven

 

2 Nephi 32

Vervolg van de toespraak begonnen in hoofdstuk 31. Zie hierboven.

1-3                De toehoorders hebben moeite Nephi te begrijpen – de taal der engelen door de Heilige Geest

L11-3_2Ne32-2

4-6                Rappel van de beginselen: langs de weg binnengaan, de Heilige Geest ontvangen, de geboden nauwgezet naleven

7-8                Ontmoediging van Nephi, zowel omwille van algemeen ongeloof, als omwille van zijn toehoorders die moeite hebben zijn woorden te aanvaarden

8-9                Hernieuwde oproep tot gebed.

Noteer vers 4: “daarom wordt gij niet in het licht gebracht, maar moet gij in de duisternis verloren gaan”. Zie hier voor een bespreking van het contrast licht-donker in de context van de “donkere huid” van de Lamanieten.

 

2 Nephi 33

Zie de uitgebreide uitleg hierboven.

 

Voetnoten

[1]    Om de scheiding met “Amen” te verklaren, is Brant Gardner van mening dat de toespraak op twee verschillende dagen plaatsvond. Zie Second Witness: Analytical & Contextual Commentary on the Book of Mormon, volume two: Second Nephi through Jacob (Salt Lake City: Greg Kofford Books, 2007), comment bij 2 Nephi 31:4. Als argument geldt dat ook Jakob zijn toespraak expliciet over twee dagen verdeelde (2 Nephi 9:54). Daar ging het wel om een veel langere toespraak.

[2]    Larry E. Dahl and Charles D. Tate (eds.), The Lectures on Faith in Historical Perspective (Provo, Utah: Religious Studies Center, Brigham Young University, 1990) .

[3]    Ari D. Bruening and David L. Paulsen, “The Development of the Mormon Understanding of God: Early Mormon Modalism and Other Myths,” The FARMS Review 13, no. 2 (2013): 109–169.

[4]    Voor een bespreking van de problematiek in het Engels, met verwijzing naar de voorkomens van straight en strait in het Boek van Mormon in de verschillende edities over de jaren, zie Noel B. Reynolds and Royal Skousen, “Was the Path Nephi Saw ‘Strait and Narrow’ or ‘Straight and Narrow’?” Journal of Book of Mormon Studies 10, no. 2 (2001): 30–33, 70.

Om terug te keren:

1 – Het onthullende van schrijverstoelichtingen
2 – Nephi’s toespraak: voor een hardleers of een perplex gehoor?
3 – Nephi’s afscheid: “mijn Jezus”
4 – “… die één God is” – groeien in het godsbegrip
5 – Voor taalliefhebbers: straight and strait = recht en smal
6 – Gestructureerd lezen