Onze kerkleden in de “Groote Oorlog”

Wilfried Decoo, 1 november 2018

Op 11 november 1918 werd de Wapenstilstand gesloten die een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog. Voor de honderdste verjaardag ervan zocht ik naar “heiligen der laatste dagen” die bij ons zijn gesneuveld en ook hun getuigenis hebben nagelaten, zowel aan geallieerde als aan Duitse zijde. Het werd een lange en ontroerende zoektocht. Deze bijdrage geeft er een glimp van, ter hunner gedachtenis. Deel dit ook met onze jongeren: zij moeten de vredesboodschap van de Wapenstilstand omarmen en verder dragen.

1 In Poelkappelle ligt een mormoonse soldaat begraven
2 Zij gaven hun getuigenis en hun leven
3 Ter gedachtenis aan Duitse heiligen
4 Ter gedachtenis aan heiligen van het Britse Rijk
5 Ter gedachtenis aan Amerikaanse heiligen
6 Hulde aan Nederlandse heiligen
7 Hulde aan Belgische heiligen
8 Hulde aan Franse heiligen
9 Hulde aan de vrouwen
10 Herdenken is niet alleen herinneren

 

1 In Poelkappelle ligt een mormoonse soldaat begraven

Poelcappelle British Cemetery

In Poelkappelle ligt een mormoonse soldaat begraven. Dit dorp in West-Vlaanderen nabij Ieper huist een van de vierduizend militaire begraafplaatsen van de Eerste Wereldoorlog. Hier ligt het “Poelcappelle British Cemetery”. De eindeloze rijen witte grafstenen zijn de rustplaats voor 7480 doden waarvan er 6230 niet meer geïdentificeerd konden worden. Op de grafsteen van die onbekenden staat “A Soldier of the Great War” en “Known Unto God”.

In mei 2018 bezochten mijn dochter Ellen en ik het Poelcappelle British Cemetery. We vonden waar we naar zochten, een grafsteen met de inscriptie:

“892410 Private, G. K. Liddell, 8th BN Canadian Infantry, 10th of November 1917, Age 22”.

Een “private” is een gewone soldaat, zonder rang. BN staat voor Battalion. George K. Liddell was een van de honderdduizenden die in golven werden neergemaaid wanneer ze vanuit de loopgraven in een stormloop op de vijand werden losgelaten. Hij was lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

George Liddell werd op 29 maart 1895 in Ogden, Utah geboren. In augustus 1916 trok hij met een groep vrienden naar Canada. Hij was net 21. De Verenigde Staten waren nog niet bij de oorlog betrokken, maar Canada wel, als deel van het Britse Gemenebest. De Canadese regering voerde campagne om vrijwilligers voor het leger te vinden. Er was een acute nood aan meer soldaten om het front in België en Frankrijk te doen standhouden. George en zijn vrienden beantwoordden de oproep. Zo kwam hij in de Canadese strijdmacht terecht en vertrok hij als deel van het 8ste Canadees infanteriebataljon naar het strijdtoneel.

Hij sneuvelde een jaar later, op 10 november 1917. Dat was de laatste dag van de Derde Slag om Ieper, ook bekend als de Slag om Passendale. Die veldslag is de geschiedenis ingegaan als een van de meest zinloze en bloedigste van de Groote Oorlog. In juli 1917 was de Britse veldmaarschalk Douglas Haig vastbesloten om in Vlaanderen, in het gebied rond Ieper, door het front te breken en de Duitsers de genadeslag toe te brengen. Maar de Duitsers raakten op de hoogte van de plannen en legden zes weerstandslijnen aan met een totale diepte van tien kilometer. Drie maanden lang bestormden de geallieerden het terrein onder onophoudelijke bombardementen, mitrailleurvuur en gifgasgranaten. Elke kleine terreinwinst kostte dagelijks duizenden doden. Slagregens veranderden het gebied in een gigantische modderzee waarin tienduizenden halfvergane lijken ronddreven. Naast de Britten werden Australische en Canadese eenheden de hel ingestuurd. In totaal kostte de Derde Slag om Ieper aan beide zijden een half miljoen doden en gewonden. George Liddell hoorde bij de laatste golf die op 10 november de dood tegemoet liep.

Deze oude prentbriefkaart toont de Poelcappelle begraafplaats in de jaren 1930.

Eind november kregen George’s ouders, Alexander en Elizabeth Liddell, in Ogden, het telegram dat hun zoon gesneuveld was. Zijn lichaam was niet teruggevonden of niet geïdentificeerd. Op 2 december hield zijn thuiswijk een afscheidsdienst waarin George Liddell geëerd werd als de eerste soldaat uit Ogden die in deze oorlog voor zijn vaderland gestorven was.[1] De Verenigde Staten waren immers nu ook, sinds april 1917, in het conflict betrokken.

De identificatie van de vele tienduizenden stoffelijke resten in de uiteengereten vlaktes rond Ieper nam jaren werk. Teams van experten en vrijwilligers deden dit met de grootste zorg (en doen dit nog steeds wanneer er botten of persoonlijke voorwerpen gevonden worden). Het Flanders Fields Museum in Ieper wijdt aan dit werk een afdeling. Bij vele lichamen of lichaamsdelen was de identiteit niet meer te achterhalen. Maar in 1926 kon een team het stoffelijk overschot van George Liddell identificeren. Onderzoekers hadden in z’n jaszak een stukje van een brief gevonden. Zij slaagden erin te achterhalen wie de afzender was: George’s moeder. Zo kreeg George alsnog de grafsteen met zijn naam. Een mormoonse zendeling die in de nabije Franse zending werkte zegende zijn graf in.[2]

Menenpoort te Ieper

Van vele duizenden is de rustplaats onbekend. In Ieper, op de Menenpoort, staan de namen van 54 896 vermiste soldaten en officieren van het Britse Gemenebest. Hun stoffelijke resten rusten in een naamloos graf of liggen ergens verloren in de Ieperse velden. Nog steeds wordt elke avond, klokslag 8 uur, door klaroenblazers “the Last Post” gespeeld —opdat we niet vergeten hoe zij voor ons streden — Lest we forget …

Het is over Ieper en omgeving dat de Canadese soldaat John McCrae zijn beroemd gedicht In Flanders Fields schreef, waardoor later de “poppies” — de rode klaprozen die tussen de verse graven over de Vlaamse velden openbloeiden — symbool werden voor de herdenking van de gevallenen.

 

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.

We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved and were loved, and now we lie
In Flanders fields.

 

2 Zij gaven hun getuigenis en hun leven

Op 11 november 1918 eindigde de “Groote Oorlog”, een confrontatie die aan zo’n tien miljoen soldaten en zeven miljoen burgers het leven kostte. Het zijn onwerkelijke cijfers. Maar elk was een individuele mens. Aan elk van die doden kleeft ook het onnoemelijk leed van ouders, partner, kinderen en al wie er van dichtbij het verlies van ervoer.

Zo’n 25 000 mormoonse soldaten namen deel aan het oorlogsgebeuren.

Op het West-Europese strijdtoneel vormde een lange grillige frontlijn van 750 kilometer, van de Vlaamse kust tot aan de Frans-Zwitserse grens, de scheidingslijn tussen de legers van de geallieerden en die van het Duitse keizerrijk. Aan beide zijden zaten de legers ingegraven in loopgraven, bunkers en tunnels. Met zware offensieven trachtten beide zijden het front te doorbreken. Het werden telkens slachtingen, vier jaar lang. De eindeloze begraafplaatsen langs de frontlijn markeren de regio’s waar de zwaarste veldslagen plaatsvonden: bovenaan aan de rivier de IJzer, dan rond de Vlaamse stad Ieper, en zo naar beneden in het departement Nord-Pas-de-Calais, aan de oevers van de Somme en de Oise, in de streken Champagne en Argonne, rond de stad Verdun, waar nu de grootste begraafplaats voor 100 000 man ligt, en ten slotte in de regio Meurte-et-Moselle en de Elzas.

Ook op vele andere plaatsen in de wereld woedde de oorlog. Op het oostfront vocht Duitsland tegen Rusland. In de Balkan raakten alle kleinere landen betrokken. In Afrika woedde de oorlog tussen kolonies van de grootmachten. In het Oosten raakten het Ottomaanse rijk, Palestina, Perzië, Irak en Indië betrokken. Het Britse Rijk deed beroep op de landen in zijn invloedssfeer zodat ook Canada, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland contingenten leverden voor de strijd. Onze bijdrage kijkt vooral naar hen die dicht bij ons, in België en Frankrijk hun leven gaven.

Broeders in Christus

Soldaten die lid waren van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen namen deel aan die strijd. Ze kwamen van ver naar het front in België en Frankrijk, gehoorzaam aan de bevelen van hun regeringen. Ze moesten namens hun vaderland als vijanden tegenover elkaar staan, maar in hun hart waren het broeders in Christus. Omgeven door de gruwel van de oorlog deelden deze mormoonse soldaten hun getuigenis in brieven aan het thuisfront. Het is opvallend hoe hun woorden gelijk klinken vanuit een diepe overtuiging, of ze nu geallieerde of Duitser waren. Zij wisten dat de dood hen elke dag kon treffen, maar zij vonden moed en troost in hun geloof.

Onze gedachtenis begon bij het voorbeeld van George Liddell. In de volgende delen beschrijf ik mensen en voorvallen, vanuit een aantal landen. Een apart onderdeel wijd ik aan de vrouwen in de Groote Oorlog.

 

3 Ter gedachtenis aan Duitse heiligen

3.1 De toestand van de kerk in Duitsland in 1914
3.2 Feldpostbriefe
3.3 Ernst Schulz: zendingswerk op een torpedoboot
3.4 Ehre ihrem Andenken
3.5 Wilhelm Kessler: “een dienaar Gods in ons midden”

3.1 De toestand van de kerk in Duitsland in 1914

De grote “Europese Zending” bestond uit een aantal nationale zendingen, zoals de Britse zending, de Nederlandse, de Frans-Zwitserse en de Duits-Zwitserse.

Bij de aanvang van de oorlog telde de kerk in Duitsland een vijfduizend leden, met gemeenten in de meeste grote steden.[3] Zoals ook in andere Europese landen waren veel bekeerlingen in de jaren ervoor naar Utah geëmigreerd. Nu moedigde de kerkleiding de leden aan in hun thuisland te blijven.

Waar vroeger mormonen in Duitsland sterk miszien werden, was de toestand vanaf 1900 langzaamaan verbeterd. De zowat 150 Amerikaanse zendelingen werden wel vaak gecontroleerd en belandden al eens een dag in de gevangenis, maar konden, na de nodige opheldering, zonder al te veel hindernissen hun werk doen. De gemeenten konden vrij normaal functioneren.[4] Het zendingshoofdkantoor zorgde voor de uitgave van het tijdschrift Der Stern dat toespraken, kerkelijk nieuws en boodschappen bracht. Net zoals De Ster in Nederland verscheen het twee keer per maand, telkens zestien bladzijden lang, en was het belangrijkste communicatiemiddel met de leden.

Voor het Duitse leger gold de dienstplicht. Dat betekende dat ook mannelijke kerkleden voor minstens twee jaar hun land bij de krijgsmacht moesten dienen. In oorlogstijd stond geen beperking op dienstjaren. De kerk erkende het gezag van de staat en verwachtte gehoorzaamheid aan de wetten van het land. Ook jonge Duitse kerkleden zaten dus in het leger, terwijl ze tegelijk toegewijde priesterschapsdragers waren.

Oorlogsdreiging hing al lang in de lucht. De spanningen tussen Europese grootmachten stegen. Ze sloten verdragen om bondgenoten te helpen in geval van oorlog. De belangrijkste tegenstelling vormde de “Triple Entente” (het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Rusland) en de “Centralen” (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en oorspronkelijk ook Italië). Op het einde van de maand juli 1914 verliep alles zo snel dat de kerkleiding in Salt Lake City er volkomen door verrast werd. Het ene telegram na het andere bracht onheilsberichten naar Utah. Binnen de week hadden de landen van de grote blokken, door het spel van de verbonden, elkaar de oorlog verklaard.

Hyrum Mack Smith was de oudste zoon van kerkpresident Joseph F. Smith.

Op 2 augustus stuurde de kerkleiding een telegram naar Liverpool, het hoofdkantoor van de Europese zending, ter attentie van de Europese zendingspresident Hyrum Mack Smith. Het telegram gaf opdracht alle zendelingen meteen uit bedreigde gebieden te evacueren, naar Engeland of naar Zwitserland. Maar zendingspresident Smith, die evenmin de snelle ontwikkelingen verwachtte, was aan een bezoek van de gemeenten in Duitsland bezig. De communicatielijnen tussen Engeland en Duitsland waren al verbroken. Hij kreeg het telegram pas later. Op 4 augustus viel Duitsland het neutrale België binnen om zo vanuit het noorden Frankrijk aan te vallen. Voor de zendelingen, die vaak zelf moesten beslissen wat te doen, werd het een chaotische uittocht. De meesten van de ongeveer 150 Amerikaanse zendelingen in Duitsland wisten het neutrale Zwitserland te bereiken. Anderen vluchtten naar Nederland.[5]

Zendingspresident Hyrum Valentine en zijn vrouw Rose, zelf kinderloos, hadden in 1914 een Duits meisje geadopteerd die ze Basel noemden, in de omgang “Bea”.

De lokale gemeenten in Duitsland moesten nu met plaatselijk leiderschap verder. Dat deden ze naar best vermogen. Ze namen ook het zendingswerk ter hand en heel de oorlog lang zouden bekeerlingen blijven toetreden, elk jaar enkele honderden.[6] De gemeenten konden over het algemeen nog goed contact houden met het hoofdkantoor van de Duits-Zwitserse zending in Bazel, de stad in het noorden van Zwitserland vlak bij de Duitse en Franse grens. Die zending stond onder leiding van president Hyrum Valentine. Zijn vrouw Rose was de “zendingsmoeder”. Briefwisseling, ook al werden alle brieven gecontroleerd, bleef mogelijk tussen Duitsland en Zwitserland. Der Stern kon vrij verspreid worden. Het blad werd ook naar de soldaten gestuurd, die het bijzonder apprecieerden.

 

3.2 Feldpostbriefe

Een geregelde rubriek in Der Stern waren de “Feldpostbriefe” (“Brieven van het front”) die mormoonse soldaten naar de zendingspresident in Bazel stuurden. Details over de militaire toestand mochten ze niet geven, maar ze konden wel uiting geven aan hun gevoelens over de kerk en het evangelie. In het voorbeeld in de illustratie dankt Aeltester (Elder) Anton Ernst, aan het oostfront in Rusland, voor Der Stern en voor ontvangen correspondentie. Hij is blij te vernemen dat hij nog wat geld op z’n rekening heeft staan. Uit de lectuur van Der Stern haalt hij meer dan hij kan uitdrukken. In tranen dankt hij zijn Hemelse Vader. Hij hoopt op spoedige vrede in Europa.

De 28-jarige Ernst Pola zat bij de infanterie, ook aan het Oostfront. Hij en z’n vrouw Pauline waren in 1913 lid geworden van de kerk. Toen hij werd opgeroepen voor legerdienst was hij al vader van vier kinderen. Hij werd licht gewond in 1915 en zwaar gewond in 1917, maar overleefde het. Op kerstdag 1915 schreef hij van het front een Feldpostbrief, hunkerend naar zijn mormoonse gemeente:[7]

Ich denke, daß alle, die fern von einer Gemeinde der Heiligen leben müssen…
Ik denk dat allen die ver van een gemeente van heiligen moeten leven grote moeilijkheden dienen te overwinnen en ook triestige momenten. Het is wonderbaarlijk als je een vergadering van de heiligen kunt bijwonen en er frisse moed voor jezelf uit putten. Maar als het de wil van de Heer is om ons te beproeven, of we nu ver wonen en in moeilijke omstandigheden en onder hen die nog niet in zijn glorierijk evangelie geloven, tracht altijd zijn wil te doen. Zo zullen we niet klagen, maar al onze kracht inzetten om die beproeving door te komen… Moge de Heer onze kerk altijd zegenen, en vooral zijn dienstknechten, de profeten, onze leiders en gidsen, en elkeen van het verbondsvolk, zodat we doorheen onze zwakheden kunnen geleid worden op het rechte pad en onze redding verzekeren.

Ernst Pola, Inf.-Regt. Nr. 18, Ers. Bat. 3. Komp.

Sommige soldaten vertelden hoe ze zendingswerk in hun eenheid deden. In een Feldpostbrief van december 1917 schreef de gewonde Karl Püschel vanaf zijn veldhospitaalbed: “Ik predik het evangelie hier in het veld aan iedereen die geïnteresseerd is. Ik heb zelfs de hoofddokter het evangelie onderwezen en allen waarderen en respecteren mij. Artsen en officieren horen graag het woord van God uit mijn mond.”

Dank zij de Feldpostbriefe hebben we ook getuigenissen met een bijzondere dimensie — van hen die sneuvelden na het verschijnen van hun tekst in Der Stern. Zo een was Ernst Schulz.

 

3.3 Ernst Schulz: zendingswerk op een torpedoboot

Duitse torpedoboten in de Eerste Wereldoorlog

Een deel van de Eerste Wereldoorlog was ook een oorlog ter zee. Matroos Ernst Schulz werkte in de machinekamer van torpedoboot U128 van het XVde Half-flotille. Werken in de machinekamer betekende diep in het schip, in het roet van de kolen en de hitte van de branders. Als er op zee een strijd ontbrandde hadden de mannen daar beneden geen enkel zicht op het gebeuren, maar waren wel terdege bewust van het belang van de machines en het strak opvolgen van de orders.

Ernst Schulz was 26 jaar toen hij op 15 november 1915 de volgende Feldpostbrief aan zendingspresident Valentine stuurde.[8] Hij was een bekeerling, nog maar een goede drie jaar daarvoor gedoopt.

Schon vor dem Kriege …
Reeds voor de oorlog had ik een vast besluit in mijn hart: ik zou kleur bekennen als een heilige der laatste dagen, me ernaar gedragen en het evangelie in woord en daad verspreiden. Tijdens de eerste maanden van de oorlog waren mijn kameraden en oversten verbaasd hoe het mogelijk was voor een matroos om niet te roken, geen alcohol te drinken, niet te kaarten en niet mee te doen zoals ze zouden willen. U kunt zich voorstellen, lieve broeder Valentine, wat een moeilijke situatie dit voor mij aan boord was. In de machinekamer en de kolenbunker kreeg ik kracht en troost in het gebed tot mijn Vader in de hemel.

Nederig en liefdevol probeer ik mijn kameraden duidelijk te maken welk doel we hier op aarde hebben en hoe we zaligheid kunnen uitwerken; dat het ware evangelie opnieuw aan de mensen is geopenbaard en dat God tot de mensen heeft gesproken door zijn dienaar Joseph Smith! Wat heb ik niet gehoord aan minachting en spot! Ik gebruik ook elke gelegenheid om onze Stern en traktaten aan te bieden en geleidelijk aanvaarden een aantal kameraden mijn aangeboden geschriften. Toen we aan land kwamen in een havenstad, hebben enkele kameraden me vergezeld naar de dienst, wat een grote vreugde voor me was.

Welnu, ik voel me goed, ik vertrouw op God en ben tevreden met mijn lot. Ik hoop dat hij me zal blijven steunen en zegenen in deze moeilijke tijd zodat ik kan volharden en trouw blijven aan mijn verbonden. Ik voel en weet dat mijn geliefde familieleden en broeders en zusters voor ons broeders, die dienen op water en land, bidden. Dat onze Hemelse Vader ons zegene, en dat zijn werk bekend raakt onder de mensen, dat is mijn diepste wens.

Ernst Schulz, Torp. Ober-Maschinenmaat
S. M. Torp. U. 182, XV. Halbflottille.

Ernst Schulz sneuvelde tweeëneenhalf jaar later, op 2 maart 1918. Het Andenken-bericht (zie hieronder, de tweede naam) geeft geen aanwijzing waar of in welke omstandigheden. In die periode waren de geallieerden met een grote blokkade van Duitse havens bezig. De Duitse vloot probeerde een aantal sorties, maar was niet opgewassen tegen de Britse oorlogsschepen die nu ook steun van de Amerikaanse marine kregen. In totaal sneuvelden 35 000 man in conflicten op zee tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ernst Schulz was een van hen.

 

3.4 Ehre ihrem Andenken

Der Stern bracht geregeld bericht van heiligen der laatste dagen die op het slagveld gevallen waren of aan hun verwondingen bezweken. Onder de titel “Ehre ihrem Andenken” (Eer hun nagedachtenis) lezen we in deze korte berichten van welke kerkgemeente ze zijn, waar en wanneer ze gesneuveld zijn, waar en wanneer geboren en wanneer gedoopt. Sommigen waren op achtjarige leeftijd gedoopt, dus opgegroeid in mormoonse gezinnen. Anderen waren bekeerlingen. Eind 1916 rapporteerde zendingspresident Valentine dat er op dat moment zo’n vierhonderd Duitse kerkleden in de oorlog betrokken waren, waarvan er ondertussen veertig waren gesneuveld volgens de cijfers waarover hij beschikte.[9] Het aantal zou verdubbelen tegen het einde van de oorlog.[10]

Het IJzeren Kruis – Eisernes Kreuz – was een militaire decoratie die al van 1813 bestond en voor moed en opoffering werd toegekend. Het was het standaard symbool voor gevallenen voor het vaderland. Het bleef in gebruik tijdens de Tweede Wereldoorlog en wordt daarom nu makkelijk met het nazisme in verband gebracht. Maar tijdens de Eerste Wereldoorlog had het niet die betekenis.

Twee verwijzingen naar Schriftteksten staan bovenaan op elk bericht:

  • Ev. Joh. 15:13 – “Niemand heeft een grotere liefde dan deze, namelijk dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden.”
  • Off. (Openbaring) Joh. 2:10 – “Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.”

Sommige berichten melden sober de familiale drama’s op de achtergrond:

  • “Karl Hornicker, stierf ten gevolge van een zware verwonding … Hij is de jongste zoon van onze geliefde gemeentepresident in Zwickau.”
  • “Richard Neugebauer, stierf na een heelkundige ingreep … Hij laat een vrouw en drie kinderen achter.”
  • “Heinrich Lehwalder, sneuvelde op 18 februari, getroffen door een granaat … Zijn broer sneuvelde enkele maanden daarvoor in de strijd rond Verdun.”

 

3.5 Wilhelm Kessler: “een dienaar Gods in ons midden”

Op 6 april 1917 verklaarden de Verenigde Staten de oorlog aan Duitsland. Een golf van patriottisme en van misprijzen voor de vijand overspoelde Amerika. In die sfeer is het des te merkwaardiger wat twee dagen later, op 8 april, gebeurde. Hyrum Valentine, teruggekeerde president van de Duits-Zwitserse zending, sprak op de algemene conferentie in Salt Lake City en bracht er hulde aan een Duits soldaat, Wilhelm Kessler, gesneuveld op 1 juli 1916. President Valentine getuigde tot de leden dat hij geen getrouwer en geloviger man als broeder Kessler had gekend. Het deed iedereen beseffen dat ook bij de vijand waardige kerkleden voor hun vaderland moesten strijden en dat op een dag priesterschapsdragers van de Heer met een wapen tegenover elkaar konden staan.

Wilhelm Kessler (1887-1916)

Wilhelm Kessler was in 1887 geboren in het Duitse Neunkirchen. Katholiek grootgebracht bekeerde hij zich in 1907 als twintigjarige tot de herstelde kerk van Christus. Drie jaar later emigreerde hij naar Utah. Zoals meer gebeurde met immigranten uit een Europees land werd hij spoedig geroepen om als zendeling terug te keren naar zijn vaderland — in de Duits-Zwitserse zending. Eind 1912 begon hij aan zijn taak in Berlijn. In maart 1913 werd hij overgeplaatst naar het hoofdkantoor in Bazel, Zwitserland. Als Duitstalige werd hij de assistent-uitgever van Der Stern. Meer dan een jaar werkte hij nauw samen met president Valentine en diens vrouw Rose. Hij noemde hen zijn vader en moeder, zij noemden hem hun zoon.

Eind juli 1914 brak plots de oorlog uit. Elder Kessler had een eed afgelegd om klaar te staan wanneer de plicht riep. Maar nu moest hij kiezen tussen twee plichten: die van zijn zending of die van dienstbaarheid aan zijn land. Daarenboven was hij nu in Zwitserland en kon hij misschien nog veilig naar zijn nieuwe thuis in Amerika terugkeren. Maar ook was hij nog steeds een Duits staatsburger en wilde geen deserteur zijn. In die zielenstrijd probeerde hij president Valentine, die op rondreis in Duitsland was, te bereiken maar dat lukte niet. Op 31 juli tikte hij op kantoor een snelle brief:

Basel, Den 31. Juli 1914.
Dear President Valentine, my dear father:
Before I leave …
Voor ik vertrek naar mijn laatste en enige bestemming als Duitse man en soldaat, wil ik u tot ziens zeggen. Ik zou liever uw dierbare handen nog eens hebben geschud, maar toch voel ik uw medeleven. Uit de grond van mijn hart dank ik u voor uw liefde en vaderlijke leiding. Moge de Heer u vergoeden en u zegenen voor al uw directe en indirecte goede raadgevingen en uw goede houding jegens mij. Ik zal aan u en moeder denken voor ik in slaap val; mijn hart zal verzacht zijn als ik uw gebed voel, waar ik naar verlang als een kind verlangt naar voedsel. In de huidige omstandigheden zal ik de kerk niet van dienst zijn, maar wel een beetje mijn geliefde vaderland. Ik kan waarlijk zeggen dat ik in mijn ziel een vaste overtuiging voel dat deze stap die ik nu maak niet verkeerd is.
God zij met ons tot we elkaar weer ontmoeten! Tot ziens!
Uw liefhebbende en toegewijde zoon
Wilhelm Kessler

Op 3 augustus 1914 stak Wilhelm Kessler de grens over en meldde zich voor de dienst in Lörrach, het eerstvolgend Duitse stadje, op acht kilometer van Bazel. Hij werd meteen ingelijfd bij de infanterie.

Tot in april 1916 zou hij nog enkele keren corresponderen met zendingspresident Valentine. Tweemaal werd hij in de strijd verwond en kreeg daarvoor het IJzeren Kruis tweede klasse. Tijdens zijn dienst promoveerde hij tot luitenant.[11]

Hij sneuvelde op de eerste dag van de Slag aan de Somme, op 1 juli 1916. Die vond plaats zo’n honderd kilometer boven Parijs waar de rivier de Somme vloeit. Bij de aanvang van de oorlog was ook hier de opmars van de Duitse legers vastgelopen in de loopgravenoorlog. In 1916 besloten de geallieerden om hier het front te doorbreken. In aantal manschappen en slachtoffers staat de Slag aan de Somme bekend als de zwaarste van de Eerste Wereldoorlog. Hij duurde bijna vier maanden lang. Drie miljoen soldaten waren er bij betrokken en er vielen één miljoen slachtoffers.

Slag aan de Somme, juli 1916

Op 1 juli 1916 begon de aanval. Over een breedte van dertig kilometer stormden 140 000 Britse en Franse soldaten vanuit hun loopgraven in de richting van de Duitse linies. Het werd een slachting. Op die eerste dag verloren de geallieerden 60 000 man aan doden en gewonden, waarvan 30 000 in het eerste uur van de aanval. De Duitsers verloren die dag “slechts” een 10 000 man. Een van die Duitsers heeft voor ons een naam, een persoonlijk verhaal en een gezicht: Wilhelm Kessler. Hij sneuvelde op de plaats Malmetz, een klein dorpje pal op de frontlinie waar hevig om gevochten werd.

Zijn familie kreeg een persoonlijke brief van Kolonel von Bammbach, die onder meer schreef: “Het hele officierenkorps betreurt het verlies van een dapper, gedreven en liefdevol mens. Ik heb hem persoonlijk leren waarderen in de herfst van 1914 toen hij werd toegewezen aan mijn persoonlijke staf. Het korps beweent een jonge officier wiens standvastig karakter zijn eenheid tot voorbeeld strekte.”[12]

Een klein jaar later, op de algemene conferentie in Salt Lake City, eindigde president Valentine zijn toespraak over broeder Kessler met de woorden: “Ik wil jullie zeggen dat hij een ware dienaar was, evengoed als soldaat in het leger van zijn land, als een dienaar Gods in ons midden. Mijn broeders en zusters, hij stierf zoals hij geleefd heeft, een getrouwe heilige der laatste dagen, een soldaat van het Kruis.”

 

4 Ter gedachtenis aan heiligen van het Britse Rijk

4.1 De bijdrage van een kleine kerk in een onmetelijk rijk
4.2 Seth Bradley: een naam tussen 35 000 anderen
4.3 George E. Walker: sterk geloof maakt niet onkwetsbaar
4.4 Harry R. Ashdown: nog maar onlangs gedoopt

 

4.1 De bijdrage van een kleine kerk in een onmetelijk rijk

Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog vormde het Britse Rijk het grootste rijk uit de wereldgeschiedenis — “waar de zon nooit onderging”. Met zo’n 450 miljoen inwoners telde het een kwart van de wereldbevolking. Naast Groot-Brittannië als hart van het Rijk hoorden er ook Canada toe, Ierland, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika, Indië, en tal van andere landen en kolonies. Toen Groot-Brittannië op 4 augustus 1914 de oorlog aan Duitsland verklaarde, waren in feite alle landen van het hele Britse rijk als geallieerden betrokken. In een eerste fase riep de Britse regering vrijwilligers op voor legerdienst, later werd de dienstplicht ingevoerd. De oproepen, verspreid in posters over het hele rijk, deden beroep op patriottisme en plichtsgevoel. Het trachtte ook moeders en echtgenotes te overtuigen om hun zonen en mannen te laten gaan: “Go!”

In Engeland bestond de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen al onafgebroken van 1837, toen de eerste zendelingen uit Amerika er het herstelde evangelie kwamen prediken. Tegen 1850 telde de kerk er al 33 000 leden, meer dan in de Verenigde Staten. De overgrote meerderheid van deze leden beantwoordde echter de roep om “naar Zion” te gaan. Nieuwe bekeerlingen werden aangemoedigd om te emigreren en de kerk in het Verre Westen te gaan versterken. Al bij al zouden bijna honderdduizend Britse mormonen naar Amerika emigreren. Zo bleven er in 1892 nog maar 2 600 leden over in het Verenigd Koninkrijk. Vanaf die periode begon de kerkleiding de leden aan te moedigen in eigen land te blijven. Het zendingswerk zorgde opnieuw voor groei. Tegen 1914 telde de kerk in Groot-Brittannië ongeveer achtduizend leden.[13] Naar schatting vierhonderd traden in militaire dienst, wat overeenstemt met de meeste mannen in de leeftijdscategorie tussen 18 en 35. Daarvan weten we dat er minstens tweeënzestig in de Eerste Wereldoorlog sneuvelden.[14] Het was maar een fractie van de meer dan 700 000 Britten die in de Groote Oorlog het leven lieten, maar het staat in verhouding tot de totale bevolking.

In 1914 was de president van de Britse zending, en tegelijk president van de overkoepelende Europese zending, Hyrum Mack Smith, een van de twaalf apostelen, en tevens zoon van kerkpresident Joseph F. Smith. Het belangrijkste bindmiddel van de kerk in Groot-Brittannië was het tijdschrift The Latter-day Saints’ Millennial Star, dat van 1840 tot 1970, honderddertig jaar lang, onafgebroken gepubliceerd werd. In de periode 1914–1918 verscheen het wekelijks, telkens zestien compact gevulde bladzijden, met toespraken van leiders, bespreking van wereldgebeurtenissen en plaatselijk, Brits en Europees nieuws. Het is een belangrijke bron voor de kerkelijke geschiedenis, vandaar dat ik er voor deze oorlogsjaren vaak naar verwijs.[15]

 

4.2 Seth Bradley: een naam tussen 35 000 anderen

Arras Memorial

Seth Bradley was lid van de gemeente Leicester. Van beroep was hij schoenenverkoper. Als 24-jarige soldaat in het Essex regiment bevond hij zich in 1917 aan het front in Arras, in Noord-Frankrijk. De geallieerden wilden daar in april een doorbraak in het front forceren. Op 20 maart begonnen ze met een hevig bombardement op Duitse stellingen. Op een front van 39 kilometer vuurden ze meer dan twee miljoen granaten op hen af. De Duitsers beantwoordden het vuur met onder meer gasgranaten. In die hel stierf Seth Bradley op 23 maart 1917.

De Slag om Arras kostte het leven aan 35 000 geallieerde soldaten. Hun namen staan in het Arras Memorial gegrift. Seth is een van hen.

Zeven weken voor zijn dood was zijn getuigenis, onder de titel “A Soldier’s Testimony” in de Millennial Star verschenen.[16]

“Through the medium of the Millennial Star …”
Door middel van de Millennial Star wil ik uitdrukking geven aan mijn diepste gevoelens en mijn nederig getuigenis van de goddelijkheid van het evangelie dat in deze laatste bedeling wordt verkondigd … Mijn ervaringen in dit deel van mijn leven hebben me geleerd om te vluchten voor het kwaad, als voor een waanzinnige hond. Nooit eerder heb ik zoveel kwaad gezien in mijn hele bestaan. Voor velen zijn lichaam en ziel geschonden en is het leven zelf verwoest. Wanneer ik over deze dingen nadenk, gaat mijn hart uit naar God, mijn hemelse Vader, dankbaar voor de zekerheid die hij mij heeft gegeven van de liefde van Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon.

Zeven jaar geleden sloot ik een verbond met mijn hemelse Vader en gaf mijn leven in zijn handen. Hij heeft mij door zijn dienaren het heilige priesterschap gegeven, en nooit vergeet ik dat ik niet alleen een soldaat van de koning ben, maar ook een soldaat van de Koning der koningen. Laat mij mijn oprechte getuigenis geven, zelfs nu midden in het verschrikkelijke gebulder van de kanonnen, dat ik bij u in de buurt ben, en het is mijn enige wens om te leven zoals de Heer wil dat ik leef, te doen wat Hij wil dat ik doe; ooit Zijn nederige zegeningen, en ook zijn heilig priesterschap, en het evangelie dat zijn licht weergeeft in deze wereld ooit waardig te zijn. Ik getuig dat dit het evangelie van Christus is, dat het nooit zal worden vernietigd, maar zal groeien en bloeien totdat het elk hart vervuld heeft met een verlangen om te leven voor Hem die ons heeft geschapen en verlost.
S. Bradley, Leicester branch

 

4.3 George E. Walker: sterk geloof maakt niet onkwetsbaar

George E. Walker behoorde tot de gemeente in York. Hij was een bekeerling, in 1910 op 21-jarige leeftijd gedoopt. Gehuwd en met een job als assistent in een nieuwsbureau kon hij het leven als veelbelovend ervaren — tot de oorlog hem soldaat maakte in een bataljon van de Northumberland Fusiliers. Met hen vocht hij in 1917 aan het front in Pas-de-Calais, de uiterste noordhoek van Frankrijk.

Etaples Military Cemetery

In mei 1917 berichtte de Millennial Star dat George was neergeschoten, dat zijn rechterbeen geamputeerd was en dat hij nu in een Frans hospitaal in Frankrijk lag. Het is het soort berichten dat zowel vreugde als pijn brengt: hij is wel invalide, maar hij leeft nog. Het bericht meldde: “Zijn vrouw, die in York woont, zegt dat hij altijd een zeer sterk geloof had dat hij naar huis zou mogen terugkeren, en dat hij de beginselen van het evangelie trouw heeft geleefd.” Maar haar vreugde dat ze haar man levend zou terugzien was helaas van korte duur. Op 4 mei stierf George aan zijn verwondingen. De Millennial Star kon dat tragisch bericht nog als voetnoot toevoegen toen het blad ter perse ging.

George Walker werd op het Etaples Military Cemetery begraven, in het departement Pas-de-Calais, tussen meer dan tienduizend gevallen kameraden.

Kort voordat hij gewond raakte had George voor de rubriek “A Soldier’s Testimony” nog een tekst voor de Millennial Star geschreven. Zijn getuigenis blaakt van geloof en zekerheid, maar het leert ons ook een les. Niemand is onkwetsbaar, ook niet diegene die zich met het grootste geloof veilig waant. Niemand kan met zekerheid beloftes doen over wat hijzelf niet in handen heeft. De mens wikt, God beschikt. George schreef:[17]

I know God lives …
Ik weet dat God leeft, omdat ik door Zijn Heilige Geest met die zekerheid gezegend ben en omdat ik vele gevaarlijke plaatsen in Frankrijk veilig ben doorgekomen. Ik kan echt getuigen dat het God heeft behaagd mijn gebeden te beantwoorden, ook die van mijn vrienden, opdat ik de bescherming van Zijn engelen zou kunnen genieten. Ik dank God voor het getuigenis dat ik heb van zijn geopenbaarde woord, ook voor de zekerheid in mijn ziel dat mijn leven zal worden gespaard. Aan diegenen die dit getuigenis lezen zou ik zeggen, leef de wetten van God, en ontelbare zegeningen zullen volgen. Ik wil de York Relief Society bedanken voor de ontvangen wollen artikelen, die erg nuttig zijn geweest.
George Walker

 

4.4 Harry R. Ashdown: nog maar onlangs gedoopt

De 31-jarige Harry Ashdown diende bij de “10th Hussars”, bekend als de “Prince of Wales’s Own Royal”. Toen hij in juli 1917 met verlof in Engeland was, werd hij gedoopt. Het is niet duidelijk hoe hij de kerk leerde kennen. Mogelijk hoorde hij over de kerk tijdens zijn legerdienst, of was zijn vrouw al lid, of zijn ze beiden samen gedoopt. Daarop vertrok hij terug naar het front. Zijn vrouw, Florence Ashdown, werd geroepen als zusterzendelinge.

Duitse foto van de “Unternehmen Michael” in maart 1918

In maart 1918, acht maanden na zijn doop, was Harry gelegerd in de Somme-streek, waar de jaren daarvoor al zo hevig gestreden was. De Duitsers bereidden er een van hun grootste offensieven voor, de “Operatie Michael”. Hun toestand zag er inderdaad somber uit nu de Amerikanen mee in de oorlog waren getreden. De Duitsers wilden koste wat het kost door het front breken en de havens aan het Kanaal veroveren, zodat de geallieerden, en dan vooral de verse Amerikaanse troepen, er niet langer zouden kunnen aanmeren.

Voorafgaand aan de grote Duitse aanval vonden al geregeld schermutselingen plaats om zo bunkers en weerstandsnesten te lokaliseren. In die gevechten werd Harry Ashdown dodelijk geraakt aan het hoofd en, zonder nog bij bewustzijn te zijn gekomen, stierf hij op 12 maart 1918.[18] Nog maar kort daarvoor had hij het volgende naar de Millennial Star gestuurd, die het stuk in haar nummer van 4 april publiceerde:

I desire to give my humble testimony 
Ik wens mijn nederig getuigenis te geven aan de lezers van de Star, want ik ben dankbaar dat ik lid van de kerk ben. Ik ben afgelopen zomer in Norwich gedoopt, terwijl ik thuis met verlof was, en ik ben blij met de kennis die ik van het evangelie heb. Ik heb een goede gezondheid genoten sinds ik het Woord van Wijsheid begon te onderhouden. Mijn gebeden zijn verhoord en de beschermende zorg van God is over me heen geweest toen ik in actie was. Ik ben gered in plaatsen van gevaar, althans tot nu toe. Ik geniet van het lezen van de Star, die regelmatig komt. Het is altijd interessant voor mij en ik deel het met anderen. Ik heb enorm genoten van de tijd die ik met de heiligen doorbracht in Norwich. Ik heb nog nooit gelukkiger mensen ontmoet dan de heiligen der laatste dagen. Ik hoop in de nabije toekomst om ze allemaal opnieuw te ontmoeten en om vergaderingen bij te wonen en het evangelie te horen dat door de dienaren van God wordt onderwezen.
Frankrijk, H. R. Ashdown[19]

Tincourt New British Cemetery

Toen zijn getuigenis in de Millennial Star verscheen was Harry dus al overleden. Tien dagen later, op 21 maart 1918, begonnen de Duitsers met volle kracht aan “Operatie Michael”. Zij braken door de geallieerde linies en namen 75 000 gevangenen. Gedurende twee weken leek het of zij op de totale overwinning afstevenden. Maar door de aanvoer van verse troepen slaagden de geallieerden erin de opmars begin april te stuiten. Aan elk van beide zijden vielen een kwart miljoen slachtoffers. Voor de Duitsers luidde de mislukking van Operatie Michael het begin van het einde in. Vanaf nu zouden de geallieerden ze beginnen terug te dringen richting Duitsland.

Harry Ashdown werd begraven nabij de plaats waar hij gesneuveld was. Samen met 2000 andere soldaten rust hij in het Tincourt New British Cemetery, een militaire begraafplaats vlakbij het kleine Franse dorpje Tincourt. Ik vond zijn graf in Sectie V, Rij C, nummer 25. Hij ligt er vlak naast drie rijen Duitse gesneuvelden, een hulde aan de verzoening. Wie al eens naar Frankrijk rijdt vindt Tincourt-Boucly vlakbij het stadje Péronne, iets onder het punt waar de autowegen A1 en A2 samenkomen, zo’n honderd km ten zuiden van Lille en zo’n honderd kilometer van het Belgische Mons. Een route die veel vakantiegangers nemen. Met een kleine omweg biedt het Tincourt New British Cemetery een moment van rust en bezinning.

 

5 Ter gedachtenis aan Amerikaanse heiligen

In 1914 was de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen veertig maal kleiner dan nu, met een 400 000 leden waarvan de meerderheid in Utah woonde. Er waren 65 ringen en 21 zendingen met in totaal 2000 zendelingen.[20]

5.1 Intrede van Amerika in de oorlog
5.2 Jens Leslie Stevenson: de zendeling die zijn leven voor een ander gaf
5.3 Een greep uit duizenden voorvallen

 

5.1 Intrede van Amerika in de oorlog

In 1914, bij het begin van de oorlog, trachtte de Amerikaanse president Woodrow Wilson de Verenigde Staten buiten de strijd te houden. Maar het bleek moeilijk de neutraliteit te bewaren. Amerika bevoorraadde Groot-Brittannië, ook met wapens. Duitsland probeerde Mexico en Japan tegen de V.S. op te zetten. Duitse onderzeeboten raakten ook Amerikaanse schepen. Wilson besefte dat Amerika, als het buiten het conflict bleef, later internationaal zwakker zou staan. Op vrijdag 6 april 1917 verklaarde Amerika de oorlog aan Duitsland.

Kerkpresident Joseph F. Smith (1838-1918)

Precies die dag begon de 87ste Algemene conferentie in Salt Lake City. Kerkpresident Joseph F. Smith nam er als eerste het woord over de oorlogstoestand:

Het is onze plicht om te streven naar vrede en geluk en het welzijn van de hele menselijke familie … Ik wil tot de heiligen der laatste dagen die in legerdienst treden het volgende zeggen: wanneer zij soldaten worden, mogen zij niet vergeten dat zij ook soldaten van het Kruis zijn, dat zij dienaren van het leven zijn en niet van de dood; en wanneer zij uitgaan, mogen ze dan uitgaan voor het verdedigen van de vrijheden van de mensheid en niet met het doel de vijand te vernietigen … Laat de soldaten die uit Utah vertrekken mannen van eer zijn en blijven.[21]

De kerkleden reageerden met patriottisme. De regering stelde minimale quota in voor het aantal manschappen die elke Staat zou moeten leveren. Voor Utah werd in een eerste fase 872 man gevraagd. Bijna vijfduizend boden zich aan.[22] Uiteindelijk dienden zo’n 24 000 Amerikaanse mormonen in de Groote Oorlog, de meesten van Utah. Ze kwamen terecht in verschillende divisies en regimenten. Ongeveer zevenhonderd lieten het leven.[23]

In 1918 huisden legerkampen ook eindeloze rijen van doodzieke soldaten.

Van de 125 000 Amerikaanse soldaten die in de oorlog stierven, sneuvelden echter “maar” zo’n 50 000 op het strijdtoneel. Ongeveer 75 000 lieten het leven om andere redenen, in het bijzonder de Spaanse griep die in 1918 en 1919 wereldwijd tot honderd miljoen slachtoffers maakte, meer dan de Groote Oorlog zelf. Bijzonder aan deze virale pandemie was dat ze vooral jonge volwassenen trof, eerder dan kleine kinderen en ouderen. Wetenschappers wijten dit aan overreactie van het immunsysteem, wat zich krachtiger uitte bij jongvolwassenen. In legerkampen kon het virus zich zeer snel verspreiden. Hoge koorts en volkomen verzwakking, gevolgd door blokkering van de ademhaling konden in enkele dagen de dood doen intreden. Deze fatale aandoening trof ook talrijke mormoonse soldaten, zowel in de V.S. terwijl ze zich klaarmaakten voor de strijd, als na hun aankomst in Europa.

Ook in veldslagen sneuvelden vele mormoonse jongens, vooral in het grote, laatste offensief tegen de Duitsers. Na de mislukking van de Duitse “Operatie Michael” in april 1918 keerde de toestand. In de zomer begonnen de geallieerden aan hun eigen tegenoffensief en drukten de Duitsers langzaamaan terug. In september 1918 namen de Amerikanen de regio van Meuse-Argonne voor hun rekening, een streek van beboste heuvels waar ze de terreinwinst meter na meter moesten bevechten. Hun offensief duurde van 26 september tot de Wapenstilstand van 11 november. Er waren meer dan een één miljoen Amerikaanse soldaten bij betrokken. Die strijd van 47 dagen kostte het leven aan 28 000 Duitsers en 26 300 Amerikanen. Het werd een van de meest dodelijke veldslagen uit de Amerikaanse geschiedenis. Hier gaven vele mormoonse jongens hun leven.[24]

 

5.2 Jens Leslie Stevenson: de zendeling die zijn leven voor een ander gaf

Beeld uit het Meuse-Argonne offensief in oktober 1918

Jens L. Stevenson was 26 toen hij in december 1917 op zending werd geroepen naar de “Eastern States Mission”, die onder meer New York en Pennsylvania omvatte.[25] Hij was werkzaam in Pittsburgh toen hij een oproep voor het leger kreeg. Hij trad in dienst maar bleef trouw een wekelijks verslag aan zijn zendingspresident sturen, nu met berichten van zijn zendingswerk onder de soldaten van zijn compagnie, waarvan geen een lid was van de kerk. Hij kreeg opdracht een zondagse Bijbelklas te verzorgen. De mannen gaven hem de bijnaam “the parson” — de predikant. Bevorderd tot korporaal werd hij in mei 1918 naar het front in Frankrijk gestuurd. In een brief vertelde hij het volgende:

Laat me iets zeggen over ons laatste tocht naar de loopgraven. Zo’n twintig van ons werden ‘s nachts ondergebracht in een kleine legerhut die als kerk dienst doet. We kwamen daar rond middernacht aan. De volgende dag zou ons peloton een inspectie ondergaan en dat heeft een vreemd effect op de mannen. Iemand zei: “Wel, het is hier een kerk en, korporaal Stevenson, u bent een prediker. Laten we een kleine dienst houden.” Dus dat deden we. Ik werd gezegend met de juiste woorden, sprak over het evangelie en riep de mannen tot bekering. Ik sprak ongeveer een half uur. Allen zeiden dat ze genoten van de toespraak. Ik hoop dat ik een paar zaden van gerechtigheid in hun harten heb gezaaid.

In oktober streden Jens Stevenson en zijn mannen in het midden van het Meuse-Argonne offensief. Op zondag 6 oktober zag Jens verderop een van zijn mannen zwaargewond liggen. Zonder aarzelen schoot hij op de gewonde toe om zijn wonden te verbinden. Daar maaide een salvo hem neer. Hij stierf ter plekke. Een officier schreef aan de familie:

Ik was aanwezig op het moment dat hij werd gedood. Zijn nobele daad heeft meer indruk in mijn herinnering gelaten dan alles wat ik ooit heb meegemaakt in de oorlog … Korporaal Stevenson bracht het ultieme offer op de meest heroïsche wijze, volgens het principe dat hij zo vaak de jongens had onderwezen tijdens de zondagsdienst: “Grotere liefde heeft geen mens dan hij die zijn leven geeft voor een ander.”[25]

Drie jaar later werd Jens Stevensons stoffelijk overschot gerepatrieerd.

 

5.3 Een greep uit duizenden voorvallen

Het kerkelijk maandblad, “The Improvement Era”, gaf elke maand de ellenlange lijsten van gesneuvelde mormoonse soldaten. Achter elk van hen schuilt een eigen verhaal en dat van hun families.  Uit de talrijke mogelijkheden koos ik enkele markante voorvallen.

 

Twee onafscheidelijke vrienden
Kerkorganisatie, diensten en zendingswerk gaan gewoon verder
Dodelijke naweeën
Het mormoons regiment dat nooit vocht
Uit een afgelegen dorp in Utah sneuvelde hij als laatste op 11.11.11

Twee onafscheidelijke vrienden

Arthur Cahoon en Orin Allen waren vrienden uit Utah. Net voor ze samen in het leger traden hadden ze nog een vredige kampeertocht in de bergen gemaakt. In oktober 1918 werden ze samen, als deel van het 363ste Infantry Regiment, Company M, in de hel van het Meuse-Argonne-offensief ingezet. Onder hevig kanonvuur leidde Arthur Cahoon, een korporaal, zijn groep voorwaarts toen een granaat vlak bij hem ontplofte. Hij was op slag dood. Een fragment van dezelfde granaat verwondde Orin Allen zwaar aan de benen. Hij werd naar achteren afgevoerd tot bij een nabije hulppost waar hij de verdere dag in open lucht lag, tussen talrijke andere gewonden die op verzorging wachtten. Hij had het overleefd, zijn vriend Arthur was gesneuveld. ‘s Nachts, omstreeks 11 uur, viel een granaat uit het niets op de hulppost. Dertien man verloren het leven, waaronder Orin Allen. Zo bleven Arthur en Orin, tijdens de dag getroffen door dezelfde granaat, verenigd in de dood.[26]

 

Kerkorganisatie, diensten en zendingswerk gaan gewoon verder

RMS Baltic. Op dit schip, tijdens de reis van New York naar Le Havre, hielden de mormoonse jongens van het 148ste Field Artillery Regiment hun eerste kerkvergaderingen.

In elk regiment met meerdere heiligen der laatste dagen kon je er zeker van zijn dat ze elkaar snel vonden. Ze organiseerden zich dan als priesterschapsgroep om diensten te kunnen houden en elkaar te onderwijzen. De ouderen onder hen waren bijna allemaal op zending geweest. Zo vertelt soldaat W. Clarence Smith dat hij bij zijn aankomst in Frankrijk in een legerkamp vijfhonderd man van Utah vond, waarvan de meesten mormonen. Vijftig van hen waren op zending geweest.[27]

Die situatie had je bijvoorbeeld in het 148ste Field Artillery Regiment met soldaten uit verschillende Amerikaanse Staten. Er waren daar meer dan tweehonderd mormoonse soldaten. Ze vonden elkaar op het schip de RMS Baltic dat het regiment van New York naar Le Havre bracht in januari 1918. In een brief van 16 februari schreef David Moosman aan een vriend in Salt Lake City:

Al drie weken lang houden we kerkvergaderingen die zeer goed bezocht worden. De jongens streven er naar altijd hun religie na te leven. Veel medewerkers en onbekenden die we ontmoeten en die niet gewend zijn aan onze religie en onze manier van leven en gedrag, zijn zeer geïnteresseerd in ons geloof en onze levenswijze.[28]

In Frankrijk kregen de mannen van het 148ste verdere artillerietraining in het “Camp de Souge”. Het is van die plek dat volgende brief, gedateerd 5 april 1918, verzonden werd vanwege de “L.D.S. boys of the 148th U. S. Field Artillery in France”. De brief verscheen in de Improvement Era:

In het kamp waar we ons nu bevinden, hebben we het voorrecht onze vergaderingen te houden in het YMCA-gebouw. Onze eerste vergadering hielden we op het schip terwijl we de Atlantische Oceaan overstaken. We organiseerden onze groep en de broeders kozen Parnell Hinckley als president, Willard C. Smith en J. B. Stewart als raadgevers, M. J. Stringham als secretaris en J.B. Sharp als dirigent. We houden onze gewone avondmaalsdienst elke zondag en de bijbelklas tijdens de week. Niet alleen onze eigen leden wonen onze vergaderingen bij, maar veel van onze soldaatvrienden en kameraden lijken geïnteresseerd in onze boodschap. Alle jongens willen graag het evangelie onderwijzen, niet alleen door de leer, maar ook door een voorbeeld te zijn. Het kampleven is te doen en onze gezondheid is algemeen erg goed geweest.

Toch moeten we met droefheid melden dat broeder J. D. Lambert, uit Granger, Utah, en die al sinds ons vertrek uit Zion bij ons is geweest, op 25 maart 1918 aan een longontsteking overleed. We hielden de herdenkingsdienst op zondag 31 maart. Broeder J. B. Sharp uit Salt Lake City, die goed bekend was met de jongeman, was de hoofdspreker. Hij sprak over het goede karakter van de jongen en over ons geloof in het hiernamaals. Het lichaam van broeder Lambert werd begraven in Frankrijk, onder toezicht van de aalmoezenier van de 148e Veldartillerie. Ouderling M. J. Stringham zegende het graf in. We treuren allemaal om het verlies van onze medearbeider en sturen ons medeleven aan zijn ouders en geliefden.

Met onze beste wensen aan iedereen, van de L.D.S. jongens van de 148e U. S. Field Artillery in Frankrijk.[29]

 

Dodelijke naweeën

Soldaten vertrokken meer dan eens met een romantisch beeld van de militair: uniformen, parades en heldendaden ter ere van het vaderland. Wat zij in de Groote Oorlog meemaakten versplinterde dat ideaal. Deze oorlog betekende voor een soldaat maandenlang overleven in loopgraven, tussen afval en ratten, vaak deels overstroomd, het lijf onder de luizen, verkild, bedreigd door granaten en gifgas, omgeven door lijken in ontbinding. Bij een aanval werden honderden, soms duizenden rondom hem neergemaaid. Waarom mijn kameraden, en niet ikzelf terwijl het evengoed had gekund? De paniek dat het nog moest gebeuren entte zich diep als gif voor nachtmerries.

Gesneuvelden werden dikwijls ter plekke oppervlakkig begraven om hen later op te halen. Een ruw kruis, een helm of een paaltje in de grond markeerde de plek. Maar in de wisselende strijd werd het terrein nadien weer uiteengereten door granaten zodat lichaamsdelen, botten en schedels in alle richtingen verspreid werden. Het verklaart de ontelbare niet-geïdentificeerde stoffelijke resten die nu in naamloze graven liggen. Dan ging de strijd weer verder en ploeterden nieuwe soldaten door een brei van menselijke modder, in het oorverdovend gedruis van mitrailleurs en ontploffingen. Ontelbaren keerden terug als invalide, verminkt, verbrand, blind, gebroken. Zij die het overleefden droegen daar de rest van hun leven de traumatische gevolgen van. Velen hebben er nooit over kunnen spreken. Voor anderen eindigde het dramatisch. Het hoog aantal zelfmoorden onder veteranen verlengde de oorlog voor veel families nog jaren.[30]

Zo’n mormoonse jongen was Levi Taylor, van Moab, Utah. Hij had de hel van Meuse-Argonne overleefd, maar na zijn terugkeer thuis leed hij aan waangedachten en paniekaanvallen. Dokters van het Veterans Bureau in Salt Lake City trachtten hem en anderen te helpen met de beperkte psychische kennis uit die tijd. Langzaamaan, omringd door de goede zorgen van zijn ouders en familie, leek Levi het met de jaren iets beter te doen. Maar de beelden in zijn brein lieten hem niet met rust. Op een vrijdag in 1925, na een rustig gesprek met z’n twee zussen, verontschuldigde Levi Taylor zich even, ging naar een zijkamer en schoot zichzelf door het hoofd.[31]

 

Het mormoons regiment dat nooit vocht

In 2006 bezocht de 96-jarige President Hinckley het graf van zijn broer Stanford in het Suresne American Cemetery in Frankrijk.

Het 145th Field Artillery Regiment, dat de meeste van zijn soldaten uit Utah betrok, telde zo’n zestienhonderd heiligen der laatste dagen. Het werd begeleid door een eigen mormoonse aalmoezenier, de bekende B.H. Roberts, dan al over de zestig. Maandenlang had het zich in de V.S. intens voorbereid op de strijd in Europa. In de zomer van 1918 vertrok het naar Frankrijk waar de mannen eerst nog intense fronttraining kregen. Op 9 november kwam eindelijk het bevel op te trekken voor de aanval op Metz. Toen ze daar aankwamen was de Wapenstilstand net getekend. Voor velen was dat een bittere ontgoocheling: de mannen hadden graag hun strijdvaardigheid en heldenmoed getoond — zonder ten volle te beseffen waar ze waren aan ontsnapt.[32]

Toch telde het regiment ook slachtoffers. Zo stierf aan longontsteking Stanford Hinckley, de oudere broer van Gordon B. Hinckley, de latere kerkpresident. Gordon was toen acht jaar oud. Hij zou later vertellen dat het voor hun familie “een van de droevigste dagen uit ons bestaan was”.[33] Dertien soldaten van het 145ste stierven aan de Spaanse griep. Ook zij werden geëerd als oorlogsslachtoffers. Voor de families was het leed even groot als bij hen die een zoon op het slagveld verloren.[34]

 

Uit een afgelegen dorp in Utah sneuvelde hij als laatste op 11.11.11

De onderhandelingen over de wapenstilstand waren al weken bezig, maar de strijd luwde er niet om. De geallieerden wilden nog zoveel mogelijk doorbreken om Duitsland in een zwakkere onderhandelingspositie te brengen. Maar iedereen hoopte dat het nu niet lang meer zou duren. Eerst was 9 november voor de wapenstilstand afgesproken en dat gerucht verspreidde zich over het front. Maar op 9 november zwegen de kanonnen niet. De gezanten van de verschillende naties konden het niet eens raken over details. Er heerste dus twijfel of 11 november de definitieve dag zou worden.

Die ochtend bereidde Edward C. Peterson, een mormoonse jongen uit Utah, zich dus voor om samen met zijn compagnie verder het Argonne-woud in te trekken voor confrontatie met de vijand. Na zijn vertrek zoemden de telegraaflijnen dat de wapenstilstand nu wel degelijk gesloten was. Het bericht bereikte Peterson en zijn groep echter niet. Hij sneuvelde tijdens de laatste, nodeloze opmars, op 11 november 1918.

Edward Peterson kwam uit het afgelegen plaatsje Scipio, een mormoons dorpje in Millard County, in het landelijk westen van Utah. Toen het gezin Peterson op 11 november het nieuws van de wapenstilstand hoorde, waren ze eerst overtuigd dat Edward de oorlog had overleefd. Toen kregen ze het bericht van zijn dood. Als aandenken aan zijn zoon plantte vader Charles Peterson een boompje in het kleine stadspark van Scipio. Die boom staat er nog steeds, na honderd jaar, met een gepaste gedenkplaat.[35]

Meer dan zestig jaar later reed de columnist Charlie Langdon tijdens een vakantierit langs het kleine, landelijke Scipio, waar de tijd leek te zijn stil gestaan. Hij zag de boom en de gedenkplaat. Diep getroffen door het onwezenlijke van het rustieke stadje met zo’n gedenkplaat over de Argonne in Frankrijk, met zo’n historische datum, schreef hij het volgende gedicht dat later ook op muziek werd gezet.

The Edward C. Peterson Tree

In Scipio, Utah, Millard County,
the boys go barefoot still and play under
trees in the park. Teenage girls ride horseback
on Main Street while lambs prance along behind.

We lunched one Saturday and watched them
and petted their round
puppy with no tail.
Go there now, if you care to and see them.

And there you’ll also find a tree behind a fence
a splayed two-trunk tree planted
long ago in memory of
Edward C. Peterson
who died on the last day
of the First World War in 1918.

“Edward C. Peterson,” the plaque reads, “killed
in the Argonne, November eleven.”

November eleven! To die that day,
to lose your life as the guns fell silent
in the eleventh hour, eleventh day,
eleventh month, oh, what a riddle fate.

And what a riddle question, what is war
or peace, life or death? Something or nothing?
Convened wisdom would weep under that tree
and all sages fall silent in its shade.

In Scipio, Utah, Millard County,
the boys go barefoot still and play under
trees in the park. Teenage girls ride horseback.
Go there now, anytime now, and see them.

 

6 Hulde aan Nederlandse heiligen

Nederland bleef neutraal tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar zat gekneld tussen tegenstrijdige belangen. Economisch kreeg het land het zwaar te verduren. De internationale handel was ontregeld en honger sloeg meer dan eens toe.

6.1 Nederland opent hart en deuren
6.2 Nederlandse soldaten in de Groote Oorlog
6.3 De kerk in Nederland tijdens de oorlogsjaren
6.4 De Nederlandse zending deed wat ze kon voor de leden in België

 

6.1 Nederland opent hart en deuren

“Uittocht van Belgen naar Nederland”, getekend door ooggetuige Leo Gestel.

In de eerste maanden van de oorlog stroomden een miljoen Belgische vluchtelingen Nederland binnen, ontheemd door de vernietiging van steden en dorpen tijdens de Duitse opmars van oost naar west. Vooral de val van Antwerpen op 10 oktober 1914 deed haveloze kolonnes van honderdduizenden burgers en soldaten naar Nederland vluchten. De meesten vonden een thuis in ontelbare gastvrije gezinnen over heel Nederland. Voor anderen werden kampen opgezet. Het eerste kamp dat verrees was Vluchtoord Nunspeet. Daarna volgde vluchtoord Ede en verder nog de kampen bij Amersfoort, Bergen op Zoom, Roosendaal, Tilburg, Hontenisse, Baarle-Nassau, Amsterdam, Scheveningen, Oldebroek en Veenhuizen. Op sommige van die plaatsen verwijzen herinneringsborden nog aan die tijd. Toen na enkele maanden het geweld in België plaats maakte voor de bezetting, konden de meeste vluchtelingen naar België terugkeren.

Mijn moeder was erbij

Het hoort bij mijn eigen familiegeschiedenis. Mijn moeder was zes jaar oud toen haar ouders met hun zeven jonge kinderen uit Antwerpen naar Nederland vluchtten. Naast mijn moeder was een van die kinderen mijn oom Wilfried, met wie ik meer dan een halve eeuw later een bijzondere priesterschapservaring in Afrika deelde (zie hier). Het gezin vond eerst onderdak in Rotterdam en vervolgens in Oudenbosch bij een zekere familie Loomans. Daar werden ze gastvrij opgevangen, gevoed en verzorgd. Daar werden duurzame vriendschappen gesmeed. Jaren later kwamen de twee families nog geregeld samen om herinneringen op te halen en samen te musiceren, tot op gevorderde leeftijd. Enkele zwart-witfoto’s in oude familiealbums getuigen ervan. Vele jaren later spraken mijn bejaarde moeder en haar broers en zussen nog over hun kindertijd bij de Nederlandse redders, met name ome Toon, ome Frie, tante Aagt… Die Nederlanders waren heiligen, ook al waren zij geen lid van onze kerk. Zij stelden hun huis open voor onbekende vluchtelingen, en dan nog wel een gezin met zeven jonge kinderen, ondanks de schaarste waar ze zelf onder leden.

In onze huidige tijd, waar vluchtelingen aan grenzen worden teruggedreven en verdacht gemaakt, blijft dat historische voorbeeld van Nederland in 1914 een baken van onbegrensde naastenliefde.

 

6.2 Nederlandse soldaten in de Groote Oorlog

Ondanks de dreigingen slaagde Nederland erin uit de oorlog te blijven. Honderden Nederlanders namen evenwel dienst in legers van de geallieerden. Vooral Frankrijk, waar heel wat Nederlanders woonden of familie hadden, trok vrijwilligers. In het Amerikaanse leger dienden zo’n 400 000 man van buitenlandse origine. Velen waren immigranten die nog geen burgerschap verworven hadden en dat door legerdienst konden verkrijgen. Daaronder waren er naar schatting tussen de 1000 en 2500 Nederlanders. Hun deelname moest vaak wantrouwen overwinnen omdat Amerikanen Dutch, Deutsch en German niet zo goed uit elkaar konden houden en beducht waren voor spionnen. Voor Amerikaanse ogen en oren leek dat Nederlands wel veel op de taal van de vijand. Nederlanders in de V.S. wijzigden in die periode zelfs hun achternaam omdat die teveel Duits leek. Nicolaas Wilhelm werd Nicolas Williams, Johan van der Smisse werd John Smith. Nederlandse enclaves in de V.S., waar een Hollandse cultuur levend werd gehouden, veramerikaniseerden snel om niet als verdacht over te komen.

Ik vond een aantal militairen van Nederlandse origine, die in Utah woonden, in dienst van het Amerikaanse leger kwamen, ingezet werden en sneuvelden in Europa. Ik kon echter nog niet met zekerheid vaststellen of zij ook leden van de kerk waren. Hiervoor is nog bijkomend onderzoek nodig.

American Cemetery Aisne-Marne

Zo was er Herman Baker, zoon van Johannes Baker en Aagtje Voordijk. Hij was op 6 februari 1888 geboren in Rotterdam. Zijn gezin moet dan naar Amerika zijn geëmigreerd. In maart 1918 werd hij toegewezen aan het 58ste infanteriekorps van Utah. Op 18 juli 1918 sneuvelde hij in Frankrijk. Hij rust in graf 81, rij 6, blok A in het American Cemetery Aisne-Marne, Belleau, Frankrijk.[36]

Zo was er John Mulder, zoon van William Mulder en Everdina Neuteboom. Hij was op 13 februari 1888 geboren in “Wynje, Overyssel, Holland”. Ook hier moet er dan van emigratie sprake zijn. Hij was 30 jaar toen hij in maart 1918 werd opgeroepen voor het 361ste infanteriekorps in Utah. Op 3 oktober 1918 sneuvelde hij in de strijd in Meuse-Argonne. Een maand later ging de Wapenstilstand in. Hij rust in graf 21, rij 39, blok H van het American Cemetery Romagne-sous-Montfaucon, Meuse, Frankrijk.[37]

Ongetwijfeld zijn er nog heiligen der laatste dagen van Nederlandse origine die in de Groote Oorlog sneuvelden en ter gedachtenis vermeld moeten worden.

 

6.3 De kerk in Nederland tijdens de oorlogsjaren

De kerk kon vrij redelijk blijven functioneren. De zendingspresident bleef op post. In 1914 was dat Elder LeGrand Richards, met het hoofdkantoor op de Crooswijkschesingel 7b te Rotterdam. Daar werd ook vier jaar lang De Ster tweemaal per maand uitgegeven, zodat de gemeenten goed op de hoogte bleven. Leden konden aldus toespraken van de algemene conferenties lezen, artikelen over het geloof en internationaal en lokaal nieuws. Het aantal Amerikaanse zendelingen werd wel drastisch teruggeschroefd — van 63 naar 10 — zodat de gemeenten zelf nu meer leiderschap moesten opnemen.[38]

Het Nederlandse zendingskantoor werd ook een belangrijk knooppunt voor contact met de kerk in de rest van het Europese vasteland. Als neutraal land kon Nederland communicatielijnen openhouden met de V.S, Engeland, Duitsland en het neutrale Zwitserland. In het begin van de oorlog kon het zo de evacuatie van zendelingen in oorlogsgebied begeleiden, geld telegrafisch overmaken naar gestrande zendelingen en ongeruste familieleden informeren.

Gemeenten werden in die periode meestal vertakkingen genoemd, letterlijke vertaling van branches. Een groep vertakkingen vormde een conferentie, wat later district zou worden. Om de drie maanden kwam die conferentie samen voor een gezamenlijke “conferentie” van de gemeenten.

 

6.4 De Nederlandse zending deed wat ze kon voor de leden in België

“De Draden des Doods”, op de Belgische grens bij Sluis in Zeeland, 1915.

De Duitse bezetter sloot de grens tussen België en Nederland strak af om smokkelaars, oorlogsvrijwilligers en spionnen tegen te houden. Alle verkeer tussen beide landen werd onmogelijk. Omdat ze niet elke oversteek konden verhinderen legden de Duitsers in 1915 een elektrische versperring onder hoogspanning aan, 332 kilometer lang over heel de grens tussen beide landen. Die werd berucht als “de Dodendraad” omdat nog maar weinig mensen van elektrocutie afwisten.

In De Ster van 15 juli 1915 geeft zendingspresident LeGrand Richards verslag van de inspanningen om de leden in België te bezoeken en te helpen:

Toen de zendelingen allen gedwongen werden Frankrijk en België te verlaten bij het begin van den oorlog, werden wij eveneens verzocht onderzoek te doen naar de behoeften der Heiligen achtergelaten in de vertakkingen te België, welk arbeidsveld voorheen behoorde tot deze zending, en voor dit doel ontvingen wij eveneens eene bijdrage van den President der Europeesche Zending. Elke poging was gedaan om toestemming te verkrijgen België binnen te gaan om de Heiligen op te zoeken, en voor hunne nooden zorg te dragen; zelfs werd een persoonlijke brief gezonden naar den Duitschen Gouverneur-generaal van België, in Brussel, maar wij waren niet in staat toestemming te mogen erlangen.[39]

President Richards slaagt er wel in één mormoonse familie in Brussel via briefwisseling te bereiken en hun geregeld wat geld over te maken. De Ster van 1 april 1916 vermeldt:

Van een onzer zusters in Brussel mochten wij enkele dagen geleden de volgende briefkaart ontvangen: “Wij laten u weten dat wij uwen postwissel in goede orde hebben ontvangen. Wij zeggen u grooten dank er voor, want het komt goed van pas, daar alles wat hier te krijgen is viermaal duurder is dan tevoren. Het is nu vier maand geleden dat wij aardappelen, vet noch boter meer gezien hebben. Thans evenwel hopen wij weer in staat te zijn een en ander ons te kunnen aanschaffen.”[40]

Maar het contact met de belangrijkste groep van kerkleden in België, in het Franstalig landsdeel rond Luik en Seraing, lukt niet. In juli 1915 schrijft president Richards: “Herhaalde pogingen hebben wij gedaan de Heiligen in Luik te bereiken, en ofschoon onze brieven niet terug zijn gezonden, hebben wij toch geen antwoord kunnen krijgen.”

Wat was er daar in België aan de hand?

 

7 Hulde aan Belgische heiligen

7.1 De kerk in België
7.2 Les missionnaires étaient partis!
7.3 Hier liggen hun lijken als zaden in ‘t zand

 

7.1 De kerk in België

In België was zendingswerk in 1888 op beperkte basis gestart. In Antwerpen werden enkele gezinnen gedoopt, maar het accent kwam snel in Luik te liggen. Zendelingen van de Nederlandse zending, die aan de kanten van Maastricht werkten, behaalden er enig succes. Ook Brussel werd geopend. In 1912 werden die Franstalige leden ondergebracht in de nieuwe Franse zending, met hoofdkantoor in Parijs.[41] Een ledentelling voor België vermeldt een totaal van 148 leden, verdeeld over drie gemeenten, Brussel, Luik en Seraing. In januari 1913 zond de Nederlandse zending twee zendelingen naar Antwerpen om het werk opnieuw op te starten, maar in mei 1914 werd die inspanning alweer opgegeven.[42]

Bij het begin van de oorlog was de kerk in België dus nog erg klein. In Vlaanderen was er niets meer, maar in het Franstalig landsgedeelte, en dan vooral in Luik en het nabije Seraing, was een flinke groep bekeerlingen tot stand gekomen. In die tijd werd het priesterschap maar met mondjesmaat verleend en moesten ook volwassen broeders ambt na ambt doorlopen, soms met jaren ertussen. In 1914 telden de lokale leden in Luik en Seraing aldus maar vier diakenen, één leraar, één priester en één ouderling – allen volwassenen, voor meer dan honderd leden.[43]

 

7.2 Les missionnaires étaient partis!

Op 4 augustus 1914 viel Duitsland België binnen, uitgerekend richting Luik. Het Belgische leger in de fortengordel rond de stad bood hevige weerstand en vertraagde danig de geplande opmars van de invaller. Het zou de geallieerden tijd geven om zich in het westen en het zuiden klaar te maken voor de frontvorming die de invaller tot staan zou brengen. Maar zover zijn we begin augustus ‘14 nog niet.

Op 6 augustus begon het Duitse bombardement op de stad Luik zelf. Het twaalftal Amerikaanse zendelingen in de regio konden hun zendingspresident niet bereiken daar alle communicatielijnen waren afgesneden. Ze beseften dat ze zo snel mogelijk weg moesten en lieten alles achter. In de chaos kon elk van hen uiteindelijk toch Zwitserland of Nederland bereiken. Met telegrammen via Zwitserland en Duitsland volgde de Nederlandse zendingspresident, LeGrand Richards, de situatie zo goed als mogelijk. De eerste zorg ging naar de veiligheid van de zendelingen.

Het gezin Devignez. Vlak onder vader Charles zien we het jongetje Paul en Charles’ echtgenote Marie-Hortense Bultot.

Maar wat met de leden in het Luikse? Vijfendertig jaar later beschreef Paul Devignez wat hij toen als klein kind meemaakte:

Les missionnaires étaient partis! …
De zendelingen waren weg! Ze zouden waarschijnlijk snel terugkomen en die goede vrienden van Jezus zouden opnieuw met de brave kinderen van de kerk spelen. Dof en eindeloos gebulder houdt dag en nacht aan. Mannen, paarden en voertuigen haasten zich overal naartoe in een duizelingwekkend kabaal. Een straat in de buurt gaat in vlammen op en de brug is net opgeblazen als mijn ouders ons huis ontvluchten. Onderweg zie ik hoe mijn vader hulp biedt aan gewonde en uitgeputte soldaten die proberen aan te sluiten bij de terugtrekkende regimenten. Het is oorlog, we zijn in augustus 1914, ik ben bijna vijf jaar oud.

Zolang de forten van Luik de indringer ter plaatse nagelen en tot de vernietiging van het laatste fort, vinden we een schuilplaats in de kelders van een ander mormoons gezin. De zendelingen zijn er niet meer, maar de kerk moet blijven! Het heilig offer van degenen die ons de blijde boodschap hebben gebracht, moet vruchten blijven voortbrengen. Meer dan ooit zullen de gelovigen de Heer zoeken en, elke sabbat, het verbond hernieuwen dat we hebben gesloten in de wateren van de doop.

Zes mannen, zes vrienden van de zendelingen, denken na en bidden. Het heilige priesterschap is hun verleend, maar alle contact is nu onmogelijk met de algemene autoriteiten. Het is tijd voor beslissingen. Ze leggen de toekomst in de handen van de Meester. Het zijn zes broeders die vastbesloten zijn om het kerkwerk naar behoren verder te zetten. Mijn vader krijgt de eer om de inspanningen te coördineren.[44]

“Coördineren”. Het woord “leiding” wordt niet in de mond genomen. Vier jaar lang zouden deze zes broeders voor hun kudde zorgen. Naast Charles Devignez, de vader van Paul, staat als een rots in de branding de oudere Hubert Huysecom, een eenvoudig man die op 50-jarige leeftijd in 1907 was gedoopt. De broeders zijn vastbesloten om zich strikt te houden aan wat de zendelingen hun geleerd hebben. De eerste tien maanden kunnen zij echter niet vergaderen omdat de bezetter alle bijeenkomsten verbiedt. Dan kunnen ze de wekelijkse avondmaaldienst in de woning van de Huysecoms houden, halfweg tussen Luik en Seraing. Het zijn lange afstanden die de leden te voet afleggen. Honger en ontberingen zijn hun deel. Broeder Arthur Horbach houdt de verslagen bij zodat we nu nog de namen kennen van deze trouwe gezinnen: Belleflamme, Cypers, Devignez, Dieu, Horbach, Huysecom, Lahon, Lambert, Pirotte, Pléger, Renard en Roubinet. Daarenboven doen ze zendingswerk en worden veertien mensen gedoopt. Ze houden zelfs de geregelde “conferenties” zoals de kerkagenda het voorziet.

Zo vervulden deze Belgische heiligen hun plicht, afgesloten van de rest van de kerk. De Franse zending was in 1914 immers ook gesloten en alle zendelingen teruggetrokken. Pas in september 1919 zou John A. Butterworth, de nieuwe Nederlandse zendingspresident, Luik bezoeken en vaststellen dat deze heiligen de kerk levend en wel hadden gehouden.

 

7.3 Hier liggen hun lijken als zaden in ‘t zand

We hebben geen weet van Belgische kerkleden die in de oorlog sneuvelden. Algemeen betaalde de bevolking een zware prijs: 58 000 Belgische soldaten sneuvelden in de strijd en zo’n 25 000 burgers kwamen om door direct oorlogsgeweld, naast meer dan 50 000 door honger en ziekte. Onderzoek is nog steeds bezig om de namenlijst samen te stellen.

“Dicke Bertha” kon van op grote afstand de muren van elk fort verpulveren.

Met 200 000 man in 1914 was het Belgische leger relatief groot, maar miste ervaring en slagkracht. De hogere legerleiding en de meeste officieren waren Franstalig, de meeste gewone soldaten waren Vlaamssprekend en laaggeschoold. De Belgische eenheden leverden fel verzet tegen de oprukkende Duitse regimenten, maar waren niet opgewassen tegen hun krachtige wapens. Ze moesten zich telkens verder terugtrekken, onder zware verliezen. De enorme fortengordel rond Antwerpen hield stand tot oktober, maar bleek uiteindelijk van weinig nut omdat de kanonnen niet ver genoeg reikten. De Duitsers beschikten immmers over de beruchte “Dicke Bertha”, een superkanon dat obussen van 42 cm diameter tot op 9 km kon afschieten. Ook nieuw en schrikwekkend waren de Zeppelins die bommen over de vestingen en de stad dropten. Het Belgisch leger kreeg bevel zich terug te trekken naar het westen. Om de vernietiging van de stad te voorkomen tekende burgemeester Jan de Vos de overgave van Antwerpen op 10 oktober. Zo’n 30 000 Belgische soldaten werden gevangen genomen.

De rest van het Belgisch leger trok zich terug in de uiterste westhoek aan de kust, langs de rivier de IJzer. Op 18 oktober begon daar de Slag om de IJzer waar de Belgen tot het uiterste vochten om de linie te behouden. Vierduizend sneuvelden op enkele dagen. Op 27 oktober volgde de legerleiding het advies van wateringenieur Karel Cogge om de sluizen en sassen open te zetten bij vloed van de Noordzee, zodat een groot deel van de IJzervlakte onder water kwam te staan. Daar werden de Duitsers tot staan gebracht, maar de bombardementen op afstand bleven duren. De strijd verplaatste zich dan iets meer naar het zuiden, naar de streek rond Ieper waar de Belgische soldaten, de meesten Vlamingen, de rest van de oorlog de eindeloze loopgravenoorlog zouden kennen. Ook hier sneuvelden er duizenden. Over hen schreef de priester-dichter Cyriel Verschaeve:

Hier liggen hun lijken als zaden in ‘t zand
Hoop op den oogst, O Vlaanderland!

 

8 Hulde aan Franse heiligen

De kerk in Frankrijk had een moeilijke start gekend. In 1864 had de kerkleiding er de inspanningen opgegeven. Wel ging zendingswerk verder in Franstalig Zwitserland en vanaf 1888 in Franstalig België. In 1912 werd besloten om de Franse zending opnieuw te openen, met zetel in Parijs, en alle Franstalige gemeenten van België en Zwitserland daar onder te brengen. Samen vertegenwoordigden die zo’n 400 leden.[45] Nieuwe Franse steden werden geopend en het werk kende enig succes. Maar aan die prille vooruitgang kwam een abrupt einde in augustus 1914, toen alle zendelingen opdracht kregen het land zo snel mogelijk te verlaten. De Franstalige gemeenten in België en Zwitserland, die al langer bestonden, zouden overleven, maar de pas begonnen gemeenten in Frankrijk lieten geen spoor achter. Pas na de oorlog zou het zendingswerk in Frankrijk hervat worden.

Het ossuarium van Douaumont herdenkt de Slag om Verdun.

Zo we dus geen verslag hebben van Franse “heiligen der laatste dagen” tijdens de oorlogsjaren, brengen we ten minste even hulde aan al de Franse “heiligen” die hun leven gaven voor vrijheid en vaderland of die tijdens de oorlogsjaren alles van zichzelf gaven om hun gezinnen, vrienden en ook onbekenden te helpen.

Omdat historici en media zoveel aandacht schenken aan de Britse en Amerikaanse bijdragen wordt soms vergeten hoe zwaar de Fransen van bij de aanvang aan het front vochten. Het was hun vaderland dat zij verdedigden. Al in de eerste maanden, tot eind 1914, kwamen op Belgische bodem bijna 45 000 Franse militairen om. In de zwaarste slag, rond Mons, verloren de Fransen alleen al op 22 augustus zo’n 22 000 soldaten. Op de meeste plaatsen weigerden ze zich terug te trekken en betaalden er een zware prijs voor.

Getallen klinken op de duur hol omdat we de omvang ervan eigenlijk niet meer kunnen voorstellen. En toch moeten we ze blijven vermelden. De totale balans voor Frankrijk — de tellingen en naamlijsten zijn nog steeds niet afgerond — bedraagt zo’n anderhalf miljoen gesneuvelden, een 300 000 vermisten en 18 000 overledenen in gevangenschap. Meer dan één op drie van alle Franse mannen die in 1914 tussen 19 en 22 jaar oud waren werden door de oorlog weggemaaid. De helft van alle 20-jarigen.

Bepaalde plaatsnamen en begraafplaatsen hebben een symbolische betekenis gekregen. Het ossuarium van Douaumont herdenkt de Slag om Verdun. Het monument bevat de resten van 130 000 ongeïdentificeerde Franse en Duitse soldaten en staat daarmee ook voor verzoening tussen vijanden van weleer. In het departement Pas-de-Calais is de “Nécropole nationale de Notre-Dame de Lorette” de rustplaats voor meer dan 40 000 gesneuvelde Franse soldaten. Zo’n 20 000 liggen in individuele graven en meer dan 20 000 in een massagraf.

Tot het kleinste dorp in Frankrijk heeft in zijn centrum een monument aan de Eerste Wereldoorlog — ter nagedachtenis van de Kinderen van die plaats: “Aux Enfants de … Morts pour la France”.

 

9 Hulde aan de vrouwen

Ik heb eraan getwijfeld of ik dit onderdeel niet vooraan zou zetten. Maar de betekenis van de vrouw in de Groote Oorlog krijgt pas haar volle dimensie door de achtergrond die in voorgaande delen geschetst werd.

9.1 De stem en de rol van vrouwen in de Groote Oorlog
9.2 Mormoonse vrouwen in de Groote Oorlog

 

9.1 De stem en de rol van vrouwen in de Groote Oorlog

 

Vrouwen voor vrede

In 1914 bestond de “International Council of Women”, de Internationale Vrouwenraad, al meer dan twintig jaar. Die zette zich in voor vrouwenrechten, in het bijzonder het kiesrecht. Zo leerden activistes van vele landen elkaar kennen. Samen richtten zij het “Comité voor Vrede en Internationale Onderhandeling” op om hun stem te laten horen en de oorlogsdreiging af te weren. Zij konden echter niet verhinderen dat het militarisme de bovenhand nam. Toen de oorlog uitbrak bleven zij hun stem over de grenzen heen laten horen. Eind 1914 schreven leidsters van de Duitse vrouwenbeweging een brief naar de Internationale Vrouwenbeweging om eraan te herinneren dat ware menselijkheid geen nationale haatgevoelens kent en dat vrouwen ervoor moesten zorgen dat vrede zou zegevieren. Een groep van 101 Britse vrouwen antwoordde daarop in januari 1915 met een gelijkaardige vredesoproep, de bekende “Open Christmas Letter” waarin zij zich tot de Duitse en Oostenrijkse vrouwen richtten:

“Hoewel onze zonen gestuurd worden om elkaar te doden, en ons hart verscheurd wordt door de wreedheid van dit lot, zullen we doorheen die vreselijke pijn trouw blijven aan ons gemeenschappelijk vrouw-zijn. We zullen geen bitterheid binnenlaten in deze tragedie, die geheiligd is door het levensbloed van onze besten, noch ons laten bezoedelen door haat.”[46]

 

Nieuwe rollen

De Eerste Wereldoorlog veranderde grondig de rol van veel vrouwen in de maatschappij. Met honderdduizenden mannen onder de wapens, kregen vrouwen taken die ze nooit eerder hadden uitgeoefend. Ze namen de leiding over van familiebedrijven, ambachtsplaatsen, winkels en boerderijen. In het openbare leven werden ze postbodes, politieagentes, brandweervrouwen, tram- en busconductrices. Ze leerden de stiel van elektricien of automechanieker. Ze werden telefonistes, typistes en bankbedienden. Vrouwen waren ook nauw betrokken bij de oorlogsinspanningen zelf. Vrouwenorganisaties zetten zich in om kleding te verstellen, truien, mutsen en handschoenen te breien, hulppakketten voor soldaten klaar te maken, aanmoedigings- of troostbrieven te schrijven. In de oorlogvoerende landen werkten veel vrouwen in de wapenfabrieken.

 

De verpleegsters van de Groote Oorlog

Deze poster vestigde de aandacht op “L’Océan”, het hospitaal dat, onder de patronage van Koningin Elisabeth van België, in december 1914 in de kuststad De Panne werd georganiseerd voor de vele gewonden aan de nabije frontlijn.

Het bekendste beeld is echter dat van verpleegster. Met tienduizenden werkten ze in veldhospitalen langs het front en verder in de ziekenhuizen naar waar de gewonden werden overgebracht. Het grondwerk hiervoor — verpleegkunde voor oorlogsslachtoffers — had Florence Nightingale in de tweede helft van de negentiende eeuw gelegd. De posters die vrouwen naar het beroep lokten stelden ze als “witte engelen” voor die verzorgden en troostten. In gewone omstandigheden gold dat zeker, maar de omvang van de veldslagen en het aantal gewonden vergden nu buitengewone inspanningen van de verpleegsters en stelden ze voor vaak onmenselijke opdrachten.

Aan de frontlinie, als duizenden zwaargewonden werden weggehaald en in massa’s bij elkaar lagen, moesten verpleegsters snel beslissen wie geen kans op overleving maakten en wie wel: alleen de laatsten werden weggevoerd. Als directe nood het vroeg moesten zij op verhakkelde armen en benen amputaties uitvoeren. Ze moesten met slachtoffers van vergassing leren omgaan met gevaar zelf de toxische stoffen in te ademen. In de veldhospitalen was het verzorgen van soldaten met oorlogstrauma’s uiterst confronterend. Soms moesten veldhospitalen snel ontruimd worden als granaten van de bewegende frontlinie hen begonnen te bereiken. Dan weer moest het veldhospitaal vooruit schuiven als de eigen troepen vorderingen maakten. Ongeveer vijftienhonderd verpleegsters stierven zelf aan ziektes zoals tyfus en influenza of aan het oorlogsgeweld als ze dicht bij het front werkten. Dat laatste was het geval van de Nederlandse Rosa Vecht.

Rosa Vecht

Hoewel Nederland neutraal was wilden ook Nederlandse verpleegsters helpen om gewonde soldaten te verzorgen. Een van hen was Rosa Vecht, die zich bij de aanvang van de oorlog aanmeldde in een hospitaal te Antwerpen. Na de val van Antwerpen in oktober 1914 ging ze werken in het Belgian Field Hospital te Veurne in West-Vlaanderen. Op 23 januari 1915 raakte ze zwaargewond bij een bombardement en liet het leven. Ze was 33. In 2015, op de honderdste verjaardag van haar overlijden, werd ze als Nederlandse oorlogsheldin in Ieper herdacht. Speciaal voor haar werd de Last Post gespeeld.[47]

 

Vrouwenleed

Afscheid nemen van zoon en echtgenoot.

Die vrouwen in de schijnwerpers mogen niet doen vergeten wat ontelbare anonieme vrouwen in stilte doorstonden. Wat de oorlog aan miljoenen moeders en echtgenotes van soldaten aandeed valt in geen woorden te vatten. Zij beleefden elk moment ervan vanuit hun perspectief: de militaire oproepingsbrief voor hun man of hun zonen, het afscheid, de zorgen waar zij alleen voor stonden, de angst, de hoop op goed nieuws, de tragiek van de brief of het telegram met de zin: “Tot onze grote spijt moeten wij u melden dat …”, het onnoemelijk verdriet dat nooit volledig zou verdwijnen.

In de bezette gebieden van België en Frankrijk waren de overgebleven mannen meestal werkloos of krijgsgevangen. Ontelbare huismoeders met jonge kinderen moesten jarenlang de doffe ellende van armoede doorstaan. Ook in andere landen, waaronder Nederland, trof de economische ontreddering veel gezinnen. De oorlog betekende vaak uren aanschuiven in wachtrijen aan winkels of aan voedselbedeling. Of aan een wasserij waar moeders en vrouwen toegang kregen tot zeep en warm water, een luxe die ze thuis niet hadden. Geld verminderde in waarde. In de wintermaanden werd brandstof — hout en kolen — de grootste zorg. Overleven was het ordewoord.

 

9.2 Mormoonse vrouwen in de Groote Oorlog

Voor mormoonse vrouwen was de ervaring gelijkaardig als voor vrouwen elders. Zij zetten zich op dezelfde manieren in en leden hetzelfde verdriet.

In Europese landen beantwoordden de vrouwen van de zustershulpvereniging de oproep van hun regeringen om op allerlei manieren hulp te bieden aan de soldaten: kleding maken en herstellen, boeken en tijdschriften verzamelen, hulppakketten samenstellen, als vrijwilligsters in hospitalen werken of bazaars organiseren om geld in te zamelen. De Millennial Star berichtte geregeld over hun inspanningen. Zo vermeldt het nummer van 10 juni 1915, over de eerste vijf oorlogsmaanden in 1914:

Het verslag van de zustershulpvereniging in de Europese zending is zeer bemoedigend. Op een totaal van 188 gemeenten hebben er 95 zustershulpverenigingen, waarvan er 42 deel uitmaken van de Britse zending. Er zijn er 9 in de Duits-Zwitserse zending; 16 in de Zweedse; 21 in de Scandinavische en 7 in de Nederlandse zending. Het totaal aantal leden is 2149, van wie er 725 in Groot-Brittannië zijn, en de totale gemiddelde opkomst is 1351. Ze hebben 8630 bezoeken aan zieke en behoeftige personen gebracht. De leden van de Britse ZHV hebben, naast hun reguliere werk, 2427 kledingstukken gemaakt voor soldaten in het veld, en 488 boeken en tijdschriften verdeeld in ziekenhuizen en legerkampen, als antwoord op een oproep van de Britse overheid aan de Britse vrouwen.[48]

Die dienstbaarheid zorgde er ook voor dat de kerk in een beter daglicht kwam te staan, getuige de talrijke dankbrieven die de ZHV’s van lokale overheden kregen.[49]

Soms had een kleine gemeente geen enkele leidende priesterschapsdrager meer omdat alle mannen in dienst waren. Dan organiseerden de zusters zelf de avondmaaldienst als een getuigenisvergadering.[50] In andere gevallen werd een zuster als secretaris in het gemeentepresidium geroepen omdat er geen andere man meer over was.[51]

Bijzonder belangrijk werden de ZHV’s in Duitsland op het einde en vlak na de oorlog. De enorme inflatie maakte het geld nagenoeg waardeloos. Een artikel getiteld “Wie helfen wir im kommenden Winter am besten unsern Armen?, in Der Stern van 15 november 1918, vlak na de Wapenstilstand, geeft de “Frauenhifsvereine” praktische richtlijnen voor het helpen van de arme zusters met kolen, warme kleding en het inruilen van hun voedingsbonnen waarvoor nu massa’s papiergeld nodig zijn. Het is in zo’n omstandigheden dat het nut en de werking van de ZHV’s blijkt.

Honderden nieuwe verpleegsters en Rode-Kruis-medewerksters marcheren door de hoofdstraat van Salt Lake City.

Dichter bij de gruwel van de oorlog stonden de mormoonse vrouwen die als verpleegster werkten. Ik kon geen informatie vinden over Britse of Duitse verpleegsters die lid van de kerk waren, maar die waren er ongetwijfeld. Utah telde 450 geregistreerde verpleegsters toen Amerika in april 1917 in de oorlog trad. Onder druk van de omstandigheden vroeg het Rode Kruis de rekrutering en opleiding van verpleegsters sterk op te drijven. De “LDS Hospital School of Nursing”, als deel van het LDS Hospital dat de kerk in 1905 had opgericht, was daar uitstekend voor geplaatst. In maart 1918 marcheerden honderden Rode Kruis-werksters vastberaden door de straten van Salt Lake City (foto).[52]

Vanuit Utah vertrokken een veertigtal verpleegsters naar Europa.[53] Ze werkten in veldhospitalen, vaak dicht bij het strijdtoneel. Een van de bekendste werd Dora Maiben, een mormoonse verpleegster uit Salt Lake City. In 1918, op 30-jarige leeftijd, werd zij naar het front gestuurd in het Meuse-Argonne offensief. Daar vervulde ze onder meer, bij hevige gevechten, de zware selectietaak: welke zwaargewonden maken kans te overleven, en welke niet? Na de Wapenstilstand bleef ze werkzaam in Europa, eerst in Servië waar ze in een kinderkliniek werkte en met ezel en kar rondtrok in de dorpen om kinderen te verzorgen. Vervolgens in Montenegro waar ze aan slag ging in een weeshuis dat in een vreselijke staat verkeerde. De bevolking leerde haar appreciëren als de “ ’Merican Nursee”. Dora Maiben keerde later terug naar Utah waar ze in 1978 op 91-jarige leeftijd stierf.[54]

 

10 Herdenken is niet alleen herinneren

De Groote Oorlog maakt stil. Zoveel gruwel, zoveel ellende, zoveel waanzin. Dat herdenken we. Maar herdenken is ook overdenken. Wat kunnen we uit de Groote Oorlog leren? Hoe hebben mogendheden het zo ver laten komen? Wat fokte de vijandschap tegen de andere zo op? Welke mechanismen deden spanningen tot zo’n omvang escaleren?

De oorzaken van de Groote Oorlog waren veelzijdig: groei van nationalistische trots, eisen van landelijke minderheden, rancunes rond de koloniale verdeling van de wereld, wrok uit vroegere oorlogen, vrees voor de macht van de andere en daarom een ongeziene industriële wapenwedloop. Het was geen simpel verhaal waar er maar één schuldige zou zijn.

“Wie de geschiedenis niet kent is gedoemd ze te herhalen”, schreef de Spaanse filosoof George Santayana reeds in 1905. Daarom moet het herdenken van de Groote Oorlog steeds samengaan met vredeseducatie — onze jeugd opvoeden tot vrede. Voor onze kinderen begint vredeseducatie in het gezin en op school, maar ook de kerk is daar de plaats voor. Vredeseducatie is geen naïef pacifisme, maar een doordachte opvoedkundige benadering, aangepast aan elke leeftijd en situatie. Grote vrede begint bij kleine vrede. Hoe leren we luisteren naar elkaar? Waarom pesten kinderen soms anderen en hoe leer je dit te vermijden? Hoe vermijden we polarisatie? Waarom zijn mensen racist of homofoob? Hoe ontstaat radicalisering? Wat is het verschil tussen patriottisme en nationalisme? Hoe werkt ophitsende propaganda? Wat leert ons het verleden?

In welke mate dragen wij als mormonen bij tot vredeseducatie bij onze jeugd? Wanneer sprekers en lesgevers “de wereld” buiten ons zonder meer veroordelen en de kerk voorstellen als de enige “zuivere” plaats, dan voeden we mogelijk afzondering en religieus chauvinisme bij onze jongeren. Wat kunnen we dus in onze eigen kerk, hier bij ons in België en Nederland, meer doen om vredeseducatie in onze lessen en toespraken in te werken?

Ik kijk naar onze jonge Amerikaanse zendelingen. Wat een unieke kans hebben we om hen hierover te onderwijzen. Het gaat om onze gezamenlijke geschiedenis want Amerika vocht hier in twee wereldoorlogen. Laat ze bijvoorbeeld een halve dag het Flanders Fields Museum in Ieper bezoeken en dan een herdenking houden bij het graf van een mormoons soldaat in de buurt. Ook andere historische plekken in België en Nederland bieden zo’n gelegenheden aan. De zendelingen zullen met een veel kostbaarder herinnering en boodschap huiswaarts keren dan de oppervlakkige flarden van folklore en lekker eten.

“Welnu, verwerp oorlog en verkondig vrede, en streef er ijverig naar het hart van de kinderen tot hun vaderen terug te voeren, en het hart van de vaderen tot de kinderen” (Leer en Verbonden 98:16).

Het is merkwaardig hoe deze boodschap voor vrede ook meteen de relatie tussen generaties stelt. Het gaat dan niet alleen om genealogie en tempelwerk, maar ook om een uitnodiging om, in het kader van vrede, het besef van de geschiedenis ter hulp te roepen.

 

 

Voetnoten

[1] “Tribute Paid to the First Ogden Boy to Be Killed,” The Ogden Standard (3 December 1917).

[2] Lilliebell Falck, Lest We Forget: Our World War Heroes (Ogden: Lilliebell Falck, 1927), 26–27. De informatie over George Liddell komt van zijn moeder in dit herdenkingsboek van 1927.

[3] Voor de periode tussen 1909 en 1923 ontbreken rapporten om het precieze aantal leden vast te stellen. In 1908 telde de kerk in Duitsland 3 298 leden. In 1914 waren er, inclusief Zwitserland, 6 992. Zie Jeffery L. Anderson, “Mormons and Germany, 1914-1933: A History of the Church of Jesus Christ of Latter-Day Saints in Germany and its Relationship with the German Governments from World War I to the Rise of Hitler,” MA thesis (Provo: Brigham Young University, 1991), 211–215.

[4] Anderson, “Mormons and Germany,” 51–55; Gilbert W. Scharffs, Mormonism in Germany: A History of The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints in Germany between 1840 and 1970 (Salt Lake City: Deseret Book, 1970), 73.

[5] James I. Mangum, “The Influence of the First World War on The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints,” Master’s Thesis (Provo, UT: Brigham Young University, 2007), 90–95.

[6] Anderson, “Mormons and Germany,” 76.

[7] Ernst Pola, “Feldpostbriefe XXXII, Osterode, den 25. Dezember 1915,” Der Stern 48, no. 7 (1 April 1916): 103–104.

[8] Ernst Schulz, “Feldpostbriefe XXIV. Geschrieben, den 15. November 1915,” Der Stern 48, no. 2 (15 Januar 1916): 29–30.

[9] Gemeld in de Journals van Reed Smoot. Zie Anderson, “Mormons and Germany,” 56, noot 57.

[10] Scharffs, Mormonism in Germany, 58.

[11] Jeffery L. Anderson, “Brothers across Enemy Lines: A Mission President and a German Soldier Correspond during World War I,” Brigham Young University Studies 41, no. 1 (2002): 127–139.

[12] Voetnoot 7 in Anderson, “Brothers across Enemy Lines”. De brief werd bezorgd aan familie van Kessler, die de informatie daarna doorgaf aan het zendingshoofdkantoor.

[13] Richard L. Evans, A Century of “Mormonism” in Great Britain (Salt Lake City, Utah: Deseret News Press, 1937); Bryan J. Grant, “The Church in the British Isles”, Encyclopedia of Mormonism, Daniel H. Ludlow, ed. (New York: Macmillan, 1992), 227–232; Malcolm R. Thorp, “‘The Mormon Peril’: The Crusade against the Saints in Britain, 1910-1914,” Journal of Mormon History 2 (1975): 69 –88.

[14] James Perry, “British Latter-day Saints in the Great War, 1914–1918,” Journal of Mormon History 44, no. 3 (2018): 70–88.

[15] Mijn dank gaat in het bijzonder uit naar James Perry, niet alleen voor zijn kostbaar werk om mormoonse soldaten uit het Britse Rijk te identificeren, maar ook voor zijn grote bereidheid bronnenmateriaal uit de Millennial Star toegankelijker te maken.

[16] Seth Bradley, “A Soldier’s Testimony,” Millennial Star 79, no. 6 (8 February 1917): 85–86. Zijn doodsbericht verscheen in no. 17 van de Millennial Star (26 April 1917): 271.

[17] “A Soldier’s Last Testimony,” Millennial Star 79, no. 21 (24 May 1917): 326–327.

[18] “Died of His Wounds,” Millennial Star 80, no. 14 (4 April 1918): 221.

[19] “A Soldier’s Testimony,” Millennial Star 80, no. 14 (4 April 1918): 220–221.

[20] Joseph F. Smith, “Church Conditions and Statistics,” Millennial Star 76, no. 22 (28 May 1914): 341; 76, no. 23 (4 June 1914): 357; Church Almanac 2013 (Salt Lake City: Deseret Book, 2012), 212.

[21] Joseph F. Smith, “Conference Address,” Report of the 87th Conference of the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (April 1917), 2–4. Meer details over de evoluerende houding van president Smith geeft Kenneth L. Alford, “Joseph F. Smith and the First World War: Eventual Support and Latter-day Saint Chaplains” in Joseph F. Smith: Reflections on the Man and His Times, Brian Reeves and Craig K. Manscill, eds. (Provo, Utah: BYU Religious Studies Center and Deseret Book, 2013), 434–455.

[22] Anderson, “Mormons and Germany”, 58.

[23] Bronnen geven soms lichtelijk andere cijfers aan, maar komen in grote lijnen overeen. Zie Robert C. Freeman, “Latter-day Saints in the World Wars,” in Out of Obscurity:The LDS Church in the Twentieth Century,  29th Annual Sidney B. Sperry Symposium (Salt Lake City, UT: Deseret Book Company, 2000), 111; Robert Freeman and Andrew Skinner, Saints at War: World War I (Springville, Utah: CFI, Cedar Fort, 2018), 100–102.

[24] Op Brigham Young University werken historici aan het inventariseren en bestuderen van mormoonse soldaten in beide wereldoorlogen. Mijn dank gaat in het bijzonder uit naar Prof. Robert Freeman voor zijn grote bereidheid bijkomende informatie te zoeken.

[25] Bronnen voor Stevenson: “Died in Service: Corporal Jens Leslie Stevenson,” Improvement Era 23, no. 8 (June 1920): 714; Freeman and Skinner, Saints at War, 383–388; Mangum, “The Influence of the First World War,” 85–86.

[26] Brandon Johnson, “‘A Perfect Hell’: Utah Doughboys in the Meuse- Argonne Offensive, 1918,” in Allan Kent Powell (ed.), Utah and the Great War: The Beehive State and the World War I Experience (University of Utah Press, 2016), 50 –72 (67).

[27] “Passing Events,” Improvement Era 21, no. 9 (July 1918): 843.

[28] David Moosman, Improvement Era 21, no. 7 (May 1918): 629.

[29] “Passing Events,” Improvement Era 21, no. 1 (June 1918): 752.

[30] James M. Diehl, The War Generation: Veterans of the First World War (New York: Associated Faculty Press, 1975).

[31] Johnson, “A Perfect Hell,” 68–69.

[32] Richard C. Roberts, “The Utah National Guard in The Great War, 1917–18,” Utah Historical Quarterly 58, no. 4 (1990): 328–329 (312–333). Zie ook Alford, “Joseph F. Smith and the First World War,” 446–450.

[33] Sheri L. Dew, Go Forward with Faith: The Biography of Gordon B. Hinckley (Salt Lake City, UT: Deseret Book Company, 1996), 39.

[34] Roberts, “The Utah National Guard,” 330, 333.

[35] Trent Toone, “Mormon soldier from Scipio killed on the last day of World War I still remembered by family,” Deseret News (10 November 2017); Charlie Langdon, “An old story made new once more,” The Durango Herald (29 May 2010).

[36] Falck, Lest We Forget, 7.

[37] Falck, Lest We Forget, 29.

[38] Keith C. Warner, “History of the Netherlands Mission of The Church of Jesus Christ of Latter-Day Saints, 1861-1966,” Master’s thesis (Brigham Young University, Department of Graduate Studies in Religious Instruction, 1976), 65–67.

[39] LeGrand Richards, “Hulp voor de bedroefden,” De Ster 20, no. 4 (15 juli 1915): 218–219.

[40] “Hulp voor België,” De Ster 21, no. 7 (1 April 1916): 113–114.

[41] “De Fransche Zending,” De Ster 17, no. 21 (1 november 1912), 329–333.

[42] “Verslag der Rotterdamsche Conferentie,” De Ster 18, no. 3 (1 februari 1913): 49; “Uit ons eigen zendingsveld,” De Ster 18, no. 5 (1 maart 1913): 84; “Mededeeling,” De Ster 19, no. 10 (15 mei 1914): 160.

[43] Arthur Horbach, “Mormons in Liege during the War,” The Improvement Era 23, no. 3 (January 1920): 262–263.

[44] In Marcel Kahne, Histoire du District de Liège 1889-1997 (typed manuscript), die als bron verwijst naar L’Étoile (février 1949): 23–25.

[45] Christian Euvrard, Socio-histoire du mormonisme en France (1850-1975), thèse (Paris: École Pratique des Hautes Etudes Paris-Sorbonne, 2008), 183ff. Ook andere gegevens over Frankrijk komen uit deze thesis.

[46] Verschenen in het tijdschrift Jus Suffragii (1 January 1915), in Sybil Oldfield, International Woman Suffrage: November 1914 – September 1916 (New York: Taylor & Francis, 2003), 228.

[47] Gudrun Steen, “Oorlogsheldin Rosa Vecht herdacht,” Het Laatste Nieuws (24 januari 2015). Zie ook https://www.canonverpleegkunde.nl/canon/verplegen-in-de-eerste-wereldoorlog-1914/

[48] “Relief Society Work,” Millennial Star 77, no. 23 (10 June 1915): 360.

[49] Anderson, “Mormons and Germany,” 74; Perry, “British Latter-day Saints,” 80–82.

[50] “Harvest Festival,” Millennial Star 78, no. 44 (2 November 1916): 695.

[51] “From the Mission Field,” Millennial Star 80, no. 4 (17 January 1918): 47.

[52] Miriam B. Murphy, “‘If Only I Shall Have the Right Stuff’: Utah Women in World War I,” Utah Historical Quarterly 58, no. 4 (1990): 334–350.

[53] Noble Warrum, Utah in the World War. The Men Behind the Guns And the Men and Women Behind the Men Behind The Guns (Salt Lake City: Arrow Press, 1924), 68–69.

[54] Patricia Rushton, Maile K. Wilson and Lynn Clark Callister, Latter-day Saint Nurses at War: A Story of Caring and Sacrifice (Provo, UT: Religious Studies Center, 2005); James W. Nicholes, Latter-day Saint Nurses at War Project (Typed manuscript, Archival Material, OCLC 52438103), ca. 1990.